terug  begin  verderprepost
[p. 215]origineel

P.C. Hoofts Nederlandsche Historien
Zeste Boek.

+HET oordeel oover hen gestreeken vernaamen de Staaten en stadt van Uitrecht, by loopende maare. Want niemand van hunnent weeghe was ooit verdaaght, oft jeeghenwoordigh gheweest, om d'uitspraak te hooren. Maar naa dat hun * pleytbezorgher, alleenlyk leezing van 't zelve en geen afschrift had kunnen verwerven, beriepen zy zich daaraf aan de Koninklyke Majesteit, en deeden zulx den Hartoghe +in alle needrigheit weeten. Voorts, om hiertoe ontfangen te worden, zonden zy naar Spanje, den deeken van Sant Pieters Kapittel, meester Willem Veuzel, man van goede geleertheit, en op wiens geloof in 't minste geen bedenken viel. Deez' hoewel hem de voetstappen des Markgraaven van Berghen en 's Heeren van Montigny, die nooit te rugge keerden, een schrik moghten maaken, verrichte zyn' boodtschap, in groote vrymoedigheit, zonder yets te vergheeten, dat dienen kon, om de Staaten en stadt t'ontschuldighen, en den Landtvooghdt in 't ongelyk te stellen. 'T welk Alva, naar zyne wyze, weederwaardelyk opnam, Niettemin (oft uit ontzich van voort te vaaren, zonder naader last des Koninx, oft uit armoede van stoffe) hy schreef aan de wethouders der stadt, dat zy, tot jonger orde toe, in hunnen dienst te volharden hadden: al was 't dat, uit krachte van 't voorzeyde vonnis, zyn' Majesteit vermoght de gansche wet te veranderen. Korts daarnaa, beval hy den Hoove aldaar, geene Staaten meer te beschryven, maar zelf te bevorderen 't geen t'hunner bestelling gestaan had. Waar by de stadt Montvoort en d'Eedelen ten platten lande gezeeten, die nooit aan recht geëyscht waaren, oover een' zelve kam, met de ghedoemde, geschooren werden. Den ontfanger van 't inkoomen der stadt Uitrecht, Fransoys Bot, gebood hy, zyne reekening aan hem oover te zenden, en aan den Rentmeester der verbeurde goederen, de penningen, die'r moghten in voorraadt zyn. 'T welk, als strekkende tot kneuzing van 't gemelde beroep, ook door de beroepers den Koning verstendight werd. Zy lieten nochtans niet, met alle zorghvuldigheit t'onderstaan, oft erghens eenigh oopen was, om zyn' gunst te bekruypen, en van 't pak der bezettinge, ontlast te worden. Meester Flooris Tin, naamaals * voorspraak van dit gewest, deed verscheyde reyzen, te dien eynde, in Brabandt, met volmaght, om 't bodt van hondert tweeëntsestigh duizent gulden te verhooghen tot hondert tachtigh toe, indien 't beroep moghte stadt grypen: ook, om milde vereeringen uit te looven, aan die zich hierinne, tot middelaars, zouden laaten ghebruyken. Maar nocht +kosten nocht moeiten; die d'alderminste vrucht baarden. De Koning hierentussen, nu ten derdenmaale weeuwenaar, en zonder manlyk oyr, verzocht te wyve Anna van Oostenryk, daar hy volle oom oover stond.

[p. 216]origineel

+Want zy was uit zyn' zuster en Kaizar Maximiliaan gebooren. De Paus, niettemin, slaakte den bandt van 't geestelyk recht; zulx het huwelyk voortging. 'T welk dappre stof, tot aanstoot en laster gaf, den geenen, die zoodaanigh een' maght, om bloedtschand eerlyk te maaken, den Roomschen stoele niet toestonden. Zy nam haar' reize, oover Nederlandt; en beleydt by haare broeders Albert en Wenceslaus, Aartshartoghen, quam in Oestmaandt tot Antwerpen, daar zy hoflyk ontfangen werd, rykelyk beschonken van de gezanten der gewesten. Op haar' doortoght tot Emmerik, had men allen Nederlandschen ballingen belast, de stadt te ruymen: dien dit te leyder deed, om dat de Prins van Oranje hun niet toeliet, eenighen aanslagh, op haaren persoon en gezelschap te maaken; die, huns bedunkens, der laaghe niet mis moghten. Maar zyne Doorluchtigheit, weetende wat zich aan Maximiliaans vrundtschap geleeghen was, gaf daarenbooven last aan den Heere Basius, om den ooversten ter zee, alle geweldt teeghen 's Kaizars dochter, op de hooghste ongenaade, te verbieden. Zy zeylde voor windt uit Zeelandt, met zessentwintigh scheepen van oorlogh, onder den Graave van Bossu, voorts pakkaadjeboots en koopvaarders, in alles tot tneeghentigh toe, werd onder weeghe begroet, uit den naam der Engelsche Koninginne; ende landde +gelukkelyk in Spanje. 'T ging, anders, te waater, op een rooven, zoo ruygh, dat de Prins benoodight werd, naader orde, en den Heer van Lumbres, Gilain van Fiennes, tot nieuwen Ammiraal te stellen. Onder ander verbood hy, eenighe verweezene oft kenbaare misdaadighen +in dienste t'ontfangen; en yemandt, buyten den Hartogh van Alva, oft zyn' aanhangers te beschaadighen. Jonkheer Landslot van Breederoode, Adriaan Meening, Albert Benningerhof, by hulp van andere schiphopluyden, verooverden daarnaa, in 't Vlie, tien hulken met stokvisch, +smout, traan, en gelyke waaren: noch drie Vliesche, drie lootsmansboots en eenen boeyer met haring. Zeeven oft acht groote scheepen, raakten vry met uitkoop. Aan eenen anderen oordt, werden twee Spaansche scheepen, en oover de twintigh haaringbuyssen genoomen. De kreet van welk verlies, den Landtvooghdt op kosten joegh, van zich bet, te waater te waapenen. 'T geweldt aldus in zwank, maakte ook het bedrogh gaande: en twee burghers van Amsterdam, met naamen Jan Koenenzoon, en Jan Beth Janszoon, rustten een schip toe; dat zy, ten deele t'Antwerpen, ten deele in Zeelandt, by verlof des Prinsen, door toedoen van Sonoy, met Spaansche en Italiaansche koopmanschappen laayden, om ze den eyghenaaren t'ontvoeren, en de helft van den buit te genieten. Maar nocht windt, nocht weeder wilden handt aan deeze dubbelheit houden; in voeghe, dat het, in plaatse van Embde, daar 't gemunt was, tot Rochelle moest inloopen Alwaar zy, gedrongen de goederen om half geldt te geeven, luttel meer dan de smaat van zoo veracht een' handel ooverwonnen. 'T ging ook elders den Landtvooghdt +niet al naa zyn behaaghen. De Hooghduytschen, die onder den Graave van Lodron, tot Valenchien, in bezetting laaghen, waaren etlyke maanden solds ten achtere, en bruskelyk betaaling eyschende. De Graaf worp het hier en daar, pooghende hen met schoone woorden, en beeter hoope, in plicht te houden. Zy, daarmeê ongepaayt, schudden +'t ontzich uit, en stellen hem met eenighe hopluiden in hechtenis. De Hartogh, ongewoon zoodaane ranken te dulden, vond nochtans niet naaders, dan hun eenigh geldt toe te schikken; met toezeg van voldoening, en vergiffenis der balddaadigheit. Dan, naa 't slissen der muyterye, deed hy hen naa Antwerpen ontbieden, en, onder schyn van monstering, tot Burgherhout verzaamelen; daar met ruytery en knechten

[p. 217]origineel

+omringen; voorts de aanstichters des oproers, uit de orden, roepen. Deeze, tot vierenveertigh toe, werden, voor 't slot, onthalst oft gehangen: d'andere geschopt zonder afscheidtschrift, en ten lande uitgeweezen. Onder dit tommelen en dwersdryven van 't menschelyk geslaght oover hoop, vermengden zich noch de plaaghen des heemels. Ten eersten daaghe in Slaghtmaant stak een storm op, uit den Noordweste, die dat deel des +Oceaans, gezwollen door de Springvloedt der nieuwe Maane teeghens de stranden van Oost- en Nederlandt, met zoo fel een bulderen aanjoegh, dat weenigh dyken oft sluyzen, daar men zich teeghens zulk geweldt, meê waapent , den stoot konden uitstaan. De Noordtzee, zeeker, heeft meenighmaals, van ouwds, d'aangegrensde gewesten met gelyken inval ooverrompelt, en ongemeete streeken aardboodems, met kerken en dorpen, verslonden. Maar van alle rampen, geleeden, by mans gedenken, door woeden van waater, is deeze de zwaarste, beyd' in schrik, en in schaade geweest: houdende 't onweeder aan, twee etmaalen lang. Meenighte van menschen in 't bedde verrast, zyn gedempt door de baaren; van beesten, op stal oft in de weyden verdronken; moerighe landen van een gereeten, met huyzen met al van hunne plaatsen versleept, en elders aangezet. In Brabandt was wel de minste noodt; nochtans groote armoede tot Antwerpen, met het berghen van kruydery, suyker, oly, en andere koopmanschappen; die, voor een goedt deel, nat, en door de brakheit bedorven werden: behalven den afbrek aan sluyzen, kaayen, en muuren der stadt; en dat'er etlyke luiden, zich in kelders onthoudende, smoorden. Vlaandre liep maghtigh aan; het Sas in; 't waater, te Gent, tot aan 's Kaizars poorte. Brug, Duinkerke, Greevelinge, Nieuwpoort, Oostende, Waatervliet, en d'omleggende dorpen, voelden eenen dapperen slagh, en lange de naasmart. In Hollandt, stonden de straaten van Dordrecht, Rotterdam, en andere steeden, drie voeten onder. Neevens andere binnenlandsche, brak de Diemerdyk door; zulx daar wel twaalf oft dertien gaaten in waaren, tussen Muyde, en Amsterdam; en 't verlies alhier, in kelders en pakhuizen, onwaardeerlyk. Het Hondbos, een bolwerk van eyke paalen, met metaale blooken gehaait, met yzer geankert, met zwaare keysteenen belast; werd tot drie plaatsen gesloopt, en omverre gesmakt, door 't geweldt der golven. En, hadde de Slaaper, een dyk alzoo geheeten, om dat hy, buyten daaghlykschen aanslagh, alleen tot een toeverlaat leydt, niet teeghengehouden, 't was om den heelen hoek van Noordthollandt gewedt. De Zyp ging glad deur; met oover de hondert wooningen: daar naauwlyx yet afquam, dat leven ontfangen had. In de vlekken aan den duynkant, was de bangheit te byster. De pinken en visschers boots op strandt gezet, werden vlot door de vloedt, en ten dorpe ingeschopt, vellende met stoot op stoot, wanten en daaken ter aarde. Bet dan drie voeten hoogh, steegh 't waater, in de kerke tot Schevelinge: en baard' 'er zulk een kracht, dat het een zwaare kist van yzer omsmeet. De Zeeuwsche eylanden, niet teeghenstaande de sterkte hunner zeeburghen, werden, aan verscheyden' oorden schendelyk getroffen; daar, oover de drieduyzent persoonen gesneuvelt zyn; heel Zaftingen weghgesleept. Maar nerghens grooter jammer, dan by d'Oosten Westvriezen. Al 't vlak om Embde, Groninge, Leeuwaarde, Franeker, Dokkom, Bolswaart, lagh meest ooverstroomt; en weenigh kroften, die uitkeeken: zulx de steeden, verbaast, oft hun de weereldt ontzonken waar, als in een' woeste zee zaaten. 'T getal van allerley ouderdoom, omgekoomen in deezen hoek, wordt by de twintighduyzend begroot. Den geheelen oever lanx, van den mondt der Eemse af, tot aan de kusten van Deenemark, was gelyke ellende. Dies schat men in alles, niet min dan hondertduyzent zielen

[p. 218]origineel

+ontlyft te zyn. Van 't verzoopen vee waar geen' reekening te maaken. Als nu de windt wat leggen ging, was 't een' deerlyke vertooning; mannen, wyven, kinderen verstyft van kouwde, verslenst van 't nat, flaauw van honger, mat van worstelen met de doodt, wydt en zydt, op balken, berden, strooschalven, dryvende. Anderen, zittende op toppen van boomen, daaken, hooyberghen, mesthoopen oft heuvelen, riepen de genaade Gods en hunner eevennaasten aan. Toen toogh men uit, met schouwekens, praamen, en andere ondiepgaande schuyten, om eerst de leevenden, daarnaa de lyken te visschen: en de geenen, die zich op de hooghten geberght hadden, te lichten. D'ooverste Robles, Heer van Billy, binnen Groninge zynde, deed, dat pas, treflyke proeven van de Portugeessche trouwhertigheit. Hy zond niet alleenlyk al de bevelhebbers van zyn regement, alle schuytvoetders, die zich vinden lieten, om de luyden uit noodt te redden; maar dwong daar toe d'onwillighen, zonder zyn' eyghen persoon, oft eenighen arbeidt te spaaren. Jaa hy braght tot Brussel te weeghe, dat de leening zyner soldaaten van daar bezorght werd, en zyn' landtvooghdy, een rondt jaar, van schatting verschoont, als die genoegh te doen had, aan 't vervallen der kosten, om de dyken, dammen, sluyzen en zylen te boeten. Al 't welk hem, die te vooren niet wel met de inboorlingen stond, grootelyx gezien en gewilt maakte; in voeghe, dat de voetstappen deezer geneeghenheit, tot noch toe, door den tydt niet zyn uitgewischt. De Spanjaarts, om dat dit onheyl op Alderheylighen dagh aanving, wilden dat het herquam, uit de gramschap der zelve, oover 't mishandelen der beelden en kerken hun toeghewydt. D'Onroomschen hielden, dat de zaalighe zielen met geen' wraakgierigheit ontstelt werden; maar dit quaad een voorboô van genaakende +beroerten was. Verscheyden' aanslaaghen des Prinsen werden hier door verachtert, mits zyn' scheepen, verzaamelt op de Eems en in Engelandt, zich ten deele dapper beschaadight vonden, ten deele beducht de reyze te bestaan, om de kundeloosheit der killen, alzoo de tonnen en teekenen der ondiepten, oft de banken en zanden zelf, door 't harde weeder, verspoelt moghten zyn. Men had het anders, met vyf oft zeshondert mannen, op Enkhuyzen oft Hoorn voor, en de gemoeden aldaar, van oover lang, ter verandering gezwenkt. De Raadsheer Basius had hieraf het beleydt, en brieven van den Prinse, aan de Majestraat en Burghery der steeden: waarmeede hy ook spaader dan 't gemeent was, tot Embde quam. Toen liep de windt Oost, en sloegh het aan 't vriezen; zulx Landslot van Breederoode voor uitgetooghen om 't Eylandt van Texel te bemaghtighen, bynaa van't grondys beknipt werd, en met geen kleen gevaar te rug keerde; achterlaatende de scheepen van Ruykhaaver, en Bartolt Entes van Mentheda, die men wel half voor verlooren hield'. Zy raakten'er nochtans af; Ruykhaaver in't Vlie, en stroopt'er vier oft vyf scheepen: Entes, op Amelandt, daar hy's Heeren huis plonderde, en ruym een' maandt den meester maakte. Naa 't stuyten van deezen toelegh, liet men 't krysvolk verloopen, uitgenoomen 't geen tot bewaarnis der vlooten van doen was. Dan tien oft elf scheepen werden +aangehouden, en Hopman Dirk van Breeme gevangen, by den Graaf van Embde, die hun in't eerst opzeyde dat zy zyn' landen en stroomen beschaadight hadden. Daarnaa wendd' hy's Kaizars bevel voor, en zeekere kundschap, dat Alva toereedde, om de scheepen te verooveren, oft in brand te brengen: zonder 't welk zyn' Genaade noch alles, met ooghluyking zouw hebben laaten doorstaan. En was zy echter van zinne, die ter eerste geleeghenheit t'ontstaan, zoo zy 't op den naasten kreysdagh te verantwoorden zaaghe. Dat aldaar zoude gelet worden op de klaghten des Hartoghen,

