1 Mijn Heer en Broeder,
2 Gisteravondt had ik schrijvens aan U E. in alle yl afgeveirdight op 3 hoope dat het dezen morghen, met een veerschuit voortgeraakende3 4 den ingeslooten aan den Heer van Zuilichem, over weg zoude4 5 helpen, om wat naader bescheits van 's Prinssen reize en herwaarts- 6 koomst te moghen krijghen. Heden aan den middagh komt de 7 Schipper zeggen, dat 'er geen vraght is, en hy derhalven aan landt 8 blijft. Waar over op d'uwe van gister en eergister bet stuxwijz8 9 zal konnen antwoorden by dezen.
10 Den lessenaar zijnen wandel naakuijerende met overleg, oordeel10 11 dat de verscheide beweghenis desselven, wel zoude konnen verzint11 12 worden, maar tijdt behooren tot het raamen van de verdeelinge des12 13 eenen ommeganx tegens den anderen. Waar over best zal zijn, den 14 meester die dezen gemaakt heeft, daar mede te laten gewerden, oft 15 eenen te zien van 't Dortsche maxel, als men daar toe komen konde.15 16 'T welk naa allen schijn niet gebeuren zal, tussen dit en maandag 17 naastkomende. Zulx oorbaar vinde, mits vast gaande, dat de17 18 meester van Leiden alsdan t' U E. huize verschijnen zal, tegens dien 19 tijdt eens over te komen, om hem te hooren. Want ben wel half 20 beducht, dat als men dien maakte op de grootte van boeken in 't20 21 blad, te draaghen, dezelve dan quaalijk in mijn toorentjen, jaa door 22 eenighe deure zoude moghen. Het brengloon en andere kosten hier 23 op gevallen, gelieve U E. my te rekenen dat ik die voldoe.23
24 Den metselaar heb noch niet vernomen, en ben grootelijx met zijn24 25 werk beladen, vrezende zoo men hem uitstel verght, dat hy daar25 26 uitscheiden moght, en zoo niet, dat wy ter koomste zijner Vorstl. 27 Doorl. met half gedaan werk zullen zitten, alles overhoop geraken,27 28 in 't midden gestaakt werden, en daar over geschil ontstaan zal. 29 Wanneer ook de spoedt zoo onbegrijpelijk groot waare, dat het 30 moght voltoghen zijn, voor de koomste derzelve, zoo kan nocht30 31 vloer nocht plaistering van muiren droogh zijn, en zullen dapper 32 door 't loopen van zoo veel jaghts te lijden hebben en geschendt32 33 worden. Derhalven wenschte wel dat U E. alsnu alle zijne 34 behendigheidt aan Klaas te kost leide, om den zelven te doen ver-34 35 staan, dat hem ook best zal zijn, zoo lange te toeven, en zoo veel35 36 te weghe te brengen, dat hy 't gewilligh doe, is 't moghelijk. Zoo 37 hy geen gehoor geeft, kan ik 'er qualijk door zien: gemerkt het37 38 werk besteedt is, en mijn woordt niet en kan verachtert worden.38
39 'T quaatst is noch dat men niet en weet hoe lange 's Prinssen koomst 40 al zal aanloopen. Want als men zeker waar, daar in 14 daaghen40 41 over te zijn, wellicht dat de metselaar, voor zoo een' tijdt verdragh41 42 naame. Het ongestaadigh weder, onvermoede voorvallen, kunnen 43 zijne Vorstl. Doorl. zelfs doen misslaan in zijn' gissinge; en ons43 44 noch bet. Dies dienstighst waare geenen zekeren dagh met Klaas te44 45 stemmen, maar te bearbeiden, dat hy aannaame zoo ras te45 46 koomen, als de Prins vertrokken zoude zijn. Hy heeft het ge- 47 meenlijk zoo drok, dat hem misschien geen ongerief zijn zal, naar47 48 ons te wachten. Maar U E. zal zelfs zijnen grondt best peilen, en den48 49 oorbaar konnen schaffen, naa geleghenheit van zaaken.49
50 Belangende de vloersteenen, zal wel gedaan zijn, 't geen U E. 51 noopende den prijs magh gehandelt hebben. Maar de ouwde 52 steenen te verbouwen, en vind ik niet goedt: alzoo hunne52 53 geslepenheit, meer tot misstal, als sieraadt zoude strekken om der53 54 ongelijkheit wille. Derhalven moest de steenkooper die aanneemen, 55 ten meesten prijse, des U E. bedingen kan.
