De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 3 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn., Franco Musarra en R.E.O. Ekkart


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (derde deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1979  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 193]

991 (C. Barlaeus aan P.C. Hooft.)

1Dum strepitus magnae urbis et encaenia aversor, secessi in Bame-2stram, ubi me praedio suo perhumaniter excepit Vir amplissimus 3 Theodorus van Os, aggerum ibidem Praefectus. Ita transacta mihi 4 feriarum tempora inter literata et faceta nomina, Hoofdium, 5 Ossiumque, ad quorum memoriam mihi dextra tinnit auris, et5 6 laevae mamillae melior particula salit. Illic dum sum, et de die 7 lenocinia quaero honestae voluptatis, ecce, noctu ab insectorum 8 genere volatili vexor lancinorque: ab animalculis inquam, quibus 9 proboscis est minor elephanti, rostrum minus aquilae, guttur minus 10 sonorum famelici bovis, corpus minus crassum quam Arcadico10 11 apro, pedes Colossi Rhodii pedibus graciliores. Volant, susurrant,11 12 sibilant, sedent, terebrant, bibunt, non missura cutim volucris, nisi12 13 plena cruoris. Memor ego culicum, quos Muyda tua per aestatem 14 fovet, comparationem feci inter Muydenses et Bamestrios, et 15 utrosque diris, pace tua, devovi. Qui seria tibi aliquando, jam etiam15 16 ludicra impartior. Facit amicitiae nostrae fiducia, ut impunitatis spe 17 audeam apud N.T. non audenda. Classem Hispanicam statio habet 18 Britannica.18

 
Illa per aequoreos numeroso milite fluctus19
20
Ibat ovans, tristesque minas et bella ferebat,
 
Cui dedit exiguis sese manus obvia transtris,
 
Auspiciis quae freta Dei, et coelestibus ausis,
 
Disjecit toto volitantia carbasa ponto,
 
Inque Britannorum captivam trusit arenas etc.

25Jam quinquaginta et ultra Federatorum navibus cincta, stat in 26 littore certa futurae mortis, et instanti fato servata ruinae. Ita 27 sperant, quotquot Batavi sunt, et spes suas erigunt hostium 28 internecione. Si Regis Angliae ratio habebitur, posset elabi: sin 29 minus, praeda victoris erit. Ius est in armis. amant istiusmodi con-30troversiae decidi, post praevaricationem, quae, ut valde utilis est, 31 ita patronos inveniet. magna facinora successus probat. minus mali 32 habentur qui potentes peccant. placet quibusdam axioma istud: 33 salvis auspiciis geri, quidquid pro patriae salute geritur. Est exlex 34 necessitas, et veniâ digna. Praestantissima Tessela Amersfortiam 35 abiit cum sorore et affini ac fratre. Voluissem me illi praebere

[p. 194]

37 comitem, nisi ad labores redeundum fuisset. Te cum uxore et 38 filiabus expectamus, ut perunctam fecibus ora Galliam loquentem38 39 audiatis. Cuperem tunc Nobilitati tuae loqui ea fide, eo silentio, quo 40 Pylades Oresti, Pirithoö locutus fuit Theseus. Vale doctorum40 41 ocelle, et amicorum cordatissime. Nobilissimam suo et tuo nomine 42 Hoofdiam, filiasque tantis parentibus dignas, submisse, reverenter, 43 ac vernante vultu à me saluta. Raptim summo mane 28 Sept. 1639.

