terug  begin  verderprepost

26 Spieghel van Sonden

Dit fel geschreven hekeldicht van Jan de Weert, de clerc van surgien uit Ieper, dateert uit het midden van de 14e eeuw. Hij behandelt hierin (naar een Latijns voorbeeld, zoals hijzelf zegt) de zeven hoofdzonden, de tien geboden en enkele kerkelijke en andere gebruiken. Tijdens de bespreking hiervan haalt de auteur uit naar allerlei misstanden die hij ongetwijfeld om zich heen heeft gezien.

Het werk is uitgegeven door J.H. Jacobs (Jan de Weert's Nieuwe Doctrinael of Spieghel van Sonden, 's-Gravenhage 1915). In Verwijs' Bloemlezing uit de Middelnederlandse Dichtkunst (herzien door C.C. de Bruin, Zutphen 1958) is een gedeelte uit dit werk opgenomen. Hieraan heb ik het onderstaande fragment ontleend.

 

Een van de hoofdzonden is ghiericheit (‘hebzucht’), waarin weer verschillende ‘graden’ kunnen worden onderscheiden; de eerste graad is eerzucht, de tweede simonie en de derde woeker.

 

 
Die vierde graet volcht hierna,
 
Die heet Latrocinia.
 
Dats diefte, als: goet te nemen met vare,
 
Daer mens niet en wort gheware,
[p. 181]

Opmerkingen

1Latrocinia (2) is ‘roof/diefstal’ (diefte uit 3)
2aJacobs heeft de mogelijkheid geopperd dat bet in 26 een verschrijving is voor diet. Een ander hs. heeft: Want dat ghemeen ghebet es hem jegen.
ballen (55): lees al af (aldus Jacobs).
3aHet oude recht maakte onderscheid tussen diefstal en roof (vgl. 3 t/m 5). Het eerste wordt wegens het heimelijk karakter ervan strenger gestraft dan het tweede.
bOok de aansporing tot een misdrijf (vgl. 42 en 56) werd als een misdrijf gezien en als zodanig bestraft (zelfs als de daad niet was uitgevoerd).
cAanbevolen lectuur over misdaad en straf: R.C. van Caenegem, Geschiedenis van het strafrecht in Vlaanderen van de XIe tot XIVe eeuw, Brussel 1954. (Het onder 3a vermelde kan men lezen op blz. 124 van het hier genoemde werk; het onder 3b vermelde op blz. 42.)

Opdracht

3 als = ....
3 t/m 12 Welke soorten diefstal worden in dit gedeelte genoemd?
3 t/m 5 Wat lijkt je het verschil tussen de eerste soort diefstal (goet - gheware) en de tweede soort (Te - steden)? Let hierbij op de betekenis van met vare (Wdb. vaer).
4 mens = ...+.... Waarnaar verwijst het tweede deel?

[p. 182]
5
Te stelene in heimelike steden,
 
Of valsch ghelt op ketel smeden,
 
Borsen sniden om dat ghelt,
 
Of vanden riemen tselver smelt,
 
Of beesten bi daghe of bi nachte
10
Stelen ende villense om smeer oft om vachte;
 
Want dit moetmen al met vresen doen
 
Ende decke crighen si haren loen.
 
Die oec beleyt hebben van steden
 
Ende dan met machte bi ghiericheden
15
Nuwe assisen ende scalke ocketten
 
Op tfolc visieren ende in setten,
 
Op dat sire af ghenieten moghen;
 
Of ander beleyders, die daer poghen,
 
Dat si der ghemeenten goet vander poort,
20
Dat totten ghemeynen orbaer hoert,
 
In haer selves bate legghen.
 
Dats quader dan diefte, mochment segghen,
 
Want si stelent al den ghemeynen armen,
 
Diet pinen, besweten ende becarmen.
25
God haetse allen die des plegen
 
Ende altgemene bet es hen jegen;
 
Elc haetse oft vloexe lude oft stille.
 
(Oec valtet dicke - wachts hem die wille! -
 
Dat si in haer sonden smoren
30
Sonder biechte, soe blijft verloren
 
Die ziele; dats te duchten zere.
 
Dat goet en sal oec nemmermere
 
Op haer oer ten derden erven;
 
Dus laet God die quade verderven,
35
Want men mach met lichten dinghen
 
Die quade ghewoente niet weder af bringhen.)
 
