[Emblemata Amatoria. Afbeeldinghen van Minne. Emblemes d'Amovr.]
Voorreden tot de Ievcht
|
1 laestverleen: jongste; Maydagh: eerste dag van mei.
3 Van: Door; Minnedraghers: zij die de minne in zich dragen; gildt: gilde; sin: gemoed.
4 Iaer-offer: jaarlijks offer; uyt te reen: gereed te maken; swanck: liet gaan.
6 overgheven: met overgave genegen.
8 suyver-breyn: breinzuiverende (kwaliteit aan de wierook toegeschreven); Roosenhoen: rozenhoeden, rozenkransen.
9 op haer wachten: haar dienden, vereerden.
10 Gheneucht rees: rees vreugde; lust: zin, verlangen.
11 Om: om te; t'halver lucht: halverwege de lucht; in de kosmos bevindt de kring van Venus zich onder die van Saturnus, Jupiter, Mars en de Zon, en boven die van Mercurius en de Maan, dus ongeveer halfweg.
13 oversloech: overzag; dieren: wezens.
14 ghesicht: blik.
15 beseten: bewoond; met: door; onghemeten: talloze.
16 in 't hoochst: in de hoogste kring.
17 Phillyra: bij de nimf Philyra verwekte Saturnus, in de gestalte van een hengst, de centaur Chiron (Metam., VI, 126, waar de nimf evenwel niet wordt genoemd).
18 Daer aen: Vervolgens; met: om; soo: even; snoeperyen: minnarijen.
19 meenichvouwde vondt: menigvoudige list.
|
|
20 swan, stier, geldt: in de gestalte van een zwaan bedroog Jupiter Leda, in die van een stier Europa en in de gedaante van een gouden regen (geld) Danaë.
21 croese sinnen: wilde aard.
22 dulle: dolle; van 't: om te.
23 van: op; heyr: leger.
24 ontlaten: verzachten; speyr: speer.
25 walen: verflauwen; druypen: vallen.
26 om tot haer in te sluypen: m.n. om met Venus de liefde te bedrijven.
27 Phoebus: Apollo, de zonnegod.
30 't hulsel Coninclijck: het koninklijk gewaad.
32 cleen ... pack: zich te kleden in een herderspak. Bedoeld is Apollo's vrijage met Isse (Metam., VI, 124).
33 cluchtighen: pientere; Mercur: Mercurius; soeten ... praten: aangename praatkunst.
34 schallickheyt: schalksheid; en hadden: had niet.
35 Doe: Toen; zy: (Venus); met Herses min: met liefde tot Herses. Zie Metam. II, 722-751.
36 had: was; al mede: ook al; evel: kwaal.
37 Maen: de maangodin Selene; waterighe sinnen: waterige aard (in tegenstelling tot heeten brandt). De vruchtbare maan schonk volgens de toenmalige opvattingen ‘vochtigheyt ... aen de boomen, planten en wortelen, die boven de aerde uitbotten, en aen die onder de aerde zijn’: Ripa (1644), 270-71.
40 Endimion: verliefd op de eeuwig slapende jongeling Endymion kwam de maangodin die iedere nacht kussen; daer: terwijl.
42 m.n. het geslacht van de halfgoden die zich in rang tussen goden en mensen bevinden (middelbaer).
43 ghevaen: gevangenen; vernam: zag, onderkende.
|
|
45 rijcx: heerschappij; haer: zich.
46 spranck: sprong; reesen: zwollen; aren: aderen.
47 prick: prikkeling.
48 Des: Daarom; dien ... houwe: Aeneis, I, 664.
50 woest: wijd; 's werelds ront: van de kosmos, het heelal.
51 Wat: Welke; ken: kent; ons: aan ons.
52 In grenzeloze uitgebreidheid van eeuwigdurende heerschappij.
53 waerdye: waardigheid.
55 meest: het meest.
56 Smeeckertjen: vleiertje; dus: als volgt.
57 machmen: kan men; looghen: leugen.
58 houden: het houden, standhouden; moghen: kunnen.
59 spijt: belediging; zy: is.
60 't laechste rondt: de laagste planeet vanuit de hemel gezien; snooden: gemene, verderfelijke.
62 aterlingschen bastert: bastaard van onechte geboorte (pleonasme). Vooral gebruikt voor Cupido als smadelijk epitheton.
64 afgherecht: afgericht.
65 Op: tot; guytery: schelmerij; moghen: mogen.
66 reuckeloosheyt slof: lakse onbezonnenheid; bancken; vertoeven.
67 van: door; ghebroedt: beraamd, voortgebracht.
68 daer: waar.
69 quisting: verkwisting; verwartheyt: wanorde.
71 quaet vermoen: achterdocht.
|
|
73 verwilderen: wild maken.
74 Dus: Zo.
75 rooyen uyt: uit te roeien, vernietigen.
76 En... begaen: En konden zij hun gang gaan; geltten: zouden castreren (om zich tegen Venus en haar zoon te beveiligen).
77 haer: hen.
80 Minne: Cupido.
83 bescheyt: billijk.
84 reden: woorden.
85 met strafheyt beginnen: met hardheid aanpakken.
86 't ghelaet: het uiterlijke.
88 weldadicheyt: mildheid; wert: wordt.
89 vernoeghen: tevreden stellen, genoegen doen.
90 licht: gemakkelijk; met reen: met woorden, argumenten; wil voeghen: vatbaar is.
91 die...acht: wie de redelijkheid niet in acht neemt; te pyne: de moeite.
92 vervaert: vrees inboezemt.
93 behoeden: verdedigen.
94 zijn reden goedt: zijn goed gelijk.
95 reden: gelijk, argumentatie.
96 nut: nuttig; recht: juist, billijk.
97 met onderwijs van reden: met voorlegging van bewijzen, met argumenteren; haer: hen.
99 nauw: nauwelijks; ghy: (zoals) gij.
101 allen oorden: overal.
|
|
102 ghereeder: gemakkelijker in de hand.
103 oudt: hier tegenover de jeugd van Cupido (v. 99).
104 Doe Venus: Toen zei Venus.
105 cloeck: aanzienlijk.
106 henlie: hun.
107 Onderrechter: onderrichter, onderwijzer; datmen ... can: dat men slechts de goede dingen kan misbruiken en de beste dingen ook het meest.
111 Door... dien: doordat; bruycken: gebruiken.
112 rechte: juiste; gheleghentheydt: omstandigheid.
113 spade: laat.
114 Libers: van Liber of Bacchus, de wijngod; verheughende ghenade: vreugdeverwekkende gunst, gave.
115 weetse: weet ze (die gunst).
116 stichting: veroorzaking; misval: ongeluk; swaricheen: moeilijkheden.
117 Wilt: Venus richt zich nu in de directe rede tot het mensengeslacht of zegt voor wat Cupido moet zeggen.
118 merrech: merg; suycken: zuigen; drooghen uyt, uitdrogen (causatief).
120 port: por aan, wek op.
121 daer: waar.
122 immers: althans; waerdich: waard; verdrieten: mv. van verdriet.
124 reden: woorden.
125 welbereede: welbespraakte.
126 Of fluister ze een minnaar in, om (ze) in uw plaats verder te verkondigen.
127 van: naar.
|
|
128 staet: toestand (naakt, met pijl en boog).
130 laste: gelastte.
131 van gheleerder handt: door een ervaren hand.
133 vast: verbonden; af: van; verleyden: afleiden, afbrengen.
134 onbescheyden raet: domme raad, onverstandige raadgevingen.
|