terug  begin  verderprepost
[p. 48]

Tweede bedrijf

zeghemond
 
'T zy veel óft luttel hun vernuft de menschen slypen,379
380
Zy vinden dat 'er meer is dan men kan begrypen:
 
En dat 'er is yet Goeds, gewoon te nemen acht,381
 
Met hartelycke zórgh, op 't sterffelyck geslaght.382
 
Oóght op u: ghy zult licht bevroeden hoe uw' leden383
 
Zó t' zamen zyn gevoeght, en op alzulcke steden;384
385
Dat, die de maght had, en veranderde van plaats385
 
Een lidt alleen, hem zoud' berouwen zynes raadts:386
 
En blycken hoe al 't best', dat zyn verwaandt bedillen387
 
Wist uyt te reghten, was gemack oft maacksel spillen.383-88388
 
Dus niemands reên voor dees' geschicktheidt dancken zal389
390
Het ongebonden lót van eenigh wildt geval.389-90390
 
Nóchtans uw vader, doen hy u besloot te telen,391
 
Geen overleg en maackt1 hoe dat hy deze deelen
[p. 49]
 
Toereeden zoud' van minst tót meest; en zó bequaam,393
 
Dat geen den andren let, zoud' moghen voeghen t' zaam.394
395
Daar moet dan wezen kracht van wysheidt, die met naeder395
 
Goedtgunstigheidt, uw nut bevordere', als uw vader:
 
En de gedaant' ontwerp', en zó de stóffe vly,397
 
Dat het in 't laatst tót dus een meesterstuck gedy.398
 
Dit 's Gódtheidt. Geen verstandt magh dit verstandt bekrygen,399
400
Ten zy misschien een mensch verkeert wild' heeten swyghen400
 
Zyns harten stercke stem, die luide roept hier van:
 
En dat hy garen zoud' zyn bózer als hy kan.399b-402402
 
Dies weet myn toeverzight geen' gissinge te maken,403
 
Dat Gódtheidt emmermeer uyt het gelóóf zal raken.404
405
Want d' yvrighe gemeent met bidden, brandt, en róóck,405
 
Voor Goden vieren zoud' veel eer ajuin en lóóck,406
 
Als zórghelózelyck verwerpen 't innigh tsaghen,407
 
't Welck rekent alle luck voor lóón, en ramp voor plaghen;405-408408
 
Maar op wat zede dat de Gódtheidt wezen wil409
410
Met eer en lóf gedient; hier in is gróót verschil:
[p. 50]
 
En schier zó menigh vólck, zó velerlei gezintheidt.
 
Wien wysheidt het verstandt genezen heeft van blindtheidt,
 
Die stemmen over een, dat geen ding bet gevalt413
 
Aan 't eeuwigh Wezen, als de deftighe gestalt414
415
Van een opreght gemoedt: en Gódt niet aangenamers415
 
Heeft als het hailigh hól en zuivre binnekamers416
 
Van vromer borst, daar zich een hart hóudt met der woon417
 
In d' edel' eerlyckheidt der deughden opgezoôn.418
 
Maar dwaasheidt algemeen, slaande' in den windt de reden,419
420
Zoeckt Gódt te paaijen met een pracht van staatlyckheden.420
 
't Welck nutter is nóchtans, en bet de zinnen schuimt,421
 
Als woestheidt, die den dienst der Gódtheidt heel verzuimt.
 
Dóch naedemaal men niet komt over een in dezen,423
 
(Hoewel elck heftigh hóudt zyn' zede best te wezen)424
425
Zó kan 't gelóóf des vólx, gegrondt op wanckle waan,
 
Wel lichtlyck walen, en geraken om te slaan,426
 
Door zatheidt van het óuwd', óft door het kloeck bekleden427
 
Van eenigh nieuw gebruick, met schyn van betre reden,428
 
Die list óft yver dicht. In dit deel hangt de staat429
430
Des priesterdoms voorwaar aan eenen fynen draat.
 
Nóchtans, indien het wil zyn' konst te wercke stellen,431
 
Het zal, met dezen draat zó teêr, om verre vellen
 
De trónen hóóghgebóuwt, en standers vast geplant,433
 
En bruicken teghens 't landt de wapens van het landt.434
[p. 51]
435
Uyt dit bedencken quam 't in Duitslandt, dat 'er d' óuwden435
 
De kraft des priesterdoms den mannen niet betróuwden;436
 
Maar 't opperste gezagh in 't geestlyck stonden toe437
 
Aan 't vróuwlyck zaat: op dat de flaauwte van gemoe438
 
Haar moght ontraân den staat der heerschappy te schaden,439
440
Het welck lichtdoenlyckheidt een stóut hart' aan moght raden.440
 
De vórsten boven dien, nóch niet gerust van geest
 
In d' onderpriesters, die men veel uyt mannen leest,441-42442
 
Behóuwden aan zich zelfs 't bewyzen der genaden,
 
En willen dat zy straf doen over de misdaden.443-44
445
Zó dat van hunner handt geen mensche vordring smaackt:445
 
