|
|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | |
800 Aen den Voorleezer Caspar Barlaeus.*
1 Mijn' Heere,
2 Nemmermeer heeft men veel, aen vrienden, welker geest binnen2 3 't lijf gebannen is, ende dikwijls met verbodt van de neuz eens daer 4 bujten te steeken: maer bij tijde huns afwezens, niet met allen.4 5 Uws gelijken, daerentegen (zoo z' 'er zijn) quetsen zij met5 6 's lichaems afweezighejt, zij zalven met vanding door ujtgezonden6 7 geest; die geenszins, als de slek aen haer hoorentjen, oft de7 8 schildtpad aen haer harnas; veel min, als de mossel in haer' schelp, 9 vast is: maer meenighe heerlijke ujttoght doet, tot verquikking der9 10 minzuchtighe zielen, die om zijn' schoonhejt quijnen. Jae die van10 11 U.E. maekt ook andre gaende, om hunne wieken te proeven den11 12 uwen nae te vlieghen, ende ons in deze eenzaeme vankenis te12 13 bezoeken. Maer (acharme!) de mus, opgeblaezen van 't lof uwer13 14 vejrsen, ende misschien om 'er haer' ooren, op 't beste van 't spel, 15 te doen ujtschejden met zoo zoet een' mondt, heeft, eer de15 16 gedichten der HH. Plemp en Vondel hier haevenen konden, haeren16 17 staert gelicht, en haere minnaeres met ejndelooze treurlust 18 gelaeden. Onujtschrijflijk is dat schrejen van heete traenen, dat18 19 kermen, dat misbaer van de twee oudste mejskens:
20
Lamentis, gemituque, et foemineo ululatu 20
Tecta fremunt, resonat magnis plangoribus aether:
Non aliter, quam si immissis ruat hostibus omnis
24 Dank, eevenwel, hebbe 't geluk, hier voor, dat haere dus bijster24 25 een' ontsteltenis toekomt, om dat zij van geen lastigher misquaem25 26 weeten. Want meerder ramp (mijns ervaerens) wieght doorgaends 27 den minder in slaep. Ik en melde dit niet, om U.E. pen tot meê- 28 dooghen,
(quanquam, quis talia fando 29
30
Myrmidonûm, Dolopûmve, aut diri miles Ulyssej,
32 oft tot den arbejdt van eenigh troostdicht te beweghen, dat quaelijk32 33 laeten konde meer nae edik dan nae olij te smaeken. Alle beklagh33 34 van rouw waer een wrijten in de wond:34
35 atque infandum renovare dolorem.35
36 Liever (onbraek mij 't hart niet) zoud' ik het waeghen, met36 37 U.E. te moeijen (schoot haer eens een bedorven ujrken over) dat37 38 haer geliefde ijetwes t' ontfouwen van de vreughde, genooten in38
| | | |
39 dat edel gezelschap van de H.H. Wijtz, van Zujlekom, en andre,39 40 overvlieghers, elken in 't zijne; ujtgezejdt de waerdt. Dat banket40 41 (gebeurd' hem zulx) dard' aen dat van Plato niet wijken, maer 42 zoude nevens het zelfste, handt aen handt, en met gelijke schreeden,42 43 den wegh der onsterflijkhejt gaen op wandelen. Dan, 't waer te 44 hoogh gezien, en te veel geverght. U.E. derhalven laete aen haer44 45 doove oor [oor] hooren dit voorspel van te onbeschoft een'45 46 vrijmoedigheit, dat gebaeijert wort van d'overmaetighe minne,46 47 waermêe U.E. doorlughtigh vernuft mijn' harssen bevangen en47 48 bedwelmt heeft.
49 Improbe Amor, quid non mortalia pectora cogis?49
50 Maer U.E., laest hier zijnde, zejde ons eenighe der hondsdaeghen50 51 toe. Zoo haer dat deurgewaejt is, oft beloften niet binden, zij gunne51 52 't ons ujt genaede. Dit gebedt verstout zich eindtlijk met gevou-52 53 wen' handen aen haere voeten te brengen,
54 Mijn' Heere,
55 Uwer E.
56 Verplichte, toegedaenste dienaer
57 P C Hóóft
56 Van den Hujze te Mujden,
57 den xen in Hoojmaent, 1636.
Speelse, hyperbolisch geformuleerde gedachten over het wegvliegen van Susanna Bartolotti's mus.
|
*adres Voorleezer: Professor.