 

vertaling

 

Omdat ik aan het rumoer van de grote stad en aan inwijdingsfestiviteiten een hekel heb, ben ik weggetrokken naar den Beemster, waar mij op zijn hofstede uiterst gastvrij heeft ontvangen de doorluchte Dirck van Os, daar ter plaatse dijkgraaf. Zo doende zijn door mij de vacantiedagen doorgebracht omgeven van geletterde en vindingrijke beroemdheden, Hooft en Van Os; en bij de herinnering aan hen tuit mij het rechteroor en ‘aan de linkertepel springt op’ het beste deel daarvan. Terwijl ik daar nu ben en overdag de bekoringen zoek van betamelijk genoegen, word ik, zie, des nachts door een gevleugeld soort gekorven diertjes gekweld en verscheurd, door diertjes, zeg ik, bij welke de slurf minder beduidend is dan van den elp, de snebbe kleiner dan van den adelaar, de keel niet zo welluidend als van een uitgehongerden os, het lichaam in geringer maat bevleesd dan bij den Arcadischen ever, de voeten ranker dan de voeten van den kolos van Rhodus. Zij vliegen, zoemen, snorren, zijn gezeten, boren, drinken, een tweevleugelige, ‘niet van zins onze huid te verlaten dan vol van ons hartbloed’. Gedachtig aan de muggen, die uw Muiden den zomer door koestert, heb ik een vergelijking gemaakt tussen de Muider en de Beemsterse en beide groepen onder vervloekingen - met uw permissie! - naar de hel gewenst. Terwijl ik u in de toekomst eerlang ernstig werk zal wijden, doe ik u nu alvast wat gekheid toekomen. Vertrouwen op onze vriendschap maakt, dat ik in hope op straffeloosheid aandurf, wat ik tegenover UEd. eigenlijk niet zou moeten wagen.

De Spaanse vloot ligt vast op Britse rede.

 
‘Zij met haar macht mariniers kwam over de golven van 't zeevlak
 
Schrijden vol praal, droeg met zich onzalige dreiging en oorlog.
 
Haar tegemoet trok een handvol schaamle fregatten ten strijde.
 
Deze, vertrouwend den last van haar God en des hemels vermeten,
 
Wierp uiteen over heel d'oceaan al die wapprende zeilen,
 
Stootte ter vangst haar weg op zandige banken der Britten.’

Nu reeds door vijftig en nog meer schepen der Geunieerden omsingeld, staat ze daar op het strand, ‘zeker van 't komend Sterven, gespaard tot 't doodlijk ophandene lot van vernieling’. Zo hopen het alle Hollanders, die er zijn, en zij ontvangen voedsel voor hun hooggespannen verwachtingen door de volslagen nederlaag der vijanden. Indien met den Koning van Engeland rekening zal worden gehouden, zou het kunnen, dat de vloot ontsnapt; zo niet, dan zal ze prooi zijn van den overwinnaar. Het recht steunt op de wapenen. Graag worden dat soort controversen beslist na een opportunistische beginselverzaking, die, uiterst nuttig effect als ze heeft, daarom verdedigers zal vinden. Grote misdrijven billijkt hun slagen. Voor

[p. 195]

minder slecht gaan zij door, die in machtspositie een zonde bedrijven. Zekere lieden staan dit axioma voor: dat zonder auspiciën te schenden verricht wordt, alwat verricht wordt voor het heil des vaderlands. Inderdaad is wat de wet breekt, nood; hij is vergiffenis waard.

De voortreffelijke Tessel is naar Amersfoort afgereisd met zuster en zwager en diens broeder. Ik zou wel den wil hebben gehad, mij haar aan te bieden als metgezel, zo ik niet naar mijn zwoegerijen had moeten wederkeren. U wachten wij met uw gade en dochteren af, opdat gij ‘'t gelaat met wijnmoer bestreken’ Gallia spreken hoort. Bij die gelegenheid zou ik begeren, met UEd. te spreken in die vertrouwelijke sfeer, onder zulk een zwijgend luisteren als waaronder Pylades met Orestes, met Pirithous Theseus weleer heeft gesproken. Vaarwel, der geleerden oogappel en van mijn vrienden de verstandigste. Wil de om harent- en uwentwille hoogedele Vrouwe Hooft en de dochters zo grote ouders waardig nederig, eerbiedig en met verjongd gelaat van mij groeten.

In haast, diep in den ochtend, 28 september 1639.