De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 1 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn. en Franco Musarra


bron: H.W. van Tricht e.a. (eds.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (eerste deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1976  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 537]

226a Edelen, Gestrengen, Hooghgheleerden, Welwijzen, ende voorzienighen here Mijnen here Diedrick Bas, Ridder, Burghemeester ende Raadt der stadt Amsterdam.

1 Edele, gestrenge, hóóghgheleerde, welwijze, zeer voorzienighe 2 here,

 

3 De wijde wereldt gewaaght van Belisarius Patricius, bet vermaart3 4 door onder dan door opgang, als dien de fórtuin, uijt den triomph-4 5 waghen in d'uijterste armoede schoppende, van eenen geweldighen 6 oversten eenen blinden bedelaar gemaackt hebbe; tót een der 7 krachtighste blijcken, van dat 'er niet zó onbestendigh ende tijde-7 8 lóós is als geleende moghenheidt. Deze, van weghen des kaizars8 9 Iustinianus, in den óórlógh der Góthen, Napels belegherende, 10 kreegh kundschap, hoe zekere waterleiding van buiten ende van10 11 binnen gehecht was aan de vesten, bestaande aldaar uijt een' zelf-11 12 wosse klip, doorboordt pas om water genoegh in te laten. Dit hól12 13 deed hy, om geen geluidt te slaan, in 't ronde uijtschuuren, tót dat13 14 'er een gewapend man door moght, ende schickte der, onder gunst14 15 van de muuren der waterleidinge, in der nacht vier honderdt bin- 16 nen, die, terwijl andere de vesten beladderen, een' póórt opbraken,16 17 ende hem in stadt holpen. Doe die zachtzinnighe René van Anjou,17 18 bezigh met schilderen van een veldthoen, door gelatenheidt in on-18 19 spoedt, óft lust in zijn werck, zonder daar uijt te scheiden, de tijding 20 ontfing van 't verlies zijns koninckrijx Napels, was die stadt, van 21 Alfonso van Arragon, door 't zelve open inghenomen, neghen hon-21 22 derdt vijftigh jaren nae d'andere verovering. Wie is 'er zó vreemdt,22 23 óft hij en roept hier: wat waar hem de kennis der historien waardt23 24 geweest? Ende indien hij 't naederhandt vernomen heeft, welcke 25 klaghten wanen wy dat de zijne geweest zijn, over opvoeders, die25 26 hem niet bet tót die letteren gehóuden, over raadsluiden, die26 27 hem niet geweten hebben te waarschouwen voor zó bederffelijck27 28 een verzuim? Gewisselijck, als aan de historie nóit ander voordeel 29 vast geweest ware, dan men 'er hier mede doen kon, zij had zich 30 gequeten. Maar alle exempelen en strecken zó klaar een spieghel30 31 niet; ende is 't, zonder wel evene overeenkoomst van omstandig-31 32 heden, hachelijck daar op aan te gaan. Nóchtans zullenze een reght-32 33 schapen óórdeel al dapper ten dienste staan: zulx óóck, dat het ner-33

[p. 538]