[p. 219]origineel

+en de bestellingen uitgegeeven by den Prinse, oft zy, ten aanzien zyner opperheerschappye van Oranje, hier te lande behoorden te gelden. De stadt van Embde voorwaar, bewees niet meer scherpheits in dit werk, dan'er behoefde, om Alva van haaren hals te houden. Maar de verwilderde tydt, en zwakheit der Prinselyke partye maakten't ontzigh zoo kleen, dat zelfs +zyn' eighe soldaaten, eer en eedt oover boordt werpende, verscheide scheepen beroofden, en zeylden'er meê deur; zeggende, op niemands bestelling te passen; en hunn' eighene de beste te weezen. Terwyl men't op eenighe haaven van Noordthollandt gemunt had, stond men, met een, om op den Briel, Dordrecht, Rotterdam en Delft, het geluk te verzoeken: +ook op Zutven, en de steeden van Ooveryssel; daar de zaak desgelyx met verscheiden' inwoonders, door toedoen van Andries van Arler besteeken was. Dan, gelyk aan den zeekant het ryzen van't waater, alzoo was aan de landtzyde het vallen der sneeuw in den weeghe, en, mits haar' dikte, niet mooghelyk van Dillenburgh op Weezel te koomen; tot groot verdriet des Prinsen, die ontrent hondert boeren te werk stelde, om met hunnen tredt, een' bruykbaare baan te leggen. Hy zelf en zyn broeders, +een groot stuk te voete gegaan, moesten 't endtlyk opgeeven. Maar 't was te verwonderen, zoo dicht als alles, by zulk een' meenighte meêwustighen van allerley soorte, sexe, jaaren, ryk, arm, gehouden werd; en dat het minste van't geheim, nerghens door ontrouw, vreeze, oft achteloosheit uitleekte. 'T welk een duydtlyk teyken van den leevenden haat tot den Spanjaart was; en oorzaak, dat de aanslaaghen meer in slaap, dan om verre vielen. Pacieco steêvooghdt van Deventer, greep wel (men weet niet waaruit) eenigh achterdenken, en verscheide burghers by den hals, die hy ter doodt toe pynighde: doch kon nooit aan eenighe klaarheit, oft achter de rechtschuldighen raaken. Alzoo werd d'ingeboore manhaftigheit en krysaart der landtzaaten, die onder de beezigheeden der koopmanschappe verstikt +lagh, door de verbolghenheit opgewekt. Harman de Ruyter van 's Hartooghenbos, ossekooper een tydt lang, maar fors van inborst en geschaapen ten oorlogh, bestond een dapper stuk en van geweldighen naadruk; hadd' het hem niet meer aan fortuyn, dan aan list en stoutheit ontbrooken. Men ziet, op't westeyndt van de Bommelerwaardt een slot, geheeten Loevestein, 't welk Maas en Waal, die daar t'zaamen loopen, beheert; recht geleeghen, om in Workom en Gorkom oover te springen; alwaar men desgelyx de harten van eenighe inwoonders gewonnen had. Hy in een graauwe monnixkap, met drie andere gasten, maakt hier binnen te raaken; den burghvooghdt af; en zich meester van de vesting; op hoope van hulp, die hem door den Graaf van den Bergh's Prinsen zwaagher belooft was, maar door de vorst en 't opwaater verhindert werd. Niet daarom, nochtans, ontzonk hem de moedt; maar, hebbende ontrent vierentwintigh mannen by een gekreeghen, zoo bestond hy de plaats, die niet dan op d'ouwde wyze bemuurt was, naa vermooghen te sterken. Toen werd Lorenzo Perea, Spaansch hopman, uit den Bos, met hondertvyftigh roers, tien spietsen, derwaarts gezonden; eenighe arbeydtsluiden, uit Gorkom en Workom daar by gevoeght. Deez, vreemdt vindende, dat men hem had darren afwachten, eyschte 't slot op; en bars antwoordt kryghende, braght'er't grof geschut voor. De Ruyter, het uiterste getroost, en ziedende van oovermoedt, roept zyn gezellen te hoop, en boezemt hun, met klem van woorden, zulx den geest zyner onvertsaaghtheit in, dat zy, van een' smaadighe doodt, oft het loflyk sterven in de waapenen, dit voor de keur naamen, en een opzet, om zich tot den laatsten druppel bloeds toe te weeren. De Spanjaarts, zoo veel teeghens een', en 't verlies lichtelyk boetende, schikten met ladders oover de graften te

[p. 220]origineel

+koomen: en terwyl, die van binnen beezigh zyn met de breuk van den muur te verdaadighen, beklimmen dien van d'andere zyde, en vellen 't al, wat hun voorkomt. Een' zorgh maar had de Ruyter, hoe hy zyn leeven ten dierste moght uitslyten, en met wraak in de voorhaal weezen. Dies stelt hy zich binnen de deur eener kaamer t'schrap, slingerende een slaghzwaart met bey de vuysten: en stuytende alleen al den aanval, doet een' vreesselyke moordt, en zynen vyandt, oover zoo rustigh' een' strengheit +verwondert staan. Endtlyk, ooverstelpt van't getal, steekt hy den brandt in een deel bussekruyds, te vooren op de vloer gestort; en verdelght zich zelven, bystanders, aanvechters, met een' gemeene neerlaagh. Dan de geenen, welker voorouwders, binnen 't slot van Naapels, aan de trap, een marmoren beeldt stelden, ter eere van eenen Fransois, om dat hy daar, alleen slechts met kap en rappier, der gansche inberstende troepe weederstaan had, en in die daadt het leeven gelaaten; deeden nu het hooft van dus koen eenen heldt, uit den mesthoop der flarzen van leeden en ingewant, opzoeken, en tot's Hartooghenbos op de galghe naaghelen. Zoo wyd was, dat pas, de Spaansche grootmoedigheit veraart: al wilde men't daar meê verschoonen, dat de party des Prinsen quansuis voor een gedroght van muitmaakers, en geen' wettighen vyand te houden stond. Niettemin, die, voor heenen eerlooze staaken, werden seedert, gezuivert van alle schandvlek, by de liefhebbers der vryheit, voor pylaaren van gloorië aangezien, nu zy tot baze van 't bekkeneel des doorluchtighen Ruyters dienden. Etlyken zyner gezellen, die leevend' in handen vielen, werden tot Antwerpen gehangen; twee daaraf geraabraakt. Alva, verneemende wat'er, t'zynen naadeel, in 't landt te Kleef, gehandelt +werd, begreep in 't begin van den jaare eenentzeeventigh, dien Hartogh en Raadt, met scharpe brieven, oover 't aanhouden van de weederspannighen zyns Koninx aldaar. Op den zelven zin schreef hem de Graaf van Meeghen. Zy hadden 't voorneemelyk op Sonoy, en Godefroy van Haastrecht Heer van Druynen, gelaaden; willende de Graaf zeggen, dat zy, met twee anderen tot Emmerik woonende, 's Heerenbergh en 't huis te Ulft hadden helpen bemaghtighen; en dat Sonoy, neevens noch eenen, geldt tot behoef des Prinsen, ten oorlogh +verzaamelde. Ende zond hy teffens dubbeldt van de belydenis eenigher gevangenen, die 't stuk zouden gemelt hebben, en daarop gestorven zyn. Dies wilden zy, dat men ze strafte, oft zelf daar raadt toe schaffen. De Vorst, derhalven, duchtende, dat men yets op Emmerik voorneemen moghte, beval Steeven van der Steen, Rechter aldaar, hen beyde in hechtenis te stellen. Deez vallende des nachts naa den veertienden van Sprokkelmaandt, in 't huis van Sonoy, vond nocht den eenen, nocht den anderen. Wel quam dit aan Sonoy, om zich echter te hoeden; die, gewaarschuwt door zyn' gemaalinne Joffrouw Mary van Malsen, zich grootelyx by den Cantzelier van Kleef, en andere Heeren, beklaaghde, dat men hem ongehoort, daar hy een Riddermaatigh landtzaat was, en nooit in 't minste teeghens zynen heer gezondight had, dus weederwaardelyk naatrachtte: ende dreyghde hy ter naaste vergaadering der Ridderschap, daaraf reede te verzoeken. Voorts braght het voorschryven des Graaven van Nieuwenaar, aan Cantzeler en Raadsluyden, in't gemeen en bezonder, zoo veel te weeghe, dat de zaak eenighzins geslist werd, en Sonoy zich by wylen verstoutte, bedektelyk tot Emmerik te koomen. Hy +en Huchtenbroek, achtende dat d'ooverlast tot Uitrecht grooten en kleenen naa verandering deed haaken, stookten al wat zy moghten daaronder, om hen den Prinse te doen toevallen. Maar die van Uitrecht zaaghen 'er niet door; zynde onlanx de Slotvooghdt van Vreedeburgh ooverlee-

[p. 221]origineel

den, +en een Spanjaart in zyn' steede gestelt, met bezetting van den zelven +landtaart. 'S Prinsen vloot midlerwyle weydde onbelet door de zee, en verooverde, in Lentemaandt, dertigh groote scheepen in Tessel. Dan de tucht was zoo kleen, dat acht der zelve, hoewel zy vry geleyde van Graaf Lodewyk hadden, dies onaangezien, geplonderschat werden. +Noch ongelyk oevler daadt werd tot Berkhem, by Antwerpen, bedreeven; alwaar op Paasnacht, een deel gewaapenden, in de huizen van den pastoor en den onderpastoor braaken; hen, met veele wonden, afmaakten; 't best der goederen, en zich zelf daarmeê deur pakten. En oft schoon de +moordenaars onbekent bleeven, 't werd op de Geuzen gehouden. Dit baarde een' nieuwen schrik onder de geestelyken van 't platte landt: tot beschutting der welke, weederom een Plakkaat, by den Landtvooghdt werd uitgegeeven. Van Mieghen en Blommert, Vlaamingen, beide Jacob gevoornaamt, zich sterk maakende, in 't gewest van Oudenaarde een' weldighe beweeghenis aan te rechten, om Alva aan werk en zich zelf aan buit te helpen, kreeghen, door bemiddeling van meester Pieter de Ryke, bestelling van den Prinse; en, uit d'Onroomsche gemeenten daar rondsom, een goedt getal volx, in 't woudt by Ronse, te gaader: die, zonder andere vrucht, al een' wyl' hunne moedwil, aan den schaamelen huisman, pleeghden. Alzoo ontgolden d'onnoozele landtzaaten, van d'eene zyde de zonden der dwingelandye; en droeghen'er van d'andre, den ooverlast af: voorneemelyk binnen Uitrecht, daar men, booven andere geweldenaaryen, wel acht moorden, begaan door de Spaansche soldaaten, eenighe aan hun eighe huisheeren, ongestraft liet. Verscheide luyden van goeden doene werden'er uit al hun welvaaren geworpen, en gedwongen wyven en kinderen hunne nooddruft t'ontrekken, om ze aan de soldaaten te kost te leggen. En wat zy den Koning vertoonden oft smeekten, zy verworven geen' lichtenis. Waar oover veelen, geenen anderen raadt weetende, huis en hof verlieten. Heele twintigh maanden +duurde deeze ellende. De Landtvooghdt eyndtlyk, beginnende voor 't inneemen van eenighe vastigheit aan den zeekant, te zorghen, trok eenighe vendelen in 't laatste van Lentemaandt, en d'oovergebleevene in 't eerst van Bloeimaandt, uit Uitrecht, om de steeden van Alkmaar, Leyde, Delft en den Briel, te bezetten. Ook wakkerde zyn' toerusting te waater. Maar een' zyner beste scheepen, dat tot Amsterdam uitgereedt was, werd door den schipper Zeegher Franszoon van Meedenblik, naa dat hy't hopmanschap daaroover van den Prinse bedongen had, +ten dienste des zelven, oovergebraght. Niettemin, Boshuizen, Ammiraal van Amsterdam, quam de vloot op de Eems bestooken, en broght ze ten deel t'onder. Oranje, wendende het oogh om en weeder, werd te raade, een' bezending naa Deenemark en Zweede af te veirdighen, +om zes oft acht scheepen, volk, lyftoght, en vrye haavening te verwerven. Sonoy, Harmen van der Meere rechtsgeleerde, en Jean de L'escluse, ontfingen deezen last; dan, tot Koppenhaaghe zulke berichting, door den Franschen Ambassadeur, dat zy, wanhoopende yets op te doen by dien Koning, voor best inzaaghen, hunne reyze naa Stokholm te vorderen. Maar, kleenen troost by den Heer Pontus de la Guardia, daar zy den meesten verwacht hadden, vonden zy ook alhier, en 't hof in strydende lyntrekkeryen +bedraayt: waardoor zy al een' wyl gaande gehouden werden, en, als't omquam, niet dan schoone woorden vingen. De Hartogh van Alva hierentussen, naadien de twee jaaren, gevrydt van den tienden en twintighsten penning by uitkoop, ten einde liepen, nam voor zich deeze schattingen nu door te dryven: en gaf uit, op 's Koninx naam, een Plakkaat wel minlyk luidende. D'eerste verkooping hadde vry te zyn

[p. 222]origineel

+van 't uitkeeren des tienden penninx. De koopmanschappen, ingebraght +van buiten, en nooit verkoft hier te lande, zouw men, zonder dien tol te geeven, weeder uit mooghen voeren; ook alle waaren, gebleeven in de zelfste natuure, die zy, inkoomende, hadden: desgelyx de goederen hier gewassen, gegroeit oft gewrocht, indien daar af de tiende penning eens voldaan waar. De eyghenaars oft pachters van gronden zouden de gemelde bezwaarnis ten eersten maale niet draaghen, wen zy hun aangeteelt gewas oft beesten, in den eighen aardt oft gedaante der zelve, verkochten. Voorts hadden vry te zyn alle tweede, en voorder verkoopingen van lyftoght en allerley andre waaren binnen 's Lands; uitgezeit alleen de laatste verkooping, waar naa de goederen versleeten oft verzonden zoude worden. Den voor zeiden laste zouden ook, zelfs ter laatste verkooping, niet onderworpen weezen de stoffen noch ruw, oft onbequaam ter sleete: maar naaderhandt volwrocht en bequaam, zouden zy den tienden penning betaalen, wen men ze verkochte om versleeten te worden, en te vooren niet: doch als zy eens tot sleete gebruikt waaren, en daarnaa weederom verkocht wierden, hadde men t'elken maale 't aftrekken des tienden te lyden. Ende zouden de geenen, die oopene winkel hielden, om in 't kleyn te vertieren, 't gemelde recht moeten voldoen; zonder te mooghen voorwenden van hunne waaren buiten 's Lands gekocht te hebben, en d'eerste verkoopers oft niet de laatste te weezen. Dit alles werd gedaan by form van proeve: en zoo in 't uitvoeren deezer ordening eenigh ongeryf quam op te borrelen, daar beloofd' hy in te voorzien: alles onvermindert nochtans het recht, dat hem, door de boovengemelde inwilghing, zoo hy 't verstond, +gebooren was. De Staaten, zonderling van Hollandt, hierop, weezen hem meenigherhande zwaarigheeden aan; booven al, de stadt Amsterdam, verklaarende met veele reedenen, 't waar om hunne gemeente in den grondt te bederven: zulx zy geen ander verlof, in de verkunding van 't Plakkaat, konden draaghen, dan zy, oover twee jaaren, in de zelve schatting gadaan hadden. Den Staaten antwoordde hy heusselyk, +toeduidende hun schoorvoeten niet aan eenighe quaade wil, maar aan kleen begrip der zaake. Dan, hoewel hy die op verzoekende wyze voordroegh, voeghd'er nochtans by, dat ze noodtwendelyk voortgaan moest. Doch zouden d'uitgaande goederen, tot behoudenis der neeringe, +en voordeel der handtwerxluiden, niet dan den dertighsten betaalen, en al heel gevryt worden, zoo men verstond den tienden penning ook ten eersten koope te gedooghen: 't welk zyn billikheit scheen te hebben. Want de geestelykheit en ryken onderhielden zich, voor een goedt deel, met hun eyghen gewas, aangefokt vee, en gedierte; konden ook voorraadt uit d'eerste handt opdoen, ontgaande alzoo den tienden pennink: 't welk den armen oft gemeinen man onmooghelyk viel, die al zyn' nooddruft van de uitslyters moest haalen. Ook wild' hy, in tydt van dierte, +'t bezwaar met bescheydenheit maatighen. Die van Amsterdam deed hy, voor 't hof van Hollandt, verdaaghen, en hun een' boete van vyventwintigh duizent gulden opleggen. Zy, hebbende zich beroepen van dit vonnis, aan den Hooghen Raadt van Mechele, kreeghen tot bescheidt op hun verzoekschrift: fiat sermo Duci: men spreek'er den Hartoghe af. Hiermeê voor 't hooft geslaaghen, vonden zy best het daar by te laaten. Doch 't geen hun in rechte geweighert werd, is hun, mits de naavolghende beroerten, toegevallen. De Prins, in zyn verdaadighschrift van den jaare vyftienhondert tachtentigh, zeidt, dat de betaaling deezer vyventwintighduizendt gulden eenen Burghermeester van Amsterdam alleene te last geleidt werd. Die van Uitrecht bleeven eeven volstandigh. Dies Alva, gedreeven van den haat, slaat

