+MIts 't bekraftighen der Gentsche vreede door 't eeuwigh gebodt, en om der Hollandsche en Zeeuwsche gemaghtighden weyghering van dit te onderschryven, waaren de zaaken in die gesteltenis, dat nochte de Roomsgezinde Staaten, nochte de Spanjaardts vermoghten, de twee voorzeide gewesten met oorlogh te quellen; nochte de Prins, booven zich, Don Johan behoefde te kennen, voor besluit, dienaangaande, by de vergaadering der breede Staaten, te neemen. 'T welk onzeeker was hoe 't uitvallen moghte, gemerkt, afkeerigheit van nieuwen krygh hun, viellicht, niet zouw toelaaten, ten scherpste te zien teeghens zyne Doorluchtigheit. +Dies vond men zich bedraait in 't werk, en zond, neevens Meester Paulus Buis Voorspraak van Hollandt, den Heer van Willerval Adriaan d'Oignyes, aan den Prince, om zyn goedtdunken op 't verhaalde gebodt te verstaan, en hem tot aanneeming van 't zelve te beweeghen. Om der bezendinge meer aanziens te geeven, werd de Doctoor Andries Gail, 's Kaizars Ambassadeur, bewillight, hen te verzelschappen. De Prins en de Staaten van zyner zyde, antwoordden; dat zy den klaaren +yver der Algemeine Staaten, tot de rust en verlichting des Lands, tot voorstandt der vrydoomen, en onderhoudt van 't Gentsche verdragh, ten hooghste looven moesten. Eevenwel, naa rype betrachting der punten geslooten met Don Johan, docht hun 't ooghmerk der gemelde Heeren Algemeine Staaten, niet in alles getroffen. Want, voor eerst, scheenen d'ouwde gerechtigheeden des Lands, (de welke te rekken 't voorneemste wit was) grootlyx verkort; zoo, oovermits de maght om de breede Staaten te verzaamen, den geenen, die ze van alle outheit her en rechtsweeghe toequam, bedektelyk t'onbruyk gemaakt werd; als, om dat men de zelve Staaten verknoopte aan ongewoonlyke gehoudenissen en eeden. Wat kon men ook goeds verhoopen, belangende 't handthaaven der vrydoomen, daar zy, in eenen handel, die zonderling t'hunner vestinge behoorde te dienen, kenlyk verbrooken werden, met het verhouden des Graaven van Buure in Spanje, die, zonder yets te kunnen misdaan hebben, oover alle recht en reede, vervoert was? Ook streed het zelfste gebodt oopentlyk teeghens de punten der Gentsche vreede, die men niet eenvouwdigh en bescheidelyk toestond, maar spitsvindighlyk op schroeven stelde, met waggelwoorden, stof tot meenighte van uitvluchten; gelyk die van de Hartooghinne van Parma, waar uit zoo veel' beeken bloeds haaren oorspronk genoomen hadden. Wyders docht het hun den gemeinen Landtaardt een' onuitwisselyke schandtvlek, aan zulk een' schuim van schudden, daar men zoo veel gewelds en weederwaardigheits af geleeden had, niet alleen noch geldt toe te geeven, maar ook te daadingen en t'ooverkoomen met de gee-
nen, +die by oopenbaaren uitroep op 's Koninx en der Staaten naam, verklaart waaren, en beschuldight by de stenden des Heilighen Ryx, voor muiters en eerlooze schelmen, behipt in gespan en vloekverwantschappen, met de Spanjaardts gemaakt: jaa, met goeden ooghe aan te zien, dat zy gingen brallen, en heene stryken, met kleinoodje, geldt, goedren, koopwaaren, en brandtschattingen, den Lande afgestroopt. Daarenbooven, was, huns gevoelens, te luttel achts genoomen, op 't ontzagh, den dank, en eerbiedenis, toekoomende der Majesteit van Engelandt, en den Hartooghe 's Franschen Koninx broeder, voor de hartlykheit betoont tot onderstant der Landen, in hunne noodt: gemerkt het wel betaamt hadde, hen, met ontfouwener en doorluchtigher uitspraak, in 't verdragh te begrypen. Ten leste, zy vonden, by de punten des zelven gebods die van Hollandt en Zeelandt ganschelyk onbewaart, ende veel vorderlyker en reedelyker de verzeekeringen hun aangebooden tot Bredaa; gelyk hun ook tot Gent niet min zouw gebooden geweest zyn, zoo hunne gemaghtighden niet verklaart hadden, ter goede trouwe te willen gaan, als verstaande geenszins met andren dan met de Staaten te handelen. Waar hunne meening geweest, Don Johan t'ontfangen, en met hem te moeten daadingen, in dervoeghe als nu geschiedde, zy zouden, oover dit stuk, aldus niet heene getreeden hebben. Althans bleek niet alleen de gemeine verzeekring verby gegaan, maar ook die van het herstellen der * enkle persoonen, in hunne goedren, ampten, en vooghdyen, geleeghen in verscheide plaatsen van herwaarts oover; en desgelyx in 't Graafschap van Borgonje: die 't nochtans wel reede geweest waar, nu te bedingen, dewyl het, tot Gent, met geen uitdrukken der bezondre landtschappen, had kunnen vallen, om dat men daar alleenlyk verding met de Staaten maakte. Immers zoo luttel verzeekerings speurden zy, in de gemelde punten, voor d'andre gewesten, en 't arme gemeine volk: gemerkt van 't afwerpen der burghen, oorzaaken van zoo veel quaads, geen vermaan altoos gemaakt werd, nochte verklaart eenighe eighentlykheit van de vergeetenis daar aangeroert. Ten teeghendeele scheen, dat men de Staaten, slechts voor ditmaal, gerieven wilde, met vooghden hun gevallende; en van zinne waar, hun, voor den toekoomenden tydt, alle middelen te beneemen, van zich verzeekert te houden teeghens 't boos opzet der geenen, die men hun dacht te geeven tot Ooversten. Veele andre diergelyke bedenkingen hadden zy aangeteikent, en begost de zelve by geschrift te stellen, met vertooning hoe 't nu de rechte stonde was tot verbreeding der vrydoomen: als hun behandight werden de punten reeds oover gezonden aan Don Johan, om hem daarop tot Landtvooghdt t'ontfangen. 