De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 3 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn., Franco Musarra en R.E.O. Ekkart


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (derde deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1979  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 605]

1220 (P.C. Hooft aan C. Barlaeus).

1Mijn' Heere,

 

2Dat U.Ed. in den Haaghe oft elders buiten Amsterdam moest zijn, 3 hebben wij wel konnen droomen; houdende U.Ed. voor te eerlijk 4 om anders ons de eere schuldigh te blijven die U.Ed. ons belooft 5 had te doen met haar bezoek in gezelschap der nieuwgehuwden.5 6 Nu quijt U.Ed. zich ten minste met een bezoek op zijn grootmees-67ters, te weeten in schilderij; niet van U.Eed. ujterlijke gedaante, 8 gelijk zij doen; maar van U.Eed. gunste t' onswaarts, die, zonder8 9 bonte verwen, ons, met een afmaalsel in wit en zwart, vertoont9 10 wort. Waarvoor wij uwer Eed. te meer verplicht zijn, bemerkende 11 dat het gezelschap van zoo veele hooghe en doorluchtighe heeren 12 niet vermoghen heeft onze geringheit ujt U.Eed. gedachtenis te12 13 wisschen. De tijdingen, vermeldt in U.Eed. wel welkoom schrijven 14 van den achtsten deezer, zijn ons zeer smaakelijk geweest, ujtgezeidt 15 het hervallen zijner Hoogheit in de jicht, die ik vreez dat haar 16 beletten moghte zoo zorghvuldelijk oover alle zaaken te gaan, als 17 haare gewoonte is, en de teeghenwoordighe gesteltenis der dingen 18 schijnt te vereischen. Belangende 't wijf, 't welk, oovergeloopen 19 ujt het Sas, verklaart dat daarin geen voorraadt van monde voor19 20 veertien daaghen is: ik wilde, zoo zij op dat zeggen in gevankenis 21 gaat, dat de vijandt zich aan haare verlossing zoo veel liete ge-22leeghen zijn, dat hij, om haar te rantsoenen, de plaats in handen22 23 zijner Hoogheit wilde leeveren. Want ik heb geleert, dat, gelijk23 24 de ujtterende zieken doorgaands het leeven langer behouden 25 dan men gemeent had, alzoo ook de plaatsen, die men denkt ujt 26 te hongeren, de gissing van den belegger gemeinlijk bedriegen: 27 oovermits men, ter noodt, zich met het derdendeel der spijze 28 kan onderhouden, die men anders daaghelijx gewoon is te ver-29slinden. T'onzer eerste bijeenkoomste verwacht ik ujt U.Eed. te 30 hooren, oft de H. van Zuilichem zelf zijne gedichten aan den30 31 H. de Groot heeft gezonden, en wat U.Eed. gevoelen is van de twee 32 veirskens daarop te rug gekoomen. Ondertussen zij U.Eed. ge-33beeden, dat haar gelieve, ujt onzen naame, den H. Fiscaal Gras-34winkel dienstelijk te begroeten, ende nochtans scherpelijk te34 35 maanen om voldoening der beloften, waardoor zijn' Eed. zich 36 verbonden heeft, ons de eere van haar verzoek te gunnen, in 't

[p. 606]

37gezelschap van zijner Eed. gemaalinne, voor 't ujtgaan des jeghen-3738woordighen stilstandts van pleiten. Wij vertrouwen dat onze Heer38 39 ende Neef van Wikkevoort, neevens de zijne, zich meede daartoe39 40 zal verneedren en beleedighen, om eenighe daaghen in 't vuur,40 41 oft het hujs ter vensteren ujt te werpen. Indien de Heer Crosek41 42 zich kan gewaardighen 't getal te vermeerderen, de eere zal des 43 te grooter, en 't spel te volmaakter weezen. De pruimboomen 44 beginnen om lichtenis te roepen, en wij hebben de smaak hunner44 45 vruchten van dit jaar al wegh. Altijds gelieve U.Eed. het nieuw-46gehuwde paar van Baarle niet te vergeeten; maar te bevorderen 47 dat het zijn aandeel der vreughde meede koome bijleggen.47 48 Indien onze dochters, gelijk ik meen, met haare mannen, in den 49 Haaghe zijn, U.Eed. gelieve de zelve, van onzent weeghe hartlijk 50 te groeten, ende aan Vander Perre te zeggen, dat onze Neef50 51 Jeronimo Coejmans ons noch in onzeekerheit van den tijdt zijner 52 koomste tot Amsterdam, houdt. Ik hoor U.Eed. dunkt mij, 53 morren: ziet daar een' fraaije beleeftheit; ik meen speelen te53 54 vaaren, en men komt mij 't hooft breeken met een' werelt van 55 boodschappen. Ik bid om vergiffenis van te zondighen op U.Eed.55 56 goedertierenheit: hoewel ik U.Eed. zoude kunnen verwijten, 57 dat U.Eed. mij, met de zelve, en met haare goedwilligheit in 58 't bestellen van andre zaaken, die moeijelijker en wightigher 59 waaren, dus heeft verwent, ende doen vertrouwen, dat ik het 60 niet lichtelijk zulx verkerven kan, oft U.Eed. zal altijds in haare60 61 beste gunste bewaaren,

62Mijn' Heere,

 

63Van den Hujze te Mujde,

6412en In Oestmaant des

65jaars 1644.

63U.Eed.

64Onderdaanen dienaar,

65P.C. Hóóft.

 

Uitnodigingen.