|
|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | |
1165 (C. Barlaeus aan P.C. Hooft.)
1Quae argute ad praestantissimam viduam argutaris, nobilissime1 2 Hoofdi, aliena non sunt à genio tuo et sorte mea. Tu more tuo jocis 3 me petis, quia domi Penelopen habes in usus tibi necessarios. Ego3 4 miser et vacui lectuli possessor ferre cogor ludibria beatorum. Illud 5 vectatione retrograda, aut aversa effeci, ne aversus aut retrogradus 6 esset amor meus: licet in aureae Chersonesi dominas et Deorum6 7 matrem Cybelen ille minime feratur. Amo claudicantem et7 8 tardigradum Vulcanum, non Venerem. Non ignoras Mezentii8-10 9 tyrannidem, de quo Maro:
10 Mortua quin etiam jungebat corpora vivis.
11Nec poenitet istius sessionis. una vecti sumus ante fores arcuatae11 12 domus. ingredi jussum perhumaniter excepit dis Berecynthia, in 13 conclave introduxit, et Coloniensi nectare rubello abluit pulverem, 14 quem collegerant garrulae fauces. Aderant etiam filiae Cybeles, 15 quibus spiritus robustior, frons explicatior, et genu viridius. Potui15 16 ab harum contactu sine scelere incalescere. Schedulam tuam curavi 17 et chirurgo meo tradidi. Iam in expectatione es, magnarum rerum 18 et sacculorum, quos araneae inhabitant et blattae. Verum tu à situ18 19 purgabis mucidam et cariosam supellectilem, quin novis vocibus19 20 indues plebeam dictionem. Res Britannorum in ancipiti sunt. 21 dividunt victorias ex aequo. caedunt et caeduntur in vices. In 22 Galliis libertas carcere, et carcer libertate permutatur. Cardinalitii 23 exciderant suo cardine. proscripti proscribunt, et viceversa. Quisque23 24 suos patitur manes. alii in Elysium, allii in tristia tartara mittuntur. 25 Nos longiore mora videmur majora optare quam sperare. Ibitur 26 iterum, ut fama fert, in Flandriam. Faxit Deus ne ad Cannas eamus26-27 27 aut Thrasymenum, hoc est Calloënsem lacum. Torstensonius velut 28 novus Ziska Caesarem territat, et Pragae instat. proelio sternenda28 29 ipsi via est, aut occludenda. Vale Vir maxime, et si quid forte29 30 fando tuas pervenit ad aures, candidus imparti. Saluta Dominam 31 Leonoram, et matre pulchra pulchriorem filiam.31 32 Amstelod. 20 Iun. 1643.
| | | |
vertaling
Wat ge zo spits op de voortreffelijke weduw toegespitst afkeuvelt, hoogedele Hooft, strookt volkomen met uw aanleg en mijn levensdeel. Gij naar uw gewoonte zijt mij met grappen aan het bestoken, omdat ge thuis een Penelope hebt voor de behoeften, u van node. Ik, stumper, bezitter van een ledig beddeke, ben genoodzaakt de spotternijen te verduren van de rijkgezegenden. Dit heb ik door dat rijden achteruit of aarzelings bereikt, dat niet aarzelings en niet achteruit ging mijn liefde, zij het ook, dat deze op de gebiedsters van de gouden Chersonesus en der Goden moeder Cybele allerminst afstormt. Ik houd van een krepelgaanden en langzaam zich bewegenden Vulcanus, niet van Venus. Ge zijt niet onbekend met de dwingelandij van dien Mezentius, over wien Vergilius:
Ja, hij bond lijven van doden wel vast aan mensen, die leefden.
