|
|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | |
776 Aen den Heere Caspar Barlaeus
1 Mijn' heere,
2 Uwer E geest en 's hemels geest dunken mij speelnoots die zijd' aen2 3 zijd', eeven wijd, eeven hoogh treden, en in alles eene lijn trekken, 4 maekende een vroegh jaer van vejrsen en van vruchten. Hunne 5 handtgift belooft ons vol op van elx; ende willen zij zoo voor,5 6 zonder hun woordt, in den hals, wij zijn geschaepen een' rijken 7 oest daer ujt te, haelen. Groote keur weet' ik echter tussen de7 8 schatten van den eenen en den andren; ende acht meer eenen voet8 9 van UE vejrsen, dan dujzendt ellen van de spargels die hier 10 nevens gaen; hoewel hun geslacht waent de kroon te spannen,10 11 onder alle de lieflijkheden, die de vroolijke lente ujt haeren milden 12 schoot schudt. Zonder knaeghing van gewisse kan ik quaelijk van12 13 U.E. verschillen in gevoelen; ende zoude mij (hadd' ik de kracht) 14 gejrne met blinde gehoorzaemheit uwen oordeele onderwerpen, 15 als die geen' heeter eerzucht heb, dan te moghen speuren, dat mijne15 16 zinnen in de vorm der uwe gegooten waeren. Eevenwel, dat16 17 diergelijke waere, als U.E. mij gezonden heeft, in de kraemen voor 18 een half blank vejl zouw zijn; 't en kan in mij niet koomen: oft de 19 kraemers moeten veigh wezen, oft benauwt om geldt ter keel toe.19 20 Dat U.E. mij te deftigh maelt, om 't oogh op zulke gedichten te20 21 slaen; wat zal ik 'er af zeggen? Meester Dirk Baerentszoon, des 22 vermaerden Titiaens leerling, die mijn' kintsheit heeft ujtgeschil- 23 dert, placht te praeten van driederleij zijn' penseelen, goude, 24 zilvere, koopere; ende hoe hij ijder berichtte nae zijn geldt. 25 Vraeght men ijemandt dier zujrmujlen, zoo staetigh als een' stoep,25
Rarus ques sermo est, et magna libido tacendi,26
27 die niet lachen zouw (zejd' 'er een) al waer 't dat men hem met 28 een' vujst voor zijn' bek smeet; hij zal vonnissen, dat de schilder28 29 dujmkrujdt gerooken, en mij een' goede streek met de goude29 30 penseel gegeven heeft. Lichtlijk ook liet' ik mij 't zelfste voorstaen,30 31 indien ik van dat volk waer. Dan zoo U.E. mij daer voor aanziet,31 32 zij heeft mij, tot noch toe, wel onbekent versleeten. Met zulk eenen32 33 aerdt als de starrekijkers, en Uwer E. gildebroeders den goeder-33 34 tieren Juppijn toeschrijven houd' ik het; ende mij aen de zeden van34 35 Socrates, die, daer 't pas gaf, zoo lustigh een borst als de best van35 36 zijn' makkers was. Die ons de spreuk naeliet,
Benè vivere et laetari,37
38 is ook geen grijnspens geweest. Maer moghen z'al deur voor38
| | | |
39 menschen, die de lagh een' eighenschap der menschlijkheit ver-39 40 zaeken? Wijders, belangende 't hanteeren met die staetlijke heeren40 41 Italiaenen en andre, 't welk ik schijne gemaekelt te hebben,41
Latius regnas.42
43 Zij werken in daghhujr om faem; ende moeten, wen 't al wel43 [43a] geslooft is uwsgelijken, als hunne heerschappen, met den hoedt in 44 de handt, achteraen loopen, om betaeling. Een vorst niet, daeren-44 45 boven, die 't recht, zoo verre als ghijlujden, ontwassen is, ende daer 46 ik geen' beter kans aen zaegh', om hem tót quijting zijner schuldt 47 te prangen, dan aen uwsgelijken, in deze stof, bij aldien ghij on- 48 willigh waert. Noch niet hoogh genoegh. Rijk wezen is geene,48 49 rijk worden doorgaends kleene, vernoeght en met luttel te leven 50 de grootste konst, en de naeste trap aen de Godlijkheit die niets50 51 altoos behoeft. Zaeligh U E. die dit van de wijsheit te bet heeft.51 52 Mid<l>erwijle verbiedt zij niet zich van de tijdtlijke haeve te52 53 dienen; veel min zijn' beminde t'omhelzen. Ik heb Uwer E bevel 54 gevolght; Uwer E gelieve mijn' bede te voldoen, kussende met den 55 geest, zoo de mondt geen weêrwerk vindt: ende vastlijk te gelooven55 56 dat zulx den vrouweloozen betaemt, die geen vrouwenhaeter 57 heeten wil; immers zoo vast, dat uwe gunst wort aengebeden,
58 Mijn' heere, van
59 Uwer E
60 Onderdaensten toegedaensten
61 dienaer
62 P C Hóóft.
61 Van den Hujze te Mujden,
62 5en in Bloejmaent, 1636.
