De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 2 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn. en Franco Musarra


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (tweede deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 991]

Bijlage 730 Ad Satrapam Muydensem *HENDECASYLLIBI*+ de Perdicibus.

 
Vatum maxime, lima Belgicismi,
 
Orchestrae decus et pater cothurni;
 
Cuius grandia verba, grande carmen
 
Seris Melpomene sacravit annis;
5
Cuius dulcia verba, dulce carmen,
 
Et tot blanditias, facetiasque,
 
Et tot candidulas tenellulasque,
 
Pulchrae Phyllidis aemulationes,
 
Suis ipsa Venus dicavit aris;
10
Candidissime scriptor acris aevi,
 
Et quondam Patriae tumultuantis,
 
Nec minus tamen, arbitris remotis
 
Suavissime basiator HELMANS.
 
Cur perdicibus obruis poëtam?
15
Et rursum stomacho severiori
 
Offas ingeris elegantiores?
 
Quales Rex edat aut Deûm minister,
 
Aut pincerna Ducum vel Imperator.
 
Cur mensae violas meae decorum?
20
Cur gulae illecebras superbienti
 
Vates obijcis? imperasque denti
 
Praedam dilaniare fastuosam?
 
Dudum paupere viximus salino,
 
Et victu tenui, nec erudito,
25
Lactuca gracili, trucique porro,
 
Aut faba rudiore lentibusque
 
Facit prandiolum mihi minutal,
 
Pulmentum petasoque iusculumque,
 
Ovi sorbilis optimum liquamen
30
Vel cervix bovis impigrè saliti,
 
Vel buccella recocta brassicarum.
 
Nunc sordent vetera, et procax palatum
 
Spernit fercula pristini saporis.
 
Tot perdicibus efferata mensa est,
35
Et carâ famet esuritione
 
Venter prodigus ardeas, palumbes,
 
Pavos somniat atque Phasianos.
[p. 992]
 
 
Sic peccare facis *tuam*+ poëtam,
 
Et leges malè subruis culinae
40
HOOFDI splendide. Si tamen iocantem
 
Barlaeum sinis eloqui, quod optat,
 
Fac peccem semel, hoc modo, quotannis.
 
Tuus C.B.

vertaling

Aan den Drost van Muyden Hendecasylben over Patrijzen.
 
Grootste zanger en vijl voor zuiver Hollands,
 
Sier van schouwtoneel, vader van den treurbroos,
 
Wiens gedragen geluid, gedragen koorlied
 
Treurspelmuze bestemd' aan late jaren;
 
Wiens zoetvooizig geluid, zoetvooizig lierlied,
 
Zoveel kozend bekoren, geestig schertsen,
 
Zoveel zilveroprechte, tederzachte
 
Wervingsliederen om de schone Phyllis
 
Aan heur eigen altaren Venus wijdde;
 
Zilverhelder auteur van fel getijd' en
 
Eenmaal hevig geschud landouw der vaadren,
 
Toch niet minder ook (ooggetuigen verre!)
 
Allerminlijkste kusser HELLEMANTIS.
 
Wat bedelft ge den dichter met patrijzen
 
En komt weer aan een maag, die 't streng gewend is,
 
Kluifjes bieden, die al t' exquis van smaak zijn,
 
Als een vorst zich mee spijst of godenpriester,
 
's Hertogs schenker of ook een hoogst gebieder?
 
Wat schoffeert ge mijn eerbaar nette tafel?
 
Wat breidt lokkend genot 't kieskeurig keelgat
 
Gij, rhapsode, toch uit? Gelast mijn kaken,
 
Jachtbuit fijn te vermalen van verwenden?
 
Lang toch leefd' ik tevreên met armlijk zoutvat,
 
Onaanzienlijke spijs, niet uitgedokterd,
 
Kropsla, schralige kost, de zware snij-prei,
 
Tuinboon, rauwig en wel, ook moes van linzen.
 
't Noenmaal vormden voor mij gehakte blokjes,
 
Lap goed vlees of een schink, gebonden soepje,
 
Slorpbar' eierenstruif, dat puike vloeisel,
[p. 993]
 
Of wel hersens van 't rund, bekwaam gezouten,
 
Of een mondjevol opgekookte spitskool.
 
Nu staat tegen dat oude; 't driest verhemelt
 
Minacht gangen, die eens mij smaaklijk dochten.
 
Al dat veldhoen: mijn tafel kent geen tucht meer;
 
En, hoe duur, nu kan hongren watertandend
 
't Spilziek buikje naar reigerbout, naar houtduif,
 
Droomt van pauwevlees, ja, van goudfazanten.
 
Zo doet zondigen gij uw eigen dichter,
 
Ondermijnt 't culinaire wetboek kwalijk,
 
HOOFT vol schittering. Maar als, hoezeer jokkend,
 
Nu Van Baerle ge gunt, zijn wens te melden:
 
Doe mij zondigen derwijs eens elk najaar!
 
Uw C.B.