[p. 102]

XIII [Zy brandt en beeft.] +  *


 

 Zy brandt en beeft.
 
 Verwondert u de vlam? O Min, 'tis weynich reens:
 Het hart des Minnaers brandt en tziddert al alleens.
 Tremit et ardet.
 
 Concalet, ac tremulo petit ignis acumine coelum.
      Spe simul ardet amans, febricitatque metu.
 Tovsiovrs en crainte & esperance.
 
 La flamme en s'eslevant est tousiours tremblotante,
 L'Amoureux n'est iamais sans crainte & sans attente.
 +  a. reens: begrijpelijk: al alleens: eveneens
b. Het trilt en brandt.
 Het laait, het vuur, en met trillende tongspits likt het ten hemel.
      Hoop zet gelijk de minnaar in vlam, en koortsrillen doet hem de vrees.
c. Altijd in vrees en hoop.
 De opslaande vlam beeft altijd,
 De verliefde is nooit zonder vrees en zonder verwachting.


[p. 103]