[p. t.o. 223]origineel



illustratie

[p. 223]origineel

+het gevaar der zeekusten in den windt; licht de bezettingen uit Alkmaar, +Leyde, Delft, en den Briel, en zeyndt weederom acht vendelen, binnen Uitrecht. Dit volk, aldaar gekoomen den achtienden van Slaghtmaandt, naa groote ongereegheltheit ten platten lande bedreeven, gaat den ouwden gang; en zeggende vyftien maanden solds ten achteren te zyn, teert op den burgher, oft leyt hem twee daalers, een arm kostgeld naar den tydt, ter maandt, toe. Nocht geestelyk, nocht weirlyk bleef'er, ongeplaaght, en droeghen zelfs de wethouders hun deel van de quellaadje. Een Burghermeesters zoon werd, op de wacht, zwaarlyk gewondt. Zyn vader Johan Taats van Ameronge, bynaa vermoordt in zyn' eyghen huis, maakte, om 't uiterste t'ontgaan, naa 't voordraaghen der geleeghenheit aan d'andere Majestraaten, zich ter stadt uit. Alle vertoogh hierop, en hoe zeer het teeghens reede streed hen alleen te belasten, met de bezetting, die oover vier steeden verdeelt geweest was, zommighe der welke, hen in vermooghen te booven gingen, werd van den Hartogh verworpen. Zoo zy zich tot den Koning keerden, die wees hen aan den Landtvooghdt. Uit deeze en diergelyken handelingen in verscheide gewesten, reez zulk een' vertwyfeltheit, dat eenighe luiden den Prinse aanbooden brandtpoppen in hunn' eighe huizen te leggen, om t' zyner aankoomst de steeden in onmaght +van teeghenweer te brengen. Graaf Lodewyk, naa 't stillen der beroerten in Vrankryk, arbeidde zyn best, onder de kryszuchtighe gemoeden van dien aadel, die den hervormden Godsdienst toeghedaan waaren, om hen toghtigh te maaken naa 't beoorlooghen van Nederlandt. Ende quam 't zoo verre, dat zyn' Genaade, in onbekent gewaadt, toegang ten Koning kreegh, die zeer zoet op deezen krygh scheen, en 't beleidt van dien, aan d'Onroomsche heeren te willen opdraaghen. Oft dit, van eerst af, veynzen geweest, oft naamaals, door opruiding des Kardinaals van Alexandrië, geworden zy, om 't vertrouwen der Hugenotten te doen groejen, en hen des te gemaklyker op de vleesbank te brengen, kan ik niet zeggen. Immer die Majesteit loofde mildelyk uit, en schreef zeer gunstighe brieven aan den Prins van Oranje, ten einde hy zoo veel volks, als hem mooghelyk viel, in Duytsland, by een stouwde. Alva niettemin, als +oft alles onder 't juk verplet, en de loop buiten zorghe van weêrloop geweest waar, verzocht oorlof aan zynen meester, om t'huiswaarts te keeren: maar hadde wel geirne Ferdinand zynen zoon naazaat in de Landtvooghdye gezien. Dit haaperde in 't hof van Spanje, gelyk alhier 't uitvoeren van den toeleg der schattingen; waar van 't hem misschien hart viel, de eer aan eenen andere te laaten. Hy stelde zich nochtans tot de reyze, en deed, ter eeuwighe gedachtenisse zyner gewaande gloorië, zich zelven in den +burgh van Antwerpen, een meetaalen beeld stichten, dat in deezen jaare voltooit werd. De voetstal rustte op drie trappen van blauwen steen. Het beeldt stond gewaapent, uitgezeit het hooft, en de rechte arm, waarmeede het de stadt vreedelyk scheen t'hemwaarts te noodighen. Onder zyn' voeten lagh een lichaam met twee hoofden, en vier armen, welker d'eene een' toorts, d'ander' een byl, de derde een' knods, de vierde een' vuisthaamer gevat had; met een momaanzicht onder de zyde, een' tas aan den halze, daar verscheiden gedrocht van slangen uitkroop. De voetstal was achter leedigh; van vooren had hy, in kooper, dit opschrift. FERDINANDO ALVAREZ A TOLEDO ALBAE DUC: PHILIPPI II. HISP: APUD BELGAS PRAEFECT: QUOD EXTINCTA SEDITIONE, REBELLIBUS PULSIS, RELIGIONE PROCURATA, JUSTITIA CULTA, PROVINCIAE PACEM FIRMARIT, REGIS OPTIMI MINISTRO FIDELISS. POSITUM. 'T welk luidt in Neder-

[p. 224]origineel

duytsch: +Aan Ferdinand Alvarez van Toledo Hartoghe van Alva, Ooverste in Nederlandt voor Philips den tweeden Koning van Spanje, om dat hy, naa 't slissen der muyterye, ver dryven der weederspannighen, verzorghen van den Godsdienst, bouwen van 't gerecht, de vreede van 't geweste gevestight heeft, is dit opgerecht: aan den getrouwsten bewindtsman des allerbesten Koninx. Onder de voeten, op den randt, las men: Jongelingi opus ex aere captivo. Dat is: Jongelinx werk van buytkooper. Ter rechter zyde zagh men den daagheraadt, die in Spaansch Alva heet, opgaan, verjaaghende vleermuyzen, uylen, en 't viervoetigh nachtghediert, voorts eenen harder, die zyn' schaapen te velde leydde, en dit Grieksch byschrift: αδεξικακοσ ηωσ. dat is: De quaadtverdryvende morghenstond. Ter slinke stond uitgebeeldt een ontsteeken altaar, belendt met zeeghetekens van waapentuygh; in 't altaar deeze woorden: Deo Patrum nostrorum. Dat wil zyn. Den Gode onzer vaaderen. De Hooghgeleerde Arias Montanus had zynen geest aan 't verzieren deezer blazoenen getoont, en, zoo men acht, by 't dubbelhoofdigh lyf de twee Staaten van aadel en gemeente, oft steeden verstaan: hoewel 't van anderen op den Prins en Graaf Lodewyk, oft liever Egmondt en Hoorn geduyt werd. De Hartogh van Aarschot, een Heer, wiens vryheit van mondt meer dan yemands anders te hoove geleeden werd, als hy dit werk bezichtighde, zoude, op vraaghe des Landtvooghds wat'er hem af dochte, geantwoordt hebben, dat hy in de grimmende troonjen, dreyghementen van wraak speurde, zoo zy 't eens ontworstelden. 'T welk naamaals tot een voorzegsel getooghen werd. Dit opgeblaazen en vermeetel stuk stond yeder in den weeghe. 'T was een grouwel in 't harte der Landtzaaten; 't werd benydt by de Spanjaards, en gelastert van d'uitheemschen. Ook deed, by tyde van Don Louis de Requesens, de Koning 't zelve afwerpen: 't zy dat hy die staatsy zynen bewindsman misgunde, oft wanvoeghlyk vond, met eenigh heughteeken van inlandse bloedtstorting, te praalen. Maar de Neerlanders, ziende alstoen op de rug der zaaken, meynden men hadd' het behoort in weezen te laaten, om dat de lofstellaadjen, zoo 't oordeel der naakoomelingen tot haat gedyght, voor stinkende graaven verfoeyt worden. Men zeyt, dat dit beeldt vyftien voeten hoogh was: altyds de rechte duym daaraf, my by geval ter handt gekoomen, wyst uit, dat het, in grootte, 't leeven verr' oovertrof. Om d'onzeekerheit der kundtschappen, die zeer achtbaare schryvers hebben doen doolen, myd' ik my van in d'uitheemsche geschiedenissen te treeden, uitgezeyt daar ze aan d'onze gehecht zyn. Ende zoud' ik derhalven niet aanroeren den schipstrydt, gewonnen by de Christenen in dit jaar, op den Turk; waare geen zoon van 't huis, 't welk ons dat pas regheerde, opperste der vloote geweest in 't bevechten van die zeeghe, de grootste en heerlykste, die men ooit op d'ongeloovighen te waater behaalde. Want de Venetiaanen, hebbende, naa verlies des meestendeels van Cipers, den vyandt voor Famagosta hooftstadt van dat Eylandt, traaden met den Paus en Spaanschen Koning in een verbondt, aan 't welk de naam van Heyligh gegeeven werd; ook van Eeuwigh, om dat men ongeraaden vond, het zelve met eenighen tydt te bepaalen, mits uit een' korten de Turk moedt scheppen, en een' lange van quaaden voorspooke schynen, moght. Uit plicht van deezen maakte de Paus twaalf galeyen toe, onder Marc Antonio Colonna; de Veneetiaanen hondert veertien galeyen, met zes galeassen en twee hulken, onder Sebastiaan Veniero; de Koning eenentachtentigh galeyen, en twintigh groote scheepen, onder Don Johan van Oostenryk zynen bastaartbroeder, dien de staat van Hooghammiraal werd opgedraaghen. De grootmeester van Malta, en andere Vorsten, deeden'er elk naar

[p. 225]origineel

+zyn vermooghen het hunne toe: der wyze dat'er tweehondert neeghen galeyen, zes galeassen, vyventwintigh kogghen, veertigh jaghten nooddruft van mondt en oorlogh voerende, in zee gebraght werden. Booven de schippers, bootsluiden, en zwermen der riemslaaven waaren zy voorzien met twaalfduyzent Italiaansche, achtduyzent Spaansche, drieduyzent Duytsche soldaaten. Hier hadden zich noch bygevoeght drieduyzent goedwillighen van verscheiden landtaart: daar onder veele Nederlanders, zoo eedel als oneedel, die 't leeven, hun anderszins vruchteloos, mits d'ellenden des vaderlands, zochten tot welstandt der gemeene Christenheit, te besteeden. Niettemin, gelyk zoodaane tzaamespanningen, mits de verscheydenheit der bezondere inzighten, traaghlyk voltrokken worden, en de zwaare toerustinghen veel tyds booven gissing aandraaghen, was 't, eer alles te hoop quam, met Famagosta omgekoomen; daar de Christenen van geduldt en bestendigheit, de Turken van meyneedt en wreedtheit d'uiterste proeve beweezen. Om echter, met het leedigh laaten van alzulke krachten, zich tot geen' spot te maaken, verzaamdemenze in 't laast van Herfstmaandt, by 't eylandt Corfu. De Turken, daarenteeghens, laaghen by Lepanto, met tweehondert tsestigh galeyen; maar hadden niet half zoo veel' vechters als de Christenen. Ook waaren zy, naa hun gebruyk, licht gewaapent op 't beschaadighen, niet altoos op 't beschutten; de galeyen zonder borstweeren, om in vryheit de booghe te handelen: daar d'onzen, meest gehelmt en geharnast, hooghe, styve boorden te baat hadden, om teffens 't lyf te berghen, en de bussen t'ondersteunen, die in toereyken en wisheit van wonden, de pylen verre te booven gaan. Hun Ammiraal was Haly Bassa, zyn steedehouder Ochiali oft Ulusaly, een Italiaan, die 't Christendoom verlooghent had. Porthau Bassa gebood oover 't krysvolk. Het anker gelicht hebbende, quaamen zy onverziens, op den zeevenden van Wynmaandt, den Christenen, die hen zochten, by 't eylandt Cuselar in 't oogh. Deeze, derhalven, 't zelve verlaatende, winnen de ruimte, en verdeelen zich aan vyven. Ter rechte zyde had Jan Andrea Doria van Genua 't gezagh: ter slinke Augustino Barbarigo van Veneedje. Don Johan hield het midde; Don Alvarez Bassan de achterhoede. D'eerste praalde met groene, de tweede met geeluwe, de derde met blaauwe, de vierde met witte vlaggen. Aan de waardighste zyde, had Don Johans hooftgaley den Roomschen Ammiraal; aan de slinke den Veneedschen, en vervolghends den Genueesschen, daar de Prins van Parme, en den Savooyschen, daar die van Urbin op was. Den last der voortoght hadden de zes Veneedsche galeassen, die een weldigh geschut voerden. Het achterste was gegordt, met de hooftgaley van Malta ter rechte, de Lomeliner ter slinke, inhebbende Paulo Jordaan Ursin. De jaghten werden van der handt gezonden, om yder de hoope der vlucht te beneemen. Don Johan, in een boot getreeden, deed zich van boordt tot boordt roejen, om de gemoeden ten stryde te wetten: 't welk daarentussen van d'andre hopluyden niet verzuymt werd. Eyndtlyk, in zyn' galey gekeert, en raamende den vyandt goeylyk binnen scheuts, doet hy een der grootste stukken afbernen, de trompetten opklinken, de vechtvaanen uitsteeken. In d'eene stond een gekruiste Christ, in d'ander' een Mariëbeeldt; in de derde de waapenen der bondtgenooten. Daar op volghde 't krysgeschrey; 't welk, gedommelt onder 't gedruys van 't woelend' en zich 't schrap stellende boots-en oorloghsvolk, in de locht steegh. De Turken, oover den andren kant, rekten hunne spits in de breedte, recht uit, buyten hunne gewoonte, zonder form van halve maan. Porthau had het bestier van 't midde, Haly van de rechte, Ochiali van der slinke zyde. In 't eerst was hun de windt meede; daar naa ging hy leggen; en weeder verheffende, liep hun

