Inleiding
De Emblemata amatoria, een wat verwaarloosd, maar belangrijk boekIn 1611 verschenen te Amsterdam bij Willem Ianszoon (Blaeu) Hoofts Emblemata amatoria. Het boek bevat een Voorreden tot de Ievcht, 134 verzen lang, 30 liefdesemblemen en een afdeling lyriek, bestaande uit Ghesanghen, Liedekens, en Sonnetten, gevolgd door de korte Mommery (een spel) en 6 Veltdeuntjens. Deze afdeling beslaat ruim de helft van de bundel (p. 73-144). 1 Als zodanig is deze eerste druk van Hoofts lyrische poëzie weinig of geen aandacht ten deel gevallen. In de P.C. Hooft-filologie ging de belangstelling vrijwel uitsluitend naar de handschriften, een trend die door de voorbereidende werkzaamheden voor de in 1947 ontworpen uitgave van het Verzameld Werk aanzienlijk werd versterkt. 2 De ‘contrastieve’ belangstelling voor de gedrukte teksten ging daarenboven traditioneel uit naar de editie van de Gedichten uit 1636 door Iacob vander Burgh, uitgave die, zoals bekend is, aan de basis lag van al de latere verzamelingen. Aan de positie die de Emblemata amatoria tussen de handschriften en deze Gedichten innemen, werd nog geen studie gewijd. 3 De opdracht aan de jeugd en de eigenlijke embleemteksten zijn, wat voor Hooft haast uitzonderlijk is, echter niet in handschrift bewaard. Voor zijn editie van 1871 verkoos Leendertz, die werkte naar de manuscripten of de oudste drukken, dan ook de voorrede en de disticha in hun gedaante van 1611 weer te geven, al waren die in latere uitgaven steeds in de versie van de Minnezinnebeelden uit de Gedichten van 1636 overgeleverd. 4 Maar ook als realisatie van een bepaald genre wekten de emblemen nauwelijks interesse. Al in 1634 vond een man met smaak als Constantijn Huygens zowel de platen als de Latijnse en Franse bijschriften voor de uitgave van de Gedichten overbodig. 5 Geeraardt Brandt noemde de uitgaven van de Emblemata amatoria niet in 't Leeven van ... Pieter Corneliszoon Hooft (1677), al kende hij de bundel uiteraard wel. 6 Vergeleken met de series van Daniel Heinsius en Otto Vaenius, die het ‘genre’ hebben gemaakt, ging van de |
1 P. Leendertz, Bibliografie der werken van P.C. Hooft, 's-Gravenhage 1931, nr. 17. De gehele bundel in facsimile in: P.C. Hooft, Alle de gedrukte werken 1611-1738, Amsterdam 1972, dl. I.
2 W. Gs. Hellinga, ‘De nieuwe P.C. Hooft-editie. Over winst en verlies’, in: Handelingen der Zuidned. Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, 8 (1954), 59.
