+DE partyschap nu gebooren, naam en waapen gekreeghen +hebbende, wies voor alle geweldt; arbeidende de Bondtgenooten, onder Staaten en goede steeden, om hunne streng, met aanhaalen van meer en meer luyden, te styven. De schriften en gedrukte boekxkens, zommighe verdoemende d'Inquisitie, en bitterheit der Plakkaaten, andere verdaadighende 't bedryf +der Eedelen, liepen van handt tot handt. Het preeken ook, dus lang in 't heimelyk gepleeght, nam maghtigh toe; beginnende d'Onroomsche, zonder anxt, zonder omzien te vergaaderen, en alzoo hunne groote meenighte te melden. De Landtvooghdes, van haarder zyde, bleef beezigh met het beraamen eenigher maatigher +form van keure; die ingestelt door den heimelyken Raadt, by haar, met d'andere Heeren en Raadsluiden van Staate, naagezien, oovermerkt en gebeetert werd. De Graaf van Egmondt en eenighe anderen sloegen voor, oft niet dienstigh waare, deeze maatighing terstondt te doen verkundighen, onder waarschuwing, dat ze duuren zouw, tot naader orde toe; om den Heeren Bondtgenooten en hunnen verwanten, genoegen te geeven. Maar de geenen, die ongeraaden vonden, zonder 's Konings uitgedrukt bevel, zoo groot een vooroordeel te vellen, al scheen men met d'afgezonde brieven reeds wel zoo verre gekoomen te zyn, braaken deezen slagh, met voorwenden, dat zulx, geschiedende alleen uit den naam zyner Majesteit, zonder toestemming der algemeene Staaten, den Bondtgenooten en anderen +geenszins smaaken zouw. Weshalven ten minste goedt waare, als men 't ontwerp den Koning toeschikte, het zelfste ook aan de Raaden der gewesten over te zenden, om hun gevoelen daar op te verstaan: ook aan de bezondere Landtvooghden, ten einde, yder in 't zyne, het de voorneemsten der Staaten en Steeden meede deelen moghte, om die te berichten, en t'onderstaan, hoe de zaak by hen laaghe. Deeze Raadt werd gevolght; en met een Johan van Glimes, Markgraaf van Berghen, en Floris van Mommorançy, Baroen van Montigny gekooren om naa Spanje te reizen, en den Koning van alles bescheidelyk te verwittighen. Haar Hoogheit, veirdighde daatelyk +het ontwerp der maatighing derwaarts heene, neevens kundschap van dit besluit, en van het onbenoeghen van Oranje en Hoorne, klaaghende oover wantrouw en ongunst, ontsteeken door oorblaazen en valsch aangeeven, teeghens hen, in zyne Majesteit. Waarom zy van zinne waaren, de Graaf zich +op zyn huis, de Prins uit Nederlandt te vertrekken; ten einde op hen, dien men reeds het dienstdoen bedorven had, ten minste geen vermoeden van ondienst viele. Philips, zeer zwaarhoofdigh en zich ontzettende in deeze tyding, raadspleeghd'er op zelf in persoon en groote zorghvuldigheit. Doch, aangezien hy hier af in 't heimelyk door de Hartoghinne verstendight was;
+ook de komste der Heeren van Berghen en Montigny, samt het gevoelen der Staaten en Landtraaden verwacht werd, vond men ontydigh yet in 't oopenbaar, noopende dit stuk, maar best, op 't laatste schryven, 't welk +het verhaal des Graaven van Meeghen meldde, tot antwoordt te schikken, dat d'onleede zyne Majesteit tot noch toe belet had, d'ooverlang voorghenoome reize naa haare Nederlanden t' aanveirden. Maar alsnu, ontslaaghen van die moeite, en van 't oorlogh gedreight door den Turk, wilde zy zich, met den eerste, op wegh geeven, en de zaaken, in die brieven geroert, by goeddunken van haaren Raadt, de Heeren en anderen, die zy zouw dienstigh vinden, op 't spoedighste slyten. En indien van toen af, (d' Algemeene Staaten altoos onvergaadert blyvende) bequaame middelen te bezinnen waaren, om 't heiligh Roomsch geloof, waarin zy verstond te leeven en te sterven, zonder groote bloedstorting te handhaaven, zy zoude zich van wel goeden harte, naa den tydt voeghen; en niet verre werpen het vergeeven aan de geenen, die zich door lichtvaardigheit, oft verleydt van anderen, moghten hebben misgaan. Ook meende zy niet nieuws met Inquisitie oft Plakkaaten; maar alleenlyk zich te houden by 't geene, onder den Kaizar, en in haaren tydt, gepleeght was. Ende gelyk wylen haaren heere Vader de moedt, gedraaghen op zoo vroome en getrouwe vassaalen, hunne voorzaaten in d'uiterste hachlykheeden noit bezweeken was; alzoo deed ook de beproefde deughd +en trouw deezer Heeren, dat zy zich der gansche weereldt troostte. By deezen oopenbaaren voeghde de Koning eenen heimelyken brief aan de Hartoghinne, om getooght te worden zoo 't pas gaave; met klaghte, dat hem der onlusten van den Prinse van Oranje en Graave van Hoorn grootelyx moeide; die haar Hoogheit verklaaren zoude, hoe zyne Majesteit zoo verre was, van quaadt oogh op hen te hebben, dat zy die, ten teeghendeele, onder haare voorneemste en allergetrouwste vassaalen reekende. De treffelykste steeden ook, als by welke de klem van den staat is, werden gunstelyken gekent, met aanschryven, hoe hy stond om oover te koomen, en zyne jeeghenwoordigheit aan 't vereffenen der zaaken te besteeden. 'T welk aangenoomen by veelen, hoop van heylzaame uitkoomst baarde. Vast ter zelve tydt +als deeze werden afgevaardight, ontfing de Koning de oopenbaare brieven der Landvooghdesse, meldende, hoe de voorzeide maatighing der Plakkaaten beraamt was; en goedt gevonden 't gevoelen der Staaten en Landtraaden daar op te verzoeken: waarmeede men beslooten had te ylen, eer de Bondtgenooten zich ten gemoeden inneboezemden, gelyk zy pooghden te doen. Voorts dat zy de Heeren van Berghen en Montigny eintlyk tot het gezantschap derwaarts, door styf aanstaan bewillight had. En zoo haar schryven misschien yet hardverduwelyks inhield, hy zoude doch, om de minne Gods, +alles in staate, ende, tot naa 't hooren der voorzeide Heeren, zyn besluit geschorst houden. Nu geviel 't dat de Markgraaf, wandelende achter 't hof, door spel met een houte kloot, aan zyn been bezeert werd. Deeze quetzuur +luttel luisterende naar de konst der artsenye, maakte 't zoo lange, dat men Montigny verghde voor uit te trekken. De welke, tot Paris gekoomen, 't bedryf der Bondgenoten door den Spaanschen Ambassadeur zoo +hoogh hoorde weeghen, dat hem schrik, en hy zeekeren Franschen Raadsheer aanging, om zyn' meening te verstaan, noopende 't volvoeren van deezen last. Die ried hem den Koning de reize schuldigh te blyven, en hem met een gemaakte ziekte te paajen. Echter toogh hem, darrende +zich met geen blaauwe uitvlughten behelpen, de kraft zyns noodlots, tot in Spanje, van waar hy noit weederkeerde. In 't begin van Zoomermaandt quamp hy'er, voorzien, door de Hartoghinne, met zeer gunstigh ingestelde brieven van geloove, eerstelyk om vervolgh te doen tot besluit der twee stukken van de Inquisitie en maatighing der Plakkaaten; ten tweede om
+te handelen van eenighe punten in zyn berichtschrift vervaat; naamelyk van 't wantrouwen, dat tusschen zyne Majesteit en etlyken haarder Staaten van Nederlandt broeyen moghte; desgelyx van 't hervormen des Raads van Staate, volghends 't geen voor heene, door den Prins van Gavere, met zyne Majesteit gehandelt was, en seedert geschreeven aan de zelve door haare Hoogheit: voorts hoe de reize des Koninx op Nederlandt stond aan te leggen. Ook braght hy met zich oover het inzight der Staaten van Vlaandre, Artois, en Henegouw, op 't verzachten der Plakkaaten. Dat van die van Luxemburgh, Naamen en Doornik werd hem naagezonden. Zommighe stonden de geraamde form toe; behoudends dat men daarin +yetwes hadde te verbeeteren. Andere verworpen die schier ganschelyk, dryvende dat d'ouwde wyze de beste was. Maar in 't vorderen hunner stemmen, waaren de geringste, en meest ter dienstbaarheit gewende eerst aangemaant; op dat men de treffelykste, en ten laatste die van Vlaandre gemakkelyker inleyden moghte; gelyk dan 't stribbelen, teeghens 't geen dat anderen oover zich hebben laaten gaan, aanstootelyker valt. Ook was den gemaghtighden der Steeden verbooden geweest hunne breede en achterraaden te verpraayen. Welke konstenarye, bezeft van de gemeente, het quaadt vermoeden weeder deed wakkeren. Den Staaten van Brabandt, Hollandt, Uitrecht, en anderen, werd hun verstandt nooit afgevraaght. Het +ontwerp der maatighing liep voorneemelyk hierop. Leeraars en bewindsluiden van Onroomschen Godsdienst, boekschryvers, verschaffers van plaatze tot verboode vergaaderingen, mitsgaaders de geenen, die groove arghernis in 't oopenbaar aanrechtten, oft hun werk maakten van hoofden der nieuwe leere te herberghen, zouden met de koorde gewurght worden; hunne goederen verbeurt, daar 't de handtvesten toelieten. Die hun geloof afgingen, zouden 't zwaardt krygen, en hunne Erfgenaamen hunne goederen. Gemeenen en berouw hebbenden ketteren werd genaade; den onboetvaardighen ballingschap toegevonden, behoudends 't genot hunner haave, die zy, nocht by uiterste wille, nocht by andere weeghen vervreemden moesten, maar op hunne erven laaten koomen: zoud' ook de zelve verbeurt zyn, zoo zy zich vervorderden eenighe Landzaaten te verleiden. Maar Weederdoopers, hardnekkigh blyvende, verbeurden hunne middelen, daar verbeurte stadt greep: daar niet, vervielen die daatlyk aan hunne erfgenaamen. Hervalle ketters, mits nieuw leedweezen toonende, moghten met ballingschap voldoen: doch Doopsgezinden, niet dan met den hals. 'T schynt vreemdt, dat men 't op deeze weerlooze en wereldonwyze luiden, met dus een meer dan gemeene bitterheit gelaaden had; ten zy dat men, tussen hen (hoe wel zy 't ongewaapend leeven voor een punt des geloofs houden) en d'oovervallers van Amsterdam, d'inneemers van Munster, geen onderscheidt wilde maaken, om dat zy, noopende 't stuk van den Doop, in een gevoelen staan; oft dat de geveinstheit hen nagaande, samt de uiterlyk gezochte schyn van ootmoedt, en onnoozelheit in kleeding en gelaat, als verwytende allen anderen hunne heilloosheit en ydelheit, den gemeenen haat terghde. Maar +deeze maatighing, die, van 't hof, naar zyne verweentheit en laatynzucht, Moderatie geheeten werd, kreegh terstondt den naam van moorderatie; gevallende echter den geenen niet, dien alle lyfstraf om geloofszaaken naa wreedtheit smaakte, oft die zich vryheit van godsdienst toegeleidt hadden, en 't vervolgh van hunne harders ondraaghlyk vonden. Ook was 't geduldt te kranker onder de gemeente, mits de geemelykheit, verwekt door dierte en af brek van neeringe teffens. Want, behalven dat de twee +laatste jaaren, vier en vyventsestigh, het een met langduurighe en der Nederlandsche lucht ongewoone strengheit van winter, het ander door groote schaarsheit van kooren, meenigh huisgezin op hun achterdeel gebraght had,
+zoo sloegh'er noch toe de stilstandt van den laakenhandel, een hooftneering +des lands: waar meede het dus geleeghen was. Zynde de Fransche mooghenheit den gebuuren schrikkelyk geworden; als alle teeghenweer van elken in 't bezonder, te zwak viel, en d'eenighe raadt aan 't zaamen heulen hing, werd een eeuwigh verbondt tot gemeene bescherming opgerecht, tussen +de kroon van Engelandt en 't huis van Borgonje vervaatende de Staaten van Nederlandt, die zich daar toe, in den jaare veertienhonderd zesentneeghentigh, uitdrukkelyk verplicht hebben. By 't zelve was ook, ter weederzyden, vryheit bedongen van koophandel en alle tollen, uitgezeit de geene, die men in de naast voorgegaane vyftigh jaaren geheeven had. Maar de Engelschen, gedreeven van te groot een baatzucht, hadden, om de Nederlandsche ambachten t'hunnent te planten, en de kraft der koopmanschappe den onzen t'ontrekken, teeghens 't verbondt, verscheidene handtwerxwaaren van hier koomende verbooden; andere, aldaar ingekoft werdende, met groove tollen bezwaart. Jaa zy lieten 't bevrachten der Nederlandsche scheepen niet toe, zoo lang men daar Engelsche bekoomen kon; zonderling ten tyde van de Koningin Mary, als 't Philips haaren gemaal genoeghzaam om 't effen was, welk van de twee Landschappen, het ander, in voorspoedt, oovertrefte; en hy zich van de Engelschen, in grooter, dacht te dienen. Naa 't ooverlyden van Mary, dewyl dit ongelyk, met de smart, hoe langer hoe meer toenam, had men van onzer zyde, naa verlooren verzoek en wanhoop van beeternis, den onderdaanen van Elizabeth, dit voor dat doen houden, en al hunne laakenen, karzaaien, wollen, uit Nederlandt verbannen: onder schyn nochtans van vreeze voor pest, die +te Londen in zwank ging. D'Engelschen, te fier om te kreuken, braghten eensklaps de staapel in Oostvrieslandt; daar zy van Embden beloofden Antwerpen te maaken. Doch vindende, op de Eems, nochte dien aftrek, nocht verschiet van herlaadinge, door dien de Nederlanderen verbooden werd aldaar met hun te handelen, begosten zy te begrypen, dat beide de volken, welker welvaart meest by der zee, en in handtwerken bestond, zonder gemeen ongerief, elkander niet derven konden. En zy quaamen tot zoo veel bekens, dat'er, in 't jaar vierentsestigh, een verdragh op volghde van den onderhandel te hervatten; mits dat de Nederlanders niet hoogher zouden belast worden, dan zy in 't laatste jaar van Mary geweest waaren. Meer niet wilde Elizabeth toegeeven, alleens oft het onrecht, by haare voorzaate ingevoert, t'haaren tyde recht zyn moeste, om dat zy 't zoo gevonden had. Niettemin, dit was maar om te duuren tot dat men t'eener zaamening van voortreflyke persoonen, die, van weederzyden, binnen drie maanden tot Brugge verschynen zouden, naader orde geraamt geraamt hadde. Op deeze vergaadering ging de Lente en Zoomer des jaars vyftienhondert vyventsestigh met krakkeelen door; zulx men elkanderen op nieuwe t'zaamenkomst bescheidde, alwaar van den vyventwintighsten in Lente, tot den eenentwintighsten van Zoomermaandt dezes jaars vyftienhondert en sesentsestigh geknibbelt werd, en 't geschil echter ongeslooten +bleef. Naamelyk de Engelschen, als ziende ons met grooter zwaarigheeden verleeghen, deeden, met zich styf op hun roer te houden, zoo veel toegeeven, dat de zaak tot 's Koninx ooverkoomst werd opgeschorst, en midlerwyle het verdragh van den jaare vierentsestigh gelden moest: sloerende alzoo dit stuk, tot den tydt des Hartoghen van Alva toe. Ondertusschen +volbraght de Markgraaf van Berghen ook zyn heenreize. Als beide de gezanten nu te hoove waaren, beleedighde zich de Koning daaghelyx, om hun, t'hunner gelieven, gehoor te geeven: beval ook hun t'elken maale deeling te doen in 't geene, door de Landtvooghdes werd oovergeschreeven. Koomende dan, by deeze en andere geleeghenheeden, met die