[p. 226]origineel

+teeghen. Als de dagh ontrent ten halve was, raakten de vlooten aan elkandere. +Den eersten aanstoot leed Barbarigo, die drie galeyen verloor, en zyn oogh aan een flits, zulx hy 't 's andrendaaghs bestarf. Maar een' yslyke oopening maakten de zes galeassen, doende krysvolk, banken, en slaaven door de kraft huns geschuts oover hoop tuymelen. Al de metaale buyzen gaaven, tot vyfwerfs toevuur, en weynigh scheuten die mistastten: daar die van den vyandt, mits de hooghte hunner galeyen, doorgaands, zonder treffen, oover d'onze heen droegen. Don Johan, ophebbende vierhondert uitgeleeze soldaaten, klampte zelf den Turkschen Ammiraal Haly aan boordt, die met driehondert Janitsers, en hondert booghschutters gemant was. Met een verhief zich 't gevecht, aan verscheyde kanten; daar veel doorluchtighe mannen zich met ongelooflyke vroomigheit queeten: voorneemelyk Maturin van L'Escut, Romegas, een Fransch Ridder van Malta; die der wyze den schrik in 't gansch Oost had, dat noch heeden de Turksche moeders, om hunnen kinderen een' vervaarnis aan te jaaghen, niet dan zynen naam in den mondt neemen. Voorts, de soldaaten niet alleen, maar ook de slaaven op hoop van vryheit te verdienen, sloeghen handt aan 't geweer, en toonden groote dapperheit. Het buldren van 't geschut, en het dreunen der kielen, de rook, de vlam, ten hemel wellende, deeden yeder hooren en zien vergaan. Haly, ten laatste, werd verslaaghen; zyn' galey bemaghtight; andere verbrandt oft in den grondt geschooten; etlyke op strandt gejaaght; het ooverschot in de vlucht: waar onder ook die van Ochiali: en niet dan vyftigh in alles, zoo men meent, die 't ontquaamen. Vyvendertighduyzent mannen zyn'er door t waater, vuur, oft scherp verslonden: Christenen tienduyzent, Turken vyventwintighduyzent; drieduyzent vyfhondert gevangen. Hondert dertigh galeyen genoomen; wel twaalfduyzent slaaven verlost. Die 't meeste bybraghten tot het behouden der ooverhandt, zyn (zoo men my in Italië geloofwaardelyk bericht heeft) de Veneedsche galeassen geweest. Maar nooit duydelyker leere, hoe glippend en tydeloos alle wereldsche voorspoedt zy, dan deeze zoo treflyk een' zeeghe: de vrucht der welke, mits den opkoomenden winter, en de twist der bondtgenooten, terwyl elk, op eighe baat uit, zyns weeghs liep, hun door de vingeren droop, en als een ydele galm verdween. Hierentussen werd Neêrlandt, +van dagh tot dagh, onwaardelyker gefoolt. Die van Uitrecht, gemoeit, d'eene reyz' aan d'ander, om merklyke somme tot beleening der soldaaten, gingen op nieuw den Hartogh met bidden aan, om in 't geheel oft deel, van de bezetting ontslaaghen te zyn. Hy, als op hunnen ootmoedt zondighende, oft om hun de hoop van d'allerminste gunst te beneemen; schryft den Raadshooftman 's Hoofs van Uitrecht aan, dat hy schikken zoude al de oorspronkelyke brieven van de vrydoomen der stadt, in handen te kryghen. De wethouders, zich ziende zoo vreemd en hard een' zaak verghen, en daarin versleeghen, als billyk was, keerden zich echter tot smeeken, en verzoek van te mooghen volstaan met ooverleevering van gelykluydende afschriften der bescheyden, daar men eevenveel meê kon uitrechten. Maar al om niet: Alva wil stips gehoorzaamt +weezen. Op den zeevenden van Sprokkelmaant dan, des jaars vyftienhondert tweeëntseeventigh, doet men 't krysvolk tzaamen rotten, met gelaat van tot daadtlykheit te koomen, 't en waar hem zyn' eysch met gemôe wierde toegestaan. Doch hoewel dit groot ommezien baarde, zoo hielden 't de Regeerders nochtans, dien dagh uit, sleepende. Des anderen daaghs ging de spraak, dat men hen al tzaamen dacht in hechtenis te stellen; waarop wellicht een' gemeene plondering moghte volghen. Al 't welk nietteeghenstaande, waaren'er heeren van zulk een hart, dat zy rieden liever

[p. *18-*19]origineel


illustratie
Het inneemen, van den Briel, geschiedt den eersten van April in den Jaere 1572.

[p. 227]origineel

[1572]

+'t uiterste te dulden, dan dit verbrek van hun * beroep aan den Koning. Jonkheer Henrik Valkenaar, d'ouwde, leydde, dat pas, gedenkwaardighe eere van vrymoedt en standtvastigheit in. Hebben wy, zeyd' hy, rond uit, het lyf verbeurt, dat men 't ons neeme; maar laat ons geenszins van onze gerechtigheit wyken. Eevenwel het meestedeel, vindende 't vuur zich zoo naa geleyt, en dat met volharden niet te winnen was, besloot der tydt toe te geeven. Dienvolghends leeverden zy, aan den Raadshooftman oover, een' schriftelyke verklaaring, meldende hoe de weyghering uit geen weederspoorigheit, maar uit plicht van eede tot voorstandt van stads gerechtigheit, gesprooten was, en dat zy hem niet beletten zouden de geëyschte brieven naa zich te neemen. Daarenbooven deeden zy instellen een' heimelyke * weederspraak, om in tydt en wyle te bewyzen, dat zy geenszins verstaan hadden, hun recht, by deeze gedooghzaamheit, uit vreeze +geschiedt, in 't minste te verkorten. En werden alzoo al d'oorspronkelyke stukken uit hunne bewaarnis gelicht, en op 't slot Vreedeburgh gebraght; daar zy bleeven, tot dat ze de Landtvooghdt Requesens, naazaat van Alva, door 's Koninx bevel, hun weeder ter handt stelde. Immiddels was de Prins vast beezigh met geldt uit alle hoeken by een te +schraapen. De Koning gaf een Plakkaat uit, 't welk luydde, dat hy, door de genaade, en eenen nieuwgebooren zoon, hem van Gode verleent, beweeght was om de vergiffenis van den jaare tzeeventigh te vernieuwen, en de zelve noch drie maanden te doen oopen staan, voor de geenen, die zich midlerwyle met de kerke verzoenen zouden. Want veele, zeyd' hy, daarop steunende, dat zy zich niet, dan toen 't vry stond, ter Onroomsche preeke gevonden hadden, waaren daaroover, als uitgeslooten, in moeyte en vankenis geraakt; die zich, by weeghe deezer weldaadt, redden moghten. +Daarnaa keert de voorighe schrik weederom. Want, Alva, willende t'allen pryze met den tienden en twintighsten penning deur, liet geen ding ongeproest, om die schattinghen in te voeren. En op dat hy niet scheene slechts zyn eighen hooft te volghen, verzocht aan eenighe, voorneemelyk uitheemsche luiden van letteren, dien 's Lands geleeghenheit bewust was, zy zouden hunne inzighten op deeze stof by geschrift stellen; en verwachtte niet anders dan 't smaakelykst voor zyn' ooren. Maar 't viel recht daarteeghens uit. En het minste deel dreef, dat de noodt deeze bezwaarnis vereyschte, die ook den Staat teeghens allerley vyandt te pas zoude koomen: het meeste deel, dat de gemeente rust en verquikking van doen had, 't en waar men zich meerder ongemak, jaa inlandsch oorlogh troostte. Onder deeze was Lodewyk Guicciardin van Florense, die, behalven dat, aan ons, met zyn' beschryving van Nederlandt, eeuwighen dank verdient heeft. Dan quaalyk bequam hem zyn' rechtuitheit. Want Jeronimo Di Curiel, hebbende hem 't werk afgeleent, deed het in der yle, uitschryven; en behandighd' het, teeghens gegeeve trouw, den Hartoghe, eer Guicciardin het den zelve vertoont had. Alva, hier oover, liet hem in vankenis werpen; en gebood met het innen, beide van tienden en twintighsten penning, scherpelyk voort te vaaren. Maar een' stadt niet, +die zich te moede vond aan andere hierin, voor te treeden. Derhalven, om 't spits af te byten, neemt hy voor, het van den hoofde af, naamelyk tot Brussel, er in zyn' jeeghenwoordigheit, te beghinnen. De burghers, te zwak om zich reeghelrecht daarteeghens te kanten, verzoeken 't door een' ommewegh, sluyten winkels en kraamen, en zeggen niet te koop te hebben, nochte dienvolghends eenighen tol schuldigh te zyn. Waardoor, nocht bier nocht broodt om geldt te bekoomen weezende; gaat de kreet alomme op, en de stadt het onderste booven. Hy, waanende zich maghtigh, om alles met voeten te treeden, besluyt een goedt deel der voorbaarighsten, in

[p. 228]origineel

+hun eighe deuren te doen hangen; op dat de anderen, verschrikt van zoo fel en ylend' een' strengheit, met de gewoonlyke oeffening hunner neeringe voort voeren. Ende was de beul nu gelast ora zeeventien stroppen, met ladders van tien, oft twaalf voeten, vaardigh te maaken; het krysvolk +in 't geweer; Don Frederik ten huize van Viglius, om de vonnissen te sluyten; als de tyding komt, dat de Geuzen den Briel bemaghtight hadden. Maar, tot grondige kennis der oorzaaken en toekoomst van deezen aanslagh, dient de geleeghenheit van wat dieper opgehaalt. Jakob Simonszoon +de Ryk, Amsterdammer, koopman van graanen, was betight van den Schout, dat hy aan zeekere koorendraaghers een' ton Engelsch bier ten beste gebooden had, zoo zy de Minrebroeders kerk wilden breeken: 't welk valsch bleek. Maar sedert werd betuight, hoe zy 't bier op die voorwaarde van hem geëyscht hadden; hy geantwoordt, dat de Minrebroeders kerk hem niet in den weeghe stond; en zich daarmeê binnen's huis vertooghen. Om 't verzwyghen van dit zyn weedervaaren voor de Ooverigheit, was hy gebannen in den jaare achtentsestigh, en al zyn' haave aangeslaaghen. Hy had ten huwelyk Margriete, dochter van Niklaas Hooft: de welke, en zyn eighe moeder, hier door benoodight werden, hem, met begoeding op nieuw, middel om leeven te verschaffen. Daarmeê trok hy naa Oostlandt, en, zich zettende tot Dantsik needer, vond'er geleeghenheit, om zich eerlyk genoegh te behelpen. Eevenwel, hebbende te met, neevens andere vluchtelingen, eenighe penningen tot 's Prinsen onderstandt uitgeschooten, werd hy in 't laast verdrietigh, en ging op eighe kosten, een oorloghschip uitreeden. Zoo deeden ook Dirk Duyvel en Jan Zyverszoon zyn' meedeburghers: met de welke, buyten kennis zyner huisvrouwe, die in 't kinderbedt lagh, hy de reys aannam, en naa Engelandt zeylde. Willem van Blois van Treslong, ontkoomen uit de neêrlagh van Jemmingen, maar zwaarlyk gequetst, had zich tot Embde doen geneezen, en den Graave aldaar een' wyl voor Eedelman gedient. Thans kreegh hy onthiet van den Prinse, om twee scheepen ten oorlogh toe te rusten; nam oorlof van zyn' meester; en kocht een schip van ontrent tneeghentigh lasten, met zestien gootelingen. Daarnaa deed hem de Graaf in scherpe vankenis smyten, op voorgeeven, dat hy binnen Embde, zeekren Amsterdammer ransoen afgedwongen, en zyn steêhouder Roobol zich met verscheyde rooveryen, daar te lande verloopen had. Endtlyk verworf hy, borgh stellende voor duyzent gulden, 't gebruyk van de straaten der stadt: en ziende dat men met voordacht zyn' zaak sleepende hield, lichtte heymelyk de hielen, en begaf zich te waater. Hengelende in Sprokkelmaandt deezes jaars, om de gaaten, daar de Zuyderzee uitloopt, werd hy gedrongen in te zeilen en het onder Wieringe te zetten; daar hy etlyke daaghen bevroozen bleef. Zeeventien van zynen volke, die zich te moedwilligh droeghen, werden by nacht omgeholpen van de eylanders; en hem een eedt afgedwongen, van 't geenen tyde, dit leedt te wreeken. Bossu, die Landtvooghdt oover Hollandt van Alvaas zyde was, verstaande, hoe hy aldaar beklemt lagh, zond den Onderammiraal Jan Simonszoon Rol, met vier vendelen knechten, om hem te bespringen. Deeze, het schip opeischende, kreeghen tot antwoordt, dat men niet dan kruydt en koeghels t'hunnen beste had. Dies trokken zy aan; maar werden zoo gegroet, dat hun raadzaamst docht achter den dyk te deyzen. Toen stelden zy praamen en sleeden met aarde toe; braghten ze met grof geschut op het ys; en slaakten by de tweehondert scheuten teeghens Treslong, zonder veel te bedryven, mits dat zy vreesden hem te naa onder te koomen. Alleenlyk werd zyn schipper getroffen, dat hy doodt oover boordt viel; dien zy, uit wulpsche spotzucht, een' wyvenhul op zetten en met baskaamers,

[p. 229]origineel

+gebonden aan armen en beenen, in zee zonken. 'T volk van Treslong, daarentussen, vermande zich zulx met opbyten van 't ys, dat zy, in spyt van den vyandt, die 't aanzagh, met veel vuurgeevens van schut en scheldtwoorden, wegh raakten. Voorts ook in Engelandt gekoomen, verzaamden zy met den Graave van der Mark, Heer van Lumey, hier vooren gemeldt, nu tot Ammiraal by den Prinse verklaart, en met d'andere hopluyden, waar onder de Ryk was. Deez, nocht heffen nocht tillen kunnende, dat luyden, eerlyk gebooren, hunne vroomigheit in enkel zeeschuymen besteedden, wreef zich zelve en anderen staaghs deeze snootheit door de neus; en dat men behoorde yet loflyx, en van naadruk, tot verlichting des vaaderlands, aan te slaan. Hierby geviel 't, dat de Koningin, geperst door den Hartogh van Alva, den weederspannighen zyns meesters den houw op te zeggen, hun, om 't Spaansch oorlogh t'ontgaan, haar Ryk, en alle nooddruft van lyftoght daaruit, scherpelyk deed verbieden. Derhalven, maakende van de noodt een' deughd, steeken zy, met eenen voorwindt en vierentwintigh scheepen teffens in zee, en munten 't naa Tessel, op hoope van 's Hartoghen oorloghscheepen aldaar, oft wel de stadt Enkhuizen, oft eenighe andere te vermeesteren. Maar, naa 't neemen van twee scheepen, die uit Spanje quaamen, keerde de windt der wyze, dat zy goedt vonden den mondt der Maaze te kiezen. Wyd uit der maate, mits onder andre stroomen ook de vermaarde Ryn hier zyn meeste waater loost, gaapt deeze oopening; en heeft het eylandt van Voorne, en de stadt Briel op de Zuyder, het dorp van Maaslandssluys op de Noorder lippe leggen. Op den eersten van Grasmaandt, ontrent twee uuren naamiddagh, koomen eerst twee scheepen, daar naa noch vierentwintigh, tot dit logh in streeven; en stryken 't voor 't hooft van den Briel. D'inwoonders van beyde de voorgemelde plaatsen, verwonderden zich ten hooghste oover zulk een' meenighte van koopvaarders, zoo zy waanden: zynde hunne minste gedachten niet, dat de Waatergeuzen daar met zoo sel en langduurigh een oorlogh quaamen aangezeylt. D'eerst, dien 't inviel, was een veerman genaamt Jan Pieterszoon Koppestok. Deez' oopende zyn gevoelen aan zeekere luyden, die hy in had, om ze naa den Briel te brengen: dewelke daaroover beducht, zich te rugh en aan landt deeden zetten. Hy, daarnaa, roeyt der vloote aan boordt, en vereyscht naar Treslong. Treslong, te voorschyn gekoomen, en bewelkoomt van hem, brengt den man by den Graaf, en zeit dien, dat hy de rechte was, die t'hunnen voorneemen diende. Dies begheert men op hem, dat hy een boodschap in stadt gaa doen. Koppestok, des getroost, als die weenigh te waaghen had, neemt den last aan; en met zich voor geloofnisbrief Treslongs zeeghelring, wel bekent daar ter plaatse, mits dat zyn vader Baljuw van den Briel geweest was. Voorts te lande gezet, maakt hy gang naa de poorte, die hem geoopent werd; en van daar naa 't stadthuis. Elken benieuwde wat hy brengen moghte; en werden hem, onder weeghe, veele woorden, zommighe naar gunst, andere naar ongunst smaakende, naa 't hooft geworpen. Vindende die van der wet vergaadert, dient hy hun aan, hoe hem by den Ammiraal, mitsgaaders Treslong, en d' andere Hopluyden des Prinsen, geverght was, te verzoeken, dat de Majestraat, om met hun te spreeken, twee gemaghtighden wilde buiten schikken: den welken niet misschieden zoude. Want die hem gezonden hadden, verklaarden aldaar te zyn, om hen van den tienden penning te verlossen, en teeghens de dwingelandy van Alva, en de Spanjaarden, te beschermen. Teffens toont hy den ring, tot bewys van zyn onthiet. Men vraaghd' hem, oft zy sterk waaren. Hy, meer uit losheit, dan uit list, zeyt, wel vyfduyzent mannen. Dit deed yder schrikken, en voorts tot bezending stemmen. Maar de zelfste schrik maakte hen zoo beteutert,

