1 Mijn Heer,
2 Nae dat ick UEd. het geldt van den Giustinano gezonden had bij2 3 eenen van onze doodeeters alhier, die nogh niet wedergekeert is, 4 quaemen mij UEd. Italiaensche rijmen ter handt, die, door mij,4 5 eenighen vrunden, tot Amsterdam, bij, ende van ons allen, hoogh, 6 gezet zijn. Zulke perlen zijn quaedt nae te bootsen. Derhalven6 7 onderwind's mij [mij] niet. Doch ben door de tooverwoorden van7 8 UEd. schrijven zoo verre beswooren, dat mij vervordert heb een8 9 Hollandsche loodt, naer UEd. Latijnschen diamant te smeeden, dat 10 behalven zijn' doofheit, noch veele kladden heeft die de zujverheit10 11 van denzelven leelijk belieghen. Maer aen UEd. staet het deze 12 hegmunt, voor brij verklaert ter kroez en koolen tot smeltens toe12 13 te verwijzen. 'T geen datter bij gaet, zijnde maer een vonk van13 14 UEd. toortse gevallen, zal zich wel vereert houden zoo 't met een14 15 schoezool van UEd. maer en magh ujtgetreden worden. Ook is het 16 wit van 't een en 't ander slechts geweest, te bewijzen, dat een wenk16 17 van UEd. min als een gebodt te achten, onmoghelijk is,
18 Mijn Heere,voor
19 UEd.
20 Verplichten dienaer
21 PCHóóft.
22 Van den Hujze te Mujden,
23 XX Oct. 1630.
Hooft constateert het kruisen van 408 en 412 en roemt de drie Italiaanse gedichten, die hij ook aan enige Amsterdamse vrienden heeft laten lezen. Hij verstout zich niet, Huygens na te volgen, maar wel, een Hollandse vertaling van Laura Latroni te maken, die - natuurlijk! - bij het origineel even ver achterblijft als een loodje bij een diamant: Huygens mag het vernietigen ('T Loot van den Diamant des Heeren Huygens, genaemt Laura latroni, Laura tot den Roover. LSt. I 298). Over een oorspronkelijk sonnet dat hij toevoegt laat Hooft zich nog zelfverguizender uit. (Op het steuren van Petrarchaes graf. A.w. I 300).