De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 2 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn. en Franco Musarra


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (tweede deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 871]

838 (C. Barlaeus aan P.C. Hooft).

1 Allegoricam tuam epistolam cum voluptate legi, praestantissime 2 Hoofdi, applicas lepori Iudeum, Iudaeo me, mihi Theologum 3 Daventriensem. qui otii sui prodigus, infami et anonymo nuper 4 libello in me saeviit, et epigramma ante sesquiannum, sine ullius 5 murmure scriptum, in sensum à mente mea et fide prorsus alienum 6 detorquet. Objicit mihi impietatem, Socinianismum, Iudaismum,6 7 aliaque abominanda, quae, per Dei gratiam, in hoc meum pectus 8 nunquam descenderunt. Ad haec ne silerem, monuerunt me viri 9 gravissimi amicissimique. Addidi Scazontem, quem indignatio9 10 extorsit. Crede, me invitum in hanc orchestram pertrahi. nec enim 11 volupe est cum corvis et vespertilionibus congredi, quanquam jam 12 demum sciam, autorem libelli esse Vedelium, Theologiae apud12 13 Daventrienses Professorem. Ubi responderit, deliberabo quid 14 facto opus sit. Leviorem calumniam potuissem contemnere, illam 15 non potui, praesertim ob autoritatem hominis Theologi. Inveniet 16 forte fidem ista criminatio apud eos, quibus exosum Remon- 17 strantium nomen et causa. Misissem tibi jam pridem. Sed nolui 18 hisce litibus turbare arcem tuam, elegantiae omnis et humanitatis 19 sedem. Libellum autoris velim ad me redire, nec enim aliud habeo 20 exemplar. Pro lepore gratias tibi ago maximas, non comedam solus. 21 Erunt, qui debebunt per me. Tuorum in me beneficiorum catalogus 22 in immensum excurrit, ut mihi apud te quaerendus sit, non tam 23 gratitudinis, quam obsequii et venerationis tui, modus et formula. 24 Conscientia bonae propensissimaeque in te voluntatis me solor. 25 hac fruar, quoad vivam. Valetudinem tibi, uxori, liberisque 26 diuturnam precor. Vale. 22 Sept. 1636.

 

vertaling

 

Uw allegorischen brief heb ik met genoegen gelezen, voortreffelijke Hooft, ge zet een Jood gespitst op het spoor van een haas, mij van den Jood, op mijn spoor een Godgeleerde van Deventer. Deze, met zijn vrije uren spilziek, heeft in een berucht, anonym schotschrift kortgeleden op mij gewoed en durft een epigram, vóór anderhalf jaar geschreven, zonder dat iemand erover viel, in een zin, aan mijn bedoeling en overtuiging volstrekt vreemd, te verdraaien. Hij werpt mij voor de voeten tekort aan vroomheid, Socinianisme, Judaisme en andere verfoeilijkheden, die door Gods genade in dezen mijn boezem nimmer zijn ingedrongen. Hierop het stil-

[p. 872]

zwijgen niet te bewaren, hebben mij geraden mannen van groot gezag en grote vriendschap. Bijgevoegd heb ik nu een Hink-jambe, dien de verontwaardiging heeft ontwrongen. Geloof me, dat ik mijnsondanks me in dit koor laat binnensleuren. Immers het is geen genoegen, met raven en vledermuizen een woordenstrijd aan te gaan, hoewel ik nu eindelijk pas weet, dat de auteur van het schotschrift Vedelius is, in de Godgeleerdheid bij die van Deventer Hoogleraar. Zodra hij heeft geantwoord, zal ik overleggen, wat te doen staat. Lichter lasterlijk verdraaien had ik minachtend naast mij kunnen nederleggen, die dingen niet, in het bijzonder om het gezag van een kerel, die Godgeleerde is. Wellicht zal die aantijging geloof vinden bij hen, wien diep gehaat is der Remonstranten naam en zaak. Bericht zou ik u allang voor dezen hebben gezonden. Maar ik wilde niet door deze geschillen in rep en roer brengen dat Slot van u, van alle keurigheid en hogere beschaving zetel. Het schotschrift van den auteur zag ik gaarne bij mij wederkeren, immers ik bezit geen ander exemplaar. Voor het haas betuig ik u den grootsten dank; ik zal hem niet eten in eenzaamheid. Er zullen er zijn, die zich in schuld gaan steken door mijn toedoen. Van uw attenties voor mij loopt de lijst tot in het onafzienbare uit, zodat ik te uwen aanzien zoeken moet naar maat en richtsnoer niet zozeer van dankbaarheid als wel van de dienstwilligheid en eerbied voor u. In een goed geweten en een u innig toegedane gezindheid vind ik mij getroost; hierin verheuge ik mij, zolang ik leven zal. Goede gezondheid bid ik u, uw gade en uw kinderen toe tot in lengte van jaren. Vaarwel.

22 september 1636.