'T welk hun hooghlyk verwonderde; die 't ylen, in een stuk van zulk gewight, gevaarlyk hielden. Zy lieten zich echter bedunken, alles waar ten goede meeninge gedaan, om 't Landt zoo veel te spoedigher van de Spanjaardts en 't ander uitheemsch krysvolk 't ontlasten. Waaroover hun heel hartlyk wenschen, en bidden tot Gode was, dat de zaak den uitgank neemen moghte, daar alle oprechte liefhebbers des vaaderlands naa verlangden. Voor hun; naardien 't oover afgedaane dingen te spaade gehaspelt waar, zy beloofden den Gentschen pais in geenerley wyze te quetsen; verhoopen 't zelfste van de zyde der Algemeine Staaten. Niettemin, op dat hunne geneeghenheit tot vordernis van 't vertrek der Spanjaarden en andre vreemdelingen, en tot de vestighing der vreede, ruste, en ouwde gerechtigheeden der Landen, bleeke; zoo stonden zy ooverboodigh, de gemelde punten te looven en onderschryven, mits dat den Algemeinen Staaten alvoore geliefde, vast en onweederroeplyk te besluiten, ende hun daaraf te geeven behoorlyk en verplightend bescheit, geteikent in vereischte forme, by de Heeren Staaten, Ooversten van gewesten, kryshoofden, en kornellen; dat,
+indien de Spanjaardts, ten bedongen daaghe, 't Landt niet ruimden, zy allen vorderen handel met Don Johan zouden afsnyden, ende, zonder daarnaa meer te verstaan tot eenighen andren, 't gemelde vertrek, by weeghe van waapenen, vervolghen: mits ook, hun geliefde andermaals bondtschrift te verlyden, dat, naa 't boovengeroert vertrek, nochte zy, nochte de Ooversten der gewesten, de kryshoofden, en kornellen, den voornoemden Don Johan, oft yemandt anders, tot Landtvooghdt hadden aan te neemen, zonder eerst, door hem, gericht en geboet te zien alle punten strydende, luttel oft veel, teeghens de gerechtigheeden des Lands, oft eenighzins naadeeligh der vreede van Gent. Volghends 't welke yder stond te herstellen tot zyne goederen, zoo wel in Borgonje als in Neederlandt geleeghen, geen' uitgezondert; ende alle vrydoomen te looven en te vestighen, naar luidt van der gemelde Heeren Staaten beloften, plechtelyk en schriftelyk gedaan, aan de gemaghtighden van Hollandt en Zeelandt, tot Gent, op den achtentwintighsten +van Wynmaandt lestleeden. Hierop verklaarden thans d'Algemeine Staaten; dat hunne meining altyds geweest, en alsnoch was, 't verdragh van Gent naa te koomen, ende, onder ander, alles te doen richten, wat blyken zouw gedaan oft voorgenoomen teeghens de gerechtigheeden, vrydoomen, oft ouwde gewoonten der Neederlanden. Dat zy verstonde, de Spaansche, Italiaansche, en Borgoensche soldaaten, door geweldt van waapenen te verdryven, volghends 't gemelde verdragh, zoo de zelve niet zouden vertrokken zyn, binnen den bestemden tydt; zonder wyders te treeden in eenighe handeling, waar by 't verreizen der Spanjaarden eenighzins draalende moght gehouden worden. Ende, gemerkt de Stadthouders der gewesten, de hoofden en kornellen van 't krysvolk, gehouden waaren, zich daarnaar te schikken, zoo zouw men hen verzoeken tot onderteikening van den inhoudt deezes besluits. Midlerwyle, te weeten den twintighsten van Sprokkelmaant, ooverquaamen die van Schoonhoove +met den Prince; op voorwaarde, van den Roomschen Godsdienst, buiten alle verlet, te mooghen oeffenen: mits dat men, daarenteeghen, weeder niemandt om geloofszaaken moeide, naar uitwyzen der Gentsche paispunten, volghends de welke, aan yder zouw oopenstaan, zyne goedren t'aanveirden. 'T beleidt en verkiezing der regeeringe had te geschieden, volghends de vrydoomen en 't ouwdt gebruik, gelyk voor de toekoomst der beroerten. Doch, noopende 't Baljuwschap en Schouwtampt, zouden zy zich schikken naar orde, te raamen van zyne Doorluchtigheit, by goedtdunken der Staaten van Hollandt en der kaamere van Reekening. Ende werd hun, ten opziene hunner armoede, veroorloft, de lasten op spys, drank, en diergelyke, te hooghen oft laaghen, naar hun welgevallen, voor eenen tydt van drie maanden; geduurende de welke, zy ook vry zouden zyn van alle schattingen, die men oover 't gemeene Landt, quaam omme te slaan. In 't stoppen hunner dyken, zouw men hun te hulpe koomen, als de jeeghenwoordighe bezettelingen vertooghen waaren; ende geen' andre inzeinden, dan ter hooghdringenden noodt, en tot kosten van +Hollandt en Zeelandt. Onlanx hiernaa, braght de Baroen van Ville te weeghe, dat het krysvolk, voldaan zynde by de stadt en 't Landtschap, Groeninge ontruimde, tot maghtighe blydschap der burgheren. Voorts werd de pais van Gent, by dit gewest en die van Vrieslandt, omhelst. Thans bewillighden d'Algemeine Staaten, en de regeerende Raadt, t'zynen +verzoeke, in 't afwerpen der burgh van Groeninge; waaraan hy zelf, neevens die van zyn gezin en de poorters, met grooten yver arbeidde. De zelfste Raadt had begeert, Robles, die noch gevangen was, in handen te hebben. 'T welk de Staaten van deezen hoek toestonden, met beede om op zyne goedren te mooghen verhaalen, 't geene blyken zouw, by hem,