[p. 230]origineel

+dat'er niemandt geirne aanquam. Endtlyk hy kreegh'er twee met zich, om 's Graaven voorstel te hooren. Die eyscht de stadt op, uit naam van den Prinse als Stadthouder des Koninx; geeft hun twee uuren beraads; en laatze steedewaarts keeren. Toen wast de versleeghenheit; 't gaat'er op een zakken, pakken en vluchten, te waaghen, te paarde, ter Zuydtpoort uit. 'T krysvolk, gelandt daarentussen, en ten deel voor de poorten, vraaghde de geenen, die oover de muuren keeken, oft men hun op doen zoude, oft zy zich zelf moeten inhelpen. De Majestraat marde met antwoorden: thans, speurende meest eenen yeghelyken, die te verliezen had, op de loop, andren gezint tot die van buyten, ziet zy ook om een goedt heenkoomen. De uuren van bedenken om zynde; en te zorghen, dat men zich binnen sterken, en ter weere bereyden moghte; rukt de Graaf toe, aan twee troepen. D'eene geleydt van Treslong, naa de Zuydtpoort, beliep aldaar den Rentmeester Johan van Duyvenvoorde, in opzet om te wyken; dien de soldaat te lyf wilde. Maar Treslong was'er voor, en beweeghd' hem tot blyven. D'andre troep, onder Roobol, zamelt pek, rys, stroo, en ander licht ontsonkelyk tuygh aan de Noordtpoort; steekt'er 't vuur in; en loopt ze voort oopen, met een eyndt van een' mast. Voor neeghen uuren waaren zy meester; en trok de Graaf te deezer poorte, Treslong tot d'ander' in, met ontrent tweehondertvyftigh mannen in alles; eensdeels Luykerwaalen, rapsch volk, maar moedtwilligh; eensdeels gevluchtte Nederlanders. De vernaamsten, die met dit stout bestaan, den eersten steen van 't gebouw der vryheit leyden, vind ik, booven de drie voorgemelde, geweest te zyn Bartholt Entes van Mentheeda, Onderammiraal; Niklaas Ruykhaaver van Haarlem; Jakob Simonszoon de Ryk, Jan Klaaszoon Spiegel, Dirk Duyvel, alle drie van Amsterdam; Jonker Jakob Kaabeljauw, Willem de Graaf van Gent, Wouter Franssen, Fokke en Jan Abelszoonen, Hopman Looy, Hopman Daam, Hopman Gilain, Hopman Jelmer, Marten Merous, Gillis Steltman, Henrik Thomaszoon, Ellert Vlierhop, Marinus Brandt, Bruyn van Uitrecht, Kornelis Louwszoon van Eeverdingen, Oom Hedding, en d'Oovelens. Nochtans, ('t welk wonder en jammer is) koomen de schryvers in deeze naamen niet oover een. In de hitte van den ooverval werd de burgher verschoont, en al de geweldenaary teeghens de geestelyken gewendt. Des anderen daaghs ging 't op een stormen van beelden, rooven van kappen, koorkleeden, karzuyfels, en allerley misgewaadt, samt andere kerk- en kloostergoederen, en berghen van den buyt in de scheepen. Want zelfs Lumey, hebbende geen wyder wit, dan 't gewest te plonderen, sprak van de stadt in brandt te steeken, en met dien stank te ruymen. Zoo groot een scheel is'er tussen de baldaadighe buyen van eenen waaghals, en d'eerentfeste deughdt der grootmoedigheyt. Maar Treslong, Bartholt Entes, de Ryk, en Dirk Duyvel kantten'er zich teeghens, dryvende, dat het te oolyk een lafhartigheit waar, de betraapte geleeghenheit buyten nooddwang te slaaken; en aarzelende, nu men den voet op den drempel had, uit zyn voordeel te varen. Wat moedt konden de verlangende landtzaaten, welker hoop op de beloofde, en t'elkens gemiste verlossing ten eynde van aadem was, oover houden, indien men dus een sleutel des landts, willends, uit der handt worp? Ba, men had veeleer, nu hun 't geluk in den mondt liep, den Prinse des kundschap toe te veirdighen, die den misslagh niet doen zoude van hen verleeghen te laaten. Voor my, zeide de Ryk, meenighmaal heb ik Godt om een graf op de strandt myns vaderlands gebeeden. Nu zal'er my wel een in de wallen gebeuren. Gaanwe die met de borst sterken. De mensch is altyds veigh; maar moet 'er keur aan weeten, oft hy met suffen,

[p. 231]origineel

+oft met proefdoen van vroomheit, zyn geest vergiet. Lumey, laatende door deeze en dusdaane woorden, zich 't hart onder den gordel steeken, zeyt dat hy getroost is het uiterst af te wachten. 'T zelfde beloofden d'anderen, zich onderlings daartoe verplichtende. Derhalven zyner doorluchtigheit boode geschikt, de vesten gestyft, schut uit de scheepen daarop gebraght, de bedenklykste aankoomsten toegebolwerkt met haaring-en andere vischtonnen vol aarde. En was 't 'er al drok doende, tot de onstrydbaare sexe toe, met zoo vuurigh een' yver, dat zy hunne voorschooten scheurden, en draayden'er lonten af. De roep, hier af, liep terstondt oover al; en de huisvrouw van de Ryk, als zy dit t'Amsterdam vernam, by haaren vaader kermen, hoe haar man in den Briel was, met een' handt vol volx, om eerstdaaghs altzaamen opgehangen te worden. D'ouwde man vol moeds, en 't stuk bezeffende, spaart, zeyd' hy, uw traanen dochter, zy hebben de koe by de hoornen. Zyn ze zoo wys geweest, als zich meester van den Briel te maaken, zy zullen van de galghe zich wel weeten te +wachten. De Landtvooghdt ontfing de maare, met kommerloos aanschyn, maar met belaaden harte; alzoo hem Viglius, en andere luyden van oordeel vermaanden, dat het een verreziend werk, en den Lande in de strot gesteeken was. Schortende derhalven den loop van zoo voortslaand' een' wreedtheit, kropt hy zynen hoomoedt in, laat de Brusselaars met vreede; en zint op middel, om 't verlies te boeten; mooghende alsnu bevroeden, hoe dwaaslyk hem zyn' hardtnekkigheit geraaden had, de grensplaatsen van bezetting t'ontblooten, om de middellandsche, met ooverlast van krysvolk te foolen. De Graaf van Bossu bevond zich, dat pas, binnen +Uitrecht. Dien beveelt hy flux op te trekken, en, met tien Spaansche vendels, het oorlogh in zyn' geboorte te smooren. Wel, en effen te tyde, quam dit der burghery. Te weeten, de Spanjaards, onbetaalt van bynaa achtien maanden, hadden voor, met vankenis van hunnen Kornel en Hopluyden, een' zwaare muytery te beghinnen; die op 't plonderen der stadt, en, naar dat men zeide, aldus aangeleit was. 'T gink in de goede week, +en zy waaren gewoon, 's nachts naa den witten donderdagh, by licht van toortsen, om te gaan, bemopt om 't hooft, en in lange kleederen, daar niet dan de ooghen, en een plek der naakte rugge uitkykt, om de slaaghen eener lerpe t'ontfangen. Want het is hun een' soort van boetvaardigheit, zich in die gestalte te geesselen dat'er veel bloeds naavolght, om quansuys het vlees te temmen, en met eyghe straf hunner zonden, 's heemels roede voor te koomen. Dit dexel van Godsdienst docht hun bequaam tot uitvoer van den aanslagh; onder 't welk zy te hoope koomen, hun geweer verberghen, lonten ontsteeken, en teffens den burgheren en hunn' ooverheit, onverziens op 't lyf konden loopen; terwyl zich yeder aan de vreemte van 't schouwspel vergaapte. En hadden zy reeds in 't heimelyk eenen tot hooft opgeworpen, die, genaamt, op hunne spraak, Eletto, dat is Verkoorling, in gelyke beweeghenissen, doorgaands uit de slechtste rotgezellen voortsgehaalt wordt. Dan 't wilde juyst weezen, dat men 's daaghs te vooren het schryven van den Hartogh, en ook lucht van dien toeleg kreegh. Waarop, de Verkoorling, van den bedde gelicht, ten huize van den Kornel gebraght, ondervraaght voor al de Hopluiden, en schuldigh bevonden, daatlyk geworght werd. Des morghens lagh het lyk op de plaats voor 't stadthuis, met een schrift in Spaansch +op de borst, dat de reede der straffe vermeldde, en werd' het aldaar tot oover den middagh ten toone gelaaten. Toen slaat Bossu op wegh, met al 't krysvolk, scheept van Schiedam en Maaslandssluis oover, en raakt op het eylandt van Voorne, zonder eenighen weederstandt, mits Lumey zich daar te zwak toe kende. De Spanjaards, genaakende den Briel,

[p. 232]origineel

+vonden de voorstadt aan de Zuydtpoort afgebrandt, de boomgaarden in 't Nieuwlandt needergehouwen, en een deel der Geuzen in de boomgaarden onder de stadt, die hen met handtschut begroetten. Midlerwyle sprong Rochus Meeuwszoon, steêtimmerman in 't waater, en paste 't Nieuwlandsch sluysken te oopenen; zulx de binneweeghen onder liepen, en de vyandt, den Nieuwlandschen dyk kiezen moest, trekkende naa de Zuydpoort, daar hy met grof geschut raauwlyk ontfangen werd. Met een zoo vaaren Treslong en Roobol, met eenigh volk, naa 't waater Bernisse, daar Bossu zyn' scheepen gelaaten had; booren'er een deel in den grondt; steeken andere aan brandt, oft, mits de haast, van den oever af. Door welke vreeze, en 't wassen des waaters, de Spanjaardts, waanende de doodt voor hunn' ooghen te zien, zich op de losse vlucht, en in Bernisse begaaven. Etlyken liepen oft zwommen daar door; anderen na de schuyten, die'er noch dreeven; hingen daaraan, en bragten 't zoo op nieuw Beyerlandt. Stappende voorts door slyk door slob, lieten zy zommighen verdronken, oft versmoort in de modder. Maar 't was om grooter neêrlaaghe gewedt, hadde Lumey der burgerye darren vertrouwen, en de zynen op de naajaght zeynden. Deeze zeeghe, verkreeghen op Paaschaavond, maakte den Geuzen eenen weldighen moedt, dien zy met teekenen van vreughde beweezen, ook groote toeloop van volke, en veelerley licht gezelschap. 'S Paaschmaandaghs monsterde men al de huisluiden van 't eylandt; en zwoer Lumey hun voor, zy hem naa, de stadt te houden voor den Prinse, als Stadthouder des Koninx oover Hollandt. Bossu, hebbende aldus 't hooft gestooten, quam met de matte troepen voor Dordrecht, en verzocht ingelaaten te zyn. Maar 't werd hem heusselyk afgeslaaghen. Hachelyk vond hy nochtans zich van dien oordt te verwyderen, ziende den afval op der gang. Derhalven wendt hy 't naa Rotterdam; daar hy met eenighe Eedelluyden ontfangen werd, en vermaant het krysvolk buiten te laaten trekken; doch endtlyk veworf, dat men hun doortoght by enkele rotten teffens, met doove lonten, vergunde. Maar 't eerste door de poort zynde, dringen'er d'andere op aan, +en ooverweldighen de wacht: een der welke, een smit zyns ambachts, en in 't voorst om den inbrek te keeren, met 's Graaven eyghen handt, zoo men zeidt, gedagt werd. Toen vallen voort ook zyn' Jonkers en d'anderen toe; slaan de waakers ten deel doodt; dryven ze ten deel ter stadt uit. De welke alzoo vermeestert, en de wegh der moordt gebaant zynde; moesten 't meer dan driehonderd burghers met den lyve bekoopen, dat zy ten eersten aankoomen in waapen gevonden werden. D'andere, tot vrouwen en maaghden toe, stonden allerley' mishandeling van smaadt en moedtwil uit. En duurde dit bezwaar van den neeghenden in Grasmaandt, tot den dertienden van Oestmaandt. Immiddels ooverviel Bossu by nacht Delfshaaven, daar de Geuzen zich geplant hadden, en bedreef 'er groote wreedtheit. Door al't welke, hy, die, als een Nederlandsch Heer, te vooren wel gewilt was, maghtighen haat laadde, en de harten, vooral in Hollandt, van zich afkeerde. Ter Goude stond +de gemeente op den kant van te muyten, roepende dat hun schier oft morghen naakte, 't geen hunnen meedelidtmaaten des Lands, tot Rotterdam was oovergekoomen. Dat het niet hoogher liep, werd door de wethouders bearbeydt; dien de Heer vander Myle, vooghdt van +'t slot, beloofde ettelyke poorters, tot bezetting van 't zelve in te neemen. Doch bleef dit achter; en, met vankenis van twee burgheren, de onrust gestilt. Maar de Prins van Oranje, voorneemende 't bemaghtighen van den Briel, toonde geen goedt genoeghen. Zoo een bedryf, zonder zyn' orde, verdroot hem, die zich bedunken liet, dat het der zaake

[p. 233]origineel

+noch aan rypheit ontbrak. Naamelyk hy had verscheyden aanslaaghen op handen; en liever de kleynachting zyns vermooghens noch wat te voeden in den vyandt, die dus onzacht gewekt, zouw beghinnen op zyn' hoede te zyn. Ook scheen, met zyn voorhebben tot Brussel, en 't geweldigh doordryven der schattingen, Alva geschaapen, hoopen handen op zyn hooft te haalen, die, mits hy 't nu zachter ging opneemen, zich t'huys zouden houden. Niettemin 't was ongeraaden het hebben om hoopen te geeven; de waarschouwing nu gedaan; en de plaats van zulk belank, dat ze by den Prins, voor een' der bequaamste daar hy op ooghde, geacht werd. Dies beloofd' hy bystandt aan Lumey, en schreef hier en daar, dat men hem volk zoude toeschikken. Ook vergat Lumey zich zelven niet, roepende te hulp de uitgeweekene Eedelen; en wies aanendaan in krachten. De Landtvooghdt nu, geleert by den Briel, wat zorgh de zeesteeden vereyschten, en duchtende voor Vlissinge, daar hy eenighe Waalen in bezetting, en een' burgh begonnen, had, zond acht vendelen Spanjaarden uit Brabandt derwaarts, onder Osorio Angelo. De foeriers, oft verzorghers van huisvesting voor dit volk, quaamen den derden van Grasmaandt in de stadt. Daar beghint de gemeente te morren: 't slot? Walsche? nu Spaansche soldaaten? Wat wild'er af worden, dan d'onlydelykste slaavernye ter wereldt? Altyds geen' stadt in Nederlandt, die men zoo veel op den hals leydde. Dapper, als men denken kan, holp hiertoe de Brielsche tyding, onlanx te vooren daar gebraght door Johan van Kuyk Heer van Erpt. Deez' loosselyk afgezien hebbende, waar yder 't hooft heenen hing, daarnaa de voorbaarighsten onder den duym opgeruydt, ried hun, nu uit den mondt te spreeken, en de Spaansche bezetting te weygheren. Hy hing'er by, dat de Prins met een maghtigh heir in aantoght was, om hen te verlossen van den dwingelandt, dien zy nemmer onderdaan genoegh zouden dunken, hy en hadd' hen in 't hemde gezet. Een volk, opgewassen in vryheit, en luttel te verbeuren hebbende, voorneemlyk scheepsgraauw, waar uit een groot deel dier gemeente bestond, plagh altyds oploopende te zyn, radt ter handt, en geneyght het +doen aan 't dreyghen te knoopen. Derhalven waaren'er daatlyk, die hun zeeghel aan zyn zeggen staaken; jaa noch breeder opgaaven, en zulk gehoor vonden, dat het gros op de beên raakte, en noch ten zelven daaghe, eersten van Paassche en vyfden van Grasmaandt, de Waalen, die hun in 't weeren der Spanjaarden oover de handt moghten zyn, ter stadt uit dreef. Thans koomen de Spanjaardts voor de haaven, en wakkert d'ontsteltenis. Van Kuyk, vertoonende den steedelingen, datze gescheept waaren, daar ze meê oover moesten, en reeds in Majesteitschenderye vervallen door't uitjaaghen der Waalen, zeyt, deeze de rechte stonde te zyn, om hunne manhaftigheit te bewyzen. Want, 't en waar zy de Spanjaardts buyten hielden, hy wilde niet dat, voor 't leeven van yemandt hunner geeven. Hadden aan Egmondt en Hoorn nocht afkoomst, nocht zoo treflyke diensten gebaat, wat schynbaarheit van genaade doch, daar zy zich meê vlaayen konden? Een van den hoop bet by drank, dan by zinnen, lymt zich aan deeze woorden; en Magh'er, zeyd' hy, een paar vaanen biers af, 'k gaa een stuk schuts van den wal aansteeken, en barn onder de scheepen. Van Kuyk gaf hem twee daalers; en hy, daar op, vuur. De Spanjaardts, verwondert van zulk eenen welkoom, trekken flux de zeylen op, en zetten 't naa Middelburgh toe. Daar vond zich, dat pas, de Heer van Kapelle, Antonis van Borgonje, Stadthouder oover Zeelandt. Deez' verneemende hoe't tot Vlissingen stond, spoeit zich derwaarts, op hoope van, door zyn' achtbaarheit en onderrichting, 't volk, eer 't wyder verhardde oft zich inliete, tot omzien te brengen. Ook was hy een man,

