De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 2 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn. en Franco Musarra


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (tweede deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 598]

677 (C. Barlaeus aan P.C. Hooft).

1 Superiore anno mihi leporem, jam perdices mittis, magnifice 2 Hoofdi, ut duplici me tibi munere devincias, uno caelesti, altero 3 terrestri. Verum, qua es prudentia, nec temerè tunc leporem, nec 4 sine ratione nunc perdices mittis. Vis exprimere ingenium meum, 5 quod et lepori multa habet similia, nec minus perdicibus. Non solet 6 lepus annumerari animalibus efferis, et in pugnam natis.nec ego me 7 inter Atridas, aut Pelidas, aut Lapithas censeri patiar. Mite mihi7 8 ingenium dedit natura; et quod non cum leporibus solum, sed et 9 cum magno Achille habeo commune, sum valde, ποδας ωκυς,9 10 [pedibus celer] praesertim cum res in cuspide ferri est posita. Mira est 11 lepori velocitas, ut vel intactae segetis per summa volare possit 12 culmina, ita praeceps nimis mens, ire nequit modesto gradu, sed 13 velut ebria ruit, praesertim cum pangendum est carmen. Ideo in- 14 formes edo fetus, quia lambere non vacat. Referunt historiae natu- 15 ralis scriptores lepores clausis palpebris vigilare. Idem factito ego,15 16 cui familiare est, noctu clausis palpebris meditari versus, quos sub 17 stragulis, ne elabantur, annotare soleo in pugillaribus. En leporinum 18 Barlaeum. Dicam aliquid de perdicibus. Scribit Plinius tantam in18 19 illis esse concipiendi facilitatem, ut vento à maribus delato, quin 20 voce et superno volatu, absque contactu, concipiant. Non minore 21 facilitate concipit Poëta, qui dum coelum adspicit, et aërem captat 22 meditabundus, divinis furoribus impletur. Ajunt perdicem amare 23 sociam, et raro solam volare. Etiam Poëtae sodalitates amant. Lau-23 24 datur docilitas perdicum, nec minus vatum, quibus ingenium est 25 flexile ad omne argumentum. Odoricus de Foro Iulii inquit: In25 26 regionibus circa Trapezuntem, quae Pontus olim dicebantur, vidi 27 hominem ducentem supra quatuor millia perdicum. Is iter faciebat 28 per terram, perdices per aërem volabant, quas ducebat ad quoddam 29 castrum, nomine Tanega, quod à Trapezunte distat trium dierum 30 itinere. Hae perdices, cum duci ipsarum homini quiescere aut dor- 31 mire libebat, omnes quiescebant circa eum, tanquam pulli gallina- 32 rum. Cum vero sic quiescebat, capiebat de illis, quantum volebat 33 numerum, reliquas ad locum, in quo prius erant, reducebat. Haec 34 ille. Sed opinor hunc scriptorem cum AEnea per eburneam portam34 35 egressum,

Qua falsa ad coelum mittunt insomnia Manes36

37 Tibi amplissime Hoofdi, duplici nomine gratias debeo, tum quod 38 rarioribus me ferculis recreaveris, tum quod minimè morosam 39 scribendi materiam mihi subministraveris. Vale. 20 Ianuar. 1635.

[p. 599]

 

vertaling

Vorig jaar hebt ge me een haas gezonden, nu patrijzen, grootmoedige Hooft, opdat ge door een dubbele schenkage mij aan u zoudt verplichten, de ene hemels, de andere aards. Doch, welbedacht als ge zijt, niet zo maar zondt ge toen een haas, niet zonder reden nu patrijzen. Ge wilt aanschouwelijk mijn inborst verbeelden, welke enerzijds veel in zich heeft het haas gelijkend, anderzijds niet minder den patrijzen. Het is niet gebruikelijk, een haas te rekenen bij 't woest gedierte tot gevecht geboren. Ook ik zal het niet ondergaan, bij de Atreuszonen, bij de Peleustelgen of Lapithen te worden ingedeeld. Week is de inborst, die mij Natuur heeft gegeven; en, wat ik niet met de hazen alleen, maar ook met den groten Achilles gemeen heb, ik ben zeer ποδας ωκυς (snel van voeten), in het bijzonder wanneer een zaak op de spits van het staal wordt beslist. Wonderbaar is bij een haas zijn gezwindheid, zodat zelfs zonder het te beroeren hij op het korenveld over de opperste halmen vermag heen te vliegen; even overjachtig bij mij de geest: hij kan niet schrijden met bedaarden tred, maar stort als bedronken vooruit, in het bijzonder wanneer er een gedicht valt te versieren. Daarom zijn de spruiten vormloos, die ik het levenslicht doe zien, omdat ik mij den tijd niet gun, ze te likken. De beschrijvers van natuurlijke historie verhalen, dat hazen de oogleden gesloten toch wakker zijn. Dat is ook mijn gewone doen, want bij mij is het gebruikelijk gedrag, des nachts de oogleden gesloten verzen te bepeinzen, die ik dan onder de dekens, opdat ze mij niet ontschieten, pleeg op te tekenen in een zakboekje. Ziedaar Van Baerle Hazenhart.

Nu wil ik iets zeggen over de patrijzen. Plinius schrijft, dat bij haar zo groot de moeiteloosheid is, waarmee zij zaad ontvangen, dat op een zuchtje wind, dat van de hanen naar haar toewaait, ja, op hun stemgeluid en hun boven haar vliegen zij zonder lijfelijk contact ontvangen. Met niet geringer moeiteloosheid ontvangt de Poëet, die, terwijl hij naar den hemel schouwt en lucht inademt in een diep bepeinzen, met goddelijke geestvervoering wordt bezwangerd. Ze beweren, dat de patrijshen houdt van genoten en zelden alleen vliegt. Ook Poëten houden van genootschap. Men prijst de bevattelijkheid van de patrijzen, maar niet minder van de barden, wier gemoed met lenige souplesse reageert op ieder onderwerp. Odorico van Friuli zegt: In de landschappen ter hoogte van Trabzon, die vroeger Pontus heetten, zag ik eens een kerel, die over de 4000 patrijzen met zich voerde. Zelf maakte hij den tocht dan over den beganen grond, de patrijzen vlogen regelmatig door het luchtruim, en hij geleidde ze naar zeker vlek, Tanega genaamd, dat van Trabzon drie dagreizen is verwijderd. Deze patrijzen, wanneer het den kerel, die haar gids was, beliefde wat uit te rusten of te slapen, namen alle haar rust in zijn omgeving, als de kuikens van de kip. Wanneer hij nu zo lag uit te rusten, ving hij uit haar een zo groot aantal als hij wilde; de overige leidde hij dan naar de plek, waar zij tevoren waren, terug. Aldus Odoric. Maar ik vermoed, dat deze schrijver met Aeneas langs de elpenbenen poort is uitgerukt,

Waarlangs logendroomsels naar boven zenden de schimmen.

Aan u, luisterrijke Hooft, ben ik uit tweeërlei hoofde dankbaarheid verschuldigd, aan de ene zijde, omdat ge met hier zeldzamer gerechten mij hebt verkwikt, dan ook omdat ge mij een schrijvensstoffe aan de hand deedt, die in het minst niet gemelijk stemde. Vaarwel.

20 januari 1635.