1Mijn' Heere
2U.Ed. Gestr. zal door den Heere-Wijtz, ontfangen hebben het2 3 gedicht van den H. Mostart. Op zijne ende Vondels aenteekeningen 4 heb ik, bij mijnen laesten, gezeidt mijn gevoelen; ende vinde mij4 5 daerin noch meer gesterkt door Uwer Ed. gestr. wederleggingen,5 6 die, nevens 't wederlejdde, hier bij te rugge keeren. Ik heb Vondel6 7 bij wijlen gemaent om ijets op UEd. Gestr. loflijk Daghwerk; ende7 8 laestmaels t' antwoordt gekreghen, dat hij een quaedt oogh gehadt8 9 had, ende in 2 of 3 pooghingen geen' rijmlujm kunnen treffen.9 10 Nu braght hij, op gister, in mijn afwezen, 't gedicht, dat hier bij10 11 gaet. Het oordeel daerover zij uwer Ed. Gestr. bevolen; ende in11 12 haere beste jonste,
13Mijn' Heere,
14Uwer Ed. Gestr.
15Verplichte, ootmoedighste dienaer
16P.C. Hóóft.
15Ujt Amsterdam, 14en
16van Lentemaent. 1639.
Over Huygens' Dagh-werck. Vondel heeft bezwaren die Hooft niet deelt en die door Huygens weerlegd worden.