+tot betaaling der soldaaten, ontfangen en achter gehouden te weezen. Dies verstond men, dat hy geleevert wierde aan den heere van Hierges, behoudens yders gerechtigheit op zynen persoon en middelen. Tot Groeninge rechtte men acht vendels burgheren op; die zwoeren, ten eeuwighen daaghen geen bezetting meer in te neemen. Don Johan, nu getroost naader te koomen, vervoeghde zich, onder enkle lyfwacht van tachtentigh +helbardiers, daar Aarschot het hooft af was, tot Looven. Werwaarts meest al de grooten en treflyksten van aadel heene spoeiden, om hem te begroeten en zich ter kennis en gunste des aanstaanden Landtvooghds in te boezemen. Hy, onthaalende hen, met oovervloedt van goede siere, met uitbondigh bewys van allerley heusheit en hartlykheit, vereerde d'eenen met waardigheeden en ampten, d'andren met jaargelden en mildaadigheeden. Jaa hy verscheen, in persoon, op de banketten der gilden, hanteerde de tzaamenkoomsten der schutteryen, en vermengde zich met haar gezelschap en oeffeningen: droegh zich spraaklyk en gemeenzaam jeeghens minsten en meesten: waardoor hy zich veele eenvoudighe harten quam aan te klampen. Die veerder zaaghen, en zynen aardt dieper in, lieten zich voorstaan, dat zoo groot een hoomoedt, als de zyne, die meêwaarigheit dier genoegh reekenen zouw. Hier steld' hy orde op 't vernoeghen van de Spanjaardts, Italiaanen, en Borgonjers: verzocht en verkreegh, te dien einde, van de Staaten, dat zy hem, onder verzeekering op de Koninklyke inkoomsten, hunnen naam en geloof leenden, om vierhondertduizendt gulden op fret te lighten. Eevenwel sliep zyn' wantrouw zoo vast niet, oft hy deed den Raade van Staate aangeeven, door Octavio Gonzaga, hoe men hem zoo uit Vrankryk als van elders verkundtschapte, +dat'er een toeleg broedde, om hem van kant te helpen, 't waar by weeghe van moordt, oft vervoering ter zee, naa Rochelle. 'T welk eenighe vremdelingen, zich onthoudende tot Looven, zouden aangenoomen hebben, voor den derden van Grasmaant, in 't werk te stellen. En hy zeide bericht te zyn, dat hem dit, door den Prinse van Oranje gebrouwen werd, ende reeds getal van krysvolk ontrent de stadt verdeelt en verhooleh lagh. D'Algemeine Staaten, hier meê gemoeyt, vonden 't vreemdt, en nochtans raadzaam, op naader gesprek met Gonzaga, de geenen te doen verzeekeren, daar eenigh vermoeden op viel. Dies werden, binnen hunne herberghen, in bewaarnis genoomen de Heeren van Bonnivet en Bellangerville, Fransche eedelluiden. Maar, naa eenighe daaghen naauw onderzoex, op alles, vernamp men geen' waarschynlykheit altoos van zulken aanslagh; ende vond zich meer begaan om hen te vreede, dan op vrye voeten, te stellen: gemerkt zy verklaarden, van den Hartooghe van Anjou gezonden te zyn, die geducht werd dat zich deezen hoon hooghlyk aantrekken zoude. Waaroover, brieven, tot verschooning der daadt, en thans de Baroen van Aubigney, aan den zelven Hartogh, werd afgeveirdight. Escovedo, midlerwyle, zocht vast geldt op woeker, by de koopluiden t'Antwerpen; dan vond, mits de versche heughenis van 's Koninx wanbetaaling, die dwaazen niet. Thans verghd' hy hun, slechts maxel, en geen' stof by te leggen, met verlyden van wisselbrieven op Milaan, onder besprek van niets uit te tellen, eer zyne Majesteyt de brieven voldaan hadde, die hy hun, daarteeghens, zouw leeveren. Men gaf hem t'antwoordt, dat koopmans geloof te teeder een ding was, om, by mangel van woordthouding door zoodaane uitvluchten, voor quetsing behoedt te blyven. Endtlyk beloofd' hy, mits dat zy, op dien voet, hem hondertduizent kroonen in schrift verstrekten, hun een derdendeel te doen hebben van 't geen zy aan den Koning ten achtere waaren. Hier naa werdt geluystert. Maar, onder de handt, ried hy den Koning,

+om den meesten oorbaar, 't weezentlyk geldt naa Italie te zeinden: in welken gevalle, de schuldt der handelsluiden, in den ouwden staat zoude blyven. Hebbende door deezen vondt brieven verkreeghen, paaid' hy daarmeede 't krysvolk. De Staaten hadden nu, tot Burghvooghdt van Antwerpen, genoemt den Hartogh van Aarschot; ende deez' zyn berightschrift, van Don Johan, ontfangen. Derhalven verscheen hy aldaar, den zessentwintighsten van Lentemaant, om de sterkte in zyn bezit te neemen: 't welk, ten byweezen van den Ryxgezant Wynenbergh, in deezer +maniere toeging. Martyn del Hoyo, Steêhouder van Sançio d'Avila (want den zelve moght het van 't hart niet, daar jeeghenwoordigh te zyn) trad uit, tot oover de valbrug. Die werd achter hem opgetooghen, en de poorten geslooten. De Hartogh verzelschapt met etlyke Heeren en Eedelluiden, deed ter zelve plaats, bloots hoofts, aan handen van Escovedo, deezen eedt. Ik Philips van Croy, Hartogh van Aarschot, beloof en zweer, by Godt, de maaght Marye, ende op de vier Heylighe Euangelien, dit Slot t'ontfangen, bewaaren, en houden, ten dienste der Majesteit van Koningh Philips onzen Heere; ende 't zelve aan niemandt oover te leeveren, dan aan hem, zyne erven, oft naazaaten; 't en waare by ander zyn klaar bevel. Toen sprak Escovedo; indien ghy zulx doet, zoo helpe u Godt, en alle zyn' Heilighen: ende knoopte daaraan eenen vuilen vloek; dat, deed' hy anders, de duivel hem haalen moeste met lyf en ziel. Waarop eenighen der omstanderen zich niet ontzaaghen, Amen te zeggen. Voorts gaf Martyn del Hoyo den Hartooghe de sleutels oover: de valbrug werd neêrgelaaten, de poorte geoopent: en Aarschot trok daarin, met +vier vendelen Waalen. De Spanjaardts, ontruimende zoo wel de stadt als de burgh, tooghen op Lier, ende neevens hunne landsluiden van die bezetting, voort naa Maastricht, verordent t' hunner betaalinge. Booven hunne pakkaadje, schat van geldt en kleinoodje, voerden zy zes stukken geschuts meê, en de gevangene Heeren, Egmondt, Capres, en Goignyes. Veele Neederlandtsche wyven, echt en onecht, vermeerderden den sleep. Meenighte van burghers liep buiten, om de ooghen te verklaaren, door 't aanschouwen dezer uittoght. Dan 't was beneepe