+van den Raadt van Staate te woorde, lieten zy zich hooren, dat d'ontsteltenissen +van Nederlandt voorneemelyk gesprooten waaren, uit de brieven zyner Majesteit, noopende 't stuk der Inquisitie en Plakkaaten. Zulx tot der zaake niet te doen was, dan d'Inquisitie t'eenemaal af te schaffen, en d'ontworpe maatighing in te willighen, neevens een algemeine vergiffenis. Oft nochtans de Bondtgenooten zich daar aan zouden laaten genoeghen, gemerkt hun verzoek van alles by oover en toestaan der algemeine Staaten te doen verhandelen, konden zy niet verzeekeren: maar dit wel, dat de heeren beslooten hadden, zoo zyne Majesteit hier in te vreede was, zich, met allen ernst, te koste te leggen aan 't stillen der beroerten, door onderhandeling en behulp van veele eerlyke luyden hun toegedaan, oft by weeghe van waapenen, die zy reeds den Koning aanbooden, en willigh waaren, teeghens de quaadwillighen te neemen, met vaste hoope van booven te staan. Zoo behoefde zyne Majesteit haare reize niet te verhaasten, maar moght bequaamen tydt, en tot dat alles in ruste gebraght waar, zulx haar geen vreeze te jaaghen +scheene, verbeyden. Hierteeghen werd gezeit, Alles wat zyne Majesteit geschreeven had, was op reede gevest: en zoo yemandt zich daar meê beholp, tot verwe om zyn misnoeghen te verschoonen; zulx quam niet by den Koning toe, maar by 't verkundighen der brieven, buiten last zyner Majesteit, en teeghens goeddunken van den heimelyken Raadt. Daarenbooven, indien de heeren vermoghten 't misquaam te keeren, wanneer de Koning in de drie voorgestelde punten bewillighde; zoo stond het ook, zonder dat, aan hen, en hun toe, die maght te werke te stellen; dewyl zy zoo voorneemelyke vassaalen waaren, op voorzorgh der welke, onder haare Hoogheit, de welstandt des landts steunde, in 't afweezen zyner Majesteit, die, geduurende 't zelve, gelyk zy t'anderen maale geschreeven had, geene vergaadering +van algemeine Staaten, oft eenighe nieuwigheit begeerde. De gezanten antwoordende, bleeven daar by, dat, zonder deeze drie punten te verwerven, de heeren van middel nocht zin waaren, om te paarde te zitten, oft te waapenen; maar dachten zich elk op zyn huis te houden, alzoo luttel geacht by zyne Majesteit, oft, om beeter te zeggen, by de Spanjaarden; de welke stootende alle anderen uit den raadt des Koninx, alleen 't zeggen, neevens hem hadden, en zich voorstaan lieten, de Nederlandsche heeren te vervooghden eeven als die van Milan, Napels en Ciçilie. 'T welk, staande hun in geender maniere te verdraaghen, was, geweest en alsnoch de eenighe, oft immers de voorneemste oorzaak der zwaarigheeden en ontsteltenissen. Maar, onder 't hangen deezer handelinge daar te hoove, naamen de beroerten hier eenen ysselyken sprong, en zoo oovergeeven, oft men +getroost geweest waare, een op al, en alles in 't wildt te stellen. Want het gink'er der wyze toe, dat'er langer geen houden aan scheen: loopende de luiden, ter preeke, eerst in bosschaadjen, daarnaa in oope velden, met +groote meenighten; veele uit enkelen yver, andere uit nieuwsgierigheit. +D'eerste vergaaderingen geschiedden zonder waapenen. Maar toen men hen dreighde oft steurde, zy aan 't draaghen van rappieren, van zinkroers, endtlyk van bussen, hellebaarden, en ander halsgeweer. Dit begon in Westvlaandre, sloegh van daar voorts in Brabandt, Walslandt, Hollandt, Zeelandt, Uitrecht, en andere gewesten. 'T zy dat de gemeente, gewoon 't lyf in te booren, daar zy den vinger kryght, zich dus, uit reukeloosheit, verstoutte, op de gunst, die zy waande te speuren aan de Eedelen; oft dat de Eedelen, verneemende den ondank, met het smeekschrift behaalt, en zich in ongenaa ziende, uit vertwyfeltheit, het graauw onder den duim opgeruidt, en hier toe aangehitst hadden, om der Landtvooghdesse te doen duchten, dat de jongste noodt naakte, zoo zy zich niet van hunnen bystandt, en hen van veiligheit voorzaaghe. Mooghelyk
+ook, dat een groot getal handbussen, opgekocht by Spanjaards, en eenighe oorloghscheepen, die hier en daar voor 't inkoomen der landen laaghen, en ten laatste naar Spanje voeren, de schichtighe gemoeden aan 't hollen geholpen hebben: oft het ombrengen op nieuw, van eenighe gevangenen, om 't geloove, hun 't vuur in 't hooft gejaaght. Maar d'inwendighste oorzaak schynt geweest, dat men den Koning vryheit van Godsdienst wilde afperssen, eer de maatighing, waar meê haar de deure eeuwighlyk geslooten bleef, stadt greepe. Op den vierentwintighsten van Zoomermaandt werd in 't Walsch gepreekt, niet verre van Antwerpen, in zeeker heesterbos des Heeren van Berchem, en 't zelve bewaakt, tot vier plaatzen, van gewaapenden, eenighe te voet, eenighe te paarde; daar, mits het Sant Jans en een leedighe dagh was, veele nieuwsghierighen toevloeiden: zulx men 't getal wel begrootte op vier oft vyfduizent menschen. En als'er gerucht onder quam, dat de Burghery zich toerustte om hen t'oovervallen, werd van zommighen gezeit, zy moghten koomen, men zoud' hun staan. De Leeraar, uit hebbende, verkundighde, dat men des Saaterdaaghs daar aan, +in Nederduitsch zouw preeken. Die van Antwerpen verwittighen des de Hartoghin. Die raadt hun, met de schutters uit te trekken, gelyk voor heenen wel gepleeght was. Zy ontschuldighen zich, op de sterkte en weerbaarheit deezer zaameninge. Haar Hoogheit verliest geduldt, vaart uit +van verbolghenheit, dat het verzoek der Eedelen dit gezelschap zoo stout gemaakt had: dat zulke ketters niet zochten, dan 't goedt en bloedt van anderen, en hun bedryf op een godloosheit uitkoomen wilde. D'Antwerpsche gemaghtighden hielden haar voor, van de zaak in hunnen breeden Raadt, bestaande uit de voorneemsten der gemeente, te brengen. Daar vond zy eerst zwaarigheit, achter naa bewillighd'er in. Ende alzoo verstaan werd, dat eenighe Fransoizen, waarop, van weeghe der ouwde grens-vyandschap, quaad bedenken viel, zich onder de Predikanten menghden, zoo gebood +zy, des te ernstigher, by Plakkaat van den zessentwintighsten in Zoomermaandt, allen uitheemschen, die, nocht om koopmanschap, nocht om andere noodtzaaken, in den lande te doen hadden, het zelve te ruimen. Schreef ook scharpelyk den Amptmannen van gerechte aan, dat zy zich met alle vlyt, in 't weeren der ketteryen, te quyten hadden, op peene van metpleghtigh en gunstigh daar aan geacht te worden. Al vergeefs. Want de Schout van Antwerpen, die gemeenlyk Markgraaf genoemt wordt, om dat hy zeekeren oordt daar ontrent, genaamt het landt van Ryen, onder dien tytel beheert, antwoordde, dat het hem aan maght gebrak. De steeden Amsterdam, Delft, Uitrecht, met eenighe andere, ontzaaghen zich 't Plakkaat te werke te stellen. En was 't zoo verre van eenen schrik te maaken, +dat d'Onroomschen innenaamen 't Laar, een veldt op een vierendeel myls van Antwerpen geleeghen; de ingangen, met waaghens, bewacht van gewaapenden, toe bolwerkten; en zich daar vervorderden op drie plaatzen te preeken. Dies zagh de Majestraat het voor hoogh tydt aan, den +breeden Raadt te vergaaderen. Deeze was mildt in 't uitbieden van lyf en goedt, om 't preeken te beletten, en verstond echter niet, dat men 't by afkundingh verbieden zoude, maar yeder alleenlyk trachten de geenen, die onder hem stonden, door vermaaning, daar van af te wenden. Al dat men +dan zonderlinx deed, was de wacht verbeeteren, zommighe lidtmaaten der wet en van de deftighste burghers aan de poorten te stellen; oft dat eenighe schreumte maaken, en de geenen doen flaauwen moghte, die buiten ten gehoore liepen. Weshalven de wethouders, kennende dit werk zonder klem, en zich te zwak tot stellen van bondigher orde, de jeeghenwoordigheit der Landtvooghdesse verzochten, mits dat zy met hofgezin en lyfwacht ooverquaame, zonder ander gevolgh van krysvolk, waaraf
+de gemeente, beducht voor steurnis van neeringe, eenen af keer had. Maar de Raadt van Staate, weetende geenen wegh om 't preeken te schorssen, vond al te afzightigh en smaadelyk, dat haar Hoogheit gedwongen waare 't zelve voor haar ooghen te zien, en te dulden. Dies bedankte zy de Wethouders voor de goede geneeghenheit en beweeze vlyt; ende drong op 't uitvoeren van 't laatste Plakkaat, noopende 't loozen der Fransoizen, etlyke krysoversten der welke (zoo zy verkundschapt was) zich binnen hunne poorten onthielden; met naamen de bastaart van Vendosme, de Baroen van Gascoigne, en andere hopluiden. Maar zy vond, zeid ze, bedenkelyk, +zich ter genaade van de burgherye te stellen, 't en waare men haar aanwyzinge van veiligheit deede. 'T zenden van eenen, twee, oft drie der achtbaarste heeren, (want dit was ook voorgeslaaghen) hield zy in beraadt. Hierentussen, als 't voorzeide Plakkaat, den tweeden van Hooymaandt verkundight was, quaamen, des anderen daaghs, de wykmeesters der stadt in de Wetkaamer, met een verzoekschrift, hun toegeschikt by beslooten brieven, op den naam der burgheren en inghezeetenen van 't waare Christe geloof, om aldaar ingeleevert te worden: 't welk zy eedsweeghe niet hadden +mooghen achterhouden. Het luidde, dat zy, van de welke de weirlyke Ooverheit altyds behoorlyk erkent geweest was, zich van 't Roomsch oovergeloof en de misbruiken hadden afgezondert, en huhnen Gods dienst in't heimelyk geoeffent tot dien tydt toe; 't welk hun, door den grooten aanwas, nu langer ondoenlyk viel. Verzochten derhalven plaats binnen der stadt, om een Kerk te stichten; naadien zoo by ouwde als nieuwe exempelen bleek, dat tweederley geloof, in eenen lande, vreedelyk geleeden kon worden; en zy zich hielden aan de punten der Augsburghsche belydenisse, die meedebraghten dat d'oopenbaare preeke, en 't gebruyk der Sacramenten noodigh was. Ende gemerkt den wethouderen, uit kracht hunner handvesten vry stond, hen hier meede te begunstighen, waaren zy, op zoo Godlyk een verzoek, gewenscht bescheidt verwachtende. De Regeerders, meer en meer bekommert, besluiten schryvers aan de poorten te zetten, om d'inkoomende vreemden aan te teekenen, algemeine huizzoeking te doen; de honderste luiden te eedighen; ook hondersten en tiensten te stellen, op de dorpen hun onderworpen; zich van de Fransoizen t'ontleedighen; en te doen verklaaren, wat +volk, binnen een myl in 't ronde, om de stadt nestelde. Ook verboden zy, vermomt, en met pyp, trom oft trompet, by straat te gaan; en veirdighden, op nieuw, gemaghtighden af, om de koomst van de Landtvooghdesse, oft eenighen voortreffelyken Heere, te vorderen. De Hartoghin, ziende dat men in Spanje geen eindt Van de zaak maakte, en hier te Lande zonder verhaal van aadem voortsloegh, ging een nieuw Plakkaat uitgeeven: 't welk, geslooten den derden van Hooymaandt, en meest al eenstemmigh met d'ontworpe punten van maatighing, nieuwe verbolghenheit baarde, zulx verscheide +steeden geenen moedt hadden 't zelve te verkondighen: onder andere Antwerpen, dien 't quaalyk afgenoomen ende meenighmaals verweeten werd. Oft zy ook schoon de gemaghtighden dier stadt bedankte: voor 't betrachten van hunnen plicht, zoo maakte zy echter zwaarigheit van zich binnen de zelve, te vertrouwen; en worp voor, dat ze noch vol Fransoizen, soldaaten, en vreemdelingen stak; dat men haar alvooren middel aanwyzen moeste om 't preeken te doen staaken, en haaren persoon te verzeekeren. Want, wat'er gezeit werd van den goeden wille der burgheren, om lyf en goedt daar voor te laaten, haar was ongeraaden, dat zy 't daar op liete aankoomen. Terwyl zy't dus draaghende hield, en bet geneeghen scheen tot het zenden van eenighen aanzienlyken heere, schooten de gemaghtighden teeghens eenighen van den haaren uit. Dat het beleidt van een persoonaadje, daar de burghery toe gezint waare, en op betrouwde, best bedyghen