Maar ik heb geen berouw over dien langen zit. Samen zijn wij gereden vóór de deuren van het huis met de bogen. Toen mij binnen te treden verzocht werd, ontving mij uiterst gastvrij de Berecyntische diva, leidde in de grote zaal mij binnen, en met een Keulsen lieflijkroden godendrank spoelde zij het stof weg, dat de lichtelijk praatzieke keel had opgelopen. Aanwezig waren ook de dochters van de Cybele, bij wie de vitaliteit krachtiger is, het voorhoofd gladder ont-vouwd, jeugdiger fris de knie. Ik had door aanraking van haar, schuldloos, in vuur kunnen ontbranden. - Voor uw blaadje papiers heb ik zorggedragen en de gedenkenisse mijn' handtarst ter hand gesteld. - En nu zijt ge aan het wachten op gewichtige gebeurtenissen: beurzen, waarin spinnekoppen huizen en motten. Maar gij, ge zult van stoffigheid reinhouden schimmelig en vermolmd meubilair, beter gezegd: met nieuwgevormde woorden vulgaire dictie bekleden. - De gebeurtenissen bij de Britten verlopen zigzag. Zij verdelen de overwinningen gelijkop. Ze vellen en worden neergeveld om beurten. - In Frankrijk wordt vrijheid met kerker en kerker met vrijheid verruild. De aanhangers van den Kardinaal waren hun kardinale spil-positie kwijtgeraakt. Vogelvrijverklaarden verklaren nu vogelvrij en omgekeerd. Elk brandt in 't eigene vagevuur. De een wordt naar de oorden der zaligen, de ander naar de somberste hellekrochten gestuurd. Wij door te langdurig uitstel schijnen groter succes te wensen dan te hopen. Men zal andermaal, zo gaat het gerucht, Vlaanderen intrekken. Moge God bewerken, dat wij niet op een Cannae afgaan of het Trasumeense meer, d.i. Fort Callo. - Torstenson als een nieuwe Ziska jaagt den Keizer schrik aan en bedreigt Praag. Door veldslag moet hem de weg worden gebaand of afgesneden. Vaarwel, Grote man, en als eventueel u iets van horen zeggen mocht komen ter ore, deel het oprecht dan mee. Groet Mevrouw Leonora en schone moeder's schonere dochter nog.
Amsterdam, 20 juni 1643.
|
1Orsmael, gelegen aan de weg van Tienen naar St. Truien, werd in 1477 gekocht door Jean de Hertoghe. In de 17de eeuw wisselt ‘Orsmael’ willekeurig af met ‘Osmael’, ‘Orsmale’ en ‘Osmale’ in de naam van zijn nakomelingen. Valkenburg (Z.H.) werd in 1615, na bij akte van de Staten van Holland en West-Friesland van de beide Katwijken en 't Zandt gescheiden te zijn, gekocht door Johan de Hertoghe van O(r)smael (Tegenw. Staat VI, 433). Deze trouwde in Den Haag in 1608 met Josina de Bije (overl. kort voor 18 april 1644), was van 1623 tot 1630 gouverneur van het prinsdom Orange en kwam in het laatste jaar om bij een poging tot verraad.
Van zijn dochters komt Anna, vgl. 1156, 1164 in de Muider vriendenkring voor; of de Margaretha, vgl. 1156, met wie Huygens gedichten uitwisselde (W. IV, 18 v., vgl. Br. IV, 113) ook een dochter was, is twijfelachtig doordat zij niet, zoals Anna, Maria, Hester en Johanna, genoemd wordt in het testament van de broer George. Ook Worp is niet zeker van haar identiteit. Zie over deze zusters en hun buitengoed Pasgeld het artikel van Sv. E. Veldhuijzen in Jaarboek 1967 van Die Haghe blz. 72-130.
3Penelope was de trouwe gade van Ulixes in Homerus' Odyssea.
6amor meus: mijn verliefde aard (?).
aurea Chersonesus: bij Claudius Ptolemaeus, Geographica 1, 13, 9 is η χρυση χερσονησος ‘het gouden schiereiland’, Malakka.
Over de naam. ‘Pasgeld’ en de toepasselijkheid daarop van deze bijnaam, kregen wij van de Algemene Rijksarchivaris, drs. J. Fox, de volgende beschouwing:
‘Pasgeld is voor een buitenplaats een enigszins vreemde naam. De auteur van het artikel in het Jaarboek Die Haghe verwerpt het idee, dat deze te danken zou zijn aan een vermaning van de kapitein van de Haagse trekschuit aan zijn passagiers om “het geld gepast klaar te houden”, maar acht pasgeld een samentrekking van “passagiegeld”. De ordonnanties van het schuitveer van Delft naar den Haag maken melding van “passagiegeld”, d.w.z. “tolgeld of ook wel de som gelds, verschuldigd voor het vervoer van een persoon per schip”. Helaas blijft hiermee onverklaard, hoe de buitenplaats haar naam, die ons 7 maart 1626 voor het eerst is overgeleverd, aan het een of ander tol- of passagiegeld kon ontlenen. -- “Chersonesus aurea”. M.i. stelt P.C. Hooft hiermee tegenover de familie - bijzonder hoffelijk en bijzonder aardig -, dat haar buitenplaats te beschouwen is als een eiland van gelukzaligheid en luxe te midden van een wereld, die deze elementen maar al te zeer ontbeert, om precies te zijn: geen eiland, maar een schiereiland, dat met de omringende, vulgaire wereld nog wel enige, maar toch slechts geringe verbinding heeft. Dit lijkt mij duidelijk, maar even duidelijk dunkt mij, dat er voor Hooft een bijzondere reden geweest moet zijn om nu juist “Pasgeld” met zo'n gouden schiereiland te vergelijken. Hooft kennende mogen we ervan uitgaan, dat niet elke rijke, welvarende buitenplaats bij hem op deze aanduiding aanspraak kon maken, maar dat hij veeleer aan “Pasgeld” een aan dit buiten speciaal toekomende eretitel heeft willen geven.