Scherts en complimenten bij de aanbieding van Hooft's Gedichten in antwoord op de ‘versiculi’ van Barlaeus (774). Lof van de vrijheid van stoffelijke knechtschap die de letteren, al brengen ze geen geld op, hun beoefenaars verlenen.
|
2Hooft vergelijkt Barlaeus' geest met die van de hemel, d.w.z. het seizoen: de verzen van B. en de vruchten van de lente komen allebei vroeg.
5handtgift: eerste gift; (samentrekking:) en als zij zo voort willen gaan, zonder hun woord in de hals te halen (d.i. terug te nemen) dan zijn wij voorbestemd om er een rijke oogst uit te halen.
7keur weten: keus kunnen doen, verschil weten (WNT keur (I) 2622).
8den eenen en den andren: uw geest en die van de hemel, maar een voet (woordsp. van de lengtemaat met de versvoet) van Barlaeus' verzen stelt Hooft boven 1000 ellen asperges.
10waent: meent (niet noodz. ten onrechte). Men moet de mogelijkheid openlaten, dat Hooft Barlaeus pas zijn Gedichten gegeven heeft en toespelingen maakt die ons ontgaan. Het is zelfs denkbaar dat de 1000 ellen spargels de verzamelde Gedichten zijn: WNT spargel: asperge, alleen deze plaats.
12Zonder knaeghing enz.: Hooft onderwerpt zijn oordeel blindelings aan dat van Barlaeus.
15als die (als iemand die): daar ik.
16dat...waeren: dat mijn smaak zulke uitingsvormen vond als de uwe; Eevenwel: hier begint het protest tegen Barlaeus' zelfkleinering, die ( 774) beweerd had dat zijn gedichten op de rommelmarkt voor 1/3 stuiver te koop zijn.
19veigh: veeg, ten dode opgeschreven.
20te deftigh enz.: dit slaat op ‘uw levensernst’ in de 2 e zin van 774. Hooft weidt nu uit over een schilder die zijn personen naar gelang van de betaling min of meer ernstig maakte (Dirk Baerentsz. die Hooft als kind geschilderd heeft) ( berichtte: geriefde WNT 1889 5). Toepassing: Barlaeus is te veel geneigd, rijke mensen voor plechtstatig te houden en in r. 31-40 protesteert Hooft daartegen, wat hem betreft.
Dirk Baerentszoon, 1534-1592, vgl. C. van Mander, Schilder-boeck, Haarlem 1604 fol. 259, gedeeltelijk ‘vertaald’ herdr. Amsterdam-Sloterdijk 1946 3 blz. 147.
25die zujrmujlen: de uitgestreken gezichten op de schilderijen.
26Rarus etc.: Die maar zuinigjes spreken, en groot is hun hartstocht voor zwijgen. Iuvenalis 2, 14, waar voor queis (= quibus) sermo est staat sermo illis.
30liet'...voorstaen: zou ik mij hetzelfde verbeelden.
31indien...waer: als ik tot dat soort mensen behoorde.
32iemand onbekend verslijten: iemand, ondanks veel omgang, niet kennen.
33starrekijkers: zowel sterrekundigen als sterrewichelaars, hier de laatsten, gezien als waarzeggers. De zin betekent: Met zo'n geaardheid als de waarzeggers en wijsgeren de goedertieren Jupiter toeschrijven, voel ik me verwant, vertrouwd.
34ende (zeugma:) ik houd mij.
35zoo...borst: een even vrolijk gezel.
37Benè etc.: wel te leven met verblijding. Vgl. Ecclesiastes 3:12, waar voor vivere staat facere.
38grijnspens: (WNT grijnzen 732) kniezer; moghen...menschen: kunnen zij (nadruk) wel als mensen beschouwd worden.
39een eighenschap: een wezenskenmerk (appositie bij lagh).
41Italiaenen (heeft betrekking op 774 r. 7); gemaekelt: bemiddeld.
42Latius regnas: wijder reikt uw rijk. Naar Horatius, Carmina 2, 2, 9-10: latius regnes avidum domando spiritum, quam si: wijder reikt uw rijk, zo ge temt uws harten gretigheid, dan zo...
43om faem: terwille van de roem (als officieren).
44Een vorst enz. (vrij vertaald:) Een vorst kan men beter tot afdoening van zijn schuld dwingen dan een geleerd dichter als gij, als gij niet wilt.
48Noch...genoegh: Sterker nog; Rijk...behoeft: Een stoïcijns adagium, dat Hooft meer dan eens aanhaalt.
50niets altoos behoeft: volstrekt niets nodig heeft.
51die...heeft: die dit voordeel van de wijsheid hebt (WNT bet (II) 2195 4 b).
55zoo...vindt: als ge geen vrouw hebt om te kussen (vgl. het slot van 774).
|
|