56 Den voorslagh des Ambassadeurs van Grootbrittanjen vind ik met 57 galossen geschoeit, en 't hard niet onder de zoolen te hebben;57 58 gemerkt hy spreekt van proeve te neemen; die ik leg op een tant-58 59 trekkery, verleiding, oft ophoudenis, en niet dan windt in 't eindt, 60 uit te koomen. Gelijkmen zich mompen liet, als Wezel laast60 61 verlooren werdt. Want datmen den Koning van Bohemen yets61 62 meent in te ruimen, kan quaalijk in my koomen. Wel is my bekent,62 63 dat als zijne Majt de Prinses van Engelandt ten huwelijk gebeurde,63 64 de vader het oogh had, op d'erffenis van Beyeren: maar twijffel64 65 dat die Vorst sedert eighen erfgenamen gewonnen heeft, oft dat 66 zijn broeder Keurvorst-van-Keulen, niet zoo verre ten geestelijk- 67 heidt is ingewijdt, oft hy en zoude by gunst van den Paus, den 68 mijter moghen verwerpen, om kinderen te teelen. De hoofden der 69 Roomsche gezintheidt zullen om hoogh nocht laagh, mijns be- 70 dunkens, niet lijden, dat een onroomsch Vorst het hooft, in70 71 Duitslandt weder, zoo veer opsteek. Dat het verbondt tussen ons en 72 Engelandt genoemt wort met den naam van bescherming, is een 73 laffe eerbiedenis, om quansuis Spanjen niet te schijnen te naa te73 74 willen gaan, en daar op genoomen, dat men niet en zoekt als 't74 75 recht van den Palsgrave te verdaadighen, zonder naa de kroon te75 76 talen.
77 Dewijl 't U E. aangenaam was, zoo en heb ik niet gedekt, het geen77 78 van my aan den Ridder Huighens geschreven wort. U E. zal daar 79 een groenigheit in vinden van de jeughd, die 't schijnt datter met79 80 my uit moest; en nochtans niet zoo veel berispens verdient, als de
81 schotschriften, die niet alleen geen goedt maar maghtighe ver- 82 bittering baaren. Ik kon quaalijk met ledighe handen t'huis82 83 koomen, den geenen, die de mijne zoo wel is vullende. Naa 't lezen 84 kan U E. den mijnen sluiten, oft onder dexel voorts zenden, 't welk 85 my om 't effen is, 't en zy zommighe luiden liefst den maaghdoom 86 van een ding hebben, en minder smaak in 't geen zy weten van 87 anderen eerst gezien te zijn. Ende alhoewel ick vreez dat mijn brief 88 zijn Ed. nu inden Haaghe niet beloopen zal, zagh dien echter88 89 gaaren voortsgevaardight, op hoope dat die van daar wel spoedelijk 90 te recht geraken zal, en my eenighe zekerheit van den tijdt der 91 Prinsselijke overkoomste gewerden. Papier en tijdt gebieden mijne 92 gebiedenis te doen, en U E. met alle de zijne, Gode te bevelen, met 93 hartlijke dankzegging voor alle moeite, en groetenis
94 Mijn Heer en Broeder, van
95 U E.
96 gantsdienstwilligen broeder
97 P C Hóóft.
98 Uit mijn Toorentjen den
99 28 van Oestmaandt 1630.
100 Heden heb het 2de boek van Tacitus voltoghen, en zal vervolghen, 101 mits U E. my gunne het wat zachter op te neemen. De kerklijk-101 102 heden en aaloutheden maken veel sporlings.102
Overleg over een lessenaar van bijzonder maaksel. Ongewenstheid de verbouwing te laten beginnen voor het verwachte bezoek van de Prins. - Dertigjarige oorlog. - Hooft sluit de Klaghte der Prinsesse van Oranjen in bij een voor Huygens bestemde brief: Baak dient soms als doorzendpost tussen hem en Hooft, vgl. 377, 406, 409.