+zouw; en de Prins van Oranje wel in't hart der gemeente, ook, als haar +Erfburghgraaf, in onderlingen eedt met de stadt stond: dervoeghe, dat zoo wel de wethouders als't volk, zyne Doorluchtigheit daar wenschten. Geen naader uitkoomst afziende, quam de Landtvooghdes zoo ver, dat zy 't hem verghde. De Prins begreep zeer wel de zwaarigheeden, die dit werk in had; en dat het, zonder by den Koning, oft by de gemeente, oft beyde ondank te begaan, quaalyk te verrichten was. Derhalven toonde zich ongeneeghen; +en wees deezen last van zynen hals af. 'T welk de Hartoghin euvel nam, en den Koning ooverbriefde. Ook schreef zy den landtschappen en steeden aan, dat ze zorghe te draaghen hadden voor haare veiligheit, en orde te stellen, om de sterkste te blyven tot behoedt van den Godsdienst en de achtbaarheit des Koninx; waar in zy hun beloofde de handt te bieden. Maar de dingen raakten, hoe langer hoe meer in't war. Want binnen Antwerpen kreegh men anxt voor inbrengen van krysvolk, en een schalk oogh, op den Graaf van Meeghen, hebbende daar eenighe daaghen stil geleeghen; en op dien van Arenbergh, van tydt tot tydt verwacht wordende. +En gelyk de manier der gemeente is, by stonde van achterdenken, het op den eenen oft den anderen te laaden, verzierden zy zelve, en geloofden teffens, dat het deeze waaren, die't hun bestellen zouden. In der stadt was, van d'andre zyde, met etlyken der Bondtgenooten de Heer van Breederoode, ontrustende de wethouders, en hunne parthy, door 't groot verzoek t'zyner herberghe, en sterken naasleep achter straat. De breede Raadt, vergaadert zynde, weigherde plat uit het preeken buiten de vesten te steuren, alzoo zulx den burgheren niet toestond; maar beloofd' het binnen niet te lyden. Naa soldaaten t'ontfangen wilden zy niet luisteren; jaa eenighe knechten, aangenoomen, uit de poorterye, by de Regeerders, afgedankt hebben, met aanbiedinge van zelve sterker te waaken: 't welk begonnen werd. Om dit besluit, samt het vermoeden op Meeghen, Arenbergh, en Breederoode, der Hartoghinne kundigh te maaken, werden eenighen der wet gelast, naa Brussel te reizen. Maar 't lustte niemandt, zoo onaangenaam een boodschap te draaghen; zulx, dewyl zich yder, door verscheide uitvlughten, t'zoek maakte, de beloonde Raadsman Weezenbeek +alleen trekken moest; hebbende, alvooren, rondelyk verklaart, niet zoo veel als een woordt te zullen spreeken buiten zyn berich schrift. Ook werd het hem afgevordert door de gesteurde Landtvooghdes, die 't onder haar behield, zeggende, dat zy, daarop, met de Heeren dacht te raadspleeghen, en zoo Breederoode t' Antwerpen niet te doen had, de wet moght hem uit wyzen. De Graaf van Meeghen, 't zy op haar orde, oft anders, vertrok eer lang van daar, onheuslyk naageroepen van't graauw, Arenbergh koos eenen anderen wegh, en liet de stadt leggen. Maar d'eene buy joegh d'andere. Men hoorde dat Hartogh Eerryk van Bruinswyk, zich door last des Koninx, toerustte; en by Lingen gereedschap ten oorlooghe gemaakt werd, jaa, onder't volk, rees een roep, hoe in de Kempen, en +daar ontrent, krysvergaadering was, onder den Graave van Meeghen, om, by verstandt met de Majestraat, de stadt te verzeekeren. Toen de koopman aan't pakken, weghzenden van waaren, wyven en kinderen. Wykmeesters, +ingezeetenen van verscheide taalen, ouwtscheepenen, loopen de wet aan, met vertoogh, dat het oover tydt was, eenighen persoon van achtbaarheit daar te hebben, en de Prins de bequaamste. D'ontsteltenis wast, van uur tot uur; en zoo hoogh, dat de burghery 's nachts in waapenen raakte, om +'t inkoomen van bezetting te keeren; die verziert werd voor de stadt te weezen. Die van 't Onroomsch gevoelen deeden weeder een smeekschrift voortkoomen. Dit luidde, dat men, in plaatze van 't voorgaande in te willighen, hunne zaameningen, voor kettersch en oproerigh uitkreet, en met geweldt,

+scheen te willen steuren, om 't draaghen van geweer; 't welk alleen tot bescherming teeghens hunne weederspreekers, en niet teeghens d'Ooverheit, geschiedde. Indien yemandt, uit de hunnen, oproer aanrechtte, men moght hem straffen; zy hadden'er niet teeghens. Hunne meenighte, en de geenen, die hun verweeten dat zy 't licht vlooden, drongen hen tot het preeken en oeffenen van hunnen Godsdienst in 't oopenbaar. Als men hun slechts een plaats, onder schut der Wethouderen, daar toe verschafte, zoo waar alle onrust uit, de neering om beeter te bloejen dan ooit, en zy te vreede de waapenen needer te leggen. Dit was ingestelt op den naam der burgheren en inwoonderen van Duytsche en Walsche taale, in groote meenighte, die aanbooden, 't geschrift te teekenen, oft voor de Majestraat te verschynen in zulken getaale, +als het der zelve gelieven zouw. Dicht by Antwerpen, op een plaats 't Kiel genaamt, hadden gestaan twee Prochianen, uit het leeren der welke geschept werd, dat zy, zonder nochtans de Roomsche gemeenschap af te snyden, naa't verstandt van Luiter helden: waar oover d'een gevangen, d'ander verdreeven was. De Regeerders oordeelende, dat luiden van aanzien en omzien zich graaghlyk van't verbooden gehoor speinen zouden, mits men hun yemandt toestonde, dien zy waanden hun zoo veel te zeggen, als ter zaaligheit noodigh geweeten waare, deeden den verjaaghden te voorschyn koomen; hem lastende, tot weederzeggen toe, zyn Kerk waar te neemen, en zich zeedighlyk te draaghen. Deeze behendigheit, stellende 't volk op een' tweesprong, brak terstondt de groote toeloop, en schynt de scheure, tussen Luiterschen en Calvinischen dapper gewydt te hebben; waar meê de Prins, in't afwenden van 't uiterste onheil aan de stadt beschooren, zich, hier naa, wel wysselyk en gelukkelyk behelpen zal: tot bewys, dat veelerley gezintheeden handelbaarder zyn, dan tweederly onder een Ooverheit. De noodt voor ooghen staande, deed ook te hoove sterker en vrymoedelyker aanhouden, ten einde 's Prinsen persoon gemaghtight wierde, +om de misverstanden te koomen neederleggen. Dies liet hy zich entlyk beweeghen, en deed, den dertienden van Hooymaandt, zyn intreê tot Antwerpen. 'T verlangen, de gunst, de graatigheit, waarmeede hy ontfangen werd, gingen alle maate te booven. Daar staaken oover de dertighduizent menschen op de beên, boordende van daar hy t'huis te leggen had, de straaten en den wegh, tot meer dan een halve myl buiten stadt; en vervullende 't midde der wyze, dat men genoegh te doen vond, om den drangh te klieven. De Heer van Breederoode met etlyken der Bondtgenooten, en groot getal burgheren, gingen te paarde om hem in te haalen, en te geleiden tot aan zyn herbergh. Zy begroetten hem met lossen van hunne zinkroers, daar de gemeente, die de liefde en lustigheit ten ooghen uitzagh, met een geschrey van Vive le Geux, op antwoordde. Die kreet duurde tot aan stadt toe; hoewel hy bewys deed, dat zy 't laaten, en hun toedreef, dat het hen berouwen zoude. In de poorten, op de muuren, grimmeld' het van volk. Daar ging't weeder aan, met roepen, als vooren; en zyn lof in de lucht. Hem noemden ze hunnen Burghgraaf, hem hunnen waaren verlosser, die zulx, in der zaake, door zyn achtbaarheit, voorzien zouw, dat echter noodeloos waar, te Brussel, aan de Hartoghinne te loopen. Doch speurende, dat het hem mishaaghde, bedwongen zy zich beeter, in der stadt. Verwacht en bewellekoomt van de wethouders, in't huis t'zynen verblyve toegerust, oopend' hy hun zynen lastbrief, met aanbieding van allen dienst in zyn vermooghen weezende. Zy daarenteeghens, met dank zegging voor d'aanveirde moeite, en beloovende die t'erkennen met hulp en gehoorzaamheit, droeghen hem by geschrift voor, 't geen de geleeghenheit hun docht te vorderen. Breederoode verreisde des anderen daaghs: 't zy uit andere reeden, oft dat hy daar toe van de Prinse versprooken was.
+De Prins, om zeeker te zyn, op wat moer alles leggen moghte, maakte +zyn eerste werk, van ouwtscheepenen, wykmeesters, oovermannen van ambachten, koopluiden van allen taalen, geestelykheit, en anderen, yeder bezonder te hooren. Daar pynde zich elk zyn teeghenparty in 't ongelyk te stellen, en stond het zoo byster, met de zuchtmenging van 't gansche lichaam, dat alle leeden onderling weederspoorigh, en zommighe met zich +zelve niet eendraghtigh waaren. De wethouders riepen, oover de baldaadigheit der Onroomschen, die, zonder op hen, op Plakkaaten, op Landtvooghdes, jaa zelf de Majesteit des Koninx te passen, gewaapent ter preeke liepen; en waar dit anders uitkoomen wilde, dan op 't onderste booven te keeren? Dat ook de rest der inwoonderen, hun koele of kleene gehoorzaamheit bewees. +D'ingezeetenen in 't gemeen, misduiden al wat de wet voornam, en hadden 't onder ander, op hunnen toeleg om soldaaten in te neemen, en dienvolgende, op het hof, gelaaden. De Luiterschen hadden quaadt vermoeden op de Calvinischen: en deeze hielden 't al verdacht, wat'er was. Maar zy hadden de meeste verwanten en't geweer in de vuist. Gemerkt ook de zwak-en losheit der wacht, was 't niet buiten schyn, dat zoo groot een hoop, gewaapent, uit der preeke, binnen koomende, zich meester van alles zoude kunnen maaken. Den grondt aldus geboort hebbende, schreef de Prins deezen staat der stadt, aan de Hartoghinne oover; en dat raadzaamst waar, 't wantrouwen met gevoeghlykheit te slyten, om de Calvinischen tot slaaken van 't geweer, ende dat in de handt der Ooverheit te +brengen. Te deezen einde deed hy die van Calvyns gevoelen, en hunne Leeraaren, daar 't al aan hing, vertoonen, dat het quaalyk paste, zich teffens ter preeke en in waapenen te vinden, des zy der betaamelykheit hadden plaats te geeven en't geweer te laaten. Zy stonden zyne reede toe; zyn besluit ook; midts dat men hun, door 't woordt zyner Doorluchtigheit, toezeggen der wethouderen, oft schryven van den hoove, teeghens geweldt verzeekeren wilde. Voorts deed hy den breeden Raadt vergaaderen, en werd, daarin, met groot bewys van hartelyke geneeghenheit en eerbiedenis, bejeeghent, tot afscheit kryghende, dat zyner Doorluchtigheit, met die van de wet, eenen ooverslagh by geschrifte gelieven zouw in te stellen, van de beste middelen tot stilling der beweeghenissen; en hun 't beraamde voor te draaghen. Dit gedaan zynde; werden tot gemeener vernoeghing, booven de wethouders, ouwtscheepenen, wykmeesters en oovermannen der ambachten, ook te raade geroepen de schutteryen, gebroederschappen, rethorykers en koopluiden. 'T geen men daar t'ooverweeghen gaf, quam op twee punten uit. Het eene was van twaalfhondert burghers in soldye en kryseedt aan te neemen, +tot behoedenis eener stadt van zulk belank, en tot gerustheit des koopmans: het ander, van 't preeken te schorssen. En verklaarde de Prins, dat hy en de wethouders dit liefst zouden met gemoede te weegh gebraght zien, tot dat door zyne Majesteit, by goeddunken der algemeine Staaten eenpaarighe orde daar op gestelt wierde: 't waare dan, dat men, mits verzeekerende d'Onroomschen door een algemeene vergiffenis, oft by andere wyze daar toe raaken moghte. Hier op viel verzoek, en toestandt van achterraadt. Daar naa weeder by een gekoomen zynde, braghten zy in, dat +in 't stuk der preeke, zoetelyk, als met vermaanen en afraaden, diende te werk gegaan; ook een algemeene genaade veelen daar uit zouw doen blyven; maar de vergaadering der algemeene Staaten de meeste vrucht baaren. Soldaaten, docht hun, dat geen koopstadt draaghen kon. Ende, al naame men die, uit de poortery aan, zoo zouden 't niettemin, luiden van geringen doene, en quaalyk vertrouwbaar weezen. Maar zy zelf stelden zich ooverboodigh allen dienst te doen, daar men de knechten toe gebruiken wilde. Dit werd dan aan, en by der handt genoomen; hun gevoelen, 't welk van elk lidt,
+by geschrift, ingeleevert was, der Landtvooghdesse toegeveirdight. Haar +antwoordt gekoomen zynde, waarby ook de Prins tot opzight, oover de stadt gemaghtight werd, zoo vergaaderden daarop de breede Raadt, en leeden der gemeente, die zyne Doorluchtigheit, voor 't aanveirden van die zorghe, hooghlyk bedankten. Voorts werd geslooten en uitgeroepen zeekere ordening zoo op de waake, als teeghens het draaghen van onge woonyk geweer by straat. Maar ondertussen was een nieuwe ontsteltenis schier oorzaak van meerder bitterheit en verwarring geweest, door den ontydighen +yver van eenen Peeter van Rithoove Godtgeleerde van Looven, die, onbekent in weirlyke kleederen, zich onderwond den Prochiaan op 't Kiel oopenbaarlyk in zyn preeken te bestraffen, en ter naauwer noodt, uit de handen der oploopende gemeente, in een kelder geborghen werd. De Prins eevenwel, braght het zoo verre, dat de Calvinischen, voor een groot deel, de waapenen neederleiden; en scheenen 't alle gedaan te zullen hebben, waar hun niet in 't hooft gehangen, dat de Drossaart van Brabandt +zich van dienaars en paarden versterkt had. Dit, en zyn ryden verby de stadt, daar zyn wooning ontrent stond, joegh hun een verschen schrik aan: zulx zy met meer geweers, ter preeke, tooghen. Niettemin als de Hartoghin, des verzocht zynde, uit vreeze, dat zy hunne zaameningen binnen de wallen moghten leggen, hem verbood yets t'hunnen laste te bestaan, quaamen zy wat tot stilte. Doch geene rust kon duuren, in de geenen, die +met alle winden van gerucht woeyen. By onbekent schryven uit Brussel werden de wykmeesters bericht, dat onder 't hof en de gemaghtighden der wethouderen, aldaar een toeleg broeide, om de preeke met geweldt te steuren. Van vier waaghens, gelaaden met waapenen, door den Drossaart, werd'er een genoomen, en in stadt gebraght. De Majestraat, daar voor spreekende, bekraghtighde 't vermoeden. Men strooide, dat buiten, in de kloosters, knechten en paarden verhoolen laaghen, om, op zeeker teeken van de klokke, in de vergaaderingen te slaan: dat men zelfs binnen der steede, bedektelyk volk in soldt nam. Des stuiven zy weeder op; willen binnen de poorten gepreekt hebben. De Prins slaaft nacht en dagh: mengt dreighen met smeeken; en doet echter dit onweêr oover dryven. De gemoeden eenighzins bezaadight zynde; bleef hy noch daar, ten verzoeke van de wethouders, tot dat men de staatsy van den ommegang met het Mariebeeldt gehouden had; waar teeghens, ten aanzien zyner Doorluchtigheit, niet wyder, dan met woorden gesporrelt werd. Ter zelve tydt, als men, leggende t'Antwerpen dus ooverhoop, den Prins onleedigh hield, viel'er in zyne Landtvooghdyen, met gelyke zwaarigheeden, genoegh te +doen. Want, dichte by Hoorn, was op den veertienden van Hooymaandt, door Jan Arentszoon van Alkmaar, mandemaaker zyns handtwerx, in't oopenbaar, aangevanghen te preeken; weenigh daaghen daarnaa ook buiten Alkmaar; en t'hans buyten Haarlem, in welke vergaadering zich wel ontrent vyf duizent menschen vonden. Onder deeze waaren Reinier Kant, Laurens Jacobszoon Reaal, Cornelis Willemszoon Hooft met zyn dochter, Jan Jansz Smit, en veele anderen van Amsterdam. Dat men 't zelve, ontrent die stadt noch niet bestond, quam by de strafheit der wethouderen toe; de welke, ziende het deel der burgherye, dat uit oorzaaken booven gemeldt, teeghens hen verbittert was, afwendigh van 't Roomsch gevoelen, zich van den arm der kerke voor een knodze dienden, vervolghende d'andere gezintheeden met d'uiterste ongenaa. Jaa zy hadden +onlanx, naamelyk den achtsten der zelve maandt, by Plakkaat der Hartoghinne, 't preeken, op de galghe verbooden; en zeshondert gulden op het lyf van yeder leeraar gezet, 't waare, dat men hem doot oft leevendigh aan den Schout leeverde. Niettemin, als zy vernaamen, dat verscheidene inwoonders,