blydschap, zoo lang zy de Hooghduitschen, meêpleeghers aan de plondering der stadt, noch op den hals hielden. De Staaten van Hollandt en Zeelandt, dit pas, waaren, tot Dordrecht, vergaadert: alwaar, uit den naame der Algemeine, de Doctoor Leoninus verscheen, om bystandt van penningen te verzoeken, samt het afstellen der * verlofgelden, en 't herroepen der scheepen van oorlooghe, die onder Antwerpen hielden, en van de uitleggers +op de Maaze; ook, om oover't invoeren van eenpaarighe munte te handelen. En men gaf hem reedelyk genoeghen in de reste: dan kon noch niet verstaan, de verlofgelden te missen. Op deeze daghvaart werd yetwes bestaan tot bezwaarnis der Weederdooperen; als blykt by zeeker lidt van eenen brief, geschreeven uit Dordrecht, den lesten van Lentemaandt, door den Heer van Aldegonde, aan den Predikant Kaspar Verheiden; +'t welk aldus luidde. De zaak van de Herdoopers wordt, sint het ontfangen van uwe en Taffins brieven op gister, met den Doorluchtighsten Prinse, gehandelt: en zeeker ik vinde die veel zwaarder, dan ik hoopte. Want hy had my, tot Middelburgh, groote hoope gegeeven, dat men ter burgherschappe uitsluiten, oft immers niet plechtelyk ontfangen zouw de geenen, die den eedt weigherden. Nu brengt hy by, zulx niet beslooten te kunnen worden, zonder nieuwe * kramp der kerken: mits de Staaten niet lyden zullen, dat men zoodaanigh een' wet stelle, die zy geenszins oorbaar achten voor het gemeene beste. Jaa hy verklaart, deeze eertyds d'eenighe oorzaak geweest te zyn, waardoor de * Kerkenraaden in die afgunst
+by de Staaten quaamen, dat het luttel scheelde, oft men hadde z' altzaamen, by raadslot glad afgeschaft. Dat men nu weeder oover 't zelfste doende was, ende noch t'eener stonde, op de welke, zonder twyfel, veelen kout waater, uit het paapsch mengelmoes, daaronder zouden gieten. Dat zyn grondigh gevoelen was, dit zouw tot maghtighen afbrek der kerken gedyen. Als ik alhier heftelyk dreef, dat men, onder voorwending van burgherlyke orde de geenen verwerpen kon, die den bandt van alle menschlyke maatschappye verbraaken, en teffens daarby voeghde, hoe lastigh een gevaar, uit dus een raadslot, en ongodlyk doch in zich zelve, aan den staat en de kerken dreighde oover te koomen; antwoordd' hy scherp genoegh; dat hun *Jaa hadt eedt te strekken: ende dat men hierop niet voorder dringen moest, oft met een belyden, billyk te zyn, dat de Papisten ons dwongen, tot eenen Godsdienst die teeghens onz gewisse streedt: dat ook de Noordthollanders dit in geener wyze zouden toestaan. Ten kortste, ik zie ons naauwlyx yet in dit stuk te verrichten. 'T welk my gewislyk zoo veel te meer smart, hoe ik meer merk, dat de gemoeden van veele vroomen, door 't voorwerpen van, 'k en weete wat ontydighe aanstootlykheeden, zulx verbittert, ik zouw schier zeggen verwondt worden, dat zy min geneeghen zyn tot de geenen, die, naar hun vermooghen, de zaak der kerken trachten te vorderen. De Prins, voorwaar, heeft, eensdeels van zynent, eensdeels van der Staaten weeghe, teeghens my gekeeven, als oft men daaroover uit waare, dat de Geestelyken zich 't gebiedt oover de gewissen moghten aanneemen, ende als oft zy pooghden zich, door hunne wetten en instellingen, alle andren t'onderwerpen. En hy prees 't zeggen van eenen Monnik hier onlanx geweest, die, op 't geen men hem toen voorworp, antwoordde: dat onze pot niet eeven lang te vuur gegaan had, als der geenen, die wy zoo zeer bescholden; ende hoe hy 't klaarlyk zagh koomen, dat, eer de tydt van een paar eeuwen deurslipte, de kerklyke heerschappy, ter weederzyden, op gelyken voet staan zouw. By dit, genoeghzaam van woordt tot woordt (zoo veel de taale lydt) uit het Latynsch oovergezet, kan men speuren, van hoedaanigh belang de Prins en Staaten alstoen de vryheit des geloofs hielden. Zynde nu de Spanjaardts verzaamt tot Maastricht, zoo viel'er vast d'een en d'andre verhindring voor, mits de welke men hunner, binnen den bestemden tydt, niet quyt worden kon. De Staaten wisten de som der beloofde penningen zoo haast niet vol te maaken. Oover 't slaaken der gevangenen, ontstonden ook eenighe zwaarigheeden: inzonderheit om den Heer van Billy. Want de Vriezen en Groeningers dreeven, dat men hem met zyne goedren niet moeste laaten vertrekken, zonder eerst te verantwoorden van zynen ontfank en uitgift; gemerkt hy de bezettelingen onbetaalt had gelaaten. Niettemin 't stuk werd bygeleit; zulx hy, zoo wel als d'andre ter wederzyden, los raakte. Ende had nu de Koning, tot Madril, op den +zeevenden van Grasmaant, het Eeuwigh gebodt bevestight. Als de zaaken dus verre klaar waaren, quam 't op kiezen van een hooft aan, om 't vertrekkend heir te beleiden. De Raadt van oorlogh leidde die eere den Ooverste der ruiterye, Alonso de Vargas, toe. Maar Juliaan Romero, uit Spaansche opgeblaazenheit, weigherde te staan onder hem, dien hy zeide zynen soldaat geweest te zyn. Baldes en meer andren, eeven windtzuchtigh, naamen 't ook t'hunner verkleeninge, en stelden den voet dwars. +Waaroover Don Johan, duchtende voor eenigh ongemak, 't hoogh gezagh den Graave van Mansvelt beval. 'T welk Vargas dier maate speet, dat hy, uit moeddwangeloosheit, Don Johan, diesweeghe, by weederwaardighe brieven, begroette. Doch de zelve onderging hem, en steld' hem te vreede, met beleefde reedenen, en gunstigh voorschryven aan den Koning. Sançio d'Avila, Mondragon, Verdugo, en andren bewintsluiden stak