En yeder paap ontzigh; maar niemandt aanhang maackt.446
 
Dit ryck hóudt dezen voet. 't Naastgóddelyck vermoghen447
 
Des konings heeft daarom my dus hóógh opgetoghen448
 
Tot zegsvróuw van den zin des hemels. Dit beleidt449
450
Dryf ick, myn best, nae reên, met d' andre geestlyckheidt.450
 
De goedtheên, die zich zelfs ons óit te nut uytdeelden,451
 
Verheffen wy als Goôn;* maar eeren z' in geen' beelden.451-52a
[p. 52]
 
Want sterflyck hóóft verziert (hoe diep het zich berae)453
 
Geen maacksel, óft 't en gaat hunn' heerlyckheidt te nae.454
455
Oóck zyn wy ongewoon, 't geen, dat zich niet begrypen455
 
Van al de wereldt laat, in tempels te benypen:456
 
Maar wijen wel, tot eer der heiligheên, in 't woudt,457
 
Een' levendighe kerck, van ongekorven hout,456-58458
 
't Welck, met zyn' telgen breedt en hemelhóghe tóppen,
460
Het dartelmakend licht bestaat den wegh te stóppen:460
 
En stelt van binnen toe een' akelycken dagh,461
 
Die 's menschen hart bestelpt met óótmoed, en ontzagh.462
 
Wat marmorsteene vloer óóck zoud' zich konnen roemen463
 
By voettappeet van kruidt, gespickelt met haar' bloemen?
465
Wat wanden ryck vermaalt, óf wat beeldthóuwery,465
 
Wat órde van gebóuw is zulcke, dat het by466
 
Een' schaduwrycke beemd in majesteit magh halen?
 
Al deden pórfir, jasp, en góudt, des hemels stralen,468
 
Met spiegelgladde glans, afstuiten, en de zon469
470
Daar, met zyn hel gezight, geen óógh op hóuden kon:
 
Wat zoud' het wezen by de pylers der bosschaadjen,
 
Zó reizigh, en gekapt met weelighe pluimaadjen472
 
Van aardighvloeijend lóf? by stammen nemmer lós473
 
Van klimop, geborduurt op groen fluweelen mós?
475
Het kóstelycke koor zal d' óghen haast verveelen;475
 
Maar nemmermeer het frisch der scheemrighe prieelen:476
[p. 53]
 
Welcke', als ghy duizendmaal en duizendmaal beziet,477
 
Van duizendmaal aanschouwt op een gestalte niet.478
 
Want waar ghy op kyckt, óft daar is nieuw groen gesproten;479
480
Oft voghel schudt de blaên; óft windt verschiet de loten.480
 
Maar toeft. Hier komt de Rei van nonnen, die zich spoên,
 
Met voorbereidt gemoedt, om ófferandt te doen
 
In dit bejaarde bos der opgeschoten' eicken,
 
Van welcke 's menschen óógh de kruin nauw kan bereicken,
485
Aan de Gódin des vuurs: en, volghens de geboôn
 
Van onzen koning óudt, in 't aangezight der Goôn,
 
Als t' hunnen overstaan, en dat zy 's draghen kundschap,487
 
Te leggen vaste vreed', en stichten tróuwe vrundschap,
 
Daar de gemeent' om wenscht, in 't heerschende geslaght.489
490
Komt vóórts gewyde schaar, een' yeder met uw' draght,490
 
Dien ghy gódvruchtigh hebt in handen puur geladen:491
 
Ghy met den hamer: en ghy met de droghe bladen:492
 
Ghy met het wieróóckvat: ghy met het hailigh zóut:
 
Ghy met de zoete meed: ghy met het vuurenhóut.494
495
De goedighe Gódin des vuurs heeft geen behaghen495
 
In 't reutlen van het bloedt der dieren neêrgeslaghen,496
 
Door het móórddadigh woên van scherpe byl óft knyf:497
 
Het stenen moedelóós, in scheên van ziel en lyf,498
 
En kan in haar gemoedt geen' heughlyckheidt ontsteken:499
500
Maar z' is van aardt als liefd', waar by zy wordt geleken:
 
Die alles wat 'er is, in goedtheidt, overtreft.
 
