|
|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | |
207 Aen Joffre van Crombalgh.
1 Me Joffre
2 De wijsen gebieden verliesbaer goedt loshartigh te lieven ende 't2 3 verlooren zonder bedroeven over te setten. Tot houden van 't eerste3 4 gebodt heb ick altoos zoo weenigh wils gehadt, dat het mij billijk4 5 aen maght mangelt, om het tweede te volghen. Die nojt anders dan5 6 spelden en spijkers opzocht om, 't geen hij beminde, naghelvast in 7 zijn harte te maeken, hoe kan 't hem daer afgescheurt worden zon- 8 der ongeneeslijke reeten te laeten? Die gewoon was zelfs de gering-8 9 ste gunsten ende begaeftheden van de geene die hij opperlijk bezint9 10 hield, wt te schilderen ende die beelden in sijnen binnenborst als een'10 11 kappelle te metsen, hoe kan hij zonder mistroostigheit zich zien ver-11 12 laeten van zijnen oppersten toeverlaet, naest God? Evenwel heb ick 13 het geloof niet, dat droefheidt deughd is, oft kante mij met stijfzin- 14 nigheidt tegens allen troost. Te zeer zoude mij wroeghen d'onge-14 15 hoorsaemheidt jegens de geene die onder haer wterste wille mij de15 16 verquikking mijns gemoeds zoo ernstelijk bevolen heeft. Ick en16 17 zoek de rouw niet, maer zij weet mij te vinden. Dujsendt en duj- 18 sendt dingen daeghs haelen mijn schaede op ende meeten ze ten18 19 breedsten wt. Dat d'wterlijke zinnen in 't gedacht draeghen, moet19 20 ‘er nootlijk plaets grijpen. Terwijlmen op leedt peinst is de troost 21 vergeten. Want niemant kan meer dan een ding t'evens denken.21 22 Dit 's een groot mangel in den menschelijken aerdt: alhoewel de 23 snelheidt der gedachten ten deele de schaede boet, verdrijvende het23 24 eene gedacht het ander dat het niet wtslujten kon. Die fraeje mees-24 25 ters vande konst der heughenisse, eere zoud'ick hun geeven konden25 26 zij ons de vergetelheidt leeren. Neen ook. Zoo waerd is mij het vie-26 27 ren van de gedachtenis der verloorene edelheidt, dat ick eerder 28 wenschte meer te lijden, dan haerder niet gedachtigh te zijn. Oft ick 29 in verlies van overlieve kinderen, door rouwe verovert ben, is UE29 30 bekent. Want afbrek van haeve alhoewel wt de kerf gaende, weet30 31 UE dat mijn vroolijkheidt niet wt haeren tredt deed gaen. Die Se- 32 neca zoo fier tegens de wederspoedt, hoort hem eens kleen zingen,32 33 als hij op Corsica gebannen, den vrijeling Polijbius smeekt. Den33 34 Gascoenschen wijseman, zoo waenlos, zoo oordeelvast (heb ick34 35 eenigh oordeel) dunkt dat ‘er geen’ Zon voor hem opgaet, zedert 36 den ondergang van zijnen Estienne de La Boëtie. UE vergeve dan36 37 aen mijn gemoedt de verslaeghenheidt, dat op veel nae niet, gelijk 38 die helden versien is met kraft van vernuft oft waepen van geleert-38
| | | |
39 heidt, ende verbidde t' mijnen troost den goedertieren God, die39 40 Me Joffre met alle genoeghen opvulle UE ende haeren waerden ge-40 41 mael aen de welke sich van heeler harte gebiedt
42 UE
43 Verplighte dienstwe
44 P C Hóóft.
45 Vanden Hujse te Mujden, 46 den 6en Julij a 1624.
Hooft verontschuldigt zijn ontroostbaarheid door te wijzen op zijn gehechtheid aan de gestorvenen en de onmacht van de menselijke geest, de door zintuiglijke waarnemingen gewekte gedachten bij voorbaat uit te bannen: de omgeving waarin hij leeft en waarin de gestorvenen geleefd hebben, herinnert hem voortdurend aan zijn gemis, zodat de troostende gedachte telkens opnieuw verdrongen wordt, hoe snel men die ook dwingt, terug te keren. Hij herinnert eraan, dat hij altijd om het sterven van zijn kinderen getreurd heeft, maar niet om geldelijk verlies. Tenslotte wijst hij erop dat ook de stoïsche wijsgeren zelf niet altijd tegen de smart bestand zijn geweest.
|
Minuut. UBA II C II. 190. Afschr. KA CLXXIab 18.
2loshartigh: zonder zich te hechten.
3't verlooren: het verlorene; over te setten: prijs te geven (WNT overzetten 2247).
4billijk: begrijpelijkerwijs, met reden.
5maght: kracht; Die: Wie.
8reeten: scheuren, wonden; laeten: achterlaten; Die: Wie.
9gunsten: (van God ontvangen) gaven; opperlijk bezint hield: boven alles liefhad (WNT bezinnen 2479).
10binnenborst: gemoed, vgl. Sonnet, LSt. I, 37; als (in).
11metsen: metselen; mistroostigheit: wanhoop.
14wroegen: moreel kwellen.
15onder ... wille: ‘bij testamentaire beschikking’, als haar laatste wens.
16verquikking: opbeuring.
18haelen ... op: brengen mij mijn verlies te binnen (WNT ophalen 786).
19Dat ... grijpen: Wat door de zintuigen in de geest dringt moet daar noodzakelijk post vatten (WNT plaats 2097).
23verdrijvende ... kon: daar de ene gedachte de andere, die zij niet verhinderen kon, de geest in beslag te nemen, verdrijft.
25de konst der heughenisse: de geheugenoefening.
26de vergetelheidt: het vergeten; Neen ook: Maar neen!; waerd: lief.
29kinderen: Cornelis (overl. 26 januari 1623, elf jaar oud), Geertruid (overl. mei 1615, vier weken oud), Arnout (overl. juli 1620, twee jaar oud) en Arnout (overl. 27 april 1624, twee jaar oud); door ... verovert: door smart overmeesterd.
30Want ... gaen: Want u weet, dat geldelijke verliezen, hoewel ze de spuigaten uit liepen (vgl. 167-171, 178), mijn opgewektheid niet hebben verstoord.
32wederspoedt: tegenspoed; kleen zingen: ‘piepen’.
33gebannen: nl. door Claudius, op Corsica 41-49 n.C. Agrippina riep hem terug en stelde hem als leermeester van haar zoon Nero aan; vrijeling: vrijgelatene; Polijbius: de smeekbeden in consol. ad Polybium, passim; Den Gascoenschen wijseman: Montaigne (C.F.C. v. Nop, a.w., verwijst naar Essais I XXVII, XXVIII.).
34waenlos: vrij van verblinding; heb ick: als ik heb.
36ondergang: dood; Estienne de la Boëtie: 1530-1563, vriend van Montaigne, schr. een antitiranniek pamflet, Contr 'un.
38versien ... vernuft: begiftigd is met kracht des verstands.
39verbidde t' mijnen troost: bewege (God) door uw gebeden, mij te sterken.
40met ... opvulle: behaaglijke vreugde in overvloed schenke.
|
|