terug  begin  verder

[p. 118]

949 Aen den Ridder Hujghens, Heer van Zujlichem.

1Mijn' Heere

 

2U.Ed. Gestr. zal door den Heere-Wijtz, ontfangen hebben het2 3 gedicht van den H. Mostart. Op zijne ende Vondels aenteekeningen 4 heb ik, bij mijnen laesten, gezeidt mijn gevoelen; ende vinde mij4 5 daerin noch meer gesterkt door Uwer Ed. gestr. wederleggingen,5 6 die, nevens 't wederlejdde, hier bij te rugge keeren. Ik heb Vondel6 7 bij wijlen gemaent om ijets op UEd. Gestr. loflijk Daghwerk; ende7 8 laestmaels t' antwoordt gekreghen, dat hij een quaedt oogh gehadt8 9 had, ende in 2 of 3 pooghingen geen' rijmlujm kunnen treffen.9 10 Nu braght hij, op gister, in mijn afwezen, 't gedicht, dat hier bij10 11 gaet. Het oordeel daerover zij uwer Ed. Gestr. bevolen; ende in11 12 haere beste jonste,

 

13Mijn' Heere,

14Uwer Ed. Gestr.

15Verplichte, ootmoedighste dienaer

16P.C. Hóóft.

15Ujt Amsterdam, 14en

16van Lentemaent. 1639.

 

Over Huygens' Dagh-werck. Vondel heeft bezwaren die Hooft niet deelt en die door Huygens weerlegd worden.

Minuut. UBA II C 11.449. Afschr. - UBL. Pap. 13.
2het ... Mostart: het lofdicht ‘Milaen magh vrijelijck’, afgedrukt Dagh-werck ed. Zwaan, p. 22.
4bij mijnen laesten: vgl. 946.
5wederleggingen: vgl. idem en de uitgave van deze kritiek en antikritiek Dagh-werck ed. Zwaan blz. 42-62.
6wederlejdde: weerlegde.
7bij wijlen gemaent: af en toe aangespoord; ijets: een lofdicht.
8quaedt: ziek.
9rijmlujm: stemming om te dichten.
10't gedicht...gaet: vgl. Dagh-werck ed. Zwaan blz. 22.
11in...jonste: in uw beste gunst zij toevertrouwd.

terug  begin  verder