[p. 104]
XIV [Ick voed' een vvondt.] + *
- Ick voed' een vvondt.
-
- Een lidtmaet dat ick voed, my in den strick verwart;
- Dat's 'tooch: door dese wondt vaert my de pijl in't hart.
- Vulnus alo.
-
- Corde laborantis solum mea plaga videre est.
- Esse, sed haud caecum, te scio vulnus, amor.
- Ie nouvrris vne playe.
-
- Las ie nourris mon mal, c'est l'oeil qui me fourvoye;
- Par cette bresche Amour obtint mon coeur en proye.
|
+ a. 'tooch: het oog 1636: Een lidt (ach!) dat ick voê, b. Ik voed een wond (= Vergilius, Aeneis, IV, 2 of Ovidius, Fasti, III, 682).
- Alleen in het hart is bij mij de kwaal van mijn lijden te merken.
- Ik weet dat gij een wond zijt, liefde, maar geen blinde!
c Ik voed een wonde.
- Helaas, ik geef voedsel aan mijn kwaal; het oog misleidt me;
- Langs deze bres bekwam liefde mijn hart tot prooi.
|