De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 3 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn., Franco Musarra en R.E.O. Ekkart


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (derde deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1979  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 250]

1023 (C. Barlaeus aan P.C. Hooft).

1Invitas, Hoofdi nobilissime, magna nomina, Vicofortios et Coy-2mannos, una cum uxoribus virtute ac forma eximiis. His me 3 socium adjungi vis, ut illorum splendor meae tenuitatis ac 4 deplorandae orbitatis conspectu illustrior sit. Solent hoc factitare 5 pictores: vultum deteriorem inserunt tabulae exquisitissimas formas 6 exhibenti, et loripes Vulcanus jungitur Veneri, ut appareat ingens 7 amantium discrimen. Diem Jovis mensae tuae fatalem destinavere 8 omnes, nisi grandis causa impediat. Venirem ego lubens una, nisi 9 Dialectici et Peripatetici mei Auditores prohiberent, veriti ne malo9 10 ad pigritiam ipsis exemplo praeirem. Die Solis domum reversus sum 11 à funere nobilis et eximiae matronae Catharinae Overbeequiae, quae 12 Domino Schonckio minoris Poelgeestae *Dominae*+ nupserat.12 13 Extincta est optima mater anginâ, quam ejusdem fati consors 14 triduo post secuta est filiola unicâ. Ille calamitate tanta perculsus 15 stupet, et num superis an mortalibus accenseri debeat, dubius 16 haeret. Ego Sisyphi jam saxum post longas ferias volvere occoepi, 17 et de Temperantia verba facio, cujus nomen monet, ut voluptati-18bus, quas Muyda profuse promittit, fruar parcius. Non est viri 19 temperantis ejurare lepores et honesta aerumnosae hujus vitae 20 condimenta. sed et obvias non semper amplecti, officii quoque sui 21 esse putat. Alias contabesco et desiderio loquendi tibi, et iis 22 sermonibus pascendi animum, quibus per te ad sapientiam, 23 comitatem, urbanitatem, et nullam non ομιλητικην (civilem)23 24 virtutem praeformamur. Cuperem videre florentem hac anni 25 tempestate acanthum, et spinosa ista moeniorum tuorum arbusta. 26 attraherem odores in intima cerebri, in ipsos ventriculos spirituum 27 animalium capsulas et focos, ubi Poëtarum animae simili aura 28 nutriuntur. Si adesset Tessela, impatiens morae accurrerem, ut 29 aures meas coelesti harmonia permulceret coelestis femina. nunc 30 Caucaso alligatus, sino, ut cor meum exedant Aristotelici vultures,30 31 et me objectamentis suis lancinent Socratici juvenes. At quam tu 32 graviter de militantis Europae laboribus sententiam pronuncias, et 33 in principum arcana penetras judex serius. Magna omnes moliri 34 video, agere nihil. Heri litterae à Consiliario D. Brederodii34 35 transmissae nunciant, Principem exercitum omnem lustrasse, et ut 36 se moveret quisque jussisse. Circa vesperam accepi, Auriacum 37 reflexo cursu trajecisse, desideratis suorum pluribus, Leyam, et in

[p. 251]

38 Wasiam, relictamque malo fato Calloam, cum exercitu omni 39 magna celeritate contendere. pugna ad arcem S. Donati, alterius 40 expeditionis προφασις (praetextus) fuit. Certiora expectamus, et in 41 majorum omnes spe sumus. Vale, Vir maxime, et uxorem 42 dignissimam, filiasque meis verbis saluta. Amstelod. 12 Iun. 1640.