Om 't autaar dan uw' keer doet, en haar' lóf opheft.502
[p. 54]

Rei van nonnen, Penta, Rycheldin, Baeto, Catmeer, Hes, Rei van jonckvróuwen

rei van nonnen
 
O edelste Gódin, geboren alzó ras503
 
Als van dit gróót heelal de schets ontworpen was,504
505
Nódigh is het dat in schóónheidt wyck
 
Alles voor uw' schóónheidt zuiverlyck.506
 
Niet zó klaar, niet zó braaf, niet zó streng, niet zó fier,507
 
Niet zó bly, niet zó mild, niet zó lief als uw vier,
 
Naar het uytert zyn' kracht.509
510
Dies zingt uw' hóghen lóf het Duitsch geslaght.510
 
O gróótste vijandin der dóódt, ghy schut alleen'511
 
Haar' tóght by wintertydt, en laat ons niet vertreên512
 
Door 't geweldt van sneeuw, en haghel kóudt,
 
Die1 zy, met een' nóórdschen moed, uytspouwt,514
515
Over duin, over del, over veld, over vlack515
 
Over bos, over broeck, over den, over dack,516
 
Over zee, over zandt;
 
En jaaght een' bleeckheidt aan 't bestorven landt.518
 
T'hans neemt ghy d' overhandt, en doet ontspringen uyt519
520
Hunn' diepen doffen slaap, de bómen en het kruidt.
 
Lover en2 gras weêr winnen 't veldt.
 
En de trótse Ryn van moede swelt,522
 
Door het peklen der sneeuw op de berghen vergaardt,523
[p. 55]
 
Door het smelten van 't ys, dat hem schorste zyn' vaardt:524
525
Des hy stort ongetóómt,525
 
En schuurt de stranden uyt waar heen hy stróómt.
 
Door 't speelzieck windekyn, Weckleven bygenaamt,527
 
Dat uyt den westen dan met laauwe blaasjens aamt,528
 
Minnevuuren ghy alomme stoockt:
530
En de raauwste harten murruw koockt.530
 
Des de tierende wolf, over zó zoete pyn,531
 
Zet het wóudt over end; en de leeuw de woestyn;532
 
En de walvisch de zee:
 
En al het kleen gediert dat volleght mee.
535
Dan bloeit en zich verheught al waar een geest in speelt:535
 
Elx bloeisel vólght het zaat, dat zyns gelyck dan teelt.536
 
U, Gódinne, komt de danck hier af.537
 
Zonder u, de wereldt waar een graf.
 
Wat zou 't zyn met den staat van het menschelyck gildt,539
540
Zó ghy daar, o Gódin, niet uw' handt aan en hildt?
 
Och! 't verging alzó knap,541
 
Door flaauwt van min, en kraft van vijandschap.
 
Wie dóch, Gódinne gróót, zoud' opwaarts óghe slaan,
 
Had ghy niet 's hemels pel vernaait met góude draên,544
545
Dat zy, met zó menigh beeldt bemaalt,545
 
Als een voettappeet der Goden praalt?
 
Och! de zonn' en de maan stonden zonder gezight,547
 
Zonder glans, zonder gloor, zonder lust, zonder licht,
 
Waar 't dat ghy 't niet en deedt:
550
En al de starren in de róuw gekleedt.550
[p. 56]
zeghemond
 
O zalighe Gódin, die niet in ope lampen
 
Wilt hebben, op genaad van reghen, windt, en dampen,552
 
Bewaart het eeuwigh vier, naer andre vólcken zeên;553
 
Maar het onleschbaar houdt in deze keizelsteen554
555
Van 't overóudt altaar: wilt jonstelyck ontsluiten555
 
De korst, die 't licht verschuilt, en laat de voncken spruiten.556
 
Lóf dy, Gódin. Het vuur vat in de droghe blaên.557
 
Reickt nu het zuiver zout, en vuure sporten aan,558
 
Om de kruipende vlam tót blaakren op te stoken.559
560
Daar is geglommen kool. Reickt wieróóck om te smoken.560
 
O zalighe Gódin, wy blakren tot uw' eer,
 
Wy róken tót uw lóf: sla goedertieren neêr
 
De stralen van uw óógh, 't welck alles kan doordringen,
 
En voeren zyne kracht tót in het diepst der dingen.
565
Sla neêr, sla neêr uw óógh op 't konincklyck geslaght:
 
En met uw' gloedt vermurwt van wederzyd 't gedacht.566
 
En hecht te zamen 't hart van onze koninginne,
 
Door vaste vriendschap, met het harte der vórstinne.568
 
Dat d' eendraght van het hóf tót 's vóllex heil gedy.
570
Mevróuwen, u gelief te komen naeder by,
 
En looft elckandre tróuw te geener tydt te breken.571
penta
 
Maar ghy, paapinne, moest den vloeck des viers uytspreken,572
 
Tót doemenis van die zal quetsen het verbondt.573
[p. 57]
zeghemond
 
Gróótachtbre koningin, myn naam is Zeghemond.
575
Ick bid, gebiedt myn ampt niet dat het overtrede.575
 
De misdaadt doemt zich zelf, en brengt zyn' vloecke mede.576
 
Die keert des hemels jonst van de misdaders af,577
 
En dryft hun heftigh toe de vreeze van de straf.578
 
Maar wy zyn tusschen Gód en mensch gestelt in 't midden,
580
Om, als de misdaadt vloeckt, de peenen af te bidden.580
 
En 't sterffelyck geslaght te lichten hunn' ellendt.581
penta
 
Nóchtans, op dat alhier myn yver werd bekent,582
 
Zó zal ick vloecken zelf, als die myn' tróuw wil gae’ slaan.583
rycheldin
 
Gelyck uw' Majesteit my voorgaat, zal ick nae’ gaan.584
penta
585
Opreghte vriendschap sweer ick u van dezer uur:585
 
Oft, meen ick 't anders, slae my 't helsch en 't hemelsch vuur.586
zeghemond
 
Tót dees' belóften, o Gódinne, geef uw' zeghen.
 
