De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 2 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn. en Franco Musarra


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (tweede deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 859]

830 (C. Barlaeus aan P.C. Hooft).

1 Magnifice Vir,

 

2 Ex agro Leydensi domum reversus, coepi cogitare de promisso meo, 3 quo me abiturus hinc tibi obstrinxeram. Petieras tibi mitti 4 apographa Epigrammatum, quae Hugenius et ego lusimus4 5 αμοιβαδον [alternatim] super aquarum formidine, quae illum minus,5 6 me sociosque meos magis habuit. Mihi cum relligio sit, quicquam 7 tibi negare eorum, quae salva sceptri majestate (ut reges loqui 8 amant) conferri in alium possunt, curavi illa à filio meo describi. 9 Verum prudentiae tuae fuerit statuere, an consultum sit illud 10 Epigramma in quo laudatissimam Tesselam pro pila habet10 11 Hugenius, in Brabantiam mitti. Ego eadem misi ad nobilissimum11 12 Mylium, sed absque isto. Non leviter me perculit allatum de ad- 13 versa uxoris tuae valetudine nuncium. Quaesivi seriò et saepe ex 14 amicis, quo loco illa esset. Tandem intellexi cum gaudio morbum 15 periculi esse expertem. Debebat optima matrona, humanitatis 16 omnis ιδιον [genuinum] exemplar, amicis esse immortalis, et tibi 17 potissimum Hoofdi,

18 Conjugio tantae Veneris dignate superbo.18

19 Castigat voluptates nostras Deus non una calamitate, et aegrotare 20 nos vult, ut mori semper doceret. Hic inter funera quotidiana 21 nobis vivitur, et singulis accidere indies posse credimus, quod 22 cuiquam. Haec tela illa sunt procul jaculantis Apollinis, cujus iram22 23 lib. I. Iliad. describit Homerus. Ille felix quem incautum non 24 praeveniet mors. Ego, si tuam tuorumque valetudinem votis, 25 precibus, animo omni juvero, fecero hominis Christiani, et amici, 26 et studiorum eorundem socii officium. Vale Vir maxime cum 27 Creusa tua et Ascanio et Lavinia. Amstelod. 6 Sept. 1636.27

 

vertaling

 

Uit de contreien van Leiden thuis teruggekeerd ben ik begonnen na te denken over die belofte van mij, waardoor ik mij, op het punt weg te gaan van hier, aan u had gebonden. Ge hadt verzocht, dat u gezonden werden afschriften van de Epigrammen, die Huygens en ik schertsenderwijs hebben gewisseld αμοιβαδον (in beurtzang) over de watervrees, die hem minder, mij en mijn metgezellen meer bevangen

[p. 860]

hield. Daar ik gewetensbezwaren heb, u ook maar iets te weigeren van dat, wat ‘zonder de schepterhoogheid te schaden’, zoals koningen zich graag uitdrukken, aan een ander kan worden medegedeeld, heb ik zorg gedragen, dat die door mijn zoon werden afgeschreven. Doch aan uw prudentie zij het overgelaten, te beslissen, of het wel raadzaam is, dat dat bepaalde Epigram, waarin Huygens de hooggeprezen Tesselschade als kaatsebal behandelt, naar Brabant wordt gezonden. Wat mij betreft, dezelfde epigrammen heb ik verzonden naar den Hoogedelen Van der Mijle, maar zonder dat bewuste. Niet weinig heeft mij ontsteld een tijding, die nopens minder goede gezondheid van uw gade werd overgebracht. Aan vrienden heb ik ernstig en bij herhaling gevraagd, in welk stadium zich die bevond. Eindelijk heb ik verstaan, vol blijdschap, dat de ziekte zonder gevaar was. Het moest zo wezen, dat de edele vrouwe, ιδιον (authentiek) toonbeeld van alzijdige wellevendheid, voor de vrienden onsterfelijk was en voor u voornamelijk, Hooft, ‘heerlijken echt met zózeer bekoorlijke Venus verwaardigd’. God betoomt de lusten van ons, mensen, met meer dan één gevoeligen tegenslag; en het is zijn wil, dat wij ziekte lijden, opdat Hij ons zou leren, te allen tijd te sterven. Hier gaat te midden van sterfgevallen-dag-aan-dag voor ons het leven voort, en ieder, hoofd voor hoofd, kan overkomen elken dag, geloven wij, wat een, wien dan ook, overkomt. Dit zijn die bekende pijlen van uit de verte treffenden Apollo, wiens toorn in boek I van de Ilias Homerus beschrijft. Gelukkig hij, dien de dood niet onvoorziens zal overvallen. Wat mij aangaat, als ik van u en de uwen de gezondheid met geloften, gebeden en geheel mijn hart heb bevorderd, zal ik zijn nagekomen den plicht van een Christenmens en vriend en een, die deelt in dezelfde studiën. Vaarwel, grote Hooft, tezamen met uw Creusa, uw Ascanius en uw Lavinia.

Amsterdam, 6 september 1636.