+meede de krop vol, van 't scheiden aldus uit den Lande, met de belooning t'zoek, die zy dachten verdient te hebben. Hun docht, het was niet oover te zetten, en een' streem aan hun' eere gegeeven. Dit verdriet liet zich smydighen, door toezeg, van vergelding in Lombardye te vinden, en 't loopen hunner wedden eevenwel, tussen dien en den tydt, dat zyne Majesteit hen weeder quaam te werk te stellen. Ten welken einde Don Johan ook ernstigh aan den Koning schreef. Een' zaak, zeer verfoeit by de inboorlingen: dat men de roovers en Landtverdervers, die van zelf maar al te luttel op de peenen pasten, noch met weldaaden streelde, en in hunne boosheit sterkte. Dan 't nut is gemeinlyk d'opperste wet der Vorsten, en maakt de meesters tot onderdaanen van dieners die zy niet missen mooghen. Geduurende dit stribbelen in Brabant, nam de Prins zyne stonde waar, zich sterkende daar 't noodighst was; zocht die van Vrieslandt en Gelderlandt aan, tot naader verbondt; prangde Amsterdam, met verlet van toevoer en zeevaart, om het tot reede te brengen. Maar de styfzinnigheit der Wethouderen was zoo groot, dat zy zich ook hooren lieten, nocht in der stadt, nocht binnen de grenzen haarder ambachts heerlykye, eenighe begraaffenis van Onroomschen te kunnen gedooghen. Waaroover, verscheide handelingen, aangevangen met hunne gemachtighden, vruchteloos +afliepen. Maar die van Tertoole vergeleeken zich, den zeeventienden van Grasmaant, met zyne Doorluchtigheit, bynaa op den zelven voet als Schoonhoove gedaan had. De Spanjaardts, ten leste, Italiaanen, en Borgonjers, zoo te voet als te paarde, begosten, den zessentwintighsten +der zelfste maant, op te breeken, ende ontleedighende, binnen drie daaghen, de stadt van Maastricht, naamen hunnen wegh naa 't Landt te Luxemburgh, van waar zy voorts naa Italie tooghen. Gelyk de Prins daaraan altyds getwyfelt, en schier niemandt van der Staaten zyde gelooft had, dat het hiertoe koomen zoude; alzoo was ook, onder de Landtzaaten, zich gevoelende dit pak van 't hart, de blydschap ongelooflyk. Men zong'er, men juichte, men schreef'er adieudichten. Dat'er echter luiden waaren, dien 't weederkeeren der Spanjaarden op de leeden lagh, blykt by dit eenigh, dat onze eeuwe beleeft heeft.
Boetica gens Abiit: Cur ploras Belgica? dicam
A quod in O non est litera versa, queror.
'T welk zoo veel is, als in Neêrduitsch.
De Spanjaardts zyn nu dooR: Wat schreit ghy Neêrlandsch zaat?
Ik kerm, om dat, in steê van d'R, de T niet staat.
Ten zelfsten daaghen, viel, binnen Uitrecht, een' groote verandering, die aldus haaren oorspronk nam. De Prins had, in Lentemaandt lestleeden, de Staaten van dien oordt, door den heer Paulus Buys, ernstigh en vrundtlyk doen aanmaanen, tot weederkeer onder zyn gezagh, met uitbodt, van hen, volghends de Gentsche bevreedinge, in reedelykheit te vernoeghen. Etlyken der Staaten, en voorneemlyk de Geestlykheit, wilden liever den Graaf van Bossu, als Roomsgezindt, tot Ooverste. De gemeente der stadt droegh den Prins: andren, hem toegedaan, dreeven dat de stadthouderyen van Hollandt en Uitrecht, verknocht door Kaizar Karel, zonder naasleep van maghtighe zwaarigheeden, niet te scheiden waaren. Dit gold zoo veel, dat'er verstaan werd, eenighe pun-
ten +t'ontwerpen, en voldoening, daarop, aan zyne Doorluchtigheit, te verzoeken. De Raadsheeren van Staate, des verwittight, eyschten gezight van die punten, eer men tot slot van handel voortschreede. 'T zelve hun gebeurt zynde; braghten zy verscheide reedenen by, om te beweeren, dat die van dat gewest ongehouden waaren voldoening van den Prinse t'ontfangen: inzonderheit ten opmerke van 't verzwyghen des naams Uitrecht, in de reegelen van den paishandel, daar deeze stoffe geroert werd. Ten minste docht hun billyk, dit stuk te staaken, 'tot op de vergaadring der Algemeine Staaten. Het bleef dan dus hangen, tot groot mishaagen der burgherye: en midlerwyl wiessen de zwaarigheeden, die men met de soldaaten had, uit benauwtheit om geldt. Want, booven de bezettingen der steeden van dit gewest, zoo laaghen noch ten platten lande wel drieëndertigh Nederduytsche vendels, en etlyke Walsche, die de heer van Hyerges, zonder onthiet van hoogher handt, daar gebraght had, en langen tydt gehouden, tot ondraghlyken last van den huisman. De regeerende Raadt, en d'Algemeine Staaten hadden dien van Uitrecht een behulp van tweeëntzeeventighduizent gulden toegeleit, tot afdanking van al dit krysvolk; maar zoo veel aan zich zelve te redden, sint het verdragh met Don Johan, dat'er, voor die van dit Landtschap, nu niet ten beste was, dan beloften, ongelyk maagherder. 'T geschach dan, den zeevenentwintighsten in Grasmaandt, alzoo de weeklyke beleeningen niet juyst op den bezetten dagh te berde quaamen, en de Graaf van Bossu, om eenighen +troost, naa Brussel vertrokken was, dat zyn Steêhouder Kornel Tamberghen, ten stadthuize ingetreeden, met een' stoet van bevelsluyden en knechten, zich, vervorderde, Burghermeesteren en andren van der wet toe te dryven; men had, als beedelaars, hen tot noch toe lang genoegh naa geloopen. Hy wilde nu flux de leening hebben; en wist'er raadt toe. Zy vertoonden hem; hoe ze, noch slechts eenen dagh, in gebreeke geweest waaren: stads armoê moght niet toelangen: maar ten naasten Maandaaghe zouden de Staaten verzaamen, om'er in te voorzien. Hy stuift gesteurt ter kaamer uit. D'andre bevelhebbers volghen hem, naa 't uitsmyten van eenighe woorden. Een deel knechten, met roers en brandende lonten, houden stal voor de kaamer, en de Majestraat daar by een. 