|
|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | |
957 Aen mijnen Heere, Mijnen Heere Caspar Barlaeus, Vorst der Poeeten.
1Mijn' Heere,
2Een vernuft, als dat van U.E. is maghtigh 't onwezentlijk tot 3 wezentlijk te maeken; en, ujt niet, dingen te doen opdonderen,3 4 zoo rijk van Majestejt, en prachtigh van glans, dat alles, wat maer4 5 van geen' doode oft gansch verdufte ziel aen de aerde gehecht 6 lejdt, opgetoghen wort, om zich in 't bespieghlen van die wondren6 7 te vergeeten. Zulk bedrijf dar ik voor geen teelen oft baeren7 8 neemen: 't behoort scheppen te heeten: en zeker met meer rechts, 9 dan men d'aenfokkelingen der Grooten hunne schepsels noemt.9 10 Van dit vermoghen doet U.E. een weldigh bewijs, met het be-10 11 lichaemen eener ijdelhejt, daer wij holhoofdighe menschen onze11 12 windtzuchtighe gedachten meê kittelen. U.E. heeft haer zoo12 13 gestoffeert, en gepronkt met overvloedighe klejnoodjen van veel-13 14 vouwdighe vonden, dat het geen ik voor een Niet hield, nu in14 15 mijnen zin schier een Wat wort. Maer (gelijk Michel de Montagne,15 16 Thales ille Gallicus Lipsio, Ridder van de orde zijns naems, zejdt) 17 die zich met de reuk van 't gebraedt spijzen konde, zoud' het geen'17 18 fraeije bespaering zijn? Ende oft ik schoon, ten ejnde van zulk een 19 banket, de maegh eeven ledigh als te vooren vonde, wat hinder?
20 Dum mea delectent mala me.20
21Ik hadde ten minste de smaek genooten. De geene, die, door21 22 Uwer E. groote heushejt, in de koortse, gekauwt is ujt eenigh 23 maegher gerecht verschaft van mijn' Hujsvrouw, had niet veel 24 meer om 't lijf.
25Noopende den Heer Vossius: 't is mij een verdriet, gemengt met 26 blijdschap, de bittre quaelen zijner E. ende voorts de geneezing te 27 verneemen. Het schijnt, aen uwer E. ziekte en aen de zijne, dat 'er, 28 een' wijl tijds, een quaedaerdighe star, en benijdster der geleerden28 29 geheerscht heeft; jae dat haer Rijk noch niet ujt is. Want ik heb met29 30 droefhejt gehoort, hoe de Heer Salmasius doodtkrank oft overleden30 31 is. Maer ik verheugh mij grootelijx met U.E. over de behoude 32 rejze van mijnen Heere ende Neeve van Wikkevoort: niet weenigh 33 ook in de overkoomst van Joffre onze Nichte, zijn' Ed. Gestreng-3334hejts schoonzuster, die ons de eere van haer verzoek toegedacht
| | | |
35 heeft, ende (zoo wij hoopen) zijn' Ed. gestr. van die gestaedighe 36 bezighejt zal afscheuren, tot ujtspanning alhier, voor eenighe36 37 daeghskens. Om wat te helpen trekken, komt d'ingesloote aen zijn'37 38 Ed. Gestrenghejt. Ik bidde, dat U.E. gelieve, ons, teffens in zoo lief 39 een gezelschap, met Uwer E. jeghenwoordighejt te begunstighen; 40 ende met aenhouden der goede handt, in voeghe, dat ons eerst-40 41 daeghs 't genot onzer wensche gebeuren moghe: te meer, mits mij, 42 in 't begin der genaekende maent, een' rejze nae den Haegh te doen 43 staet. Maer U.E. gewaerdighe zich, ons eenen dagh oft anderhalf te 44 vooren te waerschuwen van den ejghentlijken tijdt der herwaerts-44 45 koomste van U.E. en d'andre Heeren vrienden. De nieuwmaeren 46 van U.E. zie ik niet, dan met een arm dankhebt, te vergelden. Van46 47 Vecht en Zujderzee gaet hier wel eb en vloedt; maer 't is 'er door-48gaends doode stroom van tijdingen, zoo ze ons ujt Uwer E. hoek 49 niet toe waeijen. Ende Uwer E. ooren weeten werx genoegh, 50 zonder nae de weêrklank te lujsteren. Ik denk, dat hun reeds dus50 51 lang een' praet, in een' ongehaevende taele, verveelt. Met rede:51 52 gelijk, ten tegendeele, mij nemmermeer verveelen zal op Uwer E. 53 bevelen te wachten, en de zelve te volbrengen, naer 't beste ver-54moghen,
55Mijn' Heere, van
56Uwer E.
