1Dus lang: tot zo lang; onwaardelyck versmaadt: schandelijk met smaad overladen; op het schótst: op het allerergst (schots: verkeerd, vreemd).
2bejeghent met de neck: met de nek aangekeken; getrótst: getrotseerd, tegengewerkt.
3't leedt verkrópt: te verbinden met heb ick; ydel pratten: nutteloos wrokken (pratten: pruilen, mokken).
5bromt: pronkt, dus: klinkt dat niet weids genoeg. Pluto: god van de onderwereld.
6vervooghster: gebiedster, heerseres; den hel: vgl. vs. 44 des hels, veranderd in de uitg. van 1636 in der hel, vgl. vs. 113 der hel. In het Mnl. was het woord vrouw., maar in het Hollands van de zeventiende eeuw leefde het verschil tussen mnl. en vr. genus niet meer, de Twe-spraack had gepleit voor des bij vanouds vr. woorden.
11onderwond: ondernam; tót baat: tot verbetering (nl. van mijn toestand); bedeghen van bediën: geslaagd.
12het pronomen dat wijst vooruit naar de inhoud van de volgende zin; my zelf myn' konsten vielen teghen: mijn kunstgrepen richtten zich tegen mij zelf.
13stonden nae: hadden het gemunt op; zó: indien, komt zelden met plqpf (vs. 16 gemart had) voor; kamerling: kamerheer.
14opghemaackt: opgestookt, opgezet; had toeghestelt den spring: de klem had gereedgemaakt.
16gemart had: getalmd, getreuzeld had; gevangens: gevangenen; mellen door assimilatie uit melden: verklappen, doorslaan.
18staan nae 't ryck: streven naar de macht; by: door; verdicht: verzonnen.
19zyn, vs. 20 hem wijzen terug naar kamerling; misschien nu: is het mogelijk dat nu (vgl. deze zeventiende-eeuwse constructie met: misschien wie, misschien wanneer).
21euv'ler: slechter; als 't dient: als redelijkerwijs te verwachten was.
22gluurt over dwers: kijkt mij scheef (met wantrouwen) aan.
23ick leg (=lig) te laagh: ik ben te zwak, ik beteken te weinig (Ned. Wdb. VIII, 843); laas: helaas.
24-25my vlijen tót duicken: mij schikken in onderwerping.
25hangends hóófts: oude absolute constr.: met hangend hoofd.
26opghejuckt: onder het juk gebracht; een kortswyl schóón: een mooi tijdverdrijf (ironisch).
27opgeblazenheidt: zelfgenoegzame trots, verwatenheid; ten eind ick: ... te verbinden met: neem' aan...
28in danck: dankbaar; met neighen: in onderworpenheid.
56voeren slordigh veer: zich zedeloos gedragen, elders bij Hooft een veer van leven en de samenstelling veervoeren; onderaardtsche póllen: minnaars uit de hel.
58om een' hoeck slaat: een hoek omslaat (om een verborgen plek te zoeken).
59omgordt met slangekranssen: met slingers van slangen als een gordel om het middel.
60Men leidt verkeerde lust: men geeft toe aan ontaarde lusten; averechtse: op de heksensabbat dansten de heksen in een kring met de gezichten naar buiten.*
61daghvaart: oorspr. dagreis, de voor een gerechtelijke of plechtige handeling bepaalde dag of termijn, hier: samenkomst; om in 't gemeen te raen: om gemeenschappelijk te beraadslagen.
62zyn' steê: zijn vaste plaats; Icker uit nicker: boze geest, hier opperste duivel.
63zit reghter van 't beleedt: spreekt het beslissend oordeel in het overleg, in de aanhangige zaken.
64neemt alle zaken op: neemt de zaken in behandeling.
125met wóórden en met schrift: met gesproken en geschreven toverformules.
127ick ben 't: dan ben ik het; is 't dat; cond.: indien; u mach gebreken: gij behoefte mocht hebben, voor u nodig mocht zijn, u wenselijk mocht voorkomen.