+naa Haarlem, en elders, daar gepreekt werd, heene reizden, gink hen angst aan, dat zy, eerlang, de vergaadering voor de poort zouden hebben. Derhalven, de schutteryen en etlyken der voorneemlykste burgheren, by een geroepen, stellen zy hun groote zwaarigheeden voor ooghen, 't en waare zy de handt booden, om 't preeken, onder de stadt te beletten. Maar de burghers verklaarden zich des ongehouden; doch willigh, om daar voor te zyn, zoo men zich des, binnen de muuren, onderwond. De vrymoedigheit dan toeneemende, zoo behandighde Johan Pieterszoon Reaal, op den naastlaatsten van Hooymaandt, aan zeekeren vaarenden man, een vertoogh; 't welk voorts bestelt aan Burghermeesteren en Raaden, gelyk te vooren te Haarlem geschiedt was, op den volghenden zin +uitquam. Dat mooghelyk op achterklap van een deel licht geboefte, de wet waanen zouw, hen met recht, voor muytmaakers, te steuren, die niet voor hadden, dan zielen te winnen. Waaren hunne Leeraars luiden van eenvoudt, en weenigh letteren, daar had Godt zyn waarom toe, dien't een straal aan zyn gloorye strekte, dat de waanwyzen in hunne wysheit beschaamt wierden, en de geloovighen, zonder grondt van menschelyke wysheit, op den Gekruisten alleen steunden. Niettemin daar moghten wel haast Leeraars van meerder weetenschap te voorschyn koomen. Indien ook hunne leere vastging, gelyk zy zich sterkmaakten genoegh te bewyzen, zoo was ze stichtelyk en niet verleidende. Daaraf, t' zamt van hunne orde, wilden zy geirne reekenschap geeven. Dat zy van Paus en onschriftmaatighe bypaaden weeken, geschiedde, om de plaaghen, hun beschooren, t' ontgaan. 'T verwyt van oproerigheit, stond hun, met Paulus, te verdraaghen, zonder zich daar aan, oft van hunnen plicht te keeren. Ende vond men geen' leer, die de vreedzaamheit hoogher zette. Al dat men hun preekte, was ter eere Gods tot gerustheit van gewisse, en d'eeuwighe zaaligheit strekkende. Den wethouderen zoude gelieven zelve tot het gehoor te koomen, oft de harders hunner gemeente te zenden, om te verstaan, wat'er geleert werd, en die daar naar, t' onderwyzen. Konde men hen ook van dwaaling oovertuighen, zy waaren bereit het hunne te verzaaken, om een beeter; zoo niet, dat men hun veiligheit toestonde, om hun gevoelen ter proeve te stellen, en Christelyker wyze in alle minne te verzoeken, wie den anderen winnen konde. +Ter zelve stonde ging 't preeken aan, niet verre van de Haarlemmer poort, buiten de vryheit der stadt nochtans, op een plaats de Rietvink genaamt. Burghermeesters waaren niet alleen gewoon, op zaaken van eenigh belank, ouwdburghermeesters, en op die van meerder gewicht, de zessendertigh Raaden, gelyk als noch gepleeght wordt, maar ook, tot dien tyde, op meer dan gemeene zwaarigheeden, de drie schutteryen, bestaande elk uit twaalf rotten, met eevenveel hopluiden, als uitmaakende 't lichaam der gemeente, te vergaaderen. De Vroedschap nu, vindende dit werk van te groot een naadruk, om het oover zich te neemen, verstond dat'er de schutters op gehoort dienden. Dies werd elke schuttery +op haaren doel ontbooden; van waar yeder hopman, 't geen by 't meestedeel zyner rotgezellen, gestemt was, voorts aan Burghermeesteren ooverbraght. 'T welk hier op uit quam, Dat zy hunne waapenen, tot het waare wit der zelve, naamelyk weernis van onrust der stadt, doch niet van 't buitepreeken, bereidt waaren te werke te stellen. Alzoo werd'er niet anders, dan dagh-en nachtwacht wat beeter verzorght. Korts daarnaa preekte men tot Slooterdyk, een dorp, dat, in ambachtsheerlykheit, onder de stadt staat. Maar zynde 't zelve, den vierden van Oestmaand, weeder op den Rietvink begonnen; toogh de Schout, met zyn dienaars, nachtwaakers, en anderen, die men daar toe krygen kon, tot ontrent hondert in getaale, om 't minste gewagh, tot Jan Rooden poortjen uit, en voorts buiten omme; in meening, op
+den hoop te vallen. Dan als hy voor de Haarlemmer poort quam, die aan +zynen wegh lagh, rieden hem die van de burgherwacht zyn rust te houden, zonder 't besluit der vroedschap en schutteryen t'oovertreeden; 't en waar hem aan bloedtstorting lustte; jaa de poort voor zyn hooft, te zien sluiten. En hy, hoewel vol spyts en bitterheits, staakte, dat maal, zyn toght, en verbeet zich. D'anderen dan, aldus, en van naader toeleg des Schouten, gewaarschuwt, voorzaaghen zich, teeghens de naaste zaamening, van geweer; +met die ingetooghenheit echter, dat het niet langer was, dan onder den mantel schuilen kon. Verklaarden ook, door den mondt des Preedikants, geenszins in wille te zyn van zich anders daarmeê, dan tot weederstandt van geweldt, te behelpen. En oft schoon in elke hooftpoort (want d'andere bleeven geslooten) twee Raadspersoonen toezight op uit-en ingangers naamen, daar is een groote meenighte ter preeke gekoomen, de zelve ongesteurt volbraght; en dit spoor in verscheide plaatzen van Hollandt en Uitrecht gevolght. Gelyk ik der destigheit myns aangevangen werks te naa zoude achten, alle straatmaaren en ydelen klap, tot aas der ooren, die veel al naar vreemdigheit jooken, te boek te slaan; alzoo kan ik niet leedigh staan te melden, 't geen my verscheide geloofwaardighe ooghtuighen, Roomsche, Onroomsche, hoewel het wonder, ooveraardigh, en onzen vernufte +onbegrypelyk is, vertelt hebben. Naamelyk, hoe, ontrent deezen tydt, de arme weezen alhier met zoo naar en byster een quaale bezocht zyn geweest, dat een' mensche 't hair te berghe staat, van daaraan te denken. Want een groot deel kinderen, bezeeten met booze geesten, werd niet alleen, in veelerley wyze, geplaaght en gepynight, zulx dat het hun noch naa de verlossing, al hun leeven, aanhing; maar zy klauterden, als katten, by wanten en daaken op, gaaven gezichten zoo helsch en aaverechtsch, dat de manlykste harten van die neep scheenen te quynen; wisten uitheemsche taalen te spreeken, en van 't geen, op 't zelfde ooghenblik elders, zelfs in de vroedschap, geschiedde. Veel heilloos gebaars bedreeven ze aan de deuren van zeekere vrouwen, die, daaroover, voor tooveressen uitgekreeten, van my om de eere der naakoomelingen verzweeghen worden. Maar zy hadden't, booven al, gelaaden op den Schout, dien zy scholden voor een Deeventerkoek, om dat hy van wanstallighe lengte was, en meenende hun met diergelyke kinderkost, den mondt te stoppen, dien +oopenbrak. De Landtvooghdes, hierentussen, had niet verzuimt, den hoove in Spanje kundtschap te geeven van de vergaaderingen by Doornik, Sant Omeer, Ryssel, Ypere, en daar ontrent; mitsgaaders van de bedenkelykheit op eenighen der Leeraaren, die Fransoizen waaren. Hoe zy ook in beraadt geleidt had, oft het geen tydt scheen, hun deeze vermeetelheit, by weeghe van waapenen, te verleeren: maar, van de heeren geantwoordt werd, dat'er geldt ontbrak; en boovendien te duchten viel, dat, zoo men tot die daatlykheit quaame, de ketters opstuyven, en 't Landt eer uitgeplondert, dan zy in de weer, zyn zouw. Dies bad zy den Koning, besluit op de drie punten te maaken, in der voeghe, als men hier goedt gevonden had: gemerkt dit het naaste middel was, en d'Onroomschen binnen Antwerpen begosten de ooren op te steeken, terwyl dat veele Heeren zich ontschuldighden van haar bystandt te doen, uit zaake, dat zy den geenen, dien 't behoorde, niet vertrouwen darden, nocht zich in waapenen begeeven, om d'Inquisitie en Plakkaaten te handthaaven. Korts daar naa schreef zy, hoe 't preeken ter voorzeide plaatzen vervolghde, en seedert noch ontrent Antwerpen, Uitrecht, Oudenaarde, Gent, en nu ook by Aalst, Middelburgh, Valenchienne en elders was aangeheeven. Weshalven zy, t'elkenmaale weeder, zyne Majesteit, om afscheidt op de drie punten, bad; hoewel de dingen nu zoo verre verloopen waaren, dat zy niet wist oft het Landt hiermede
+kon geholpen worden, om de naakende plaagen en verwoesting t'ontgaan. Philips, +vreemdt toeziende op zulke tyding, en niet weetende waar hy 't had, hield raad op raad, en de zaak al een wyl sleepende. Entlyk, begrypende den noodt om'er een eindt af te maaken, beval hy den Raadt van Staate te verzaamen, gelyk meermaals in zyn byweezen geschiedt was, om, naa onderlingen ooverleg, tot een besluit te koomen. Zoo vergaaderden dan tot verscheide daaghen, in 't bos van Segovie, daar hy in persoon was, +Ferdinand Alvarez van Toledo, Hartogh van Alva, zyn groothosmeester, hoogh gezet, by de Spaanschen, in kloekheit en voorzight; Gomez van Figueroa Graaf van Feria; Antonis van Toledo, groot Prioor van Sant Jan van Leon; Jan Mauriquez van Lara groothofmeester der Koninginne; Ruy Gomez van Silva, Prins van Eboli, Graaf van Melito; Luidewyk van Quichada grootschiltknaap des Prinsen van Spanje; alle gehouden voor wel gaauwe en ervaarene luiden in 't stuk van de regeeringe; noch Karel van Tisnacq, hooft van den Raadt van Staate in Nederlandt; de Raadsheer Hopperus, bewaarder van den grooten zeeghele; en de geheimschryver Courteville. De stof, in de waaghschaal gehangen, docht hun niet alleen haar groot gewicht uit te wyzen, maar een' schor en verwartheit zoo byster, als ooit in eenighe ter weereld gespeurt was: zulx dat'er met dappere aandacht, en wel eerst op de ziekte, daarnaa op het +geneesmiddel gelet diende. Belangende de quaal, braghten zommighen by, dat men, tastende met ernst, en opmerk, 't heele werk onder zyn' leeden, verneemen zoude, alles her te koomen, uit een' persoonaadje, of twee, nydigh, staatzuchtigh, naa verandering van Godsdienst haakende, en nerghens op uit zynde, dan om 't roer der Nederlandsche zaaken te doen leggen oover 't boordt, daar zy 't binden wilden; tzamt aldaar, oopenbaare vryheit van geloofszaaken, oft ten minste, voor yder, binnen's huis, in te voeren. 'T welk hy lichtelyk wys worden kon, die acht op hunnen wandel sloegh', van trap, tot trap, gelyk zy dien aangeleidt hadden. Want voor den eersten moest men neemen't verschuiven des Kardinaals van Granvelle, uit den raddt en alle bewindt, niet door bezonderen haat, oft dat hy raadsmansplicht quaalyk voldeed, gemerkt men eenighen van de heeren, by wylen, wel had hooren zeggen, dat zy, dienaangaande, oover hem niet klaaghen konden; maar om dat hy hun in den weeghe, en hem niet toestond, (gelyk zy riepen) 't bestier der dingen alleen te houden, 't welk d'ouwde wyze en't recht des Lands, den Heeren en der voorneemlykste Ridderschap, opdroeghen: zulx noodigh was, dat de Koning, hem zyn' plaats, t' hunnen behoeve deede ruimen. Naa 't raaken op deezen trap, was men gekoomen tot den tweeden; te weeten, de bezending van Egmondt, waarmeede, genoeghzaam oopentlyk, naa de gemelde twee dingen gesteeken werd: gelyk, tseedert, het zelfste noch klaarder bleek, ten deel uit het schryven der Hartoghinne, noopende 't vervormen des Raads van Staate, ten deel uit het handelen der Heeren, oover 't werk der Bisschoppen, en andere, beroerende den Godsdienst. Maar, niet kunnende met den tweeden t' hunnen wille raaken, hadden zy zich vervordert te styghen, tot op den derden trap, zynde 't verzoekschrift der bondtgenooten van Aadel. Deeze nu, wat waaren't voor luiden? bloedtverwanten, maaghen, vrienden, dienaars van de Heeren. Wat verzochten ze dach? 'T afschaffen van alle Inquisitie, en 't maatighen der Plakkaaten; daarenbooven noch 't vergaaderen der Algemeine Staaten: aan 't eerst van welke punten vryheit van Godsdienst, aan 't laatste verandering der gemeene regeeringe vast was. Dies moest hy wel slecht zyn, die zich yet anders liet vroed maaken, dan dat zy zich met hun verstonden, en van der Heeren handt vlooghen. Dit meldde zich noch bet, op den vierden trap, dien men nu bestapte, met inbrengen van 't goeddunken der voorzeide Heeren, genoeghzaam beslui-