'T leed luttel aan; de bende van Tamberghen komt: vlieghender vaane, aanrukken; neemt de plaats voor 't stadthuis in, en plant zich aldaar, met de monden vol looden, de lonten ontsteeken. 'T gerucht rotst door de stadt. De burghers in 't geweer; op de beên, naa de plaats toe, met vier vendels; zoo gezwindlyk; +oft ze uit de lucht gereeghent waaren. Daar komt men tot aanleggen van mosketten, en vellen van roers, ter weederzyden. En 't ging'er op een aanbyten, hadden de bevelhebbers der burgheren hun niet verbooden lichtveirdelyk los te drukken. Doch zy stopten de straaten; zommighen drongen lanx de wooningen ten stadthuize in, en verscheenen ter vensteren, met haakbussen en ander krysgereedschap, daar gevonden. Toen vraaght men de soldaaten, oft zy gevoeghlyk vertrekken wilden, en den poorteren hunne gewoonlyke wachtplaats laaten. 'T antwoordt was; dat zy, eedshalven, niet wyken moghten, van, daar hen hunn' Ooverheit bescheiden had Maar, ziende zich aan vier hoeken bezet, en de burghers vast aanparssen, naamen ze de aftoght, naa 't vendel van Hopman Zwart toe, dat op de Neude de wacht had, en in waapenen stond. Hierenbinnen was 't vendel des Heeren van Oosterwyk vergaârt, en toogh naa de Tollesteeghpoort, met stille trom, tot verby de Smeebrug. D'inwoonders van dien hoek, wordende des gewaar, dat geldt, zeiden zy, onze poorten en muuren: en rotten zonder langer beraadt, gewaapent te zaamen. De soldaaten streefden voort, met opzet, de poort te bemaghtighen, om 't volk
+van Loozekoot, Breekwoldt, en Vinkenburgh, in te laaten, dat in de voorstadt lagh. Een ding, 't welk, eerder bedacht, oft behendigher aangeleyt, hunne kans wel hadde de beste mooghen maaken. Nu rook de portier lont, aan 't gedraf der buitenknechten, en waarschuwde de burgherwacht, dat het oorbaar waar te sluyten. Men doet zoo; en bestelt de sleutels, lanx de veste, een eenzaam padt, op 't Raadthuys. Oosterwyx gasten, hiermeede van hun veldt, neemen de twee naaste bolwerken in, daar vier lange metaale stukken stonden; ook den Bylhouwers tooren: mannen den wal tussen tween, en 't verdek der poorte. Eer de burghers wel by een konden raaken, quam Tamberghen, met Hopman Vinkenburgh en vyventwintigh knechten, naa de poort toe; en hield den wegh, waar lanx de portier de sleutels naa booven plagh te draaghen, om hem die te beneemen, zoo hy daarmeê ontgaan moghte zyn. Ontrent de Smeebrug, kryght hem een' drom burgherye in 't oogh. Zy hitzen zich onderling op; Dit was de man, die hun al 't spel maakte: en ranzen hem aan. Woorden en weederwoorden, zoet genoegh van zyner zyde: als oft hy slechts voor gehadt hadde, den oproer te gaan stillen. 'T eindt was, dat z'hem vast hielden, en door dreighementen beweeghden, Vinkenburgh aan de soldaaten te zeinden, met last uit zynen naame, om wal en bolwerken te verlaaten, en zich naa hunne slaapsteeden te begeeven. Vinkenburgh, beleydt by Antonis de Ridder, Burgherhopman, en eenighe andren, doet de boodtschap. En de soldaaten, ziende hunnen toeleg gemist, en twee benden burgheren op hen aankoomen, zeiden t'hunner verschooning, niet dan wettigh bevel gevolght te hebben; slaakten voorts voet, en streeken naa de Abdy van Sant Paulus, daar Tamberghen t'huys lagh. Hier hoorden zy dat hy gevangen was; en bleeven staan, tot dat gemaghtighden van de naakende burghers hun zoo lief spraaken, dat zy naa 's vendrighs huyzing, en van daar, elk naa de zyne vertooghen. Tamberghen en Vinkenburgh werden op 't Raadthuys, en naa ondervraaghing ter yl, op Vreedeburgh gebraght, ten aanstaan van de poorters. De zelve, gemerkt het etmaal der wachte van Hopman Zwart verstreeken was, deeden Tamberghen een briefken teykenen, waarby hy hem gebood van de Neude te scheiden. Zwart, in 't eerst sprak ten tanden uit: 't was een afgedwongen onthiet van een' gevangen Ooverste. Zoo zy dien en Vinkenburgh niet in vryheit stelden, men zouw den rooden haan (dat 's de brandt) haast aan alle kanten zien opgaan. Echter, als de burghers, zonder zich des te kreunen, met hun voorneemen deur wilden, en zyn' soldaaten, van daar hebben, met gemoede oft anders; zoo zwichtten deeze en spreydden, op voorwaarde van onderweeghe geenen aanstoot te lyden. Dan de burghers van 't hoogh eyndt der stadt volghden Oosterwyx knechten in hunne slaapsteeden, en naamen hun al 't geweer af, onder belofte van 't zelve onbeschaadight weeder te leeveren. Hiernaa, doen zy ontrent hondert soldaaten in Sant Jakobs kerke gaan, en aldaar met bier beschenken. Dit was dien van 't laagh eindt het spoor geweezen om 't volk van Zwart op gelyke wyze te handelen. 'S nachts daaraan, ving men Hopman Breekwoldt, den Steêhouder en vendrigh van Oosterwyk, zommighe andre bevelhebbers en tromslaaghers: ten laaste ook Hopman Zwart, die zich erghens versteeken had. Als 't opdaaghde, rukken de burghers weeder naa de Neude toe, daar Tamberghens vendel noch voet hield, en verghen 't zyn geweer af te leggen. Noode gedaan was ook gedaan. Zy vonden +geen' uitvlucht, en braghten 't in 't Paatershuys des Kloosters van Sante Cecilie, dat daar ter plaatse stond. Doch men vergund' hun, 't zelve terstondt weeder naa zich te neemen, mits voorts ter stadt uittrekkende, door de poort van Sante Katryne. Dit quaamen zy naa: en op gelyk besprek, wer-