34 ghens meer heuls aan heeft in 't bestellen van de zaken der wereldt, 35 uijtghezeidt d'ervarenheidt. Deze evenwel, al isse verkreghen door 36 langduurighe oeffening in eenen staat, die met de voortreffelijckste36 37 regeeringen doorgaands in voorvallen van gewight te schiften heeft,37 38 valt bij verandering van órden ende ongheziene toevallen lichtlijck38 39 verleghen. Des heeftze 't handtreicken der historie van doen; de39 40 welcke, boven dien, in 't stichten der zeden en huiszaken van gee-40 41 nen geringen raadt en is. Iae zal zij misschien eenen die haar benaar-41 42 stight, al op luttel nae brengen tót de bequaamheidt der geene, die 43 men in ervarenheidt acht uijtgheleert. Hier van zoude Lucullus ge-43 44 tuighen, die, in 't stuck van den óórlógh, zijnde 't kommerlijckste44 45 beleidt van alle, het zó verre gebraght heeft met betrachten der 46 voorledene geschiedenissen, dat de zon nóit zeghe zagh van zulck 47 eenen glans, als de geene, die hij op Tygranes bevocht. Des de rid- 48 der Brancaccio, óudt hópman, wijst den veldtheer aan de rijckdom-48 49 men der historie, om d'armoede der ervarenheidt te boeten met49 50 uijtlezen der merckelijckste bedenckingen, op allerlei geval van 't50 51 lósse lót der wapenen. Ende indienmen in een ding zó driftigh, zó51 52 schielijck, zó draaijende, dus veel aan de historie heeft, wat zal zij 53 den man van state dienst doen in zaken die den tredt gaan, ende53 54 overleg lijden? Dóch behoeft de geen, dien hare behulpzaamheidt54 55 strecken zal, wel te genoeghen aan eene middelbare belezenheidt in55 56 't gemeen, ende met zekeren eenen óft anderen schrijver zulx zijne56 57 verkeering te maken, dat de stóf aan hem beklijve, als óft hij daar57 58 zelf door heen gegaan waar. Want verloren is 't menighte van ge- 59 schiedenissen van buiten gekent, ende zich aan enckele uijtkoom-59 60 sten vergaapt. Alzó hebben, mijns óórdeels, die gróte óórdeelen ge-60 61 óórdeelt, de welcke, schaffende den verstande spijs, niet zó veel als61 62 't swelghen kon om te swellen, maar verduwen om te groeijen, 63 zich bij de kraften der zelve zó treffelijck bevonden hebben. Alzó 64 heeft Alexander de dichten van Homerus, zijnde in der daadt histo-64 65 rie met poëetsche sieraden verbloemt, Scipio de lessen van Xeno-65 66 phon, Brutus de schriften van Polybius, paus Clement de zevende66 67 die van Tacitus, kaizar Karel de vijfde de gedenckenissen van Com-67 68 mines, de maarschalck Pietro Strozzi die van Caesar inghenomen,68 69 ende gëeighent het voedtsel der voorzienigheidt, daar zij vol van69 70 zijn. Alzó heeft t' onzen tijde koning Henrik de gróte doen blijcken, 71 hoe hem in de kraft zijner jaren te stade quam, 't geen zijne jonck-71 72 heidt, door 't vertólcken uijt den Latijne in 't François, den zelven 73 Caesar had afghezoghen. Voor al dient 'er in getast, ende niet over-73 74 ghelópen, zó men grondt raken zal van schrijvers, die, geenen lust

[p. 539]