En doet ghy, o vórstin, hier uw' belóften teghen.
[p. 58]
rycheldin
 
Opreghte vrundschap sweer ick u van dezer uur:
590
Oft, meen ick 't anders, slae my 't helsch en 't hemelsch vuur.
zeghemond
 
Tót dees' belóften óóck, Gódinne, geef uw' zeghen.
baeto
 
Al wat myn' vróuwe doet grypt plaats van mynen't weghen.
zeghemond
 
Op datmen dit verbondt ten krachtighsten volvoer,593
 
Uw' reghter duimen reickt, dat ickze t'zamen snoer,
595
Om 't laauwe bloedt daar uyt van wederzy te pricken:
 
't Welck u gelieven zal elck 's anders in te slicken.593-96596
 
Ghy, o Góddinne, ghy die hebt in uw bestier597
 
De wercking van het uyt en van 't inwendigh vier,598
 
Verduwt zó met uw' warmt dees' dróppelen van bloede,599
600
Dat yedre dezer twee van 's anders bloedt zich voede:
 
En elx gemengde bloedt met jonst nae 's anders treck:601
 
't Welck haar tót zaligheidt, en 't landt tót welvaart streck.602
catmeer
 
O heughelyckste dagh die my óit quam te voren!603
 
My dunckt ick uyt het graf verrys, en word herboren
[p. 59]
605
Ten leven van nu aan. O gemaalin, uw' deughdt605
 
My, in dees' dorre schórs, herscheppen doet een' jeughdt,606
 
Bedauwt met vreughden, die de geest nauw kan verswelghen.607
 
't Zal nu eens zyn een endt van steuren en van belghen.608
 
Myn geest (die, alzó lang als vróuw en kindren streên,
610
Zich gaf te recken twe verscheide weghen heen,610
 
En deerlyck scheuren liet, om geen van beide deelen611
 
Te vallen af) gevoelt alree zyn' breucken heelen,
 
Mits uw' vereeniging. Waar door dat ick verwacht613
 
't Geluck vóórtaan gevest te zien in myn geslaght.614
penta
615
Tsint ghy my deze króón, myn heer, op 't hóóft deed voegen,615
 
Voeghd ick myn' zinnen, om in alles te genoeghen616
 
Myn' man en opperheer. Wat uwer harte smaackt,617
 
Daar heeft myn hart wel haast zyn' wellust af gemaackt:618
 
En al myn' eerzucht is uw' gróótheidt te believen.619
catmeer
620
Myn' kindren, nemmermeer laat deze vrundschap klieven620
 
Van eenigh misverstandt. Maar dat vergólden zy621
 
Door u, dit harte van de koningin tót my.622
baeto
 
Voor tróuw van onzer zyd', heer vader, wilt niet vreezen.
[p. 60]
rycheldin
 
Heer vader, 't wit van ons' gemoên zal stadigh wezen,624
625
Uw' en haar' Majesteit, op 't nedrighst, dienst te biên.
 
Gelieve 't maar voor goedt te duiden, zó misschien626
 
Yet, teghens onzen zin, moght onverhoeds gebeuren.
catmeer
 
Die, zonder opzet, quetst, die quetst licht zonder steuren.628
zeghemond
 
Mevróuwen, eer dat ghy vertreckt van dezer stee,
630
Zó drinckt, uyt eenen kóp, beid' van dees' zoete mee:630
 
Die met haar' krachten u de zinnen zal verluchten.631
 
Dit leer' u, maatschappy te maken van genughten.632
 
Gódin, op dat uw brandt van geen onhailigh nat633
 
Des reghens last en lyd', zó stort ick hier dit badt
635
Van warmmakenden dranck, uyt de gewyde vlesschen,
 
Op het gewydt altaar, om hailighlyck te lesschen636
 
Het hailigh zighbaar vier. Blyft jonstigh, en betracht637
 
Altydt de welstandt van het heerschende geslaght.
 