den +dien van d'andre twee vendels, hunne waapenen ook behandight. Dus maklyk, en zonder koste van eene drup bloeds, gelukte, toen 't 'er snoodst geschooren stond, der burgherye van Uitrecht, het juk af te schudden, dat haar, tien jaaren geduurighlyk de nekke gefoolt had; en door eighe dapperheit den ballast der bezetting te loozen: 't welk de Koning zelf met zyn plat bevel (zoo 't hem eevenwel ernst geweest is) voor heen niet kon te weeghe brengen. De bezettelingen nu buyten zynde; zoo maakte 't ander krysvolk, geleeghert voor de poorten, eenighen uit, die aangaaven, hoe zy hunne Hopluyden verzeekert hadden, en ooverleeveren wilden, mits ontfangende gyzelaars, om met die van binnen, in reedelykheit, t'ooverkoomen. Hun werd geantwoordt, dat men den voorslagh billyk vond, zoo zy den eysch van gyzelaars lieten vallen. Dit naamen z'in beraadt tot 's andrendaaghs: dan braghten toen een bescheydt, welx ongerymtheit verbood te twyselen, oft daar schuylde bedrogh, ontworpen by hunn' Hopluyden. Dies zeide men hun, kort af; zy moghten den gemeenen soldaaten, noch eens, voor al, vertoonen, dat, indien zy uit den Gestichte vertrekken en blyven wilden, elk vendel tweeduyzent gulden aan gelde stryken zouw, mits houdende zich daarmeê vernoeght en afgedankt. Des volghenden morghens, voor acht uuren, hun tot tydt gestelt, keerden de handelsluyden weeder naa stadt; maar maakten 't zoo onheusch, dat hun gebooden werd, zich daatlyk deur te paken. Want, den geenen noch geldt in de handt te bieden, die hen ten gebeente toe geknaaght hadden, docht dien van Uitrecht groote oovermaat van goedertierenheit. Onlanx hiernaa rees'er krakkeel, tussen 't krysvolk van de bemuurde Waardt, en eenighe arbeydsluyden; mits deeze bestonden een' schuyt huysraadts naa binnen te voeren, en d'andre zulx niet lyden wilden. 'T quam entlyk op een schieten uit: oorzaak dat de burghers, bewachtende 't bolwerk van de Waardtpoort, ook vuur op de knechten gaaven. Dit holp de stadt in roere, de gemeent op de muuren. En 't loopen der soldaaten in hun geweer, van deeze tot die poort, deed vermoeden dat het op d'een' of d'andre gemunt was. Terwyl men hiernaa gaapt, vlieght de vlam tot verscheyde daaken uit. Dit was voorneemelyk 't bedryf van Hopman Loozekoot; en te doen buyten de Tollesteeghpoort: die de Wethouders, hoewel z' 'er zwaarigheit in vonden, ter begeerte der burgheren, oopenden. Toen valt men uit; moedigher veel dan ordentlyk. De besten, niettemin, hadden 't beste geluk: gemerkt, in die schermutsing, slechts vier oft vyf burghers doodt bleeven; van de brandtstichters luttel meer oft min, dan tien teegens elken. Verliezende dan de lust van meer diergelyke tornen af te beyden, ontstaaken zy voorts d'andre huyzen met stroowisschen, oft lieten 'er poppen in, en stelden 't op der loop. De poorters joeghen hen naa, tot buyten de Ganzesteegh; van waar zy voorts naa Rysbrug vlooden. De vendels van Hopman Snaater, Gerrit van Sichem, den heere van Kruyninge, die in de Waardt, en voor de poorten van Sante Katryne, en van de Witte vrouwen, laaghen, en d'uitgezette soldaaten, vertooghen ook daarentussen, zonder andren ooverlast, dan dat den buuren van de Waardt een luttel gelds afgeperst werd. Zes van de verloope vendelen, verzaamt des nachts in 't dorp van Zoest, een' myl van Uitrecht, quaamen des andren daaghs voor Wyk te Duursteede, en verzochten dat men hen binnen ontsinge. Die van Wyk, schreumende hen te verbitteren, stonden hun toe, in en uit te gaan, om lyftoght te koopen, mits laatende hun halsgeweer aan de poorten. Maar dus veel voets hebbende, werden ze der stadt haast meester. Thans leydden zy op Vreeswyk, daarnaa op Amersfoort toe; beyde te vergeefs. Immiddels was men, tot Brussel, drok doende, met allerley toerusting, om den toe-
koomenden +Landtvooghdt op 't heerlykste t'ontfangen. De Hartogh van Aarschot werd, in aanzienlyk gezelschap, om hem te haal geschikt. Den +eersten van Bloeimaandt, deed hy gezeeten te paarde, tussen 's Paus gezant en den Bisschop van Luyk, zyn' intreê. De omslagh van Heeren, Ridders, Eedelluyden (waaronder de Baroen van Wynenbergh Ambassadeur des Kayzars) die de staatsy vereerden, samt het hofgezin en gevolgh van Don Johan, steegh wel ten getaale van drieduyzent persoonen. Een' wonderlyke toeloop; en meenighte van menschen, dien 't voorhooft gewaaghde van de blydschap des harten. Triomf boogen konstigh gesticht en vermaalt, d'een' achter d'andre, erinnerden hem 't loflyxt, dat in verscheide krystoghten, onder zyn beleidt, verricht was; en booven al, de roemryke zeeghe teegens d'Ottomansche vloot bevochten. Een gulde waaghen, met gouden laaken bekleedt, voortgetrokken van een paar blanke rossen wees hem den wegh: en had oovervloedt van aardigh gebootste fruyten op, een' sierlyken last; ook eenen bergh van gebrooke waapenen; om uit te beelden wat van den pays te verwachten stond'. De vensters laaghen bestuwt met vrouwen en dochters, jonk, bejaart, van aadelyken, van burgherlyken staate, yder om 't prachtighst opgetooit. Bloemen, kruidt, en kransen, by deeze geworpen, bestooven d'inrydende Heeren: een lieflyke reeghen uit zoo heldere wolken. De eendraght van maatzang, snaaren, en zoetlyk blaasspel, aangeheeven tot verscheide plaatsen daar de stoet verby moest, werd gedommelt en verdooft, onder 't vroolyk gekrys der kindren, die de straaten belemmerden; onder 't geschal der trompetten, 't galmen der trommen, en 't baldren van grof-en handtgeschut. Want zesduyzent soldaaten, dat pas binnen der stadt