57Verplichten, onderdaenen dienaer,
58P C Hóóft.
58Van den Hujze te
59Mujde, den 21en van
60Bloejmaent. 1639.
Hooft bedankt voor de speelse en vleiende bespiegelingen van Barlaeus over zijn pas verworven waardigheid, in 956. - Uitnodiging; ziekte belet telkens, vooral Vossius, het bezoek.
|
Origineel. UBA Vondelmuseum III K2. - Minuut UBA II C 11.532. - Afschr. KA CLXXIab 131.
T. De minuut bevat het volgende onderschrift:
Mits den spaeden ontfank van UE. schrijven op gister, ende voorts door eenigh ander beletsel, heb ik niet kunnen antwoorden bij de veerschujt van heden vroegh. Derhalven doe 't nu bij ejghenen bode, op dat het Uwer E. morghen goeds tijds ter handt koome.
3opdonderen: onverwachts heftig te voorschijn komen.
4wat...lejdt: wat niet door een dode of helemaal doffe ziel vastzit aan de stof.
6opgetoghen: opgetrokken, aangedreven (WNT optiegen 1288 3 e al.).
7bedrijf: actie, functie; voor (...) neemen: als(...) beschouwen; teelen oft baeren: gebruikelijke beeldspraak voor dichten en schrijven.
9aenfokkelingen: (deze plaats citeert G. Brandt in zijn Lijkreeden over den Heer P.C. Hooft en vervangt daar aenfokkelingen door begunstigden).
10weldigh: machtig; belichaemen: concretiseren, tot iets levends en tastbaars maken (in het gedicht).
11ijdelhejt: pronkzucht, met de bijgedachte aan leegte.
12windtzuchtighe: opgeblazen (oneig.).
13gestoffeert: gevuld; gepronkt: uitgedost.
veelvouwdighe vonden: zeer gevarieerde vondsten.
14het geen...hield, nl. het ridderschap.
15gelijk Thales ille Gallicus Lipsio zejdt: zoals die Franse Thales (zoals Lipsius hem zag) zegt. Thales: Gr. filosoof, ov. ca. 545 v. Chr., grondlegger van de ionische natuurfilosofie; J. Lipsius vgl. 15, r. 75;
17die zich enz.: als men zich (een ‘wenszin in elliptische hypothetische vorm’ volgens Weijnen § 100).
reuk enz.: zich kunnen verzadigen met de geur alleen zoUEen besparing zijn, te vergelijken met tevredenheid met de illusie alleen van de riddereer.
20Dum etc.: Als maar mijn misdracht vreugd brengt aan mij. Horatius, Epistulae 2, 2, 127.
21Ik...genooten: Ik zou althans geproefd hebben, wat het is, een ridder te zijn; De geene...Hujsvrouw: De smaak die gij zo beleefd zijt geweest, te proeven aan het sobere gerecht dat mijn vrouw u, tijdens de koorts, verschaft heeft.
28benijdster: vijandin (WNT benijden 1801 A 1).
29haer Rijk: haar macht (astrologisch gesproken).
30Salmasius, C. (Saumaise), 1588-1653, classicus, hoogleraar te Leiden.
33onze nichte enz. vgl. 1182 N.B.
40de goede handt aenhouden: (van bovenaf) zorgen dat iets gebeurt.
44waerschuwen van: een waarschuwing te sturen over; ejghentlijken: juiste.
46een arm dankhebt: een pover ‘dank-u-wel’.
50weêrklank: echo, nl. als Hooft erover terugschreef.
51ongehaevend: grof, onbeschaafd; verveelt: te veel is, te lang duurt; Met rede: gelijk: Terecht, zoals.
|
|