Ghy, konincklyck gezin, versuft door 't angstigh duchten,639
640
Kleedt uw' gemoên in vreughd, en doet de zórghen vlughten.
rei van jonckvróuwen
 
Waar zyt ghy vórsten, die, alleenlyck om te woeden
[p. 61]
 
Met bloedtvergieten, staagh, uw nemmerzatte swaardt642
 
Voert in der vuiste? daar 't643
 
Gegeven is tót dwang der muitighe gemoeden?644
645
Leert, helden, eens, leert eens, en prent u in te strópen645
 
Het yzer gebruineert, om geenerhande ding,646
 
Als, daarmen, met een' kling,
 
Door hóghe parssing, vreê genóótzaackt is te kópen.648
 
De vreê, de vreê, de vrede' is, vórsten, u bevolen,649
650
Te waren ongeschent, voor 't sterffelycke zaat.650
 
Wie vreê te buiten gaat,
 
('t En zy om vredes wil) zet buiten 't spoor zyn' zolen.
 
Oft, tót onwaardigheidt der hóóghwaardighe wetten,653
 
Al schóón gebeurt, dat een met onreght andren deer:
655
Nóch is het niet zó zeer
 
Uw ampt op 't billyck reght, als wel op vreê te letten.656
 
't Is kleene last het reght te kreucken óft te vlijen,657
 
Als 't het belóóp der tydt, tót vredes steun, begeert.658
 
Maar wordt de vreê bezeert,659
660
De wyze wetten zyn wel haast in bitter lijen.
 
Want, onder 't kryghsgedruis, daar 't scherpe schichten haghelt,661
 
De woestmakende trom, d' aanschennende trompet662
 
En hóren nae geen wet:
 
Met yzre punten wordt de mondt des reghts vernaghelt.
665
Die t' hans, stip op zyn' zaack, geen voordeel wilde ruimen665
[p. 62]
 
Van eer óft van genót, waaght dan zyn' heelen staat,666
 
Naam, ryckdom, ziel, en zaat,667
 
Als 't opgeweckt geweer beknelt is van de duimen.668
 
Helaas! en waaghd' hy maar niet anders dan zyn eighen!
670
En dat de landtman arm het rieddack van zyn kót670
 
Niet af waar, eer men 't slót671
 
Van zynen heere met den brandt begost te dreighen.
 