2Nemmermeer: Nóóit; welker...steeken: (vrij vertaald:) die gesloten zijn en dikwijls niet willen laten merken wat er in hen omgaat.
4maer...allen: maar als ze afwezig zijn, (heeft men) helemaal niets (aan ze).
5zo z' 'er zijn: als die bestaan; quetsen zij: als die kwetsen.
6vanding...geest: bezoek van de geest die zij uitzenden.
7(de geest) die niet (zoals slak, schildpad, mossel) binnen de stoffelijkheid van het lichaam (de schelp) gevangen blijft.
9maar (dichtende) dikwijls luisterrijk opvaart.
10minzuchtighe: naar schoonheid en verhevenheid (met Platonische minzucht) hunkerende; zijn' schoonheit, nl. van de geest; quijnen om: verteerd worden door verlangen naar; die van...gaende: uw geest bezielt ook andere geesten.
11proeven: op de proef te stellen (tarten).
12deze eenzaeme vankenis: het Muider slot.
13de mus: Susanna had een tamme mus die haar navloog en kunstjes deed. Hooft (LSt. I 314, 315), Vondel (WB III 494), Plemp en Barlaeus ( Poëmata II 331, door Vondel vertaald WB III 488-494) schreven er gedichten op, waarvan die van Hooft het befaamde voorbeeld Catullus verreweg het meest nabijkwamen. Cornelis Gijsbertus Plemp, 1574-1638, had in Frankrijk en Leiden rechten gestudeerd, oefende weinig of geen praktijk uit. Latijns dichter. Zeer bevriend met Vondel, op wiens bekering hij invloed had; 't lof uwer vejrsen: de lof in uw gedicht.
15ujtschejden met een zoete mondt: ophouden als het feest het genoegen, nog niet verflauwt. De zin bevat het compliment, dat Barlaeus' verzen beter waren dan die van Plemp en Vondel.
18onujtschrijflijk: niet te beschrijven.
20Lamentis etc.:
Van al 't kermen, geweeklaag en 't vrouwlijke huilbui-uit klaatren
Snuiven de kamers, van 't luide misbaar weergalmen de luchten
Juist als wanneer door inlaat van vijanden omstort geheel het
Punische rijk.
Vergilius, Aeneis 4, 667-670.
24't geluk: Fortuna, het lot; haere...toekomt: haar (de twee meisjes) zo verbijsterende schok (vgl. 713 r. 11); haere niet in de spraakkunsten.
25toekomt: voorvalt, komt; lastigher misquaem: drukkender leed: het wegvliegen wordt zo erg gevonden omdat ze niet weten wat echt verdriet is: dank zij het lot.
29quanquam etc.: Hoewel: wie, als hij dat ophaalt, Welk Myrmidoon of Doloper zelfs, welk krijger van wreden Ulysses, Houdt dan zijn tranen in toom? Vergilius, Aeneis 2, 6-8, waar quanquam ontbreekt en voor diri staat duri, voor Ulyssej Ulixi.
32troostdicht: dat zou dan Barlaeus' tweede gedicht geworden zijn.
35atque etc.: onuitspreekbare droefheid vernieuwen. Vergilius, Aeneis 2, 3.
36onbraek...niet: als ik de moed had.
37moeijen: lastigvallen; schoot enz.: als u eens een verloren uurtje overschoot; haer, zie Mem. 1.
39andre...waerdt: anderen, die ieder op zijn terrein uitblinkers zijn, behalve de gastheer (Hooft).
40Dat...wijken: Dat gastmaal (als 't hem (mij) te beurt mocht vallen) zou niet behoeven onder te doen voor dat van Plato, het Symposion.
42nevens het zelfste: daarnaast.
44gezien: gekeken, gemikt; U.E. derhalven enz.: Hooft doet het verzoek nog (voorspel) niet.
45te onbeschoft: al te onbehouwen.
46gebaeijert (gebeierd) van: met klokgelui verkondigd door.
47harssen: hersenen, geest.
49Improbe etc.:
Schaamtloze min, wat is er, dat niet g' aan het mensenhart opdwingt?
Vergilius, Aeneis 4, 412.
50hondsdaeghen: de tijd dat Sirius, de hondsster, zichtbaar is van 19 juli tot 18 augustus, weken die vanouds doorgingen voor heet, droog en ongezond.
51deurgewaejt: door 't hoofd gegaan.
52ujt genaede: onverplicht. Hooft besluit met een sterk staaltje van het spel met overdreven formuleringen, waaraan deze brief rijk is.
|
|