[p. 204]

Bijlage 2

De Straatsburgse bewerking

Met deze bewerking bedoelen we een kleine anthologie uit de Nederlandse liefdesemblematiek, bestaande uit 13 emblemen, waarvan er 11 afkomstig zijn uit de Emblemata amatoria:

EMBLE = / MATA / AMORIS.
Typis Jac. ab / Heyden.
4o. 13 kopergravures van ongeveer 165 mm hoog en 100 mm breed.
Geen signaturen.

Elke pictura in de vorm van een ovaalvormig medaillon, omgeven door een telkens verschillend kader in een typisch barokke ornamentatie.

Onder elke pictura is een Latijns motto met distichon en een Duits kwatrijn gegraveerd. 1  

 

De vermelding van de drukker laat gemakkelijk toe het drukje in de tijd en in de ruimte te situeren.

Jacob van der Heyden (Straatsburg 1593 - Brussel 1645) stamde uit een Mechelse kunstenaarsfamilie die omstreeks 1590 naar Straatsburg was uitgeweken. Hij was in die stad werkzaam als schilder, beeldhouwer, graveur, uitgever, drukker en boekverkoper. Zowel als graveur en als drukker-uitgever heeft hij aan verschillende embleembundels meegewerkt. 2   De serie liefdesemblemen wordt omstreeks 1620 gedateerd. Het laatste nummer is ontleend aan de Tronus Cupidinis van De Passe uit 1618.

De bloemlezing is als volgt samengesteld. Als eerste embleem en als titelblad fungeert het 8e nummer uit Heinsius' Ambacht: ‘Amoris semen mirabile’. Dan volgen achtereenvolgens uit de bundel van Hooft, met overname van de motto's en de disticha van Plemp:

2. Una rapit (= Hooft III)
3. Unius splendor a[l]teri ardor (= XVII)
4. Nil sine te (= VII)
5. Uni Pareo (= XIX)
6. Irrevocabile (= XVI) (de enige pictura die niet is omgekeerd)
7. Eadem Cantilena (= XXI)
8. Carcer Voluntarius (= XXVII)
9. Serva sed secura (= XXVIII)
10. Cur tu praeponeris mihi (= IX)
11. Latet error (= XXIX)
12. Verba dedit (= XXV).

Het slotembleem is, zoals gezegd, genomen uit Tronus, I, 10: ‘Quid amor quam vera palaestra’ (zie ook Thronus, D2v).

 1  M. Praz, o.c., 323. J. Landwehr, French, Italian, Spanish and Portuguese Books of Devices and Emblems 1534-1827. A Bibliography, Utrecht (1976), nr. 268. Het boekje is uiterst zeldzaam. De bekende bibliofiel Sir William Stirling Maxwell bezorgde er, op 25 exemplaren, een facsimile van in 1872.
 2  Zie J. Landwehr, German Emblem Books 1531-1888. A Bibliography, Utrecht-Leiden (1972), nrs. 148, 150, 565, 567, 571, 573, 576, 577, 578, 579, 580 en U. Thieme und F. Becker (Hrsg.), Allgemeines Lexikon der bildenden Künstler von der Antike bis zur Gegenwart, XVII, 17-19.


[p. 205]

De volgorde van Hoofts Emblemata heeft Van der Heyden niet gerespecteerd, maar kennelijk niet zonder reden. Vooraan prijken drie sterre- of zonne-emblemen; de drie kooi-prenten werden samengeplaatst, evenals de emblemen die een verwijt tegen de geliefde inhouden (10, 11, 12).

Het is boeiend vast te stellen hoe in deze wat rudimentaire en minder gedetailleerde natekeningen steeds de significante elementen uit de achtergrond zijn opgenomen. Zelfs het zwanenpaartje uit embl. XXI ontbreekt niet. Een uitzondering vormt de bukseboom van embl. XXV: die blijft in plaat 12 afwezig.

 

De Duitse kwatrijnen bij de Emblemata amatoria luiden als volgt:

 2.
 Im himmel nur einnen Sterne steht,
 Nach dem sich wendet der Magnet.
 Also auf erdt leucht ein allein,
 Die ansich zeucht das hertze mein.
  
 3.
 Der Sonnen glantz ein feür durchs glasz
 Macht brennen baldt ohn aller masz:
 Also der liebsten klaren schein,
 Enzündt in mir dasz hertze mein.
  
 4.
 Was ich bin, das bin ich allein,
 Durch meiner klaren Sonnen schein:
 Wendt sie abr von mir das gesicht
 So bin ich von mir selber nicht.
  
 5.
 Gleich wie viel Schlüssel ins gemein
 Einer allein geht ausz und ein,
 Also nur ein mein hertz genüst
 Dasz selb eroffnett und beschlüst.
  
 6.
 Wan du dich hast in Lieb ergebn,
 So kanst nicht mehr zurucke streben,
 Als weng ein pfeil wieder zufassn,
 Wan er von der Senn ist gelassn.
  
 7.
 Wie ein Eijchörnlein das raht wendt,
 Also die Lieb'treijbt mich behendt,
 Stäts in hoffnung und nichs erlang,
 Dasz ende ist gleich dem anfang.
  
 8.
 Ich flihe nicht ob ich wol kan,
 Und findt mien kaffig offn stahn,
 Wer von der Liebe ist gefangn,
 Hat nach der freijheit kein verlangn.
  
 9.
 Im kafig hat der vogel platz,
 Ihn frist kein Habicht oder katz,
 Also untter der Liebe bandt,
 Ist man ausz gefar allerhandt.


[p. 206]

 
 10.
 Von zweijen Rosen eben schön
 Man eine wehlt last d'ander stehn
 Also es in der lieb geschicht,
 Die wal nicht nach der würde sicht.
  
 11.
 Der Angel in dem aas verborgn,
 Bringet den fisch in angst und sorgn,
 Also manchen Süsz die Lieb scheint,
 Der gfangen ist eh dan ers meint.
  
 12.
 Viel süsse worte und Eijttel tohn,
 Für lange dienst man kriegt zu lohn,
 Wer sich in lieb auff wort verlast,
 Der hatt den windt ins garn gefast.


[p. 207]



afb. 37 Emblemata amoris, titelblad en embl. 1 (ware grootte).

 



[p. 208]



afb. 38 Emblemata amoris, embl. 7 (ware grootte).

 



[p. 209]



afb. 39 Emblemata amoris, embl. 9 (ware grootte).