De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 3 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn., Franco Musarra en R.E.O. Ekkart


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (derde deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1979  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 615]

1226

1Amplissimo Clarissimoque Viro Domino Gasparo Barlaeo; 2 Joachimus Vicofortius S.P.D.

2Amstelodamum.

 

3Habes, Amicissime Vir, Apologiam Domini Zulichemii Nobilis-4simo Hoofdio inscriptam, sed ad Te non minus attinentem. 5 Scribit se Peripateticum egisse, nec sedisse prius, nisi absolutis5 6 versibus, quod fortasse justissimo vindictae ardori attribuendum, ob 7 acceptas criminationes à tot accusatoribus. Errat in eo, quod pro 8 summa voluptate habet querelas et offensas Dominae Satrapae 9 placare osculo, cum illa nunquam sine aliqua oris dedignatione 10 illud admittet, oblata saltem regione auriculae.

11Hagae Comitis.

 

vertaling

 

Daar hebt ge dan, groot vriend, de Defensie van den Heer van Zuilichem, toege-eigend aan den Hoogedelen Hooft, maar u niet minder regarderend. Hij schrijft, dat hij als een Peripateticus te werk gegaan is en niet eerder is gaan zitten dan nadat de verzen af waren, iets wat mogelijkerwijze aan zijn volkomen gerechtvaardigde drift naar wrake dient te worden toegeschreven vanwege de bekomen aantijgingen en dat van zovele betichters. In dwaling verkeert hij op dit punt, dat hij het als het hoogst genot ziet, beklagingen, gekrenktheden van Mevrouwe de Drostinne weder goed te maken met den afzoen, terwijl zij nimmer zonder een of ander smalend trekje om den mond dien zal gedogen; zij biedt tenminste enkel de contrei van het oortje.

's-Gravenhage.