De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 3 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn., Franco Musarra en R.E.O. Ekkart


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (derde deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1979  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 456]

1132 (J. v. Wickevoort aan C. Barlaeus).

1Vidimus hic superiore septimanâ Nobilissimum Dominum 2 Satrapam unà cum Creusa, sed quasi per transennam. Incidebat 3 illorum adventus circa meridiem, ita ut excepti non fuerint nisi 4 prandio valde mediocri, imo tali à quo Judaeus Apella merito4 5 abstinuisset. A prandio lustravimus aedes Zulichemii, ubi cum5 6 Dominus abesset, sperata voluptate frustrati fuerunt. Reversi 7 domum, absque ulla mora ad Delphensem Scapham se contulerunt. 8 Postero die cum Zulichemius hoc rescivisset impatientiam morae et 9 discessum valdè accusavit, nunquam sibi imaginatus, sine 10 salutatione abituros fuisse illos, qui occupatissimi hominis iter10-11 11 Amstelodamense tam larga instantia urgere visi sunt.

12Dabam Hagae Comitis 8. Decemb. 1642.

 

vertaling

 

Wij hebben hier vorige week gezien den Hoogedelen Heer Drossaard tezamen met zijn hoge gade, maar om zo te zeggen door de spijlen van traliewerk heen. Hun aankomst viel omstreeks den middag, zodat zij op niet meer onthaald zijn dan een twaalfuurtje, dat heel matig was, beter gezegd zo, dat een besneden Jood zich daarvan terecht zou hebben onthouden. Na dit tweede ontbijt zijn wij om het Huis van Zuilichem heen gereden, maar daar de Heer des huizes afwezig was, zijn zij het gehoopt genoegen misgelopen. Teruggekeerd naar huis, begaven zij zonder verwijl zich naar het Delftse Veer. Toen den volgenden dag Zuilichem dit had vernomen, beklaagde hij zich grotelijks over ongeduldigheid, die niet kon wachten, en over aftocht: nooit had hij zich kunnen voorstellen, dat zonder een bezoek zouden weggaan zij, die op de reis van een drukbezet mens naar Amsterdam altijd zo onbekrompen instantelijk aandrongen, zo 't scheen.

Geschreven in Den Haag 8 december 1642.