[p. 234]origineel

+die wel zeggen kon. De Burghers dan voor 't stadthuis te hoop geklept zynde; erbarmt hy zich, smeekender wyze, oover den laster, waarmeê zy zich verloopen hadden, uitdryvende de bezetting zyner Majesteit. Niettemin daar waar tot noch toe niet onverzoenlyks begaan. Zoo zy maar tot bekeering quaamen, hy maakte zich sterk voor de genaade des Koninx, die, onder de Christe vorsten, in goedertierenheit geen weêrgaa had. Hy werd'er ook borghe voor, dat de Landtvooghdt alles vergeeten, vergeeven zouw laaten. Ende nu scheenen de ooren oopen, de heevigheit zitten te gaan, als van Kuyk, en andren, in den drangh staande, beginnen: een' fraaye lammere tong, om u aan de wolven te leeveren. Die zich zoo beleezen liet, hadde 't net haast oover 't hooft. Dies gaat het op een jouwen, en uitlachen van den Stadthouder. Hy, wenkende met der handt, en weeder wat stilte verneemende, heft aan op eenen anderen toon. O Burghers, burghers, een stuk bestaat ghy, en weet luttel wat het in heeft. Verre ziet het, de bezetting zyner Majesteyt uit te werpen, end is hy verdoolt, die waant dat het de Koning daar by laaten zal. Tussen wiens vermooghen en het uwe, wat gelykenis is'er doch? Handt vol volx, zonder geweer, zonder oorloghskunde, zonder soldaaten, zonder geldt. Oft laat ghy u voorstaan, dat de krysheiren, die ik als uit de lucht op u zie aanreeghenen, met dronken hoofden, oft met het gesnaater van muitmaakers en opruyers zyn af te kaatsen? Als ghy schoon (daar veel te veel aan faalt) in middelen teeghens uwen wettighen Ooverheer opmoght, zoo waar echter 't lot der waapenen onwis, en lichtlik eerder landt en luyden te gronde, dan door dien wegh uw wil verworven. Qualyk klonk dit geluydt in forsse en weêrbarstighe ooren. Speurende dan aan de gezighten, terstondt daarop aan 't gekrys, dat hem groover hoon beschooren was, hield hy best, het hier te staaken, en voor een' goede daghreyz, dat hy 't weeder tot Middelburgh toe braght. De Vlissinghers, voorts, doen de bouwluyden van 't slot, dat nu haast vier voeten booven der aarde gereezen was, vertrekken, en smyten 't om verre. De wethouders, vermoedende, dat Johan van Kuyk, zich, zonder eenigh onthiet van den Prins, dus diep in der zaake niet gesteeken had, verzochten zynen raadt, noopende 't geen t'hunner verdaadighing voorgenoomen diende. Hy, vindende niet naaders, dan aan Lumey om bystandt te schikken, neemt zelf aan de boode te zyn, en zyn' reyze op Dordrecht; van waar hy eenen andren, oover Weezel, op Dillenburgh afveirdighde, om zyne Doorluchtigheit van 't stuk te verstendighen. Daarnaa, binnen den Briel gekoomen, leyt hy zynen last den Graave uit. Deez liet zich bedunken, weenigh volx te mooghen ontbeeren, 't en waar dan van de nieuwlingen, quaalyk voorzien met geweer. Van Kuyk meende, quaam' het slechts daarop aan, dat zouden de Vlissingers bezorghen. Daar bewillighde de Graaf in, en liet hem met dien troost voor heen trekken. +Hopman de Ryk, binnen wyle, had zich, met twee verooverde scheepen, naa Engelandt vervoeght, om ze te gelde te maaken; 't welk met gevaar vermengt, en op geen bot te bestellen was. Doch Marcus en Salvadoor della Palma Vernederlandschte Spanjaarden, zich toen aldaar onthoudende, booden hem de handt, met verstrekken van hun geloof voor zesduyzent gulden, die daatlyk aan waapenen en voorraadt van oorlooghe besteedt werden. De faam ook, van't oopenen der intreê ten vaaderlande, maakte d'uitgeweekenen zoo toghtigh, dat hy zich, in kort, van eenen grooten hoop gevolght vond, en een vendel van vyfhondert koppen oprechtte. Dit kon in zulk een' stilte niet toegaan, oft het gerucht verspreydde zich door 't eylandt. Robert Dudley, Graaf van Leicester, scheen, te dier tydt, de bedryfal van dat Ryk, en diepst in 't hart der Koninginne te staan: een man meer afgericht op zinlyk

[p. 235]origineel

+voortsdoen van persoon, vlaayende zeeden, gladde taale, slaafsche needrigheit teeghens zyn' meerder, en diergelyke hoofsche uitwendigheeden, dan op beleidt van zaaken. Deez, quansuis booven andren met het heyl zyner Landsvrouwe bekommert, wist het bestaan van den hopman en 't gevolgh van dien, ten hooghste te weeghen: zulx haare Majesteit hem voor haar deed ontbieden. De Ryk, in zyn gewisse, vond zich schuldigh aan oovertreeding haars gebods: en al hield hy zeeker, dat zy 't stilzwyghends wel met den Prinse meende, hoe meenigh man had met misgunde straf 't geheim van Vorsten moeten dekken? Weederom docht hem te schendigh, zoo nut en nootlyk een werk, met plotsigh deurgaan, te verbrodden. En dat hy niet terstond aangetast was, gaf het beste te hoopen. Hy grypt dan eenen moedt, en waaght onder haar ooghen te koomen. Zy, met eyghen monde, vraaght hem de toekoomst der veroovering af, sampt, hoe 't binnen den Briel al, en met 's Prinsen dingen stond: zeyd' voorts, dat hy wel zal doen aan geen' onrust in haar Ryk, en zich naa +huis te maaken. Alzoo op reize geslaaghen met drie scheepen, treft hy, neevens 't voorlandt by Doevere, eenighe pinken en visserboots aan, daar veele inwoonders van Vlissinge, met wyf, wiegh en kinderen, en al hunn' armoê op waaren. Naamelyk, naa 't bekoelen van 't burgherlyk bloedt, hadden zy zich tot afmeeten van de kortheit hunner maght beleedight, en luydde hun de reede des Heeren van Kappelle aan de ooren: zulx zy, ziende van uur tot uur de wraak te gemoet, in goeden getaale te raade geworden waaren den gedreyghden hoek te ruymen. Deeze zwervers, verpraait van de Ryk, en hoorende hoe hy 't naa den Briel gemunt had; aan 't klaaghen, kermen, bezweeren, dat hy toch met hun naa Vlissinge tooghe, daar ongelyk beeter dienst te doen waar. Maar de Ryk was aan bevel gebonden; met Lumey geen schertsen. Men hield'er nochtans krysraadt op; en aldaar den hopman voor genoegh ontlast, mits dat de verzoekers hem met * hooghe woorden aanmaanden, en in de schuldt van al 't quaat leyden, dat uit zyn' weyghering te verwachten stond. Hier op dan gaat hy t'zeyl, en loopt tot Vlissinge in: 't welk den glyenden moedt der gemeente weeder in top trok. Onder andere bysterheeden van 't beloop dier tyden, +zullen lichtelyk de geenen, dien deeze onze arbeydt in handen valt, niet vreemders vinden, dan dat het luyden van eerlyken doene, buyten parssing van uiterste noodt, aldus luste met hun hooft te speelen, gelyk wy van den Heere van Erpt tot Vlissinge, Hopman de Ryk in Engelandt, anderen elders, vermeldt hebben: voorneemelyk daar de Neêrlanders, inzonderheit de Noortlykste, zachtgangers in den aart zyn, en gewoon hunne zaaken met dubble zorg te beleggen. Maar, hoewel dit volk zich anders uit der maate veel laat verghen, staat te weeten, dat aan zyn gedult, eyndtlyk te berste getreeden met het roeren der vryheyt, geen houden meer oft heelen is: zulx het, nocht oovermaght, nocht eenigherley hachlykheit aanziende, door vlam en door spietsen streeft; en de gebooghe moedt, ontslippende ten laatste den dwinger, hem met des te wakkerder slagh voor de scheenen springt. Jaa daar waaren'er, die 't verdaadighen der vry- en de gerechtigheeden zoo heyligh hielden, dat het hun troost en gloory docht, daar voor, naa schavot oft galgh te treeden. Ende kan ik met kennisse zeggen, dat by mangel van juiste aanteekening, de heughenis gespilt is van verscheide doorluchtighe daaden door donkere persoonen bedreeven. Veelen meede, van de geenen, dien 't geluk der vermaartheit te beurt viel, hebben nooit, nocht eenighen hunner naakoomelingen, 't loon hunner verdiensten genooten: 't zy mits te vroegh een ooverlyden, oft by gebrek van volharden in de goede zaake, oft door ondankbaarheit oft onmaght van andren om alles behoorlyk t'erkennen. Maar zelfs de stichters van de grootheit

[p. 236]origineel

+der Roomsche en andere heerschappyen hebben geen oft kleen deel aan de weelde der zelve gehadt, en hun bloedt vergooten voor naazaaten, die, gemakkelyk in zulk een' als geërfde mooghenheit vallende, naaulyx yet anders daaraf eyghenden, dan 't misbruyk, en den oorlof om alle bedenkbaare dertelheeden, moedtwil, en wulpsheit te pleeghen. Welke ooverdaadt en zeedeschennis dat onder ons nemmer plaats grype, voortaan de Godlyke voorzienigheyt wel vuurighlyk te bidden staat. Dan deeze wildernis der wereldsche dingen, en afgrondt der heme scheoordeelen heeft my de zinnen nu lang genoegh in optoght gehouden; en 't is tydt tot het vervolgh der geschiedenissen te keeren. 'T leed luttel aan naa 't landen van Jacob de Ryk +tot Vlissinge oft Pedro Pacieco, by anderen Paciotto genaamt, opperste krysbouwmeester des Hartoghen, komt de haaven in, geen ding min denkende, dan dat de stadt omgekeert was. Opgestapt uit den scheepe, ziet hy van verre de Ryk naa hem toetreeden; en waanende 't waar om hem te bewelkoomen, zet zynen gang derwaarts. Maar zich vindende, in een ommezien, met een gerit graauws om de ooren, en spellende uit het gelaat (want de taal verstond hy niet) hunne verbolghenheit, kreegh hy zoo groot een' angst voor zyn lyf, dat hy, waanende zich alzoo te redden, zynen zeeghelrink van den vinger trok, kustte, en aan de Ryk leeverde, met zeggen: Heer ik ben uw gevangen. De Hopman, die goedt Spaansch sprak, vatte zyn' meening, en den ring aan, die door gaaf van zynen zoone Simon de Ryk, althans onder my berust. Teffens leyd' hy +de handt op Pacieco, en deed hem in hechtenis stellen. Thans braght Treslong, met drie scheepen, styf tweehondert mannen oover. Twee Hopluyden +van Vlissinge, d'een Vink, d'ander' Vliegh gebynaamt, hadden dit volk uit de naaste plaatsen van Hollandt opgestommelt. 'T waaren meest al Haaghelingen, oft Delfsche, Rotterdamsche, en Brielsche burghers, uitgestreeken met kazuyfels, munnixkappen en diergelyk gewaadt der geestelykheit, in plaats van krysrusting. Maar men deed hen op stroom waapenen en monsteren: daarnaa den krysbouwmeester te rechte stellen, door Glaude den Baljuw; en verwees hem ter galghe, met twee andere Spaansche jonkers. Pacieco, hebbende geen gissing op zulk een vonnis gemaakt, drong anxtelyk op ransoen, en bood groot geldt voor zyn lyf. Maar Treslong, in weêrwraak van zynen broeder, dien de Landtvooghdt in den jaare achtentsestigh, onder andere Eedelen, omgebraght had, dreef datm'er meê voorts ginge. Naamelyk hy dacht, aan Alva niet lichtelyk gevoelyker spyt te kunnen doen, dan met de smaadighe doodt van zoo een' persoonaadje, dien men zeyde den Hartoghe in naamaaghschap te bestaan. Ook liep'er een gerucht onder de burghery, hoe de gevangen zeekere lyste, met naamen van luyden, die de Landtvooghdt dacht te dooden, in 't gaan naa den kerker, gescheurt, en van zich geworpen had. Waaroover 't graauw, ververschende zyn' bitterheit teeghens den naam der Spanjaarden, hem naauwlyx gehoort wilde hebben, reukeloozelyk roepende, mits zy hem niet verstonden: hang op den brodder, hang op: wie kan met hem kallen? hy, wanhoopende van andere genaade, verzocht, dat hem ten minste 't zwaardt gewierde. Glaude, hebbende zyn raapier aangetast, en op zyde gegort, zeyde, quansuis oft d'ander daarnaa vereyscht hadde, hy zouw maar opklimmen: 't geweer was wel bewaart. Pacieco, tot naader uitlegging, beriep zich op de Graaven van Egmondt en Hoorn; en stelde zyn huis zoo hoogh als 't hunne, in aadel. Dit was oly in 't vuur voor 't volk, dat daarop uitvoer: oft hy zich by hunne Heeren gelyken wilde? zyt ghy Heeren? ghy zyt schelmen. Men had moeyte gehadt, om eenen scherprechter te vinden, dewyl die van Walchere binnen Middelburgh woonde. Een gevangen doodtslaagher,