tende, +tot inwillighingh van't verzoek der bondtgenooten. Want zy riedden voor eerst, d'Inquisitie wegh te doen, en Plakkaaten te verzoeten, naar de beraaming van hun ontworpen, en ooverleit met de Raaden en Staaten. Nochtans was 't gevoelen van deze, maar stuxwys, en van de Raaden geen altoos oovergezonden: en derhalven te vermoeden, dat het hun teeghens gink. Daarnaa zoo was de hooftboodtschap der Heeren van Berghen en Montigny, te handelen van 't mistrouwen, smeulende naar hun zeggen, tusschen den Koning, en eenighe zyner vassaalen en onderzaaten; nietteeghenstaande 't schryven zyner Majesteit tot etlyke maalen, dat zy, van haarder zyde, dies niet gelaaden had. Voorts quaamen zy gelast, om op de nieuwe form van den Raadt van Staate; dat was (in goedt Spaansch gezeit) van de gemeene regeering der Nederlanden, te dringen: ook aan te wyzen hoe zyne Majesteit best toe zoude met haare reize, die zy zochten uit te stellen, tot dat ze bezeilt hadden, 't geen dat ze besteevenden: gelyk het schrift van Montigny, duydelyk meldde. Ingezien nu, hoe de Heeren onderlinge verknocht waaren; de eedelen in bondtgenootschap getreeden; en booven dien, de ketters, dat pas, zoo opgeruidt, en in roere met preeken en t' zaamenrotten, ook de zelve lyn trokken; zoo gink het immers al te vast, dat men alles t' zaamen gehaalt had, om, ten uiteinde, de twee voorzeide punten te bejaaghen. En indien deeze vier trappen niet toereiken moghten, stond, buiten twyfel, te verwachten, dat zy tot andere en noch zorghlyker zouden voortschryden. Want zy begosten zich reeds te laaten hooren, dat misschien de Bondtgenooten, aan 't voorgemelde geen genoeghen zouden neemen, en de Koning te lang getoeft had; hoewel dit, in der daadt, zyn schuldt niet was, maar hunn' eyghe, mits hun blyven in gebreeke, van 't goeddunken der Raaden en Staaten, oover te zeinden. Welke hunne ongereedtheit wellicht een konstenary moghte zyn, om de Bondtgenooten, uit het draalen zyner Majesteit, stof te doen raapen, tot verbloeming van 't geene zy zich geirne wyders onderwinden zouden; oft ten minste, om daar meede te winnen, dat de Koning geen besluit maakte, noopende 't stuk van den Godsdienst alleen; maar, dat, naa 't komen der voorzeide Heeren in Spanje, de handeling van 't verstellen des Raads van Staate, gelyksvoets voortginge. Koomende daar naa tot de middelen van geneezing, braght men by, dat (gemerkt dit stuk meest de eere des Allerhooghsten, en behoudenis der waare kerke betrof) de Koning, zyn raadt, vassaalen en onderdaanen, vooral door gebeeden en ommegangen, de gunst en hulpe Gods moesten schikken te verwerven; blyvende zyne Majesteit vast en onverzettelyk by haar deughdelyk voomeemen, van niet te zoeken, dan den dienst en glory Gods, neevens 't welvaaren van haare zoo getrouwe en toegeneeghe onderzaaten: van de welke al hadden etlyke zich, door lichtvaardigheit, oft anders, verloopen, het meestedeel goedt, en geenzints, om der snooden wille, te verdelghen was. Dat ook zyn Majesteit zich behoorde te draaghen als een vader oover zyn' kinderen, als een harder oover zynschaapen; dewelke, mengende de barmhartigheit met de rechtvaardigheit, de zalve met het zeer, in alles doen blyken, dat zy, nocht oover eyghe wraak, nocht oover vernielen, uit zyn, maar op 't gemeene nut van den huize en beeternis der geenen, die zy onder handen hebben. Zynde dit alzoo met een glimpighen schyn, en Spaansche staatelylcheit, uitgezet; stelde men wyders voor, dat zich tweederly oopen vertoonde, om uit de zwaarigheit te raaken: het eene een middelwegh, die, als bedrieghelyk, te schuwen stond; het andere de rechtleydende baane, die men, als de eenighe had in te gaan. Deeze was, dat zyne Majesteit alles te rug stellende, zich op der daadt, met behoorlyken voorraadt, naa Nederlandt begaave. Want, zonder dat, en zoo men tot in den winter sukkelde, moest midlertydt het waare Roomsche geloof, tot groote be-
zwaarnis +van gewisse, verlooren gaan: altoos, zonder twyfel, het quaadt binnen, der maate toe, en gehandthaast by uitheemschen, zoo vast een' standt, neemen, dat, het geene op dat pas, zonder geldt te spillen, zonder beroerte, zonder bloedtstorting te verrichten was, eer weenigh daaghen, ooverzwaare schatten, breeken van beelden, van Kerken, van Kloosteren, 't leeven van meenighen mensche, en d'uiterste verwildering kosten zouw. Dat argher was, daar zyne Majesteit nu hoogh spreeken, zich doen believen, en ten volle op 't stuk van den Godsdienst voorzien moght, en 't landt van alle zaadt der ketteryen klaaren; stond dapper te beduchten, dat dit, zoo men niet spoeide, zich te wydt verspreyen, en te diep inwortelen zoude, om daarnaa, uit de harten der gemeente, gewiedt te kunnen worden. Jaa waare niet vreemdt, dat de boozen tot hun vermeeten quaamen, die zich daaghelyx verluyden lieten, dat de Koning, met wil oft onwil, wel eenighe punten van vrydoom, in den Godsdienst en de regeeringe, zouw hebben in te ruimen. Yemandt anders, met volk van oorlooghe, in haar afweezen derwaarts te zeinden, was zyner Majesteit niet te raaden. Want, booven dat men hem gehoorzaamheit zoude weigheren, zoo waar zulx der scheuringe de handt en aan partyen stof geleent, om zich yder den naam van dienaars des Koninx toe te schryven; waar van hun de Fransche exempelen voor de neuze laaghen. Maar, indien 't den Koning geviel, zich flux der waarts te maaken, zoo zouden al deeze dreigementen van ongemak verdwynen, en zwichten voor de Majesteit van eenen Vorst, die in zoo hoogh een achtbaarheit en gunst, by de Landtzaaten stond; den welke, niet alleen de goeden, maar ook de twyfelachtigen, en eertyds snooden, zouden toevallen. Welverstaande, dat men zoo veel krysvolx gereedt hadde, als genoegh waar, om den weederspannighen de wet te stellen. En wen hy alle vereeningen, bondtgenootschappen, en t' samenkoomsten, door zyn ontzagh hadde afgeschaft, zoude men voor het tweede werk, het stuk van den Godsdienst, kunnen reeghelen. Waartoe eerstelyk van noode was, volghens 't Conçilie van Trente, de wanzeedigheit der geestelyken te beeteren, daar de doolingen en ketteryen haaren oorspronk uit naamen; ten tweede, de ketters en dwaalgeesten te straffen, naar luiden der Plakkaaten. End zouw zyne Majesteit alsdan, met de Raaden en heeren, die zy daar goedt toe vonde, ooverleggen kunnen, oft de tydt, in de gemeldde Plakkaaten, eenighe verandering eischte. Daarnaa moghte men onderstaan, oft nut, oft noodig waare, den Raade van Staate, den Heimelyke en dien van de Geldtmiddelen andere form te geeven, oft die, by de jeeghenwoordighe te laten: voorts de geschillen van de Raaden des gewoonlyken gerechts uit den weeghe leggen, doende hen, in 't ooverighe, hunne ordeningen en berichtschriften volghen: teffens verzorghen, dat het deel der gerechtigheit, 't welk in 't verleenen van genaaden en vergiffenissen bestond, samt het begeeven der geestelyke en weirlyke ampten, in alle oprechtigheit en zuiverheit, besteldt wierde. Door deezen wegh, den eenighen, daar men, in goeden gewisse, zyne Majesteit aan raaden kon, was alle quaadt te verwinnen. En, zoo men dien volghde, scheen naauwlyks van noode het middelpadt in te treeden, 't welk was, besluit te maaken op de drie punten, van Inquisitie, Plakkaaten, en algemeine quytschelding van misdryf: te min, ten aanzien, daarmeede lichtelyk niet gevordert zoude worden. Want het stond zeer te beduchten, dat de bondtverwanten en anderen echter met hun opzet deur zouden willen: ook de heeren ongepaait blyven, zoo men, met een, hun niet beliefde in 't stuk van den Raadt van Staate; 't welk, als van zoo groot een gewight, geenszins afgehandelt diende, zonder dat de Koning, daar jeeghenwoordigh waare, om, in d'ouwde ordeningen en bescheiden, den staat der voorleede tyden, naa te vorssen. Hierenbooven werd verstaan, dat d'Inquisitie heel te
+dempen, een' verkleening waare van 't gezagh zyner Majesteit, zyner Heiligheit, en der kerke, die de zelve opgerecht en ingevoert had. Gelyk ook niet verzweeghen diende, dat een yeghelyke zyn Godsdienst zouw koomen vry te staan, ten minste binnen 's huis, als men dit eenigh middel verworp, waar meede de kerk zich altoos beholpen had, om haare zorghvuldigheit oover de leer, en de gewissen der menschen te doen bedyen. Wat de Plakkaaten betrof; indien men die naar 't voorschrift der oovergezonde maatighing, instelde, zoo bleeven alle zonden van verzuim, als niet ter kerke., niet ten aavondtmaal te komen, geen vastendaaghen, nocht andere kerkelyke gebooden te houden, samt alle naalaatigheit binnen 's huis, ongestraft; en alleenlyk boetschuldigh de gheenen, die zich in 't oopenbaar quaamen te verloopen, met verzaamen, preeken, leezen van verboode boeken, oft met andere arghernis den waaren geloovighen te geeven. De peenen zelf zouden ook de zwaarte der misdaaden niet opweeghen; nocht haaren tytel voeren van de zyde van den Godsdienst; maar onder naam van zwakker naadruk, als ter zaake van oovertreeding der vreede, en steurnis der gemeene ruste, te werk gestelt worden. Hoe konden, zoo men dat spoor nam, de dienst des Almaghtigen, de plicht des gewissen, de achtbaarheit des Koninx, en de welstandt des Lands ongekrenkt blyven? het waaren dan dingen, die niet te dulden stonden: en eeven luttel het derde, te weeten d'algemeene vergiffenis; de weldaadt der welke, zoo wel d'allerschuldighsten, gelyk preekers, leeraars en muitmaakers genieten zouden, als de geenen die eenighzins gestruikelt hadden. Dat zeeker, om in goeden gewisse te handelen, wel reede waar, alles plat af te slaan, indien zich de zaak in haar geheel, oft de Koning reisveirdigh vonde. Maar ingezien van den anderen kant, hoe 't werk geschooren stond, en zyn' Majesteit niet op wegh slaan kon, zonder zich naar eisch van de veerheit en gevaarlykheit des zelven toe te rusten; zoo zoude zy, om met volle maate van heusheit, en goedertierenheit, den quaadwillighen, allen grondt van klaaghen en krakkeelen t'ondergraaven, zich mooghen voeghen naa den tydt, zoo veel het gewisse lyden wilde. En zoo zy, dienvolgends, goedt vond d'algemeene genaade toe te staan; zeer wel: mits dat preekers, leeraars en andere hoofden van oproer, wierden uitgezondert. Noopenden de Inquisitie, waar ook de schoot zoo verre te vieren, dat men de gewoonlyke en ongewoonlyke van den Paus, ter zyde zette, onder voorwaarde van de ordening der Bisschoppen in kracht te doen stellen. Met de verzoeting der Plakkaaten zoud' het de Koning best zoo lang aanzien, tot dat hy zelf oover quaame. Doch zoo 't marren bedenkelyk viel, kon zyne Majesteit, op 't spoedighste, uit Nederland, een nieuw ontwerp vorderen, daar 't Heiligh Roomsch geloof beeter meede bewaart waare; en 't zelve ooverzien hebbende, voorts doen, 't geen zy oordeelde te behooren. Ende zouden daarneevens niet quaalyk besteedt worden eenighe minlyke brieven van den Koning, aan de Heeren, Raaden, Prelaaten, en goede steeden, om hun de waake te beveelen, dat, terwyl hy, op koomender weeghe was, de Godsdienst geenen afbrek leede. Philips, verwittight dat d'ooverleg der Raadsluiden van staate ryp was, ontbood hen by zich, om hun gevoelen te hooren, en voorts zyn besluit te ankeren. Ende, voor eerst, vond hy goedt en beval de beededaaghen en ommegangen, door heel Spanje en Nederlandt, te houden. Voorts verklaard' hy nooit te zyn geweest, nocht emmermeer te zullen worden van meeninge, om anders, met zyn' onderzaaten, dan in alle zoetigheit +en goedertierenheit, te leeven. Belangende zyn reize, en 't spoejen der zelve; zeyd' hy, dat hun zin de zyne was; en leydde in beraadt, oft mooghelyk waar, die, voor den aanstaanden winter, te volbrengen: mitsgaders, oft hy zynen wegh oover de Noordzee, oft oover de Middellandsche, te neemen had. Men oordeelde den tydt te kort, om voor den win-
ter, +daar te weezen: dat de Noortzee hem wel gereeder, maar in de Middellandsche, en voorts te lande, 't minste gevaar, lagh. Want gins, booven de hachelykheit van 't vaarwaater, kon groot ongemak ontmoeten, zoo misschien de Fransoizen en de Engelschen, het eylandt van Walcheren, quaamen te bemaghtighen. Hier lanx gink men zeeker; voorneemelyk +zoo men zich met den Kaizar verstonde. Dies diend'er geschreeven aan die Majesteit, en haare meening vernoomen. Dit werd alzoo bestelt; en der Hartoghinne weet gedaan, dat de Koning zich, op 't voorjaar, hoopte in Nederlandt te vinden. Op de drie punten, nam hy, by eyghen monde, +dit besluit: Dat hy te vreede was, mits d'oeffening der Bisschoppelyke rechtspleeghing in kracht gestelt wordende, d'andere Inquisitie te doen ophouden. Dat ook een versch ontwerp van de verzoeting der Plakkaaten, (mits men zorgh droeghe voor de behoudenis van 't heiligh Roomsch geloof, en achtbaarheit zyner Majesteit) in Nederlandt geraamt wierde: waar op hy, zonder verwyling zulke orde zouw stellen, als de reede vereischte. En zoude de Landtvooghdes vergiffenis mooghen toestaan, aan de bondtgenooten alleen, oft ook aan anderen niet te wette verwonnen zynde, naa dat haar oorbaar dochte. Doch hadd'haare Hoogheit, alvooren te bedingen, en verzeekert te zyn van de Heeren, dat zy, als volnoeght met deeze drie punten, zich met alle vlyt zouden te koste leeggen, aan de behoudenis van den Godsdienst en rust des landts. Voorts moesten alle bondtgenootschappen, zaameningen, preeken, arghernissen, en diergelyke weghgenoomen worden. Oft zoo die weederspannighen daar toe niet verstonden, en zich in waapenen begaaven, zoude de Hartoghin zich, van de benden van ordening, en van de krysbezettingen t'haarder bescherminge, dienen. Ook moghte zy, in gevalle van noodt, zoo veel volx van oorlooghe in waartgeldt aanneemen, als der zaake genoegh waare; en tot hopluiden kiezen de geenen, die haar bequaamst dochten. +T'hans deed hy, zich gelaatende groot betrouwen op hen te stellen, eenighe brieven vol vrundtlykheits aan de Heeren afveirdighen. Dien aan den Prinse van Oranjen had hy geschreeven met eighene handt, en in deezer forme. D'uwe van den zeevenentwintighsten in Bloeymaandt, en, daar naa, van den veertienden in Zoomermaandt, heb ik, met groote geneeghenheit, ontfangen. Uit den mynen aan myn zuster, mooght ghy bericht zyn, hoe luttel stofs ghy hebt om te peinzen 't geen daar uw eerste gewagh af maakt: jaa hoe veel meer ten teeghendeele. Daarbeneevens is't zeeker, dat ghy u wydt bedrieghen zoudt, zoo ghy my in uwe oprechtigheit niet ten volle gerust waandet. En oft schoon yemandt zich onderwonden hadde, u by my in ongunst te brenghen; noch schoot'er oover, dat ik niet zoo lichtvaardigh ben, als om aan zulk eenen geloof te geeven, naa zoo klaare proeven van uwe trouw en dienstwilligheit. Waaroover ghy u deezes bedenkens wel ontslaan mooght, steunende, zoo op 't geen ik u eertyds geschreeven heb, als op uw eyghe daaden: maar geenszins op 't geen u, door zommighen, vyanden misschien van mynen dienst, en van uwe welvaart, moet weezen aangedraaghen. Belangende 't verlof, dat ghy verzoekt, om uwe ampten af te staan; my mishaaght, dat het met uwe bezondere zaaken zulx, als ghy zeght, geleeghen is. En, naadien die landen in den staat zyn, daar men ze ziet, kan ik niet min dan u melden, dat het onreede waar, van zulke persoonen als ghy, op wien ik my, zonder eenigh omzien verlaat, de zelve te begeeven; voorneemelyk, dewyl ik my zoo verre van daar vinde. Billyker zouden, die zich by huis vonden, toegeloopen hebben, om zich, in deezen noodt, naar hunnen plicht te quyten, gelyk ghy met uwe reize naa Antwerpen; 't welk my zeer lief geweest is. En beloov'ik my vastelyk alles van u, wat ghy zult oordeelen te strekken tot mynen dienst, tot rust en bezaadiging van die stadt en 't gansche gewest, en tot redding der wanorde aldaar; gelyk ik