3 P. Tuynman, Bijdragen tot de P.C. Hooft-filologie, Amsterdam 1973, 19.
4 De platen werden herdrukt in de Gedichten van 1636, de Werken van 1671 en de Mengelwerken van 1704.
5 Dit getuigenis behandelen we uitvoerig op p. 32-33.
6 P. Tuynman, o.c., 76, noot 67.
|
|
Emblemata zelf, met uitzondering van een Straatsburgse navolging door Jacob van der Heyden, slechts weinig invloed uit. 7 Toch is en blijft de bundel der Emblemata amatoria een belangrijk moment in de geschiedenis van de Nederlandse lyriek en een hoogtepunt in het genre van de liefdesemblemen. Voor Hooft zelf betekende hij een gewichtige stap in de literaire openbaarheid. Nog kort daarvoor had hij zich in een brief aan Heinsius ‘geen schrijver’, d.w.z. een onbelangrijk auteur genoemd, die af en toe iets ‘om de geneuchte’ had gedicht en van wie een en ander ‘tot zijn becommering’ via liedboekjes of afschriften bij het publiek was geraakt. Maar één jaar later was hij daar, duidelijk in het spoor van o.m. dezelfde Heinsius. 8 Wie hierbij zou opmerken dat de Emblemata zonder auteursnaam verschenen, mag niet uit het oog verliezen dat zulke anonimiteit een andere functie had dan de naam van de dichter te verbergen. Ze sloot veeleer aan bij het naamverhullende spel waarmee Heinsius zijn liefdesemblemen de wereld had ingestuurd: een pseudoniem als Theocritus a Ganda wilde meer spitsvondig zijn en de nieuwsgierigheid prikkelen dan de dichter onbekend houden. 9 Een dergelijke geestigheid gaat ook schuil achter het openingsmotto van Hoofts Emblemata: ‘Zy steeckt om hoogh het hooft’. Voor de letterlievende tijdgenoot was de wenk in elk geval duidelijk genoeg. Getuige een passage uit Scriverius' befaamde opdracht in Heinsius' Nederduytsche poemata (1616), waarin de stad Amsterdam, via een zinspeling op haar voornaamste dichter, als de bakermat van de nieuwe renaissancistische literatuur wordt geprezen:
Ook Roemer Visscher beschouwde het auteurschap van Hooft niet als een geheim. Bij wijze van waarschuwing tegen mensen die boven hun stand huwen, koos hij, overigens niet zonder humor, voor een van zijn Sinnepoppen (1614) een versregel van Hooft, m.n. ‘Galathea wacht u wel’ uit het overbekende Vluchtighe Nymph. Het bijschrift luidt: Het woordt ‘Galathea wacht u wel’ is ghenomen uyt de amoreuse liedekens van den overtreffelijcken Nederlantschen Poeet Pieter Cornelissen Hooft: de eenige Phoenix der Duytsche Poeten, die ons tot noch toe verscheenen en ter handt ghekomen zijn. 11 |
7 Zie Bijlage I. In Het groot natuur- en zedenkundigh Werelttoneel van H. Poot en R. Ouwens, Delft 1743-1750, dl. III, p. 305, wordt het Nederlandse bijschrift van het eerste embleem aangehaald.
8 P.C. Hooft, De briefwisseling, Ed. H.W. van Tricht (...), dl. I. 1599-1630, Culemborg 1976, brief 18 (19.4.1618). Verder geciteerd als Briefwisseling.
9 P. Tuynman, o.c., 76, noot 65.
10 Uitgegeven in: L. Ph. Rank, J.D.P. Warners en F.L. Zwaan (ed.), Bacchus en Christus. Twee lofzangen van Daniel Heinsius, Zwolle 1965, 84-95; vzn. 111-12. Cursivering K.P.
11 Sinnepoppen (Ed. L. Brummel), 's-Gravenhage 1949, 50.
|
|
In de herdruk van de Emblemata uit 1618 ten slotte werd de tussentitel van de toegevoegde Brief van Menelaus aen Helena wel van Hoofts naam voorzien. Ook voor Hoofts neef, de Amsterdamse zeevaartkundige, cartograaf en drukkeruitgever Willem Ianszoon, later Blaeu genaamd, waren de Emblemata amatoria een belangrijke eersteling. Deze editie was het begin van een hele serie Blaeu-uitgaven waarin de moderne Nederlandse poëzie aan het woord kwam in werken die stuk voor stuk, in hun genre, tot de hoogtepunten behoren van onze goudeneeuwse literatuur. In de ‘Vergulde Sonnewyser’ verschenen o.m. van Hooft Geeraerdt van Velsen (1613), Granida (1615, 1620), Baeto (1626), Henrik de Groote (1626); van Roemer Visscher de Sinnepoppen (1614, 1618); van Heinsius de Nederduytsche poemata (1616); de Thronus Cupidinis (1618); herdrukken van Cats' Silenus Alcibiadis en Maechden-plicht (resp. vanaf 1619 en 1622). Vanaf 1626 werd Blaeu bovendien de uitgever en beschermer van Vondel, ook in moeilijke omstandigheden. 12 Inzonderheid de embleemboeken uit deze reeks zijn vaak grafische pronkstukjes. Het is bekend welke voorname rol de drukkers in de ontstaansgeschiedenis van menige embleembundel hebben gespeeld. Dat was ook het geval voor de Emblemata amatoria van Hooft, beslist het elegantste specimen uit het genre van de typisch Nederlandse liefdesemblematiek. |
12 Cf. H. de la Fontaine Verwey, ‘Willem Jansz Blaeu, “Mercator sapiens”’, in: Id., Uit de wereld van het boek, III. In en om de ‘Vergulde Sonnewyser’, Amsterdam 1979, 23.
|