Soe wort die ghemeente dan verwoet
 
Om tgroet onrecht dat men hem doet,
 
Ende maken ghevecht ende discort,
40
Daer dicke af comt ghewelt ende moert;
 
Ende van al datter in messciet
 
Es oersake diet ierst makede of riet.
 
Die oec om gonst oft om scat
 
Die ghemene vriheit van der stadt
45
Pinchieren ende breken laten,
 
Sijn ghierich, valsch, voer Gode verwaten.
 
Die corn oft wijn oft ander goet
 
Valscht anders dan God wassen doet,
 
Olie, botere, wolle of vlas,
50
Dats grote sonde; elc hoede hem das.
 
Die wijn bereiden of maken claer
 
Die droeve is, lanc ende swaer,
[p. 183]

6 Wat wordt bedoeld met op ketel? Wat betekent op hier? (Dit is niet een oude Germaanse straf zoals bijv. radbraken, levend begraven en onthoofden. Deze straf komt pas vanaf de 13e eeuw in de teksten voor.)
7 Welke werkzaamheid stel je je voor bij borsen sniden?
8 smelt: Woordsoort?
8 Welk woord ontbreekt in deze regel (t.g.v. samentrekking)?
9 Welke beesten zouden hier bedoeld zijn?
11/12 Vertaal deze regels en maak duidelijk waarnaar dit verwijst.
13 Die: Woordsoort?
13 Wat betekent oec hier?
13/18 beleyt, beleyders: Wat wordt met deze woorden bedoeld?
14 met machte = ....
15 t/m 17 Wat doet men met machte en bi ghiericheden en met welk doel gebeurt dit?
18 Wat wordt door Of nevenschikkend verbonden?
19 Hoe is de woordgroep der ghemeenten goet vander poort opgebouwd?
20 totten ghemeynen orbaer = ....
22 Waarnaar verwijst Dat in Dats?
22 t/m 24 Vertaal deze regels.
25 Waarnaar verwijst des? Waarom staat het woord in de genitief?
26 Wat zou altgemene diet betekend hebben? (Zie opm. 2a)
28 Ontleed in zinsdelen: wachts hem die wille.
28 t/m 31 Vertaal deze regels.
32/33 Wat wordt hier over de onrechtmatig verkregen goederen gezegd?
34 t/m 36 Zeg in eigen woorden wat hier wordt meegedeeld.
37 Waarbij sluit Soe aan?
38 hem: Enkel- of meervoud?
37 t/m 42 Geef dit gedeelte in eigen woorden weer.
44 Wat wordt bedoeld met die ghemene vriheit van der stadt?
43 t/m 46 Vertaal nu deze regels.
47 t/m 50 Welk type dieven komt nu aan de beurt?
52 Waarbij behoort de bepaling Die droeve is, lanc ende swaer? Wat wordt ermee bedoeld?

[p. 184]
 
Si dooden die lude ende maken cranc;
 
Als si mesvallen inden dranc,
55
Daer sijn si allen occusoen.
 
Alle diet raden of diet doen
 
Sijn vander graciën Gods versteken,
 
Ende al eest dat sire biechte af spreken,
 
Elc pape te absolveren hem wacht;
60
Want den biscoep toehoert of sijn macht.
 
Die vunsch coren minghen met niewen,
 
Of dat droghe met water bescrywen -
 
Soe dijt het ende waert te mere vele -
 
Of backers, die gruys doen in haer mele
65
Meer dan die scoef op tfelt uut gaf,
 
Of hoer broet backen te laf
 
Van water, opdat te meer sal weghen,
 
Dats al valsch; wachts hem dies pleghen!

53 Welke stijlfiguur tref je hier aan?
53 t/m 55 Naar wie wordt verwezen met Si in 53? En in 54? En in 55?
54/55 Zeg in eigen woorden wat hier wordt meegedeeld.
59 hem: Woordsoort?
60 Wat is het ond. bij toehoert?
60 Wat wordt door of verbonden?
58 t/m 60 Vertaal deze verzen.
62 droghe: Woordsoort?
62 bescrywen = ....
63 dijt komt van het ww .... Betekenis?
63 Wat wordt in Soe hervat?
62/64/66 Ga na wat door of verbonden wordt (3 ×).
67 Wat is het ond. bij sal weghen?
68 wachts hem dies pleghen: Ontleed in zinsdelen en delen van zinsdelen.
61 t/m 68 Vertaal nu dit gedeelte.

prepostterug  begin  verder