+u toevertrouwe, en uitdrukkelyk gebiede. Ende weet ik, dat ghy u niet anders draaghen zult, dan ghy gedaan hebt uw heele leeven lang. Tot betooning, voorts, myner rondigheit teeghens u, kan ik u niet verzwyghen, hoe hier veel spraax geweest is, van dat uw broeder zich gemenght heeft met de dingen die daar omgaan. Gemerkt nu, dat ik benoodight ben, het daar voor te houden, dat dat werk my maghtigh betreft; zoo beveel ik u, raadt te zoeken tot middel, om den voortgang van dien te stuyten: en maakt zulx te weeghe te brengen. Indien 't u ook oorbaar dunkt, hem voor etlyke daaghen, van u te verzeinden, laat het niet. Uit het bos van Segovia, den eersten in Oestmaandt des jaars vyftienhondert sessentsestigh. Met gelyk bewys van gunst, pooghd' hy, de goede steeden en anderen te verplichten, op dat zich yeder vermande, om alles, tot zyn koomste toe, buiten beroerte te houden. Terwyl men aldus, in Spanje, de daaghen van doen met woorden sleet, ende, opschorssende's Koninx reize tot de toekoomende Lente, geen kleen bedenken gaf van de zaaken willends te verbrodden, om stof tot strafheit en 't invoeren eener onbepaalde heerschappye, uit den grondt te modderen; sloegh den bondtgenooten, mits 't gerucht van kryslichting, zulk een'vreez en wantrouwen, om 't hart, dat zy, in Oestmaandt, elkanderen, tot Sant Truje, in 't bisdoom van Luik, beschreeven, en daar, ten getaale van tussen de vyftienhondert, en tweeduizent paarden, vergaaderden. +Waaronder Graaf Luidewyk van Nassau, de Graaven van Kuilenburgh, en van den Berghe, samt de Heer van Breederoode de voorneemlyksten waaren. De Landtvooghdes, hieraf verkundschapt, hebbende ook, op den twaalfden der zelve maandt, het besluit zyner Majesteit ontfangen, ontbood de heeren van de orde, vooral den Prins van Oranje, te hoove; die, daaroover, naa ernstighe waarschuwing voor ongemak, Antwerpen in zulk een' ontsteltenis, wel ongeirne steeken liet. Doch op dat hy, in geval van noodt, niet te verre te zoeken waare, werden de bondtgenooten eerst verwillight, tot Aarschot, dat zes mylen, daarnaa tot Duffel, dat drie mylen van Antwerpen leit, hunne gemaghtighden te zenden, om +met hem en den Graave van Egmondt, in handeling te koomen. Deeze hielden hun voor, hoe haare Hoogheit t'wee bequaame Heeren naa Spanje geschikt had; ook d'Inquisitie en Plakkaaten, seedert het inleeveren van hun smeekschrift, laaten slaapen. Dat ook den Koning, als zoo goedertier van aardt, niet te mistrouwen stond, of hy zoude 't voorgaande laaten vergeeven en vergeeten zyn: Waartoe zy 't beste, met schryven aan zyn' Majesteit, hun ter gunste, gedaan had. Maar hun stond niet te vergeeten d'aangeboode dienstwilligheit, en die te bewyzen, met weeren van den oproer der ketteren, daar de Fransois, erfvyandt des Lands, onder stookte. Zoo doende, konden zy leughenachtigh maaken het uitstroojen der dwaalgeesten, van door hen gestyft te zyn: daar anders hun verzoekschrift de wyte draaghen zouw, van de deure tot het preeken geoopent te hebben. De Eedelen antwoordden by geschrifte: Dat zy haare Hoogheit bedankten, voor't houden der goede handt, aan de zaake. Maar dat haar schryven aan Inquisiteurs, en Amptmannen van gerechte, weinigh gewrocht had: gemerkt, sint, noch veele menschen, in verscheide steeden, en plaatsen, om 't geloof, waaren aangetast. De vertwyfeltheit des volx, dat geenen troost uit Spanje, nocht yet van de vergaadering der algemeine Staaten, maar zwaare dreighementen, zonderling van de geestelyken, vernam, was 't geen dat het preeken doordreef; daar zy zich, met alle vlyt en ernst, teeghens verzet hadden. En was 't zoo verre van hen daar in gestyft te hebben, dat elk hunner aanbood, zich dienaangaande, ter zuyvering te stellen. Al waaren ook eenighen van hun den nieuwen geloove toeghedaan, die lietten 't daarom hunnen Landsheere niet te zyn. Wel docht hun te hardt, zich in deeze geleeghenheit,
+met geweldt teeghens d'onderzaaten des Koninx te kanten. Teeghens de Fransoizen, jaa. En zoo die den staat meenden, zy wilden d'eersten te paarde zyn. Zyner Majesteit vertrouwden zy alles goeds toe; en dat de zelve, zoo zy hier jeeghenwoordigh waare, om kennis van zaaken te mooghen neemen, wel ten oorbaarlykste, daar in voorzien zoude. Vergiffenis en vergeetelheit; daarom baaden zy niet, die den Koning nooit getrouwer dienst, dan met hunne waarschuwing, dachten gedaan te hebben. Naa dank nocht gunste nochtans, smaakte het quaadt vermoeden, dat men toonde op hen te hebben; die, daar door, geraakt in 't oogh der gemeente, op de tong der quaadwillighen, zich met 's Konings ooverkoomst, en straffe van muitmaakers, gedreight zaaghen; en min noch meer, dan besmet met Majesteitschenderye, geschuwt werden, van de heeren der orde: de welke eenighen van hunne bloedtvrienden geraaden hadden, zich van hun af te zonderen, en genaade te verzoeken. 'T welk, gemerkt het geen dat alzulke personaadjen by den Koning vermoghten, zy van groot bedenken vonden. Ook quam'er boode op boode, uit Spanje afgeveirdight, zonder yets voor hun; maar wel met last van niet dan 's Koninx brieven oover te brengen. Daarentussen ging de spraak, hoe zyne Majesteit doortoght van Spaansch krysvolk aan den Koning van Vrankryk verzocht had, neevens gelyken bystandt, als by hem, van haar, in zyne binnelandsche oorlooghen, genooten was: dat ook de Hartogh van Savoye haar zyn' herwaartsreize en hulp had toegezeit. Hierenbooven lieten zommighen van de geestelykheit niet, van zich te geeven, dat het met de vyf tonnen schats, door haar opgebraght, op hen gemunt was. Neemende nu acht op zoo veele voorteekens van 't quaadt, dat hun gebrouwen werd, wilden zy wel bekent staan, dat zy, niet kunnende zich zelven in zoo eenen noodt, afgaan, in Duitslandt en elders, maar geenszins in Vrankryk, om vrundschap en ondersteun, arbeidden. Doch baaden in allen ootmoedt, dat de Landtvooghdes liever gedient waare, hen, door gevoeghlyker weeghen, gerust te stellen. 'T welk geschieden kon, mits dat haare Hoogheit, zoo uit haaren naame, als onder 't woordt der Ridderen van de orde, verzeekering gaave, dat nochte teeghens hen, nochte teeghens de geenen, die bleeken hun toegedaan te weezen, yet oevels, ter zaake van 't verbondt, oft ingeleevert smeekschrift, in eenigher wyze, zouw worden voorgenoomen. Maar, om alle arghewaan te smooren, alle misverstandt voor te koomen, was'er niet dienstighers, dan hen voortaan hunne handelingen te laaten beleiden, by ooverstaan, kennis, en raadt des Prinsen van Oranje, en der Graaven van Egmondt en Hoorn: samt dat de zelve hen in hun behoedt naamen, en gemaghtight wierden, om ordeningen te maaken, noopende den welstandt des Lands: gemerkt zyn' Majesteit, haare Hoogheit, en zy, alle reede hadden, om zich op deeze Heeren volkoomelyk te betrouwen. Doch hadde deeze beschermplicht niet langer te duuren, dan drie weeken, naa dat de zelve, als verworpen by den Koning, hun zoude opgezeit weezen. Voorts, om der Landtvooghdesse 't groot onbenoeghen des volx, dat wel 't oogh op Fransche hulp hebben moghte, en 't gevaar te doen begrypen, gaaven zy oover, een verzoekschrift, hun in handen +gestelt tot Sant Truje, op naam van die van den hervormden Godsdienst. Want zoo wel de Calvinischen, als die van de Augsburghsche belydenis hadden aldaar gemaghtighden geschikt, heul aan hen zoekende, om in de vryheit des geloofs voorgestaan te worden, en een' vergaadering der algemeine Staaten te verwerven. Endtlyk, alzoo 't geschil niet buiten hoope van beslechting scheen, naamen de Eedelen aan, zommighen, uit hun, naa Brussel te zeinden, met volmaght om verdragh te sluiten. D'Onroomschen in Vrankryk (dien 't dapper scheen meede te gaan, zoo die van hunne gezintheit, in Nederlandt, booven stonden) werpende 't oogh,

+op zoo een vaste wyk en rughsteun, en ziende den hachlyken uitgang deezer +handelinge te gemoet, zonden, uit naame des Prinsen van Condé en Ammiraals van Chastillon, zeekeren persoon af, aan de bondtgenooten, om hun alle verdragh, als bedrieghelyk, af te raaden: met aanbieding van vierduizent Eedellieden, op eighe kosten, t'hunner hulpe, die binnen een' maandt, naa dat ze verzocht wierden, zouden te paarde zitten. Maar de eedtverwanten, ongeneeghen zich in zoo zwaar een' haat te steeken, en, door een' onverzoenlyke veete, den heelen staat aan sleeteren te zien scheuren, konden dus groot een mistrouwen geen plaats geeven. Derhalven dankten hunnen gebuuren, voor de gunst van zulk een bodt, en sloeghen 't heusselyk af. Ook vereischte de zaak niet minders. Want eenighe der genooten, in 't Roomsch gevoelen staande, waaronder Graaf Karel van Mansveldt, ontzetten zich reeds maar te veel in 't voornoemde verzoekschrift, en noch bet in 't voorslaan van kryswerving, zaamelpenningen, en uitheemsche verbintenissen; in voeghe niet vergeefs gelooft werd, d'eerste inbrek der scheuringe, onder hen, alhier ontgonnen te zyn. Maar Egmondt had nauwlyx aan Vlaandre zyn' Landtvooghdye den rugh toegekeert, om zich op de handeling te Duffel te vinden, en 't graauw hem uit het ooghe verlooren, oft de stoutheit, ontslaaghen van den breidel zyner jeeghenwoordigheit; en gestyft door't gemeen onbenoeghen oover de Spaansche regeering, quam uit te spatten tot lust om de handen te slaan aan beelden en kruissen, die, ten platten lande, by de weeghen stonden. Deeze dartelheit hun +niet quaalyk vergaande; wies de moedtwil zoo verre, dat zy, vallende eerst buiten, daarnaa binnen de steeden, zelfs die van Gendt, in kapellen, kerken, kloosters, alle beelden, schilderyen, sacramentshuizen, outaaren en sieraaden vernielden, of te schande maakten: jaa zich niet speinden, van teeghens de boekeryen, grafschriften, begraaffenissen en doode lichaamen +te woeden. Schielyk, als een blixem, quam dit quaadt en vloogh voort, tot in andere gewesten, zulx meest al de maghtighste steeden en dorpen van Nederlandt, daar af getroffen werden, en in drie daaghen meer dan vierhondert kerken geplondert. Etlyke ontgingen 't, die, als minderende zeil, in een onweeder, oft gebouwen neêrsmytende in eenen brandt, alle huisraat van heilighdoom aan een' zyde schikten; oft tydt hadden, om de raazery, met maght en orde, te stuiten. Die van Antwerpen, duchtende (mits 't vertrek des Prinsen op den neeghentienden van Oestmaandt, des morghens) voor gelyke baldaadigheit, te meer om dat het kermis, en de stadt vol vreemdelingen was, deeden 's naamiddaghs het Mariebeeldt, dat anders acht daaghen, in 't ruim der kerke, ten toon plagh te staan, als eenen steen van aanstoot uit den weeghe, en in 't koor, brengen. Maar de goede meening is tot arghernis, 't bezorghen der ruste tot oproer, gedeeghen. Want het geboefte, ziende de vreez, in de Ooverheit, begon de ooren op te steeken, en eenighen 't beeldt af te vraaghen, oft haar de anxt zoo vroegh te koore joegh? oft zy ook Vive le Geux wilde roepen? met gelyke schamperheeden. +Ontrent den preekstoel lagh een deel jongens te speelen; een der welken daar op geklommen, spotswyz bestond het preeken naa te bootsen. D'een zagh het aan, d'ander wild'er hem aftrekken. Hy weerde zich met voetschuppen, tot dat een jong schipper, aan d'andre zyde booven geklavert, hem van de trappen stiet. 'T is der pyne waardt, in te zien, hoe gering een byval de zaaken doet sprong neemen, wanneer zy toegerust en voorbaarigh ter beroerte, als op een wip staan; en hoe waakend een oogh, in zoo kraakende tyden, vereischt wordt, om den val van den staat te verhoeden. Van jongens quam 't tot mans, en trekken van daggen teeghens den schipper; die, gequetst, uit der kerke, in handen van 's Schouten dienaars, en, ondervaaght zynde, weeder los, raakte. Niettemin,
