De lucht


auteur: W.A. Holterman


bron: W.A. Holterman, De lucht. Gewone en zeldzame verschijnselen van den dampkring. N.J. Verhoeff, Rotterdam 1859  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Hoofdstuk XII.
Het noorderlicht.

Zeven en vijftigste les.
Wat men door het Noorderlicht verstaat.

Een verschijnsel in den dampkring, dat eingelijk meer in de Poolgewesten te huis behoort; doch nu en dan ook bij ons gedeeltelijk kan worden waargenomen, is het Noorderlicht.

Het ontstaan van hetzelve is tot nu toe een raadsel,

[p. 87]

ofschoon vele geleerden getracht hebben hetzelve te verklaren.

Het bestaat hoofdzakelijk uit eene kleurige kringafdeeling, die zich boven den noordelijken horizon verheft, en door eenen schitterenden witten ook wel roodachtigen boog omvat is, waaruit na kortere of langere tusschenpoozen, stralen, lichtvederen en vurige verschijnselen in de gedaante van korenschoven of pluimen uitstroomen, en zich ten laatste in het schedelpunt des waarnemers vereenigen.

De meeste en volkomenste, alsmede de fraaiste noorderlichten, worden in het hooge Noorden, dus in Siberië, Lapland, IJsland, Groenland en Noord-Amerika waargenomen.

Het menigvuldigst verschijnen zij aldaar, na de herfst- en vóór de lentenachtevening, en nemen doorgaans in de vroegste avonduren een' aanvang.

Hunne duurzaamheid is verschillend; bij sommigen is deze slechts eenige uren, terwijl anderen den ganschen nacht door schitteren.

Naar den Equator of de linie toe, worden de noorderlichten allengs zeldzamer en flaauwer; het zuidelijkst oord, waar men op ons noordelijk halfrond het noorderlicht heeft waargenomen, is Lissabon.

Een soortgelijk verschijnsel heeft ook aan de Zuidpool des aardbols plaats. Het moet aldaar natuurlijk Zuiderlicht genoemd worden.

Om beide deze benamingen echter te vereenigen,

[p. 88]

kan men het verschijnsel in het algemeen, ook zeer gepast Poollicht noemen.

Acht en vijftigste les.
Het Noorderlicht in Siberië.

Siberië schijnt het ware vaderland der noorderlichten te zijn,

Een geleerde geeft over de verschijnselen van hetzelve in dat land de volgende beschrijving.

Het neemt een begin met enkele blinkende zuilen, die in het noorden en bijna gelijktijdig in het westen oprijzen.

Deze zuilen worden allengs grooter tot dat zij een groot gedeelte van den hemel bedekken. Zij schieten met eene ongeloofelijke snelheid van de eene plaats naar de andere, en verbreiden zich ten laatste over den ganschen hemel tot aan het schedelpunt.

Alsdan ziet men de lichtstroomen zich op deze hoogte vereenigen, waardoor de hemel zulk een' glans, bekomt, alsof hij met een onmetelijk tapijt van robijnen en saffieren ware bedekt.

Men kan zich niets prachtiger voorstellen, veel minder afschilderen; doch men aanschouwt dit heerlijk schouwspel ook den eersten keer, niet zonder

[p. 89]

ontzetting: want deze overigens zoo doorschijnende onafzienbare verlichting is, volgens de verzekering van vele waarnemers, met zulk een hevig sissen, kletteren en ratelen verbonden, dat men het duizendwerf herhaalde knappen en kraken van het allergrootste vnurwerk meent te hooren.

Om dit verschrikkelijk geraas te noemen, bedienen zich de inwoners alsdan van eene uitdrukking, die zoo veel zegt, als: de razende geest gaat voorbij.

De jagers, die de blaauwe en witte vossen aan de oevers der IJszee vervolgen, worden dikwijls door deze noorderlichten overvallen; en hunne honden zijn dan zoo beangst, dat zij zich op den grond nederleggen, en het onmogelijk is hen van de plaats te krijgen, alvorens het geraas heeft opgehouden.

Dit luchtverschijnsel wordt gewoonlijk door helder en fraai weder gevolgd.

 

Deze berigten, dus vervolgt de verhaler, heb ik niet uit den mond van een' enkel persoon, maar van eene groote menigte menschen, die vele jaren in deze gewesten, tusschen de Jenisey en Lena, vertoefd hebben, zoo dat men deze in het minste niet betwijfelen kan.

 

EINDE.