[p. 237]origineel

+daar toe aangezocht, weygherde zynen hals met die haatlykheit te winnen, antwoordende liever te willen sterven, dan dat zyn' moeder een' beul hadde ter wereldt gebraght. Maar als men hem vertoonde den gedoemden een' Spanjaardt te zyn, bewillighd' hy in 't werk, mits dat hem vrystonde +doodt te slaan, die 't hem quaam te verwyten. Ende dus heeft Pacieco, onder 't snaauwen, de schamperheeden, en scheldtwoorden zyner quaadgunstighen, zyn' daaghen geëyndight. Al 't welk ik wel stuxwys heb willen verhaalen, ten spieghele, wat een' gemeente al doet, oft wat ze niet ongedaan laat, als haare lydzaamheit, door terghen op terghen in raazernye verkeert. Ontrent dit getyde, quam tot Vlissinge uit Vrankryk (want men had meede derwaarts aan Graaf Lodewyk van Nassau geschreeven) Jeronimus van Tseeraarts, stalmeester des Prinsen, met etlyke soldaaten, en last van zyn' Genaade om stadthouwer oover heel Walchere te weezen. Uit het zelfste Koninkryk quam ook de Heer Janin oover; van Rochel, Hopman Tongerloo, met Adriaan Menning; uit Vlaandre de Heeren van Schoonewal, van Waatervliet, van Haaverschot, van den Casteele, elk met een deel hunner boeren, die zich in 't ooghe vonden, en by huys niet houden darden. Zeeker burgher Eeuwout Pieterszoon Worst geheeten, geen man van pronk, maar kloek van moede, ervaaren ter zee, en grootlyx gezien by 't bootsvolk, had, met Jelis Hooftman, dat pas, de staatlykste der Nederlandsche koopluyden t' Antwerpen, ouwde gemeenschap, en hem meermaals voor schipper gedient. Dies richt hy zich aan deezen, om volk, voorraadt van buskruydt, en ander oorloghstuigh van daar te hebben. Hooftman, hoe zwaar ryk hy ook was, ontzagh zich niet hem zyn gevaar te leenen, en holp hem behendelyk te weeghe. De Vlissingers treflyk hier door gestyft, en nu hunne kraften vertrouwende, naamen voor, langer op geen enkele bescherming te staan, maar zelfs hunne gebuuren te bestooken; 't en waar zy zich van den Spanjaardt afzonderden. Op dat dit maklyker gelukte, lieten zy, t'hunner ontschuldighing, een schrift uitgaan, waarin de regeering des Hartoghen van Alva, met al haar' vuylste verwen afgemaalt stond. Kampveer nu, als meede aan der zee, en zoo naa by Middelburgh leggende, ook, om dat het het bushuis der Zeeuwsche eylanden was, docht hun hoogh oorbaar omgezet, en tot gemeenschap van zaake gebraght. Twee visschers van daar, waaren by die van den Briel gevangen, en etlyke daaghen vast gehouden. Van Kuyk, des verstendight, bearbeydde by den Graaf van der Mark, dat hy ze niet alleen zonder ransoen ontsloegh, maar daarenbooven hun vergunde voortaan veyligh te visschen, en de zelfste vryheit aan hunne meedepoorters schonk. Groot was deeze gift by luyden, dien daar hun al aan hing. Derhalven zy aan 't roemen van de Duytshartigheit der Geuzen; aan 't smaalen op de uitzuypzucht, en 't schrobben der Spanjaarden: zoo verre, dat Tseeraarts en Kuyk, daar door getroont, zich verstoutten, onder de stadt, met ontrent tsestigh soldaaten, en, laatende die aldaar, in persoon binnen te koomen, om d'Ooverheit tot afval van Alva, en inneemen van 's Prinsen volk te beweeghen. Dan de wethouders, hebbende de maght des Koninx voor ooghen, sloeghen 't verzoek plat af. Dies keerde Tseeraarts, dien zelven aavondt, naa Vlissinge. Maar van Kuyk, gewoon zyn eyndt te houden, quam weeder in stadt; ontbood de twee verloste visschers, met namen Lyn Taayen en Koeyevleesch, in zyn herberghe; en wistze der wyze te beleezen, dat zy, hebbende hunne makkers verpraait, goedt vonden, naadien de party wat te zwak scheen, tsestigh knechten, oover nacht, van Vlissinge te doen haalen. Janin braght'er slechts veertigh, en vond des morghens, den derden van Bloeymaandt, de burghers in 't geweer, die hem door de hooftpoort binnen lieten. Voorts braght men 't zoo wydt, dat hem de

[p. 238]origineel

+kerk, tot naader orde toe, gegunt werd om zyn volk te huyzen. Hier neemt Rollé, Baljuw der plaatse, zynen slagh waar, gaat toe met zynen aanhang; sluyt en blokkeert Janin in de kerke; en blyft daarmeê de sterkst' in der stadt. Noch liet hy 't daarop niet aankoomen; maar zich verstaande met den Heer van Beauvois, die onlanx van Alva tot Ooverste in Middelburgh geschikt was, zond derwaarts om bystandt, dien d'ander hem, als 't naauwde, belooft had. Zyn' weederparty, nu de zwakste, hebbende daarenbooven zynen toeleg gerooken, en zich genoegh op de vleesbank vindende, veirdight ook om hulp af, naa Vlissinge. Waarop de Ryk, t'scheep gegaan zonder draalen, met het meeste deel zyner bende, aan 't hooft van der Veer quam uittreeden, blydelyk ontfangen, en bewelkoomt van de burghers; die hem zeyden, dat het wel gepast was. Want waar hy een luttel laater gekoomen, zy hadden de Spanjaards in stadt gehadt: die reeds tot Zandwyk, en maar een half vierendeel uurs verre waaren. De Ryk, zonder op Janin oft wyder te denken, rukt voorts, betrapt den vyandt, slaat hem meest al, en vervolght tot onder Middelburgh. Keerende met den aavondt, vindt hy ter Veer de poorten toe. Maar Rollé, misschien niet gemoedight om der weederparty op 't lyf te vallen, en teffens de kerk bezet te houden, had midlertydt weynigh meer tot verzeekering zyner kanse verricht. Derhalven, de burghers, die met de Ryk waaren uitgeloopen, dienen zich van 't getyde, en koomen aan de Noordtzyde, buyten 't houten hooft om, binnen de haaven, by de pinken, in stilheit opklimmen, en voeghen zich naa huys. 'T krysvolk met den Hopman bleef buyten vernachten. Maar de burghers, met den dagh op; rotten t'zaamen; hebbende d'een den anderen toghtigh gemaakt met den brandewyn, smyten de poort oopen, en laaten hem in. De Baljuw, oft om hart te toonen, oft verlustight door 't geluk, dat hem scheen meê te willen, hadt het beste gewaadt aangetooghen, en wandelde met eenighen der Majestraat, op de markt, als hem dit gerucht in 't oor snerpt. Hy werpt zyn' kappoot wegh, streest eens loefs naa 't hooft, +springt in een pink, zeyt, steekt af, en berght myn lyf. 'T eerste werk van de Ryk was 't verlossen van Janin, die zich grootelyk beklaaghde, dat men hem zoo vergeeten had. De Ryk bekende schuldt, maar die aan goeden yver te wyten stond. Daarnaa roept hy de wethouders ter zaamening, en vertoont, hoe hy alleenlyk teeghens den dwingelandt Alva gekoomen was, uit last van den Prinse als Stadthouder des Koninx, tot afbrek van wiens Majesteit men niets dacht voor te neemen. Voorts vraaght hy hen, hoe zy in zoo smal een' getaale vergaadert waaren. Zy antwoordden, dat hunn' amptgenooten veel al uit vreeze wegh bleeven, mits 't vluchten van Rollé; die eevenwel, om het teeghenty moest in stroom blyven hangen. Dies zeyndt de Ryk hem flux een boot met riemen naa: zulx hy bekoomen werd, en by d'andre van der wet gebraght. Hoorende aldaar den zelfsten voorstel uit den Hopman, vraaght hy wat van zyn ampt worden wilde. D'ander zeyde, dat hy 't behouden zouw, mits aanveirdende 's Prinsen eedt, onder den voorseyden tytel. Toen werpt hy 't zweeren niet wyder. De Majestraat, volghende, werd in haaren dienst aangehouden, en voorts alles bezaadight. Seedert vernamp men de Spanjaards van Middelburgh en Armuyde daaghelyx voor Kampveer; waarteeghens de burghers ook, jaa zelfs die van der Wet mildelyk ter schermutsing tooghen. Wie leevendigh gekreeghen werd, moest, zonder in vankenis gebraght te +zyn, daatlyk ter galghe. Ende was de verbitteringe zoo byster, dat men zeyt den eenen broeder den anderen, met eyghen' handen, opgeknoopt te hebben. De verstikte menschen (een yslyk toonneel) hingen en greenzen in de boomgaarden onder de stadt, en kromden met hun getal en

[p. *22-*23]origineel



illustratie

[p. 239]origineel

+zwaarte, in plaats van 't vroolyk ooft, de telghen. Aan d'andre zyde hield men den zelven voet. Zeer sleet dit de burghery, en 't luttel soldaaten dat'er in was. Waar oover van Kuyk naa Engelandt reysde; daar hy geldt van de Nederlandsche gemeente tot Norwits verworf, om met hondertvyventwintigh Schotten te rug te keeren. Ook diend'er niet langer getoeft: want de vyandt, landende aan den Haak een deel volx, quam, +lanx den Polderschen dyk, op den Noortkant der stadt aan, daar zy niet gesterkt was. Die van binnen, in der haast, schansen 't 'er toe met haaring- en andre vischtonnen, waaraf de plaats, tot heeden, den naam van Tonnenburgh behouden heeft. Maar 't ruygh t'zaamen geworpen werk bleek niet bondigh teeghens den aanval; en de Spanjaardt, doorbreekende, sloegh al doodt wat hem voorquam, en liep den ganschen oordt, geheeten de Noordtzyde van de haaven, af. De Ryk, aldus geprangt, en gedachtigh hoe Treslong den storm van den Briel afgewendt had, neemt het vallen der ebbe waar, en laatende 't krysvolk, daar 't van doene was, mant eenighe sloepen met burghers, en matroozen, wel voorzien van vuurwerk. Deeze, geroeyt voor stroom, tot aan den Haak en 's vyands scheepen, steeken'er den brandt in. De rook hieraf opgaande, bedwelmde der maate den moedt der Spanjaarden, dat zy 't verooverde ten beste, en zich ter aftoght gaaven. De Ryk jaaght hen naa en slaat ze in volle vlucht. Zy, zich ziende van hunne scheepen versteeken, daalen van den dyk, om landewaart in, en naa Middelburgh te loopen; laatende zoo in stadt, als op het veldt, wel tussen zes en zeevenhondert dooden. Liet het gemoedt my toe, eenighe merkwaarde waar-heit te verzwyghen, geirne zoud' ik een' wreedtheit verby gaan, die den aart myner landsluyden onteert: hoewel zy, als gesprooten uit den ooverheeten haat teeghens den Spanjaardt, ten deele tot bewys zyner mishandelingen dienen kan. Zeeker * wondtheeler met naame meester Adriaan, sneed eenen der verslaaghenen, 't hart, uit de borst; stak het op de pen oft gallioen van een schip, dat aan de kaay lag; en verscheyde persoonen zetten'er de tanden in. Hiernaa, quaamen gemaghtighden der kryscoverheit van Vlissinge tot Kampveer, om orde op de gemeene zaaken te stellen. En naadien Treslong voorwendde, weederom naa den Briel te trekken, werd te raade gevonden, dat Worst, het Ammiraalschap van Vlissinge bekleeden zouw; de Ryk dat van der Veer, en aldaar Ooverste weezen, met zyn' gewoonlyke spitsverwanten onder zich, die den naam van 't bloedtvendel voerden. Maar al de diensten van de Ryk golden zoo veel by den Graaf van der Mark niet, oft hy vorderde hem aan rechte; zelfs by plakking zyns naams aan de poorten, met bevel van hem in hechtenis te neemen, en naa den Briel te voeren, ter zaake dat hy in 't ooverkoomen uit Engelandt, zynen last had te buyten gegaan. +De Landtvooghdt, midlerwyle, kryghende d'eene tyding van weederspoedt op d'andre, en daarenbooven verstendight, dat, nocht de Prins in Duytslandt, nocht Graaf Lodewyk in Vrankryk rustte, vondt zich teffens in 't oorlogh bedraayt, en 't spoor der regeeringe byster. Want voor eerst zagh hy zyn aanzien grootelyx vervallen, door 't kiezen van eenen andre in zyn' plaatse; zynde nu alomme ruchtbaar, hoe de Koning hem tot naazaat toegeleyt had den Hartogh +van Medina Celi, een' heer van zoetelyker inborst, en naa wien de Landtzaaten des te graatigher 't oogh wendden. En dewyl hy, maakende vast reekening op den tienden en twintighsten penning, andere aanbiedingen verwerpt, was de schatkaamer hol geworden; te meer, mits de quaade huyshouding. Want de verbeurtgemaakte goederen, werden op zich zelf bedient by den Raadt der beroerten. Van de penningen,

[p. 240]origineel

+uit Spanje koomende, oft hier te Lande verschaft, had een Spaansch ontfanger den last, ten ooverstaan van zeekeren * geheymschryver van Alva. De Raadt van de geldtmiddelen, moeyde zich niet dan met de enkele erfinkoomsten des Koninx, onder opperzorgh des Hartoghen. De groote steeden, eertyds gewoon 't gemeen behoef, met uitkeeren oft verschieten van treflyke sommen, t'onderstutten, waaren, voorneemelyk Antwerpen, by stilstaan der neeringhe uitgeteert; voorts zoo veel geschrobt, dat'er meer niet aan te plukken viel. Tot woeker had men den wil, maar 't geloof niet: en geraakte van dagh tot dagh dieper in schulden. In 't beleydt der zaaken, ouwlinx gestelt aan den Raadt van Staate en den Heymelyken, was gelyk verloop; mits dat zy luttel oft niet erkent werden: trekkende de Landtvooghdt alles aan dien van de beroerten, en zich zelven. En dan noch staande gehouden, dat hy aan geen' berichtspunten gebonden waar. 'T welk, in plaats van achtbaarheit te sterken, zoo wel grooten als kleenen tot haat en nydt verwekt had. Ook baard' het geen' minder spyt, afgunst en oneerbieding, dat vreemden, die zelfs de taale niet, veel min de geleeghenheit, gewoonten, en wetten van herwaartsoover verstonden, 't bewindt van hoogh en laagh, op den voet der Spaansche regeering en rechten, oft naar losse lust, en den kop hunner domme verwaantheit dreeven. Waaroover ook de voorzichtighen hunner eighe partye nu luyder dan binnen 's monds morden; Niet te vergeefs had Koning Ferdinand van Arragon, by uiterste wil, zynen neeve Karle, naamaals Kaizar, tot een' les en last gelaaten, dat hy zich in yeders Landts bestier van inboorlingen dienen zoude; dien de zaaken verre kundighst zyn, en meer ter harte gaan; en de misslaaghen beeter afgenoomen worden. Ook was dit de zuynighste ooverleg: en gebleeken, dat drie de opperamptgenootschappen deezer gewesten, niet zoo veel gekost hadden, als drie enkele persoonen, tot het aanslaan en opvorsen der verbeurde goederen, gemaghtight. Dat het vertrouwen de trouwe queekte. Wat wonder dan, zoo ze wankelde in de geenen, dien men hun eighen vaaderlandt mistrouwde. Uit het versmaaden en verbygaan der zelve kon niet min den af keer, en veraarding spruyten: behalven dit ongerief, dat m'er, zoo de tydt eens quaam en vereischte hen te beezighen, niet dan wanheblykheit, by mangel van oeffening, in vinden zoude. Maar zy waaren onbequaam oft met ketterye verghiftight. Hier meê vulde men 's Koninx ooren, om alleen in 't vatten te blyven, en ondertussen eighe koffer te vullen, tot dat alle 's Lands rykdoom opgeschraapt en vervoert waar. Geen ampt, voortaan, dat zoo ras oopen stond, oft de Spanjaardt had'er de zynen ingedrongen; hoewel d'ouwde handtvesten dat uitdrukkelyk verhoedden. Oft zoo de Landtzaat naa de geringste vordering taalde, hy moest onder hunnen arm deur, en daar eerst van zyn' veêren laaten. Dan die niet ziende blindt was, kon luyden genoegh van 't Roomsche geloof, en bestaande geschiktheit, vinden. De Nederlander, doorgaands, was in verscheyde spraaken, neevens de zyne, ervaaren: daar de Spaansche hoomoed zich niet gewaardighde eenighe andere, dan die van zyn' moeder te leeren. Naar den aart van den boom moest men de vruchten vraaghen. Ende bloedden de wonden noch, die den staat lang smarten zouden: dewyl de ooghluyking der Ooversten, de moedtwil en stroopzucht der soldaaten, het zoo wyde gebraght hadden, dat men, van vreeze voor opstanding der gemeenten, benoodight werd hen te doen bezetting houden, oft daar zy eens uitgelicht moghten zyn, hun de poorten voor 't hooft sloot, gereedt als 't naauwde, liever den vyandt in te laaten. 'T waar hier niet toe gekoomen, hadde men zich met inheemsch volk van oorlogh beholpen; die liefde tot het landt, en hun deel aan 't bederf van dien droeghen, en