Als oversten verwaant de heilghe vreed' onteeren,673
 
Eer dat de nóóddwang op komt; wat ontgelt 'er dan674
675
Helaas! al menigh man
 
Dien 't scheel niet aan en gaat, den schuld van weenigh heeren!676674b-76
379hun vernuft slypen: hun oordeel, verstand scherpen.
381yet Goeds: een goddelijke macht, met op de achtergrond de gedachte aan de afleiding van de naam God van goed, naar één der kenmerkende eigenschappen van God, de bonitas: God is algoed, deze afleiding o.a. bij Kiliaen; nemen acht: acht slaan op.
382hartelycke zórgh: liefdevolle bezorgdheid.
383Oóght op u: kijk naar u zelf; hoe: gramm. verbindend voegw.: dat.*
384steden: plaatsen.
385die: indien iemand.
386zynes raadts: over zijn besluit, voornemen, genit. afhankelijk van berouwen.
387samentrekking met vorige zin: En hem zoud' blycken...; hoe: dat; al 't best': het enige; verwaent: overmoedig.
383-88deze verzen geven een bewijs voor het bestaan van God, nl. op grond van de voortreffelijkheid van Zijn werken, hier gespecialiseerd op de bouw van het menselijk lichaam. Hooft kan dit gelezen hebben in De opificio Dei van Lactantius.
388Vgl. Lactantius, De opificio Dei, 7: si quid vicissim de altero in alterum transferatur, nihil inpeditius ad utilitatem, nihil deformius ad aspectum videri necesse sit; gemack oft maacksel spillen: nut, bruikbaarheid of de juiste vorm roekeloos opgeven.
389reên: reden, verstand; geschicktheidt: samenvoeging, inrichting.
389-90Deze beide verzen houden een veroordeling in van de atomenleer, zoals die in de oudheid door Leucippus, Democritus, Epicurus en Lucretius verkondigd was: zij schreven het ontstaan der dingen toe aan het toevallig samenvoegen van kleine, geweerhaakte deeltjes, atomen. Zij ontkenden dus de scheppende macht van God.
390het ongebonden lót van eenigh wildt geval: de grillige beschikking van één of ander blind toeval.
391doen: toen.
1Het hs. heeft hier de juiste lezing maeckt'.
393toereeden: in elkaar zetten; bequaam: geschikt.
394let: hindere; moghen: kunnen.
395met naeder goedtgunstigheidt: met inniger liefde.
397gedaant': vorm; vly: schikke.
398dus een: zulk een, zó'n.
399geen verstandt magh dit verstandt bekrygen: geen (menselijk) verstand kan deze (goddelijke) ratio bestrijden.
400verkeert: ontaard; heeten swyghen: het zwijgen opleggen.
399b-402een aanval op Epicurus en zijn volgelingen, in het bijzonder op Lucretius in zijn De Natura Rerum. Zij beweerden, dat er wel goden waren, maar dat deze zich niet in het minst bemoeiden met de Schepping.
402Montaigne, Essais II, 12: Hommes... qui taschent d'estre pires qu'ils ne peuvent!
403dies: tengevolge waarvan; toeverzight: vertrouwen (naar het Duits, vgl. toeverlaat); gissinge: berekening.
404emmermeer: ooit.
405d'yvrighe gemeent: het godvruchtige volk; brandt, en róóck: brand- en reukoffers.
406vieren: vereren; ajuin en lóóck: bij de Egyptenaren kwamen deze gewassen als godheden voor.*
407't innigh tsaghen: het liefdevol ontzag, hierin ligt de ambivalente houding van de mens tegenover God, enerzijds de liefde, anderzijds de vrees, het ontzag.
405-408Hierachter staat wel een tweede bewijs voor Gods bestaan, het zgn. etnologische: alle volken aanbidden een god, daaruit moeten wij concluderen tot het bestaan van God; dit bewijs gaat terug op Cicero: De Natura Deorum.
408rekent: beschouwt als; luck: voorspoed; plaghen: straf; typische uiting van volksgeloof, waartegen de bijbelse verkondiging zich verzet, vgl. bv. het boek Job en Lucas 13:1-5.
409zede: (godsdienstige) gebruiken, ritus.
413bet gevalt: beter, meer behaagt.*
414deftighe: ernstige; gestalt: gesteldheid.
415niet: niets.
416zuivre: reine.
417vromer: dativus na van; zich hóudt: bevindt.
418eerlyckheidt: eerbaarheid; opgezoôn in (lett. gekookt in): doortrokken van.
419reden: rede, ratio.
420paaijen: bevredigen, verzoenen; pracht van staatlyckheden: luister van ceremoniën.
421bet schuimt: beter zuivert.
423naedemaal: causaal: daar.
424heftigh hóudt: krachtig staande houdt; zyn' zede best te wezen: dat zijn wijze van godsverering de beste is.
426walen: onvast, onzeker worden (in het Mnl. gezegd van een dijk; een waal is een scheur, een breuk).
427kloeck: vastberaden.
428met schyn van betre reden: met de schijn van een betere redelijkheid, gegrondheid.
429yver: godsdienstijver; dicht: verdicht, verzint; in dit deel: in dit opzicht; staat: stand.
431zyn' konst te wercke stellen: zijn macht aanwenden.
433standers: banieren, symbool van de wereldlijke macht.
434bruicken (gebruiken), de zin is: burgeroorlog verwekken.
435bedencken: overweging; Duitslandt: de Germaanse wereld.
436kraft des priesterdoms: macht van het priesterschap; betróuwden: toevertrouwden.
437stonden toe: verleenden.
438zaat: geslacht; flaauwte van gemoe: hun zachtere aard.
439den staat der heerschappy: de status van het gezag.
