De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 1 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn. en Franco Musarra


bron: H.W. van Tricht e.a. (eds.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (eerste deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1976  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 897]

Woordenlijst

Werkwoorden

aenstaen aandringen
bekennen erkennen
beleedighen (zich tot iets -) zich ergens mee bezighouden
besorghen zorgen voor
bevelen aanbevelen, toevertrouwen
bidden vragen, verzoeken
bijkomen bezoeken
bijzetten (ten geschenke) geven
boeten goedmaken, herstellen, aanvullen
erkennen dankbaarheid erkennen (met een geschenk)
gebieden (zich -) zich aanbevelen (in iemands gunst, vooral bij afscheid)
gebreken ontbreken
gehoudenis verplichting
gelden waard zijn, kosten
gewerden, geworden (c. dat.) ten deel vallen
goedt vinden besluiten
hebben (van doen -) nodig hebben
houden (doen -) overhandigen, bezorgen
houden (de hand aen iets -) ergens achterheen zitten, ergens met aandacht voor zorgen
gehouden zijn in iem. verplichtingen aan iem. hebben
jonnen gunnen
kennen erkennen
ledigh staen nalaten
mangelen ontbreken
moeijen, moejlijk vallen lastigvallen
onderwinden (zich iets -, ook c. gen.) zich verstouten (tot iets)
overkómen overeenkomen
overschrijven schrijven, berichten
passen te zorgen te
proeven beproeven
schikken zenden
toeslaen bij komen
toevaerdighen sturen
toeven, vertoeven naer wachten op
vereisschen eisen
verghen (met dat. of acc. v.d. pers.) eisen van
vermaenen van melding maken van
vernemen (naer) informeren naar
vertoonen mededelen, uiteenzetten
vervorderen (zich -) zich verstouten
vinden bevinden
volgen (laten) zenden, geven
voorstaen (zich laten) geloven, menen

 

adverteren mededelen
adviseren berichten
allegeren betogen
annexeren aanhechten
authoriseren machtigen
citeren dagvaarden
examineren aan verhoor onderwerpen
exploicteren uitvoeren, uitgeven

[p. 898]

impetreren verkrijgen
imploreren inroepen
injungeren bevelen
insinueren verwittigen
intenteren aanhangig maken
compareren verschijnen (voor een of meer gekwalificeerde personen)
contenderen eisen
contenteren tevredenstellen
ordonneren bevelen
perpetreren begaan, doen
persisteren (bij) staande houden
recouvreren verzamelen, bij elkaar zoeken
subreguleren nader bepalen
sustenteren ondersteunnen

Zelfstandige naamwoorden

aenstoot hindernis, struikelblok
deun scherts
gelaet houding, uiterlijk, mimiek (als uitdrukking van het gemoed)
geleghenheit omstandigheden
gemeen de gemene zaak, het algemeen belang
gemeente de gezamenlijke inwoners
huisman boer
jonst gunst, genegenheid
keur verordening
lijf leven
mangel gebrek, tekort
meening bedoeling, plan
nijt afgunst
onleede drukte
onweder slecht weer
parthije tegenpartij in rechte
penningen geld
siere, chiere onthaal
speciael goede vriend
staet stand
toeko(o)mst toedracht, het voorvallen
uitbieding aanbod
verlank belang
vernuft verstand
verwondering bewondering
verzoek bezoek
vondt vondst
voorschrijven aanbevelingsbrief
vriend, vrund familielid; ook: goede bekenden met wie geen verwantschap vaststaat; ook aanspreektitel voor lageren in rang
vriendschap, vrundschap vriendelijke daad
weldaad vriendelijke daad
zinnen geest
zorghe bezorgdheid
zucht (hevige) neiging, genegenheid

amende boete
apostille beschikking op een rekest
appointement beschikking, besluit
certificatie verklaring
debvoir ambtsplicht
depositie getuigeverklaring
dessein plan
doleantie klacht
ex(s)peditie afhandeling
informatie inlichting, gegeven
instantie (dringend) verzoek
interes(t) schade
interinement nadere bevestiging
calomnie laster
contraventie overtreding
conventikel geheime samenkomst
mandament bevel, bevelschrift
officie dienst, ambt
officier ambtenaar
occurrentie voorval
praevaricatie overtreding
procuratie volmacht
remissie kwijtschelding

[p. 899]

rescriptie antwoord
reverentie eerbied
sententie vonnis
substantie hoofdzaak
subventie ondersteuning
suppliant rekwestrant

Bijvoeglijke naamwoorden

aerdigh geestig, leuk, ‘apart’
bequaem goed, bruikbaar
deftigh degelijk, ernstig, ingetogen (niet: door geboorte aanzienlijk)
dienstelijk dienstvaardig uit eerbied
dier duur, schaars
Duitsch Nederlands
gemeen algemeen, gemeenschappelijk; ordinair
gereedt doenlijk, goed mogelijk
keurigh kieskeurig
krank zwak
meeste grootste
min minder
oorbaer nuttig
overbodigh bereid, bereidwillig
reukeloos roekeloos
slecht gering, eenvoudig
sonderling bijzonder
treffelijk voortreffelijk
uitgeseidt uitgezonderd
vorighe vroegere
vroom braaf, dapper
contrarie strijdig
ordinaris gewoon

Bijwoorden

aldaer op de (eventueel niet genoemde) plaats waar gij u bevindt
althans nu
altoos (achtergepl.) volstrekt (vooropgepl.)
daeraf daarvan, daarover
doch toch, ondanks alles
doe(n) toen
dus zo
eersten (met den -) zo spoedig mogelijk
eraf ervan
haest weldra
nimmermeer nooit (versterkt)
noch bovendien
oversulx daarom
pas (dat -) toen, bij die gelegenheid
reden (als -) zoals billijk is
strax dadelijk
sulx dermate
teffens tegelijk
thans daarna
voortaan aanstonds

Voornaamwoorden

allenman iedereen
dat hetgeen
niet/niets niets

Voorzetsels

belangende wat betreft
bij door
mits, overmits wegens
nae/naer (worden zonder onderscheid gebruikt)
nevens behalve; evenals
ontrent, omtrent omstreeks, in de buurt van
samt, tzampt met, benevens
van door
in conformité van overeenkomstig
in consideratie van, ten regarde van uithoofde van, met het oog op

Voegwoorden

alsoo omdat
dan (a.h. begin v.e. hoofdzin) maar
dewijl terwijl
doordien doordat

[p. 900]

gelijk zoals
gemerkt aangezien
nae/naer (worden zonder onderscheid gebruikt)
naerdien, naer dat omdat
of indien
soo zoals
sulx (dat) zodat
in voeghe dat zodat
ten waere tenzij
wen als