[p. 241]origineel

+'t geen dat zy ooverwonnen, daar hielden oft besteedden: dien 't ook niet eeven licht stond, het Landt te verlaaten, en op hoop van ontgang der straffe, de tucht t'oovertreeden. Daar waaren'er, die met korter oordeel eevenwel hoogher spieghelden, ende, kunnende niet gelooven dat zoo groove misgreepen uit puur onverstandt begaan werden, zich inbeeldden, dat Alva, nu hy zynen zoon van de Landtvooghdye versteeken zagh, al willends 't werk in 't war liet loopen. Wat quaadt jaar van plompheit waar 't anders, 't bezetten der waatergrenzen te verzuymen? daar de Geuz zoo sterk te scheepe, en gestyft, onder den duym, in Engelandt, Oostlandt, Embde, uit al die haavenen 's Lands zeesteyghers beloerde. Anderen, van feller haat gedreeven, gaaven hem naa, dat hy, om 't oorlogh +te voeden, zelf d'uitgeweekenen met geldt handthaafde. De Hartogh, beknelt van deeze en dusdaane benaauwtheeden, wist niet naaders te bezinnen, dan den Koning aan te gaan, met deurschryven van zyn landt, 't en waar hy geldt ooverschikte. Maar, dit geschiedende, maakte hy zich sterk der zwaarigheit meester te worden, en 't verhaal der kosten te vinden, zoo aan de goederen der geenen, die nieuwlinx opgestaan waaren, als aan de Staaten, die den tienden penning teeghen hielden, dien +zy, naar zyn zeggen, hadden ingewilligt. Ondertussen dwong hy 't aanschyn in den standt der onbedeestheit; en hebbende een' taamelyke somme in Spanje verkreeghen, trok prachtelyk aan 't toerusten, en werven van versch volk by 't ouwde, wel tot twaalfduyzent Hooghduytsen toe. Ook spild' hy ruymelyk in spieden, om te verneemen, waar 't de Prins en Graaf Lodewyk op gemunt hadden. Maar de naastgaande zorgh was 't boeten van 't verlies, en beeter verzeekering der aankoomsten te waater. Te deezen einde, deed hy, onder den Ammiraal Boshuyzen, een' vloot waapenen, ten deel tot Amsterdam, ten deel tot Enkhuyzen; daar hy, onder dit dexel, eenigh volk dacht in te brengen. Want deeze stadt, aan den Hollandschen kant, ontrent het midde der Zuyder zee, die daar niet booven twee mylen in de wyte heeft, is van belang, en recht geleeghen om Amsterdam zyn scheepen t'onderscheppen, die, in aan-en afvaaren, deeze engte noodtlyk deur moeten. En mooghelyk rook hy +dat'er zyn vyandt op vlamde, dewyl Oranje, al oover twee jaaren, verstandt daar binnen gehadt had. Nu geviel 't dat Schuylenburgh, een der Hopluyden, het broodt, gebakken t'zynen behoeve in der stadt, zocht te lichten, eer hy geldt gaf. De bakker verstond het zoo niet. Waaroover Schuylenburgh aan 't schelden en drieschen; 'T stak'er al vol Geuzen en schelmen, die 't zwaarlyker dan de Rotterdammers bezuuren zouden. D'ander zeyde, een beeter aan Godt te hoopen. De Hopman, oft onweetende van 't geheim, oft houdende, mits de hitte der gramschap den windt quaalyk in, vaart hestelyk voort, en zweert met gekruyste vingeren, dat het niet beeter lukken wilde. Dit onbedacht uitvallen, ten aanhooren van meer luyden, deed de burghery verdacht zyn, en 's Hartoghen toelegh haaperen. Ook verzuymden's Prinsen goedtgunners zoo een' geleeghenheit niet; maar gaaven eenen yegelyke, daar hun wat staats op te maaken scheen, die dreighementen t'erkaauwen. 'T gaat'er dan op een protten, en t'zaamensteeken van hoofden; aanhitsende d'een den anderen tot weeren van bezettinge. Korts daarnaa komt zeeker Hopman Quikkel met zyn soldaaten voor de poort, om hen, zoo hy zeide door de stadt te brengen, naa de scheepen, die nu haast vaardigh waaren. De burgherwacht zeid'er neen toe; en verwillighde aan hem en zyn' aadelborsten, mits dat hun geweer daar bleeve, naauwlyx ingank, ter begheerte van Burghermeesteren. Deeze, voorts, begaan om 't volk binnen te hebben, wendden by de gemeente voor, 't waar slechts om hen te monsteren,

[p. 242]origineel

+en dan t' scheep te helpen. Reynier Stouting, een oudt burgher, draaghende misschien dien naam te vergeefs niet, liet zich daarop hooren, dat het een en 't ander wel buyten geschieden kon. Men dreef hem toe, dat Burghermeesters, dien 't bevoolen was, de stadt te regeeren hadden; hy zynen mondt te snoeren: en dreyghd' hem in een gat te werpen. Een ander poorter, Cornelis Pieterszoon Riedtluts, nieuwlyx van Embde gekoomen, voeghd'er op: was 't hun bevoolen, zy zouden dan zien die wel te regeeren. Maar bezetting van krysvolk dacht men niet te gedooghen. Die, vier oft vyf jaaren, neeringloos gezeeten hadden, woegh zulk een last te zwaar. Verscheyden' anderen van den hoop deeden zyn woorden gestandt. De Burghermeesters, hierteeghens niet op mooghende, bevaalen hun te vreede te zyn: de knechten zouden'er wel uit blyven. 'S daaghs daaraan, quam Boshuyzen in der stadt, met zyn' hellebardiers; en op toeverlaat van dit ontzagh, Quikkel, met zyn volk, weeder onderstaan, oft men 't ontfangen wilde. Maar 't ging hem als te vooren; en de Majestraat derhalven eenen anderen wegh in, doende eenen goeden hoop der knechten, ongewaapent, by kleen getal, doorslippen, quansuis om eenighe nooddruft te koopen. Midlerwyle bestelde men, dat etlyke wyven hun geweer, verhoolen onder haar' huyken, binnen, en in 's Hopmans herbergh braghten. Toen laat hy met twee trommels omroepen, dat alle, die onder hem bescheyden waaren, zouden passen voor zyn' herbergh te verschynen. De burgher, dien dit een donderslagh in 't oor was, zonderling de visschers, zich buyten den tydt hunner teelte, en meestendeels aan landt vindende, flux op de beên, naa de verzaamplaats toe; en dryven Quikkel met de zynen ter poort uit. Met de zelve rul loopen ze naa 't huis daar zich Boshuyzen hield, vallen'er in; zetten hem op 't Stadthuis onder wacht van burghers. Voorts haalen ze 't geschut van 't Hooft, en zeeker schip dat 'er aan lagh, in der stadt. Thans quam 't Amsterdammer veerschip aan, met vyvenvyftigh tonnen bossekruyds, en etlyke hondert handtbussen; ten behoeve der scheepen van oorlogh. Deezen voorraadt neemen zy naa zich; stellen dien in bewaaring; daarnaa orde op de nachtwaak. Dus sloerd' het etlyke daaghen heenen, tot dat Paulus van Loo Burghvooghdt van Muyde een karveel met soldaaten bestond te doen aanleggen, buyten by 't Brouwhuys neevens den dyk, in meening hen behendelyk binnen te helpen. Een Pieter Luitjens zoon Buyskens, onlanx gemaghtight by den Prins, om zich van Enkhuyzen en de oorloghscheepen te verzeekeren, was ook voorzien van zyn' Doorluchtigheit, met eenen brief vol beloften van grooten bystandt aan de Burghery; en had haar dien vertoont in dit gewricht van zaaken. Deez, hoorende 't gerucht, treedt buyten, taamelyk gevolght, den Burghvooghdt te gemoedt; en vraaght hem wel straflyk, waar heenen met de knechten? Van Loo stond als voor 't hooft geslaaghen, en zyn antwoordt was zoek. Buyskens heet hem te vertrekken, oft wild'er raadt toe schaffen. Anderen riepen; 'T en waar hy zich voorzaaghe men zoud hem voeten maaken: zooz' 'er niet in de loop bleeven. Met gelyke dreighementen versnorkten ze 't krysvolk, en dat hy lyveloos was, die zich vervorderde op te stappen. Een van die van binnen, Kornelis Janszoon Brouwer, meinde, zoo ras gedaan als gezeidt, en roedt een stuk geschuts op, met de bernende londt in der handt, gereedt om in 't schip te schieten, hadd' hem de stads * gebouwmeester niet versprooken. Van Loo dan, dus raauwlyk bejeeghent, hield zyn' aanslagh verlooren, en niet beeter dan zeyl te maaken. Als dit, te ooren van de Regeerders quam, en dat Pieter Buyskens zoo groot een gevolgh, ook last hiertoe van den Prinse had; docht hun raadzaam wat verwylens te winnen; waarentussen de gemoeden yetwes bedaaren

[p. 243]origineel

+moghten, om naa anxt en onderrichting te luysteren: gelyk dan de kracht eener beroerte aan schielykheit hangt; eener gezette regeeringe veel toevals van den tydt te verwachten staat. Dies raamen zy zeeker verdragh, daar de gemeent' in bewillighde, en de bezonderste punten af waaren: Men zoude alle scheepen en goederen, die op de stroom laaghen, laaten vaaren; maar aanhouden de oorloghscheepen, met schut en krysnooddruft, bevonden in der stadt en de haaven. Voorts vier Hopluyden kiezen, en hun de rust der burgherye beveelen; ook twaalf poorters, om den wethouderen by te zitten. De gewoonlyke waakers, tzestigh mannen, zouw men verdubbelen, en goede wacht houden: de stadt bewaaren van 's Koninx weeghe, zonder soldaaty van d'een' oft d'andere zyde in te neemen. Thans verzochten verscheyde luyden vryheit, om hunne goederen te vervoeren. 'T welk, geirne gegunt, en daarop, onder ander, meenighte van graan verscheept zynde, te gelooven gaf, dat de verzoekers, by Burghermeesters zelf, opgemaakt waaren. Ook dienden zich deeze daaraf, doende der gemeente inboezemen, hoe quaalyk een' stadt te houden waar, daar 't haast aan broodt ontbreeken moest. 'S Prinsen aanhang echter naauwde niet. Zy rotten t'eenen daaghe, in een' houttuyn; aan de Noorderhaaven, by een'; en schikken twee mannen aan Burghermeesteren, om 't punt van de sterking der wachte voldaan te hebben. Dan, als deeze niet eeven ras weeder quaamen, streeven ze met een gedruys naa 't Raadthuys toe, eysschen Boshuyzen daaraf; zegghende hem niet te vertrouwen, ter plaatse daar hy hen verraaden kon. Teffens vlieghen zy ter trappen op, en sleepen hem wel onbeschoftelyk naa beneeden; zulx in dat gestommel een zyner dienaaren aan 't hooft gequetst werd. D'andere zaaghen 't aan; eh alleen Burghermeester Jan Vesterman bad, zonder meer, dat men den Ammiraal, om zyn' ouderdoom, wat heuslyker handelen wilde. Zoo beleeft een' aanspraak was noch te veel voor 't woedende graauw. Men snaauwt Vesterman toe, dat hy niet beeter, dan d'ander was, en brengt hen beide op de Keetpoort. Daar dwongenze Boshuyzen, den scheeps hopluyden, die voor de Ven laaghen, aan te schryven, dat zy op de reê hadden te koomen, en zich in handen der burgherye te geeven. De Hopluyden, wel bevroedende dat dit een afgeperst bevel was, werden nochtans tweedraghtigh, noopende 't geen hun te doen stond; zulx eenighe naa Amsterdam zeylden, andere op de reede verscheenen. Vesterman werd 's aavonds ontslaakt: en niet teeghenstaande beloften, van, met de burghery, te leeven en te sterven, vertrok, ter eerste geleeghenheit, naa Amsterdam. Derwaarts deeden ook Burghermeesteren den Ammiraal met een deel schutteren geleyden; hoewel 't etlyke daaghen aanliep, eer zy hem los konden kryghen. Dit ontstelde ten hooghste de geenen die hem aangetast hadden. En 't zy dat'er deez' onder stookten, oft de gemeente van zelfs bezefte, datm'er meê deur, oft duyken moest, daar werd beslooten, al de scheepen van oorlooghe in de haaven, 't geschut op de wallen te brengen. Des nachts, voor den dagh hiertoe bestemt, had ouwde Vreedrik Simonszoon, een van de vier nieuwgekooren' Hopluyden, de wacht. Deez' om hen te doen achterwaarts denken, stelde zynen spitsverwanten voor ooghen, wat hun naakende was, zoo men by dit opzet bleef. Oft het dan al gewonnen zouw zyn, wen men 't zoo verre gebraght hadde, dat niemandt het hooft buyten de poort darde steeken? Moght de burgher de buursteeden, moght Enkhuyzen de zee ontbeeren? Als hun waater en landt te naauw wierd, hoe zoude men by den windt leeven? Ach mannen! Wilde men noch wys zyn, de zaak waar te helpen. Al 't voorgaande kan verschoont worden, en de schuldt, ten deel, op

[p. 244]origineel

+Boshuyzen geschooven; die, zonder reede, twee dogboots van d'onze genoomen, en door zyn' barsse intreê met helbardiers, d'ontstelde burghery voort verbaast heeft; ten deel, op Hopman Quikkel met zyn' beveynsde treeken, om de knechten en 't geweer ter sluyk binnen te brengen; waardoor de gemeente schrikkigh, en haar 't hooft warm gemaakt is. Laat my met het werk beworden: ik weet het u uit te voeren. Oft zoo gh'er aan twyfelt, houdt myn' huisvrouw en dochter te pande. Deeze en gelyke reedenen daalden diep in 't harte van luyden, die der hachlykheeden ongewoon, en in geen' hoogher, dan huislyke zorghen, opgebraght oft geoeffent waaren. Dies, hoewel 't een forsch volk van inborst is, begosten'er veelen t'ontlaaten. Burghermeesters, echter op hun gety gissende, neemen deeze wankelmoedigheit waar, om der gemeente vroedt te maaken, dat het ganschelyk ongeraaden was, zich aan de vloot zyner Majesteit te vergrypen. En 't gelukte hun zoo wel, dat het meeste deel der burgheren te vreede werd, den oorloghscheepen daar t'huys behoorende, geen verlet in hunne reyze te doen. Maar in 't afzeylen klemd een der zelve aan den grondt, en was'er niet af te kryghen. De windt daarop wakkerende, vernaamen dit etlyke vrybuyters in 't Vlie, en schikten'er achter te raaken. De Hopman verliet het, maar niet zoo tydtlyk, oft zommighen van zyn volk bleeven gevangen. Het schip, om dat het vast zat, werd van de Geuzen verbrandt. De Burghermeesters, zoekende allen ontdank t'ontgaan, hadden 't geirne vergoedt, met een ander boot uit der stadt. Maar in 't doorschieten uit de Zuyderhaaven, naa buyten, pasten de burghers de valbrug, tussen de twee masten van 't zelve, needer te laaten: zulx het nocht voor, nocht achterwaarts moght; en alzoo eenighe daaghen leggen bleef. Terwyle nam d'Ooverheit een vendel knechten aan, uit de gemeente, onder eenen Baart Luytjens; hoewel Pieter Buyskens en Dirk Brouwer zich heftelyk daarteeghens kantten, toonende, by schryven van den Prinse, dat hy eerlang te veldt zouw zyn. Gelykluydende brieven zyner Doorluchtigheit braght een Rykaart Klaaszoon voort; maar zy werden, als te jong van dagh, voor valsch gewraakt. De soldaaten dan beëedight zynde; zoo trekken Burghermeesters, met hun, en de volle Vroedschap, naa de gemelde br