440lichtdoenlyckheidt: de gunstige geboden kans, gemakkelijke uitvoerbaarheid.
441-42niet gerust van geest in d'onderpriesters: innerlijk de onderpriesters niet vertrouwend.
442leest: kiest.
443-44Vgl. Montaigne, Essais, III, 6 en Tacitus, Germania, VII. Ook bij Xenephon, Machiavelli en Charron.*
445vordring smaackt: voorrechten geniet.
446paap: priester; ontzigh (maackt): vrees inboezemt; aanhang maackt: volgelingen verwerft.
447hóudt dezen voet: volgt deze gedragslijn; 't naastgóddelyck vermoghen: de macht die op Gods macht volgt.
448opgetoghen: verheven.
449zegsvróuw: vertolkster; dit beleidt drijf ick: deze functie vervul ik.
450myn best: naar mijn beste vermogen; nae reên: volgens recht en billijkheid.
451goedtheên: weldoende machten; ons óit te nut uytdeelden: zich te eniger tijd als nut aan ons schonken.*
451-52aDeze verklaring voor het ontstaan van de goden gaat vooral terug op Euhemerus van Messene (340-260), maar bestond ook reeds daarvoor, vgl. Cicero, De natura Deorum I, 42, 118: Quid, Prodicus Cius, qui ea quae prodessent hominum vitae deorum in numero habita esse dixit, quam tandem religionem reliquit? De christelijke schrijvers, vooral Lactantius, bestreden deze theorieën heftig. Vgl. ook Montaigne, Essais II, 12.
453verziert: verzint, bedenkt.
454maacksel: gedaante, vorm; óft 't en gaat hunn' heerlyckheidt te nae: of het doet afbreuk aan hun majesteit.
455begrypen van: omvatten door.
456benypen: beperken, opsluiten in een enge ruimte.
457heiligheên: heilige machten.
456-58Vgl. Tacitus, Germania IX.
458levendighe: levende; ongekorven: niet gekapt.
460dartelmakend: vrolijk makend; bestaat: erin slaagt (bestaan: ondernemen, ten uitvoer brengen).
461stelt toe: brengt te weeg; een' akelycken dagh: een angstaanjagend schemerlicht.
462bestelpt: overstelpt, vervult.
463zoud' zich konnen roemen by: zou in pracht halen bij.
465wanden ryck vermaalt:prachtig beschilderde wanden.
466órde van gebóuw: bouworde.
468pórfir: een soort graniet; jasp: jaspis.
469afstuiten: weerkaatsen.
472reizigh: slank, na de 17de eeuw met ij door bijgedachte aan rijzen; gekapt: getooid.
473aardighvloeijend lóf: sierlijk wuivend gebladerte; lós: verstoken.
475kóstelycke: kostbare, rijk versierde; haast: spoedig.
476het frisch: de frisheid; scheemrighe prieelen: beschaduwde open plekken in het bos.
477welcke', als: nabootsing van een Lat. constructie quas cum = en als gij die...
478op een gestalte: in dezelfde vorm.
479Want waar ghy op kyckt, óft: Ge kunt nergens kijken of...
480verschiet: brengt in beweging.
487als t' hunnen overstaan: onder hun toezicht en autoriteit; 's draghen kundschap: kennis daarvan nemen (met genit. des).
489de gemeent': het volk.
490vóórts: naar voren; draght: wat gij draagt.
491puur: rein, zuiver.
492hamer: als symbool van gewijd gezag bij de Germaanse plechtigheden.
494meed: honingdrank.
495goedighe: zachtaardige.
496reutlen: rochelend te voorschijn komen (Mnl. rotelen).
497knyf: mes.
498stenen moedelóós: wanhopig kreunen; in scheên: bij het scheiden.
499heughlyckheidt ontsteken: vreugde verwekken.
502keer: ommegang; haar' lóf opheft: heft lofzangen voor haar aan.
503alzó ras als: zodra als.
504schets: plan, ontwerp, Lat. idea, forma, exemplar.
506zuiverlyck: rein.
507niet: niets; braaf: edel; streng: krachtig.
509naar het uytert zyn' kracht: naar gelang het zijn kracht openbaart.
510dies: daarom; geslaght: volk.
511schut: houdt tegen.
512haar' tóght: het optrekken van de dood (voorgesteld als een invallende vijand, vandaar vertreên).
1De editie van 1626 heeft hier Dei.
514nóórdschen moed: woeste gezindheid (Mnl. nortsch, van norren: knorren is al vroeg in verband gebracht met een geheel ander adject. nortsch: Noords.)
515del: laagte.
516broeck: moeras; den: kuil, hol.
518jaaght...aan: brengt toe; bleeckheidt: vale doodskleur; bestorven: verstijfd.
519t'hans: weldra.
2Het hs., de ed. 1636 en de latere drukken hebben hier metrisch juist ende.
522moede: trots, fierheid.
523peklen: smelten (eig. van zout gezegd).
524schorste: stremde.
525des: tengevolge waarvan; ongetóómt: onbedwongen.
527Weckleven: bijnaam van de westenwind als lentebode.
528blaasjens: zuchtjes.
530raauwste: (vgl. koockt in hetzelfde vers) gevoelloos; murruw koockt: week maakt.
531tierende: huilende.
532zet...over end: brengt in beroering.
535speelt: roert.
536elx bloeisel: op de bloei van elke plant.
537komt...af: komt toe.
539het menschelyck gildt: het mensdom.
541alzó knap: zeer vlug.
544pel: dekkleed; vernaait: bestikt.
545bemaalt: beschilderd.
547zonder gezight: verdoft.
550in de róuw gekleedt: droevig verduisterd.
552op genaad van: overgeleverd aan de willekeur van.
553zeên: zeden, gewoonten.
554onleschbaar houdt: onblusbaar bewaart.
555jonstelyck: genadig.
556spruiten: uitschieten.
557dy: de oude enkelvoudsvorm drukt eerbied uit.
