Van zynen heere met den brandt begost te dreighen.
Als oversten verwaant de heilghe vreed' onteeren,673
Eer dat de nóóddwang op komt; wat ontgelt 'er dan674
675
Helaas! al menigh man
Dien 't scheel niet aan en gaat, den schuld van weenigh heeren!676674b-76
379hun vernuft slypen: hun oordeel, verstand scherpen.
381yet Goeds: een goddelijke macht, met op de achtergrond de gedachte aan de afleiding van de naam God van goed, naar één der kenmerkende eigenschappen van God, de bonitas: God is algoed, deze afleiding o.a. bij Kiliaen; nemen acht: acht slaan op.
386zynes raadts: over zijn besluit, voornemen, genit. afhankelijk van berouwen.
387samentrekking met vorige zin: En hem zoud' blycken...; hoe: dat; al 't best': het enige; verwaent: overmoedig.
383-88deze verzen geven een bewijs voor het bestaan van God, nl. op grond van de voortreffelijkheid van Zijn werken, hier gespecialiseerd op de bouw van het menselijk lichaam. Hooft kan dit gelezen hebben in De opificio Dei van Lactantius.
388Vgl. Lactantius, De opificio Dei, 7: si quid vicissim de altero in alterum transferatur, nihil inpeditius ad utilitatem, nihil deformius ad aspectum videri necesse sit; gemack oft maacksel spillen: nut, bruikbaarheid of de juiste vorm roekeloos opgeven.
389-90Deze beide verzen houden een veroordeling in van de atomenleer, zoals die in de oudheid door Leucippus, Democritus, Epicurus en Lucretius verkondigd was: zij schreven het ontstaan der dingen toe aan het toevallig samenvoegen van kleine, geweerhaakte deeltjes, atomen. Zij ontkenden dus de scheppende macht van God.
390het ongebonden lót van eenigh wildt geval: de grillige beschikking van één of ander blind toeval.
399geen verstandt magh dit verstandt bekrygen: geen (menselijk) verstand kan deze (goddelijke) ratio bestrijden.
400verkeert: ontaard; heeten swyghen: het zwijgen opleggen.
399b-402een aanval op Epicurus en zijn volgelingen, in het bijzonder op Lucretius in zijn De Natura Rerum. Zij beweerden, dat er wel goden waren, maar dat deze zich niet in het minst bemoeiden met de Schepping.
402Montaigne, Essais II, 12: Hommes... qui taschent d'estre pires qu'ils ne peuvent!
405d'yvrighe gemeent: het godvruchtige volk; brandt, en róóck: brand- en reukoffers.
406vieren: vereren; ajuin en lóóck: bij de Egyptenaren kwamen deze gewassen als godheden voor.*
407't innigh tsaghen: het liefdevol ontzag, hierin ligt de ambivalente houding van de mens tegenover God, enerzijds de liefde, anderzijds de vrees, het ontzag.
405-408Hierachter staat wel een tweede bewijs voor Gods bestaan, het zgn. etnologische: alle volken aanbidden een god, daaruit moeten wij concluderen tot het bestaan van God; dit bewijs gaat terug op Cicero: De Natura Deorum.
408rekent: beschouwt als; luck: voorspoed; plaghen: straf; typische uiting van volksgeloof, waartegen de bijbelse verkondiging zich verzet, vgl. bv. het boek Job en Lucas 13:1-5.
449zegsvróuw: vertolkster; dit beleidt drijf ick: deze functie vervul ik.
450myn best: naar mijn beste vermogen; nae reên: volgens recht en billijkheid.
451goedtheên: weldoende machten; ons óit te nut uytdeelden: zich te eniger tijd als nut aan ons schonken.*
451-52aDeze verklaring voor het ontstaan van de goden gaat vooral terug op Euhemerus van Messene (340-260), maar bestond ook reeds daarvoor, vgl. Cicero, De natura Deorum I, 42, 118: Quid, Prodicus Cius, qui ea quae prodessent hominum vitae deorum in numero habita esse dixit, quam tandem religionem reliquit? De christelijke schrijvers, vooral Lactantius, bestreden deze theorieën heftig. Vgl. ook Montaigne, Essais II, 12.
514nóórdschen moed: woeste gezindheid (Mnl. nortsch, van norren: knorren is al vroeg in verband gebracht met een geheel ander adject. nortsch: Noords.)
580als de misdaad vloeckt: als de misdaad de vervloeking veroorzaakt; de peenen af te bidden: de straffen door gebed af te weren, dus: om genade te smeken.
585van dezer uur: van dit ogenblik af (dezer dat. bij 't vrouwel. uur na van).
586meen ick: conditionalis; slae my: dan moge mij treffen.
593ten krachtighsten volvoer: zo hecht mogelijk voltooie.*
593-96Vgl. Montaigne, Essais II, 26: Tacitus recite que, parmy certains Roys barbares, pour faire une obligation asseurée, leur maniere estoit de joindre estroictement leurs mains droites l'une à l'autre, et s'entrelasser les pouces; et quand, à force de les presser, le sang en estoit monté au bout, ils les blessoient de quelque legere pointe, et puis se les entresuçoient.
598het uyt en 't inwendigh vier: bij het uytwendigh vier moeten wij denken aan het gewone vuur, het symbool, waarin deze godin aanbeden wordt vgl. vs. 637; het inwendigh vier is wel het goddelijk pneuma (uiterst fijn verdeeld vuur) dat volgens de Stoa de kosmos vulde, het leven vormde en in stand hield.