Ons hierop baserende hebben we naar mijn idee Chersonesus aurea als een gekunstelde vertaling van Pasgeld op te vatten: een vertaling taalkundig zo onjuist als het maar zijn kan, maar niettemin voor Hooft uit ideëel oogpunt de bij uitstek juiste vertaling.
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, Twaalfde deel, Eerste stuk ('s-Gravenhage, Leiden 1931) stelt in voce “pas”, kol. 617-618: “Soms ook met betrekking tot een strook lands die tot verbindingsweg over het water dient.//Een half-eiland, dat met een strook lands, naaulijx een mijl breed, ontrent het dorp Tanoeno, en daarom de pas van Tanoeno genaamt, aan 't groot eiland Ceram vast is, Valentijn, O.-I. II, 1, 35b (zie ook II, 1, 114b)”.
Valentijn doelt t.a.p. op het schiereiland Hoewamohel.
Aannemelijk komt het mij voor, dat P.C. Hooft pars pro toto nemende het eerste lid “pas” met Chersonesus heeft vertaald, het tweede lid “geld” in de zin van “gulden” of “gouden” met “aurea”, en dat hij aldus een vertaling van “Pasgeld” heeft gevonden, die voor zijn correspondent een gulden klank moest hebben. Bovendien zou de ontvanger er een toespeling uit kunnen puren op de verovering van Malakka door de Nederlanders in 1641. De Portugese auteur Manuel Godinho de Eredia, die blijkbaar de bovengenoemde Ptolemaeus kende, had Malakka in het begin van de zeventiende eeuw nogeens als gouden schiereiland betiteld en de in de Portugese koloniale geschiedenis goed thuis zijnde Barlaeus zal hieraan gedachtig mede hebben willen uitdrukken, dat “Pasgeld” voor de bewoonsters een even grote rijkdom vertegenwoordigde als Malakka eertijds voor de Portugezen en sinds kort voor de Nederlanders’.
dominas: de De Hertoghes; Cybele (Josina de Bije?), de magna mater deorum, werd vereerd in Phrygië, waar zich een berg (Servius, Aeneis 9, 81) en castellum (Servius, Aeneis 6, 784) bevond, Berecyntos.
7Vulcanus: trouwe, oudere god; Venus: ontrouwe, jonge godin.
8-10Mezentius, vorst der Etruriërs, uit Caere; Mortua etc.; Vergilius, Aeneis 8, 485. Met beduchtheid toegepast op koppeling van vitale dochters aan oudere mannen.
11te Amsterdam; Anna Treslong is naar Rijswijk doorgereisd, o.a. met Huygens.
15frons explicatior: zinspeling op Horatius, Carmina 3, 29, 11; Satirae 2, 2, 125; genu viridius: beweert geen autopsie, maar zinspeelt op Horatius, Epodae 13, 4.
18vgl. Catullus 13, 8: Van Baerle heeft maar weinig mee te delen aan gebeurtenissen.
19novis vocibus: in 1164 vormde Hooft zo nieuw het purisme ‘handtarst’.
23Quisque etc. Vergilius, Aeneis 6, 743.
26-27Cannae, Trasumenus, Callo: nederlagen.
28Ziska: Hussietenaanvoerder, versloeg tweemaal het keizerlijke leger in Bohemen.
29si...aures. Met veranderde woordorde Vergilius, Aeneis 2, 81; candidus imparti. Horatius, Epistulae 1, 6, 68.
31matre etc. Horatius, Carmina 1, 16, 1.
|
|