1376vroemórghens uwes tydts: genit. als bep. v. tijd staan dikwijls afgescheiden: in de vroege morgen van uw leven; harden: ontberingen verdragen.
1377rusten in: lett. op te vatten, vgl. ‘in gelycke wiegh’ nl. die van Hercules in vs. 1380; Gódt wóuds: God geve het, moge God het zo beschikken, wouden: besturen (Hgd. walten); voorspoock: voorteken nl. dat hij rust in het schild.
1423-28Vgl. Vergilius, Aeneis II, 781-84a: zorgen, of bij pleck: ter vrije beschikking.
Vgl. Vergilius, Aeneis II, 781-84a: et terram Hesperiam venies, ubi Lydius arva/inter opima virum leni fluit agmine Thybris;/illic res laetae regnumque et regia coniunx/parta tibi.
1429bequaam: geschikt, nl. tot datgene wat in het volgende vers is omschreven.
1448ter heilzaam helle pleck: naar het zalige, hemelse licht. Volgens de Stoïsche voorstelling stegen de zielen van hen die een onberispelijk leven hadden geleid, op tot boven de luchtlaag die de aarde omringt (de aer), waar zij verbleven in de aether, te midden van de sterren, vgl. Lucanus, Pharsalia IX, 1-14 en Somnium Scipionis in Cic. De Rep. VI, 9.
1456Zó menigh eeuwigh myl: Zo menige grote afstand, waarvan elk een lange tijd zou vergen om af te leggen, of: zo menige in de eeuwige ruimte uitstrekkende grote afstand; dat: vervangt hier hoewel.
1457leêghe: ijle; het heldere vier is de aether die het wereldruim vult, het mistig vocht de luchtlaag met waterdamp om de aarde.