+hoewel 't gerucht groot was, 't volk liet zich gezeggen, om de kerk te ruimen. Die werd geslooten; en 't bleef daar by voor dien aavondt. De wethouders, dien de heele nacht tot hun beraadt oopen, en de smookende muytery, eer ze door onderling verpraayen en aanhitsen opsteeghe, te +smooren stond, deeden'er niet altoos toe: 't zy dat het besluit, mits de veelheit der hoofden haaperde, oft dat de verbaastheit d'ooverhandt, oft zy niet geleert hadden zich te redden door zwaarigheeden, die buiten hunne ervaarnis en daaghelyksche oeffening liepen. Een disteligh werk, voorwaar, was 't ook van allen kanten; en ongewis van uitkoomst, hoe dat men 't dan aanginge. Enkel verbodt, zoo 't niet gold, gelyk te zorghen viel, moest de achtbaarheidt der Majestraat schendigh kneuzen; vervolgh der moedtwillighen noch bet, zoo 't weederstandt ontmoette, die daar licht gebeuren kon, indien 't de Schout slechts met zyn gewoonlyke hulpe bestond. Sterke troepen op straat te doen koomen, in een stadt vol wantrouwens teeghens de Ooverheit, was oft onmooghelyk, oft bedenklyk dat het alles zouw doen opstuiven. 'T naaste scheen, de kerken tydelyk te bezetten, en zommighen van d'aanzienlykste regeerders daarby te voeghen: voorts een goedt deel vertrouwdelingen binnen 's huis op hun geweer te doen passen, om hen, van tydt tot tydt, naa reede van 't aanwassen der noodt, te voorschyn te brengen, oft, zoo ze te groot wierd, achter te houden: hoewel dit laaste ook qualyk der wyze geschieden kon, dat het geen scheemering quaam te geeven. Maar zy verzuimden zelfs de schutteryen en gilden t'ondertasten, oft die gezint waaren de balddaadt te stuiten, die 't gemeine welvaaren dreighde. Nochtans ontbrak het hun aan 't begrypen van den naadruk der zaake niet, die wel by brieven raadt aan den Prins hunnen steêvooghdt verzochten. Ook wisten zy doch daarnaa te zeggen, hoe de Leeraars, te dien daaghe, teeghens de afgooden hadden uitgevaaren, dryvende dat men ze zoo wel uit het oogh, als uit het hart, behoorde te werpen. Des anderen daaghs ('t volk weeder in en ontrent de voorzeide kerke t'zaamenrottende) werd het krakkeel teeghens 't Mariebeeldt hervat. Een ouwt wyfken, zittende voor 't koor, met waslicht te koop, en om offerpenningen t'ontfangen, begost'er teeghens aan te kribben, en den jongens asch, en vuilnis, naa 't hooft te werpen; misschien geterght, door dien men haar zeide, dat' er geen trek meer in die koomanschap, en tydt was de kraam op te breeken. De Markgraaf, Schout der Stadt ('t was heer Jan van Immerzeel) en de Majestraat op 't stadthuis vergaadert, om nu eerst den wykmeesteren 't betrachten der laastingestelde waake te beveelen, worden verkundschapt van 't ongemak, en maaken zich derwaarts, op hoope van het, door 't onzagh hunner jeeghenwoordigheit te stillen. Ook verschooyd 'er een groot deel, op hunne vermaaning. Anderen gaaven voor, dat zy 't lof wilden hooren: dien men zeide, dat daar, dien aavondt, niet af vallen zouw; en zy het wel eenen dagh, zonder dat, maaken. Eenighen meenden, zoo die van de wet zelf vertrokken, dat zy den drang naa zich, en van daar zouden sleepen. Dies traaden Burghermeesters naa 't raadthuis, om eintlyk de schutters in waapenen, en op hunne kaamers te doen koomen; en porden de schaar aan, die buiten stond, van daar te scheiden. De kerk deed men sluiten; op een deur naa, om de rest te loozen. De Markgraaf, hebbende met zyn trauwanten, buiten gearbeidt, om yder zyns weeghs te wyzen, keerde weederom binnen, daar hy noch eenighe Scheepenen vond; en bestond, met hun, het ooverschot voorts te veirdighen. Onder deeze, als de hartnekkighsten, en daarom zoo lang gemart hebbende, werden'er gevonden, die 't met forsen gelaate, en weêrspannighe woorden, weigherden. Daarentussen boorde weeder een hoop graauws, tot deeze deur in: zulx Immerzeel, het opgeevende, de kerk verliet, en achter zich
+sluyten deed, om Burghermeesters te volgen, en anderen raadt te zoeken. Zoo ras was hy niet wegh, oft het gink'er op een zingen van Psalmen, met luide keel. De schatmeester en regeerders der kerkegoederen, hebbende de Heilighe beenderen en kleinoodjen in de paykaamer gebraght, schikken zich ter Noortdeure uit. 'T geboefte van buiten, daarop, schiet toe; verkraft die poort; en slaat voorts al d'andere oopen. Markgraaf en Majestraat, op deezen roep, begeeven zich weeder derwaarts: maar schrikkende van den ontallyken toeloop, en 't gedruis, dat ter kerke uitklonk, dachten genoegh te doen te vinden, aan 't verzeekeren van 't stadthuis, dat niet ongedreight bleef. 'T gespuis, terwyl, zynde alle reede, ontzigh, en achterzorgh oovergekoomen, met bylen, haamers, houweelen, in de vuyst, aan +blutsen, breeken, en plonderen. Beelden, taafreelen, altaaren, zonder achting op ouderdoom, konst oft kostelykheit, werden gevelt, geklooft, aan stukken, en daar heen gesmeeten, oft voor buit wegh gedraaghen; met zoo heet een' heevigheit, en voortslaand een' moed wil, dat zy voor middernacht, zoo groot, heerlyk, en prachtigh gesiert een kerk, als'er weenigh in Europe te vinden waaren, tot een' ydel', en aakelighe romp maakten. Noch kon 't hen niet verzaaden. Zy streeven door de straaten, met barnende kaersen, en 't geroofde waslicht in der handt, als bezeetelingen oft uitgebrooke krankzinnighen schreeuwende Vive le Geux; en schenden, al +wat zy van kruisen oft heilighen, in 't oogh kryghen. Gejaaght van de zelve raazery, vlieghen ze naa d'andere kerken, kappellen en' kloosteren; daar zy niet alleen blokken en beelden, maar ook de leevende mishandelden; waaronder het de Minrebroeders van 't quaadtste hadden. Men brak kaamers en kelders op, sloegh de tonnen den boodem in, de vloer onder bier en wyn zettende. Een Monnik der Barrevoetsche was'er, die zich +der dartelheit bedanken moght. Want zy tooghen hem uit 's kloosters hechtenis, daar hy twaalf jaaren in gezeeten had. Maar heereslooten ook verschoonden zy niet, en holpen verscheide gevangenen daaruit. Al dit geweldt, rooven en verwoesten werd bedreeven van een hondert waapenlooze rabauwen, ten hooghste, en een hoop hoeren en jongens, die de Spaansche party riep, by d'Onroomschen opgemaakt, en door de anderde handt gehuurt te zyn, voor acht oft tien stuyvers's daaghs. My, gelyk ik eener gemeente van verschen en vuurighen yver ter godtzaaligheit niet zoude toevertrouwen, zich tot dus verfoeyelyk een' guiterye te versnoodighen, om Godlyke en weirlyke wetten met voeten te doen treeden; alzoo dunkt niet buiten schyn (wordende onder alle gezintheeden, eerloozen en vroomen gevonden) dat de vuylsten, door deeze ranken, hunnen aardt hebben getoont; zommighen met het spel, hun' ooghen geaast, groeyende in een plaagh, die zy waanden met de bitterheit van 't vervolgh, by de geestelykheit wel verdient te weezen; anderen geen kommer daar in gezet, hoopende dat d'eene verwoedtheit, d'andere mat maakende, in partyen een verlangen naa gemaatighde orde moghte baaren. Want etlyke luiden van maakzel en middel, zoo 't scheen, met sinkroers en kort geweer onder de kleederen, voeghden zich ontrent de handdaadighen; jaa schoolende t'zaamen, aan hoeken en zydelstraaten, braghten de vreez in de geenen, die hun pooghden te weederstaan: zulx eenighe waaktroepen door-drongen en ooverweldight werden. Maar deftigh, zeeker, droegh zich het gros der Onroomschen, laakende dat een behoorlyk werk, onbehoorlyker wyze, gewrocht werd. De Pausgezinden schryven van eenen Leeraar, die, gemengelt onder dit gezelschap, en aanvangende in 't klooster van Sante Claare, de bagynen te bekeeren, als hy haar ten beveele van haaren ooverste, het aanschyn teeghens de vloer, en 't gebedt tot Godt zagh storten, stom van ontsteltenis zouw geworden zyn, en door geen aanporren
+van de bystanders, het woordt hebben kunnen hervatten. 'T welk ik eenen yeder, oft voor niet vreemdt, oft voor wat wonders laat schouwen, naar dat zyn oordeel gedraaght. Zynde de nacht in zulk een' oovergeevenheit +doorgebraght; liep een deel der kaaliszen, met den daagheraadt, buiten, aan de geestelyke gestichten der omleggende plekken, het zelfste pleeghen; de rest, het geen in stadt ooverbleef, voort uitstormen. Drie etmaal' duurde deeze dolheit, eer ooverheit en schutteryen tot bezinning konden koomen, om yet ernstighs, tot keeren der zelve, voor te neemen; mits 't ommezien dat d'een naa den anderen had. Want de Pausgezinden, duchtende dat alles door d'Onroomschen besteeken was, en, zoo zy zich roerden, van hun oovervallen te worden, hadden geen hart zich daar teeghens te verzetten. Misschien ook gaf hun 't oopenbaar misnoeghen der eedelen bedenken, dat het deezen gezelschappe, wen 't naauwde, aan geen' rugsteun ontbreeken zouw. D'Onroomschen, gissing leggende dat het hun zouw geweeten worden, deeden genoegh, in hunnen zin met op de handen der Roomschen te passen. Echter quaamen zy daarin oover een, dat men 't gespuis uit de huizen en kisten der ingezeetenen houden moest. 'T welk, en dat zy zorghvuldigher voor hunne tydtlyke haave, dan voor 't behoeden der geestelyke goederen en den Godsdienst waaren, den Roomsgezinden, daarnaa, van de Spaanschen, meenighmaals, door den neuz, gewreeven werd. Op den eenentwintighsten's morgens schikten de wethouders +weeder, aan de Landtvooghdes, om den Prins. Haare Hoogheit, die 't voorgaande weigheren der bezettinge in den krop stak, vraaghde, wat hy in een' stadt doen zouw, daar men alle uur verwachten moest, met de kerken geplondert te worden? Zy moghten zien zich zelve te redden. Niettemin, op styf aanstaan, hield zy 't in beraadt. De Prins vol ongeneughts, dat een stadt, t'zynen bestier staande, der wyze 't onderste booven ging, schreef noch dien zelven aavondt aan de Regeerders, dat hy, wen het der Hartoghinne geliefde, zich geirne derwaarts vervoeghen zouw; maar kleenen dienst zagh te doen, terwyl zyn raadt zoo luttel by hen gold; en dat buiten reede; gelyk het afslaan van de besolding der burgheren, met den ramp daarop gevolght, nu wel uitwees. De wet, verwittight +zynde, op den tweeëntwintighsten, hoe de Calvinischen voor hadden, in twee der voorneemlykste kerken te verzaamen, last den beloonden Raadsman Weezenbeek, alle vlydt by leeraars en anderen aan te wenden, ten einde dat het naableeve. Eer hy dat bestellen kon, was de groote kerk vol volx, en Harman Modet gereedt, jookende naa d'eerste preeke daar in te doen. Ter zelfste stonde vond Weezenbeek den Leeraar der +Waalen, Taffin, op het kerkhof. Deez, die van eerlyken huize, en niet als veele andere, uit de hef der gemeente was opgeborrelt, maar door aardt en opvoeding, tot zeedigheit geneeghen, nam 't bevel der Ooverheit, met eerbiedenis, aan, en alle mooghelyke gehoorzaamheit te bewyzen. Hy ging met hem in de kerke, en splissende den drang, klom zelf, terwyl Weezenbeek beneede bleef staan, ook op stoel, en pooghde +Modet het aanheffen af te spreeken. Maar deez voorgeevende, dat het volk, zonder yet te hooren met gemoede niet te scheiden was, beloofde nochtans maar een korte enkele vermaaning, neevens 't gebedt, te doen; en hield zyn woordt, uitgezeidt, dat hy 't volle lang maakte. Die Taffin dachten te hooren, waaren vergaadert aan den Burgh, een plaats alzoo genoemt: den welken hy 't gebodt der wet, en hunne schuldighe gehoorzaamheit zoo stichtelyk inscherpte, dat zy zich gezeggen lieten, en niet dan deeze leer, ook wel zoo veel als een' goede preeke deughende, t'huis droeghen. En niet teeghenstaande dat eenighen hem dit quaalyk afnaamen, braght hy 't zelfde 's achtermiddaghs weeder te weeghe,
+op 't verzoek der wethouderen, die hem voor beide deeze diensten, deeden danken, en ter eere naagaaven, dat hy nu tweemaals zyn' beloften, bet dan Modet, voldaan had. Want deez voor wendende, dat hy, op klaghten oover d'onvolslaaghe morghenpreeke, niet had konnen leedigh staan, de gemeente, teeghens twee uuren, weeder te bescheiden; en nochtans aanneemende +al te laaten, wat mooghelyk viele, gink'er echter meê voort: dringende het volk, met kracht, door de bezettingen, die van weeghe der Majestraat, op zyn eighen voorslaan, aan de oopeningen der kerkhooven en poorten der kerke gestelt waaren. Die van de wet, den teughel der regeeringe quyt zynde, pooghden met reeden en versprek, 't welk hun nu alleen oover schoot, den Calvinischen t'ondergaan, op dat zy zich van de gewyde kerken onthouden, en in hunne preeke 't volk tot ooverleevering der geroofde goederen, tsamt naalaaten van wyder geweldt, vermaanen wilden. Tot antwoordt kreeghen zy, op den drieëntwintighsten 's aavonds, een geschrift, inhoudende verfoeying der bedreevene ongereegheltheit, aanbieding om die, met woorden en werken te weeren, mitsgaaders alle schattingen gewilligh te draaghen; ook bekentenis van verplichtheit in 't gewisse tot onderdaanigheit; doch verzoek om kerken te hebben, en om verschooning des aantastens van eenighe der zelve, tot naader orde toe; voorts beede dat men allen laster en verbittering tussen parthyen verboode: alzoo zy maar vryheit van geloove zochten, en die geenszins anderen te beneemen. Hier op braght men 't zoo verre, dat de Calvinischen te vreede waaren, de groote kerk, die van Sant Joris, Sant Michael, en Sant Jacob te myden. En, mits de Prins van Oranje twee Eedelmans aan hen zond, begeerende dat zy zich genoeghden met preeken in de nieuwe +stadt; zoo voeghden zy zich ook naa deezen zin zyner Doorluchtigheit. Maar de Majestraat, ziende voor zeer zorghlyk aan, dat de Calvinischen binnen der vesten zouden verzaamen, terwyl de Lutherschen in groote meenighte buiten liepen, ontbood den Prochiaan van 't Kiel, dat hy voortaan in Sant Joris kerk te preeken had. Midlertydt gebood men, op den drieëntwintighsten voorzeit alle gestoole goederen, binnen vierentwintigh uuren, te rechte te brengen, en van wyder geweldt af te laaten, op peene van de galghe, daatelyk geplant op de groote markt, die met waapenen +beset was. Want hoewel veel kostelykheits en kleenoodjes, op 't stadthuis, in de kloosters, en elders, vrywillighlyk weeder bestelt werd, een groot deel bleef'er achter. Ook maakte deeze afkundiging zoo luttel ontzighs, dat men noch naa dien middagh, met het stroopen der groote +kerke voortvoer. Des Koninx en der Vliesridderen waapens, die booven 't gestoelte in 't koor, rykelyk geschildert stonden, raakten aan stukken: 't zy dat ze, door een afgeworpen beeldt van Christ aan 't kruys, dat van +een' groote hooghte by geval daarop stortte, oft met opgezetten wille, zoo anderen melden, gebrooken werden. Daar is'er ook, die getuyght, hoe, dat van zyn' Majesteit alleen om verre gesmeeten werd, en d'andere onbeschaadight bleeven. Deeze weederwaardigheit, schynende nu zelfs de weirlyke regeering aan te ranzen, sneed eerst die van der wet; zulx de +verbolghentheit hun 't hart onder den riem stak. De Markgraaf, met eenighen der Majestraat, en een deel schutters, rukt derwaarts, grypt 'er tien oft twaalf by den hals, en doet de rest verstuiven. Toen moghten de Heeren van Antwerpen bezeffen, wat'er verzuimt was, aan zulk eenen ernst niet in 't eerst te gebruyken; en wat d'achtbaarheit der Ooverheit, als ze een rustigh gelaat toont, vermagh om 't graauw te doen zwichten, dat nocht zyn' eighe krachten kent, nochte weet wat'er vand'and're zyde achter schuilt; en zoo men 't geen' tydt geeft, om, door onderlingen ooverleg, tot zich zelf te koomen, alles vreest, wen 't begin te vreezen: gelyk