75 nemende in platte schilderij, hun werck diepen met schaduwen,75 76 quansuis leeghbaarlijck aanroerende geheimenissen, die zij in de76 77 óren bijten den geenen die der hebben om te hóren. Oórzaack, her-77 78 koomst, toeleg, achterdócht, geneghenheidt, geleghenheidt, wegh, 79 wijze, reden en raadt reppen, zijn leeringen voor de geene die goede79 80 lucht hebben, óft hun vernuft, met vlijt, te bate komen. Maar onder80 81 schrijvers van gelijcke deughd worden ons boven al bevolen, die81 82 uijtgheven 't geen zich naest aen onzen tijdt heeft toeghedraghen.82 83 De waarom is, dat de gelijckaardigheidt tusschen die ende de da-83 84 ghelijcksche handelingen behendighst onderwijst, hoe deze op 't84 85 gevoeghlijckst te slijten staan. Dit inzien heeft mijne ledighe uuren 86 bekoort, om zich te kóste te leggen, aan 't leven van den voorschre-86 87 ven Henrik den Gróten, ende zijn bedrijf, uijt verscheide schriften87 88 opghezócht, in kort Hóllandtsch te vervaten; op hope dat de nae-88 89 druck van zó treffelijcke dingen ten deele zal opweghen, het geen89 90 dat mijn vermoghen te licht valt. Gunst nócht ongunst is mij, in 't90 91 bezonder, van dien koning bejeghent. Indien ick elders zijnen lóf91 92 wat lustigher ophaal, 't moght zijn dat mij gedreven hebbe de ge-92 93 meene zucht onzes vaderlandts, t' zijner Majesteit onsterffelijcker93 94 gedachtenisse, 't welck haar toedoen, in 't opreghten van dezen94 95 staat, zó hóghe is zettende: ende ick, zonder des gewaar te worden,95 96 vervallen zij in danckbaarheidt voor de quijtschelding harer wel-96 97 daden, die ons verplight tót eeuwighe erkentenis. Namelijck, de97 98 naaste eer aan 't betalen, is belijden, wat, ende wien men schuldigh 99 is. Om deze reden hebben vele deftighe personen op het aanschijn99 100 van uijtgegheve boecken getekent de namen der geene, waar in zij100 101 grótelijx waren gehóuden; ende ick, vólghende 't spoor der zelve,101 102 uwer Ed. dit werck willen toeschrijven, om, bij mangel van ver-102 103 geldinge, te verkundighen de gunsten en vrundtschappen, mij van103 104 haar als t'huis gezonden, zommighe eerze verwacht, jae verzócht 105 waren. Het en heeft V. Ed. niet verdroten, in 't drockste der bezig-105 106 heden van state, ende hare wightighe ambassade aan de koninck- 107 lijcke Majesteit van gróót Britanjen, uijt te breken, om mij ende 108 mijne bezondere zaken te draghen, met die zórghvuldigheidt daar108 109 landt en luiden op rusten. Gelijcke goedtwilligheidt is mijn toever-109 110 laat dat het gemoedt uwer Ed. zal nijghen, om 't geen ick haar hier 111 opdraagh als aanghenaam aan te nemen, ende in genade de gebre- 112 ken, zó wel die mij de kinderliefd verberght in deze mijne geboorte,112 113 als die ick zie, ende niet zie te beteren, wezende misschien de113 114 minste menighte niet. Datmen óóck niet alleenlijck magh, maar114 115 moet missen, weet V.Ed. de welcke

[p. 540]

116 Edele, gestrenge, hóóghgheleerde, welwijze, zeer voorzienighe here 117 ick, nevens schuldighe eerbiedenis, Gódt bid in eere ende voor- 118 spoedt altijdt te bewaren, ende in hare goede gunste

 

119 Vw. Ed.

120 Verplighten dienstwillighen

121 P.C. Hóóft.

 

De opdracht van Henrik de Gróte aan Diedrick Bas is tot dusver niet tot de brieven van Hooft gerekend. Een gewone brief is het ook niet; tot r. 85 is het een betoog, naar inhoud en vorm. Daarna gaat dat over in een officiële brief, die, wat de inhoud betreft, aansluit bij een aantal gewone brieven (167-171 en vooral 178 en 201). De grote plaats die Hooft, naar de mode van zijn tijd, aan de groten der geschiedenis, vooral de klassieke, inruimt, stelt hem daarna voor de noodzaak, aan te tonen, dat hij het leven van Hendrik IV beschreven heeft omdat verscheidene staatslieden en veldheren met vrucht de geschiedenis bestudeerd hebben, in het bijzonder de militaire. Hij doet dit van r. 73 tot r. 90, wel handig, maar met zichtbare moeite, want hij vereert Hendrik de Gróte als vredestichter, maar is uitgegaan van een indrukwekkende rij oorlogvoerders. En tenslotte moet hij, na bij Belisarius begonnen te zijn, bij Caron, die hem zijn geld niet teruggeeft, uitkomen. De opdracht en de brief lopen elkaar wel enigszins voor de voeten.