558vuure sporten: takken van vurenhout (sprot: fijne takjes, Hgd. Sprosz).
559blaakren: opvlammen.
560geglommen: aangegloeide; smoken: roken.
566vermurwt: vertedert, verzacht; gedacht: gemoed.
568vórstinne: prinses.
571looft: belooft.
572paapinne: priesteres.
573doemenis: verdoeming; quetsen: schenden, verbreken.
575overtrede: de perken te buiten ga (nl. van zijn bevoegdheid).
576doemt: oordeelt; vloecke: vervloeking met het uitzicht op de straf.
577keert af: onthoudt; jonst: gunst, genegenheid; misdaders: misdadigers.
578dryft heftigh toe: boezemt krachtig in.
580als de misdaad vloeckt: als de misdaad de vervloeking veroorzaakt; de peenen af te bidden: de straffen door gebed af te weren, dus: om genade te smeken.
581lichten: verlichten.
582yver: vrome gezindheid; werd: conjunctief: worde.
583vloecken: de vervloeking uitspreken; als die: evenals in Mnl. causaal: omdat ik: gae slaan: in acht nemen.
584nae gaan: volgen.
585van dezer uur: van dit ogenblik af (dezer dat. bij 't vrouwel. uur na van).
586meen ick: conditionalis; slae my: dan moge mij treffen.
593ten krachtighsten volvoer: zo hecht mogelijk voltooie.*
593-96Vgl. Montaigne, Essais II, 26: Tacitus recite que, parmy certains Roys barbares, pour faire une obligation asseurée, leur maniere estoit de joindre estroictement leurs mains droites l'une à l'autre, et s'entrelasser les pouces; et quand, à force de les presser, le sang en estoit monté au bout, ils les blessoient de quelque legere pointe, et puis se les entresuçoient.
596elck 's anders: van elkander, vgl. vs. 969.
597in uw bestier: in uw macht.
598het uyt en 't inwendigh vier: bij het uytwendigh vier moeten wij denken aan het gewone vuur, het symbool, waarin deze godin aanbeden wordt vgl. vs. 637; het inwendigh vier is wel het goddelijk pneuma (uiterst fijn verdeeld vuur) dat volgens de Stoa de kosmos vulde, het leven vormde en in stand hield.
599verduwt: stuur in die richting.
601jonst: liefde; nae 's anders treck: naar dat van de ander getrokken worde.
602zaligheidt: hoogste geluk.
603die my óit quam te voren: die zich ooit aan mij voordeed.
605deughdt: goedheid.
606in dees' dorre schórs: in dit uitgedroogde omhulsel, lichaam.
607bedauwt: verkwikt; nauw: nauwelijks.
608steuren en belghen: boos maken en boos worden.
610zich gaf te recken twe verscheide weghen heen: die naar twee verschillende kanten werd getrokken.
611en deerlyck scheuren liet: en zich jammerlijk verscheuren liet, d.i. in tweestrijd geraakte.
613mits: door.
614gevest: gevestigd.
615tsint: sedert, met overgang naar causale of verklarende functie; voegen: plaatsen.
616genoeghen: voldoen, behagen.
617uwer harte: dativus.
618wel haast: weldra; wellust: lust, genot.
619gróótheidt: Hoogheid.
620klieven: splijten, te niet gaan.
621van: door; misverstandt: onenigheid, tweedracht; vergólden: beloond.
622dit harte: dit bewijs van liefde, deze genegenheid.
624wit: doel; gemoên (gemoeden): gedachten, verlangens.
626De zin met heeft irreale-cond. modaliteit, Rycheldin vreest de mogelijkheid; maar: slechts; voor goedt te duiden: ten goede uit te leggen.
628Vgl. Seneca, Hercules Oetaeus 886: haud est nocens quicumque non sponte est nocens; zonder steuren: zonder aanstoot te geven.*
630mee = mede: honingdrank. Het drinken uit één beker gold bij de Germanen als een teken van verzoening.*
631verluchten: ontspannen.
632maatschappy: gemeenschap, dus: uw genoegens te delen.
633brandt: brandoffer.
636hailighlyck te lesschen: volgens de gewijde voorschriften te blussen.
637zighbaar: in tegenstelling met het ‘inwendigh vier’ vs. 598; jonstigh: goedgunstig; betracht: houd in het oog.
639versuft: verslagen.
642staagh: onophoudelijk.
643daar: tegenstellend: terwijl toch.
644dwang: bedwingen; muitighe: oproerige (Mnl. moyte: oproer).
645strópen: ontbloten.
646gebruineert: gepolijst, glanzend (Fr. brunir: polijsten).
648parssing: druk, nood.
649bevolen: toevertrouwd.
650waren: handhaven; 't sterffelycke zaat: het menselijk geslacht.
653oft...al schóón: concess.: ofschoon; tót onwaardigheidt: met schending (Mnl. onwaerde: minachting, geringschatting, smaad); hóóghwaardighe: heilige.
656ampt: taak.
657't is kleene last: 't is een geringe moeite; te kreucken óft te vlijen: te plooien of te schikken.*
658het belóóp der tydt: de tijdsomstandigheden.
659bezeert: geschonden.
661daar: terwijl.
662aanschennende: aanvurende.
665t'hans: zo even, kort te voren; stip: zorgvuldig (nog Noordholl.), t in stipt is secundair; ruimen: prijsgeven.
666staat: positie.
667zaat: nakomelingen.
668't opgeweckt geweer: ter hand genomen wapen.
670de landtman: meew. vw.
671af: weg.
673verwaant: overmoedig.
674ontgelt: moet ontgelden, moet boeten voor.
676scheel: geschil.
674b-76Vgl. Horatius, Ep. I, 2, 14: quidquid delirant reges, plectuntur Achivi. Ook G.v. Velsen 335-336 en De gewonde Venus 120.*
prepostterug  begin  verder