 

vertaling

 

Ge nodigt, Hoogedele Hooft, dure namen uit, de Van Wickevoorts en de Coeymansen, tezamen met gaden in deugd en schoonheid ongemeen. Bij dezen wilt ge, dat ik als genoot mij voeg, opdat hun schittering op den aanblik van mijn armzaligheid en deplorabel weduwnaarschap te luisterrijker zij. Tja, dit plegen schilders altijd te doen: een gezicht, dat minder knap is, lassen zij in op een doek, dat de meest exquise gestalten vertoont, en den sloffer Vulcanus huwt men aan Venus, opdat duidelijk uitkome het ontzaglijk verschil, dat deze minnenden onderscheidt. Donderdag, dag van Jupijn, hebben tot den voor uw maaltijd aangewezen datum allen bestemd, tenzij een gewichtige reden hindernis opwerpt. Samen met hen zou ik gaarne komen, zo niet mijn in Dialectiek getrainde en Peripatetische Toehoorders mij daarvan afhielden uit vreze, dat met een kwalijk voorbeeld op het pad der luiheid ik hun zou voorgaan. - Op Zondag ben ik thuis teruggekeerd van de begrafenis van de edele en uitnemende vrouwe Catharina Overbeke, die met den Heer Schonck, Heer van Klein Poelgeest, getrouwd was. Het levenslicht der brave moeder is uitgeblust door keelontsteking, haar is, hetzelfde doodslot delende, drie dagen later gevolgd het enig dochtertje. De man, door zo gevoelig verlies verplet, is verbijsterd en in twijfel, of hij tot de bovenaardsen dan wel de stervelingen zich moet laten rekenen, weet het niet meer. - Ik ben eindelijk na lange vacantie weder begonnen het rotsblok van Sisyphus omhoog te rollen en houd vertogen over de Ingetogen Zelfbeheersing, een woord, dat mij maant, van de genietingen, die Muiden kwistig belooft, mij wat spaarzamer te bedienen. Het is niet de taak van een zichzelf beheersend man, gans af te zweren de fijne bekoorlijkheden en betamelijke kruiderijen van dit kommervolle leven. Maar niet altoos zelfs de zich presenterende genietingen met beide handen aan te grijpen, ook dit acht hij een deel te zijn van zijn plicht. Een andermaal kwijn ik weg van verlangen en om met u te spreken en om met dat soort gesprekken den geest te weiden, waarmede door u wij tot wijsheid, vriendelijkheid, heusheid en alle waarden in de ομιλητικη (den socialen omgang) op voorhand worden gevormd. Ik zou wel hebben begeerd, in dit jaargetijde den berenklauw te zien bloeien en dat doornig struweel van uw wallen. Opzuigen zou ik de geuren in het binnenst van het brein, juist in de kamertjes, van den ademtocht van levende wezens de bewaarplaats en de haarden, waar het gemoed van een dichter met gelijke verzadigde geur wordt gevoed. Zo Tesselscha present was, zou ik, uitstel niet verdragend, toerennen, opdat mijn oren met hemelharmonie zou strelen deze hemelse vrouw. NU Echter, aan mijn Caucasus gebonden, laat ik toe, dat mijn hart uitknagen de Aristoteles-gieren en dat mij met hun tegenwerpsels verscheuren de Socratische jongemannen. Maar gij, hoe waardig roept over het lijden van oorlogvoerend Europa ge uw gevoelen uit, en dringt ge

[p. 252]

in der Vorsten binnenkamers door, een rechter vol ernst. Grootscheepse ondernemingen zie ik allen beginnen, uitrichten niets. - Een brief, gisteren door den raadsman van den Heer van Brederode overgebracht, bericht, dat de Prins geheel het leger heeft geïnspecteerd en gelast, dat een ieder zich in beweging zou zetten. Omstreeks den avond vernam ik, dat Oranje met ombuiging van den koers de Leye - er werden er van de zijnen onderscheidenen gemist - is overgetrokken en naar het Land van Waes en het na rampspoedig lot verlaten Callo met het gehele leger in grote snelheid oprukt. De strijd bij het Fort St. Donaas, was προφασις (voorwendsel) voor een tweede expeditie. Betrouwbaarder berichten wachten wij af, en wij leven allen in de hoop op belangrijker nieuws. Vaarwel, grote Hooft, en wil uw waardige gade en uw dochters uit mijn naam groeten.

Amsterdam, 12 juni 1640.