[p. 82]

III [Een treckt my.] +  *


 

 Een treckt my.
 
 Dan soo veel schoonen, die des Werelds dop bedeckt,
 En isser niet als een daer hart en zin nae treckt.
 Una rapit.
 
 Mille stellarum rem lux habet unica mecum,
      Os semper cujus vergit in ora meum.
 Vne me tire.
 
 Quoy que le Ciel se pare, il n'y à qu'une flame,
 Emmy ant de flambeaux qui ravisse mon ame.
 +  a. des Werelds dop: het firmament; niet als een: slechts één; daer: waar; nae: naar.
1636: niet dan een
b. Eén trekt aan
 Van duizend sterren heeft een énkel licht met mij een band:
 naar zijn gelaat zich mijn gelaat bestendig keert.
c. Eén trekt mij.
 Al tooit zich de Hemel, te midden van zoveel (sterren)fakkels
 Is er maar één die mijn hart rooft.


[p. 83]