+wy by veele exempelen zien, dat dikwyls een, dikwyls weenigh persoonen het heele gespan eener hollende boevenjaght gestuit hebben. Maar +'t had het nu al wegh, en de neering, zoo een krak, dat de koopluiden, voorneemlyk Spanjaarden en Italiaanen, ten deel in persoon, ten deel hunne middelen en allerhande waaren van daar vlughtten. Dit was een doodsteek voor den handel; daar anders te verwondren staat, dat zoo byster een' ongebondenheit afliep, zonder yemandt leeven oft bloedt te kosten. Ende werd dus schandelyk van een handtvol geraapte fielen, uitgestreeken +de perle en 't puik der Nederlandsche steeden, die, om haaren rykdoom, pracht, en heerlykheit van den op- tot den ondergang der zonne, vermaart was. Al 't geene t'achtervolghen, dat zich, van gelyke mishandeling, aan andre oorden heeft toegedraaghen, oft hoe ze elders geweezt zy, zoude om zyn' eenderleiheit en lengte, te zaadzaam en verdrietigh vallen. Dies, alleenlyk gezeit hebbende, dat in 't gewest van Limburgh de verandering +van Godsdienst zonder quetsing der kerken werd ingevoert, en Luxenburgh en Naamen nocht het een nocht het ander leeden; zal ik van de rest niet verhaalen, dan 't geen om 't belang der plaatzen oft andere omstandigheeden, gedenkwaardighst schynt. Tot Mechele, dan, onderwond zich 't geboefte den zelven gang te gaan, en aan der Minrebroederen klooster +te beginnen; maar vond zoo wakker een' teeghenweer, dat het den moedt liet zinken. Lier quam hun van zelf te gemoedt, en paaide ze met ontleedighen der kerken. De Regeerders van Amsterdam, kryghende de +buy in 't oogh, rieden daaruit te zetten het dierbaarst van den inboedel der kerken en kloosteren. De geestelykheit, dit goedt vindende, pakt alle kostelykheit wegh, laatende 't groofste ten toon staan, en haare dingen ten halve doende. Dit bewys van vreeze terghd' hier ook den lichten +hoop, zoo dat zy, t'zaamenrottende op den drieëntwintighsten van Oestmaandt, teeghens den aavondt, in d'oude kerke, bestonden de beelden ter aarde te vellen, d'altaaren uit te rooyen. Schout Pieter Pieterszoon, +een man met te groot een haat belast, ook te wanhebbelyk, om door achtbaarheit yet uit te rechten, en geneeghen tot scharpheit, komt, gevolght van veertigh bystanders, en slaat'er ten eerste op, met stokken en hellebaarden. 'T gespuis, alzoo verspreidt, ruimt de kerke: doch zich weeder verzaamelt hebbende, komt 'er op nieuw invallen, en maakt hem voeten. Maar midlertydt raakte de schuttery in 't geweer, die, derwaarts getooghen, de moeite met gevoeghlykheit sliste. Dan de wethouders, zich bewust van voorgange wreedtheit en jeeghenwoordighe zwakheit, ging zoo groot een anxt aan, dat den Burghermeesteren, by raadslot, yeder vyf of zes hellebardiers toe, en goedt gevonden werd, der gemeente, wyder dan zelfs haar eisch gedroegh, met de volghende voorwaarden te gemoete +te koomen. Dat men alle beelden zouw aan de zyde schikken; de kerken geslooten houden tot naader orde der Landtvooghdesse en Ridderen van den Vlieze. De preeke moghte buiten der stadt vrylyk gedaan worden, en by onweeder, in de kerke der zieken aldaar. Den burgheren werd veroorloft in krankheit zich van zulke persoonen te doen berichten, als hun gewisse meê beholpen was. De zielzorghers, oover straat gaande met het misbroodt, hadden geen schel te roeren. Kerkschendery ging aan 't lyf, zoo verre, als die van 't gerechte goedt vonden. Ter bescheidenheit van de zelve Heeren stond het straffen van woorden oft werken, strekkende tot stooking van haat, oft verwydering der harten. In oproer, moghte zich yeder waapenen, maar niet buiten de stoep zyner woonsteede treeden: doch, by zwaarigheit van vuur, te brande loopen, daar hy bescheiden was. Voorts zoud elke gebuurte eenen hopman hebben, en dien gehoorzaam zyn. Zynde dit aldus bevestight op den, zessentwintighsten der maandt; werd, dat
+pas, het vorder stormen geweert. 'T welk nochtans geen quytschelding, +maar borghen voor eenighe daaghen, geweest is. In den Haaghe werden twee luiden, met naamen Adriaan Mennink en Dirk Joosten, gevonden van zoo reukeloos een' onvertzaaghtheit, dat zy den Raadshooftman Suis, en anderen van 't hof, quaamen arbeidsvolk afvorderen, om de beelden wegh te neemen. Gevraaght naa hunnen last; antwoordde d'een met een stoute leughen, dat ze daar was; en sloegh op zynen boezem. De Heeren, oft uit verbaastheit, oft denkende dat zy zeggen wilden, dat hun hart en oovermoedt volmaght strekte, doen zonder vorder onderzoek, +hunnen wil. Met welke gedweegheit, als geoordeelt uit vreeze te spruiten, niet zoo veel gewonnen werd, oft men dwong verscheide persoonen, eenighe beelden by tyds gehuist en versteeken, ter vernielinge, oover te leeveren. Tot Dordrecht, werd' door den Burghermeester en +anderen, met oovergroote moeiten, alle handdaadigheit belet: ter Goude +insgelyx, meest door de goede voorzorgh van den Slotvooghdt, des voorzeiden Burghermeesters zoon: de naamen der welke my niet voorgekoomen zyn. Maar eene kerk in 't eylandt van Walchere niet, die in haar geheel bleef. Ende werd, boovendien, de Majestraat van Middelburgh geparst eenentwintigh gevangenen te slaaken, die om 't geloof +gezet waaren. Zynde de maare der ongestrafte moedwille van Antwerpen, tot Uitrecht gekoomen; en daaraan gehangen (als 't gaat) dat achtduizent mannen door 't Landt liepen, om oover al 't zelfste te pleeghen; maakte zy d'Onroomschen zoo stout, dat zy, naa 't voorspel van een' gestaakte plondering in Sante Geertruids kerke, der wet twee kerken afeischten. Naa 't vergaadren der Vroedschap hierop, als een der zelve voorwendde, dat zy zich, mits het afweezen van eenighe +leeden, t'onsterk vonden, om besluit te maaken, dreef hem een der Calvinische gemaghtighden toe, Eet ham met mostart, zoo wort ghy sterk. Welke onbeschoftheit, ik, met haare eighene woorden, en teffens wat schik van gezelschap dit zyn moest, wel heb willen afmaalen. Ook werd ze van deezen quant, naamaals met den halze geboet. Het hof, de Majestraat, en eenighe Eedelen hieroover geroepen (waaronder eenighen der bondtverwanten, naamelyk Johan van Renes Heer van Wulp, Steeven van Zuylen, en Willem van Zuylen van Nieveldt, seedert Slotvooghdt oft Drost van Muyde, en Heer van Heeraardsberghe, waaren) verlooren 't verstandt met den moedt niet; maar oordeelende, dat de tydt niet veel erghers geeven kon, zochten den handel te spinnen, en eischten acht daaghen uitstels, om daarentussen 't goeddunken der Landtvooghdesse, en des Prinsen van Oranje te mooghen weeten. Deeze voorslagh, schynende den gemaghtighden te smaaken, werd hunne gemeente vertoont; die daarin bewillighde, op voorwaarde, dat men der geestelykheit, het schelden op d'Onroomschen, samt den Minre-en Preekebroederen, allen dienst midlerwyl verbieden zoude. Maar langer niet hield dit verdragh, dan tot het scheiden van den Raadt. Want het volk, staande in waapenen en grooten getaale op het kerkhof van Sante Marie, was te verre verrukt door zyn' toghtigheit, om zich met beloften te laaten binden. Zy bersten uit; en (hoewel men zich te vooren gehouden had, als niet willende, dan d'afgryzelykheit der beelden uit het gezicht doen, zonder aan kleenoodjen te +raaken) vallen in de Buurkerke, in die van Sant Jacob, van de Minreen Preekebroeders, en berooven alles, met beestelyke ongeschiktheit. De Majestraat, te zwak om hun 't hooft te bieden, deed hier meer niet toe, dan het stadthuys teeghens den volghenden nacht, met wacht van de getrouwsten der gilden bezetten. Des anderen daaghs, zessen-
twintighsten +van Oestmaandt trad men in nieuwe handeling, en braght endtlyk vier etmaal stilstands te weeghe. Niettemin, in de kerken van Sant Niclaas en Sant Geertruidt rees noch moeite; die door de tussenkoomst +van eenighen der Wethouderen gestilt werd. Maar men moest den Calvinischen op den zeeventwintighsten, verscheiden punten, zoo t'hunner verzeekertheit, als andere, neevens Sant Jacobs kerk inruimen, met belofte van noch eene, zoo deez' hun te kleen viel. +Vrieslandt werd wat traaghlyker in zyn ruste gesteurt: misschien om dat d'Onroomschen, bestaande aldaar veel uit Mennoniten, weerlooze luiden, hunne krachten te luttel vertrouwden; oft dat de brandt der verbolgenheit, by mangel van stoffe, zoo hoogh niet gesteeghen was. Zeeker geen ander gewest, daar 't stuk van 't geloof, met meerder gevoeghlykheit +gehandelt, en min onnoozel bloeds vergooten is. Welk lof des Graaven van Aarenbergh, stadthouders, oover die groote heerlykye, my niet te verzwyghen staat; die met zonderlinge konst, voorzight, en bescheidenheit, de strengheit der Plakkaaten, de wreedtheit +der geestelyken, en 't ongeduldt der vervolghden, heeft weeten te maatighen. Die van Leeuwaarde, niettemin, worpen, op den zesten van Herfstmaandt, alle beelden, altaaren, sieraaden, uit de drie Prochykerken. Doch 't werd hun toegelaaten by den voorzittenden Burghermeester Thierryk Walles, en 't meestedeel van den Raadt, zommighen van den welken ook zelf, met de gewaapende burgherye, de leeraars der Calvinisschen, op stoel braghten. Aarenbergh, des verwittight, maakte zich derwaarts; eischte nochtans meer niet, dan het stellen van de kerken en kerkendienst in hun voorighe weezen, samt het uitzetten der Preedikanten. En als men hem antwoordde, dat het, mits de meenighte der Onroomschen niet doenlyk was, genoeghd' hy zich, aan 't Slot met volk en voorraadt te verzorghen, teeghens de dreighementen der oproerighen, die zich verluiden lieten, dat hun geen middel +ontbrak, om dat te bemaghtighen. Alalleens voeren veele andere plaatsen van Vrieslandt. Groninge, daar men nooit mensch, om 't geloof had zien dooden, was van de laatste, die 't ongemak ooverquam. Maar de voorgang van Leeuwaarde en andere verrukte d'Onroomschen aldaar; niet wyder nochtans, dan dat zy de Minrebroederskerk innaamen, slechtende de beelden en altaaren, met gemoede, by verlof der Majestraat, die hun stads arbeidsvolk bestelde, om de vloer van puin +en belemmering, tot gaalykheit der preeke, te klaaren. 'T welk eevenwel eenighen der werkluiden, in den jaare achtentsestigh het leeven koste. In de Ommelanden werd de boer door den adel opgehitst, en meenighe kerk geplondert teeghens dank en wil der Ooverheeden, die oordeelden dat wel billyk geweest waar, ten aanzien der vryheit van gewisse +daar genooten, de geestelyken van deezen ooverlast te verschoonen. Ontrent Doornik, dat in de zelve zwaarigheit stak, liep een groot getal diergelyke deughnieten twee kloosters af, in meening om voorts te vaaren. Maar Robbert van Longueval, Heer van la Tour, en de +Baljuw van Auchem met een' hoop huisluiden, trokken hun teeghens, sloeghen'er vierhondert en verstrooiden de rest. 'T landt aldus op de hol, en hoe langer hoe leyder maaren te hoove koomende, maakten 't der Hartoghinne zoo bang, dat zy al op den eenentwintighsten van Oestmaandt en de versche kreet van de beroerte t'Antwerpen zich niet anders wist toe te leggen, dan dat men binnen Brussel gelyken moedwil +aan, jaa wellicht haar zelve in verzeekering stellen zoude. De Hartogh van Aarschot, dat pas, uit Heenegouw keerende, deed, onder weegh, een' beedevaart, aan Sante Marie van Hal, en daar al zyn
+dienaars Lievrouwebeeldekens op hun hoeden hechten. 'T zy in spyt van de beeldtstormers; oft uit ydelheit, om quansuis Philips van Macedoonie te gelyken, die zyn soldaaten, gekranst met Laurenlof, dat Apollo toegewydt was, teegens de beroovers zyner kerk' aanvoerde, en den slagh +aan 't gewisse begon, dien hy met hunne neêrlaagh eindighde. Tot Brussel gekoomen, stak hy niettemin der Landtvooghdesse in 't hooft, dat het geen' wysheit waar, de bulderende buy buyten's daks te verwachten, en beeter in een' trouw' en sterke stadt te gaan schuylen, tot dat de heetste raazerny zich zelf afgejaaght hadde. Dat Berghen in Heenegouw wel bevest, yverigh Roomsch, en een' achter deur van den Lande was, om, oft de nood neepe, haaren persoone oopen te staan, eer het gespuis zich daar aan verreukeloosde, en door zoo onverzoenlyk een' hoon in d' uiterste weederspannigheit verhardde. Dit vertoogh daalde zoo diep ter versleeghene borst in, dat zy (daarneevens oover gewooghen d'ongewilligheit van 't meeste deel der heeren, om eenighen dienst te doen, zonder van de vergaadering der Algemeine Staaten verzeekert te zyn) dien aavondt besloot, voor dagh van Brussel op te breeken, en zich, binnen Berghen, +te begeeven. Vrouwen, staatdochters, hofjonkers, trauwanten, paarden, pakkaadje, met allen omslagh en sleep waaren reedt, om op reize te steeken. Wel spaade in der nacht ontbood zy, by zich, de Ridders van der Orde, ende den Raadt van Staate, en verklaard' hun haaren toeleg. De Heeren vreemt ophoorende van dus een' vrouwenraadt, +houden haar voor, dat dit waar de kansse verloopen, den boozen moedt geeven, de goeden vertwyfelt maaken. Dat de noodt minder was, dan menz' haar in prentte; en zoo ze grooter bleek, wilden zy eer het leeven, dan haar in last, laaten. Ter zelve stonde, quaamen ook die van der wet, haar ernstelyk, ootmoedelyk, en met veele reedenen bidden, dat zy hen immers in zulk een' geleeghenheit niet begaave. Met +een vernamp ze, hoe de poorten met burg