zynde, holpen tot den glans der feeste, met vuur geeven, en schitteren in 't blinkenke geweer. Don Johan, zwenkende 't vlytigh gezight oover en weeder, voerd' het den bewelkoomeren te gemoet, en onderving hunne vertooningen van goedwilligheit, met een heughlyk en dankbaar gelaat. En 't ging hem wel af, als eenen Heere fraay van persoon, voeghlyk van zeeden, in de jeughdt van dertigh jaaren: en geviel der gemeente, die doch gewoon is, naa den uiterlyken schyn, van de Vorsten te vonnissen. Voorts, 't mangelde, nocht aan vreughdevlammen, nocht aan eenigh ander blyk van yvrighe geneeghenheit t'hem waarts: zulx geacht werd, dat men den Koning zelf nauwlyx hoogher eere hadde kunnen toedraaghen. Ten vierden daaghe, hebbende zynen lastbrief oovergeleevert, zwoer hy, in jeeghenwoordigheit van 's Paus en 's Kayzars gezanten, aan handen des +Bisschops van Shartooghenbos, het Eeuwigh gebodt, den Gentschen pays, alle vrydoomen, rechten, en gewoonten der Landen, steeden, en plekken, zoo wel de minste als de meeste, t'onderhouden, zonder daar teeghen te doen, in wat wyze het ook zyn moghte. Waarop de gemaghtighden +der Staaten hem weederom eedt deeden, en tot Landtvooghdt aannaamen. Volghende voorts den reedsgenoomen voet van de harten der Landtzaaten te trekken, pleeghd' hy, tot Brussel, gelyke beleeften milddaadigheit, als hy tot Looven gedaan had. Echter lieten daarom verscheide luiden van oordeel niet, groot omzien, en mooghelyk des te meerder, naa zyn bedryf te hebben. Waarin, onder ander, geen goedt deed, dat hy etlyke Spanjaardts en Italiaanen in zyn Hof en gezelschap, jaa (zeide men) ouwde spieden van den Hartogh van Alva, aanhield. De heer van Heeze, Steêvooghdt, beschonken, van hem, met drieduyzent gulden erflyk, gevestight op de Staaten van Brabandt, zeide kortelinx de weldaadt op, en gaf de brieven oover. Jaa de Raadshooftman Viglius Suichemus zouw, t'zyner inhaalinge, eenighe woorden geslaakt hebben, die naa wanhoop van de geduurigheit der
+vreede, onder zoo eenen Heere, smaakten. En (een wonder bewys van 't waayen der gemeente met alle winden) het droegh geen' maant aan, oft zoo uitbondigh een' gunst verwandelde in af keer: zulx de zelfste burghery, die hem zoo vuurighlyk ontfangen had, begon te groeyen in 't leezen van smaadschriften teeghens hem uitghestrooit, en in 't hoonen +zyner aanhangelingen. De gemelde Viglius, oudt tzeeventigh jaaren, ooverleed ten achtsten daaghe daarnaa. Hy was gebooren uit Vrieslandt, en den geslachte van Ayta, een man van kloek vernuft, hooghe geleertheit, doortrapt met lange ervaarenis; deftigh van wandel. De blyken, gegeeven van vastgaande trouw voor de Roomsche kerk en zynen Koning, hadden hem vrymoedigh genoegh gemaakt, om te spreeken tot maatigheit, beide in zaaken van staat en van Godsdienst; en zoo veel gegolden, dat men 't hem te goede hield; meer niet. Van parthye te wisselen, om onbenoeghen oover 't verwerpen zyns raads, docht hem te groot een' verwaantheit; oft hachlyk en ongeraaden voor eenen, die zoo wel als hy te hoove stond, en viellicht, by d'andre geen' minder ongereegheltheit in zwank oft te gemoete zagh. Weynigh weeken hier te vooren, (mits het afschaffen der * verlofgelden in Hollandt gehaapert had) was Leoninus, +neevens den Opperschatmeester Gaspar Schets, Heer van Grobbendonk, weeder derwaarts geschikt, om naader daarop aan te houden, en noch zommighe andre punten voor te draaghen. Ziet hier de wightighste. Veirdigh opbrengen van anderhalfhondertduyzent gulden ter maant, ingewillight, voor acht maanden, by de Staaten van Hollandt en Zeelandt, om betaalt te worden, als de plaatsen, begreepen in den lastbrief des Prinsen, die +zich zynen gebiede onttrokken hadden, weederom daaronder gekeert zouden weezen. Geen' scherpheit, teegens die van Amsterdam, te gebruyken. Dat de Zeeuwsche tol niet langer in Zeelandt, maar voortaan t' Antwerpen, naar d'ouwde gewoonte, ontfangen wierde, zonder de schippers in hunne reize te verhinderen. De stadt Nieuwpoort in Vlaandre t'ontleedighen van 's Prinsen bezettinge. 'T voorgeroerde vergelyken der munte. Dat die van Steenberghen, Heusde, Kluynaart, Ruyghenhil, en Fynaart ontlast wierden van de schatting aldaar geheeven tot onderhoudt van 't krysvolk des Graaven van Hoohenloo. De schans van Nieuwgastel te slechten. T'onderteekenen +de vereenighing aangegaan by d'Algemeine Staaten. Het antwoordt was; dat men de verlofgelden, en diergelyke bezwaarnissen, gestelt op de scheepen en koopmanschappen seedert de beroerten, zouw afschaffen; uitgezeidt reedelyk * geleygeldt, noodigh tot veylighing der zee. Op 't verzoek der maantlyke hondertvyftighduyzendt gulden namp men aan, naader te letten. Die van Amsterdam, en hunne klaghten waaren gantsch vreemdt van reede; gelyk t'oover blyken moght. 'T betaalen van den Zeeuwschen tol t' Antwerpen, vond men buyten behooren te weezen; doch wilde daar zulke orde op stellen, dat die stadt, ten beste, naar billykheit gerieft wierd. Nieuwpoort wilde men geirne af staan, zoo haast als de knechten, daar leggende, voldaan zouden zyn. Op 't stuk der munte, zouden die van Hollandt en Zeelandt hunne gemaghtighden oover zeinden. Belangende Heusde, hadden niet d'Algemeine Staaten, oover die van Hollandt, maar deeze oover hen te klaaghen, dat het, zynde van ouds een lidt des zelven Lands, noch onder 's Prinsen gehoorzaamheit niet gestelt was. De Fynaart, Kluynaart, en Ruyghehil, waaren oover vier jaaren met de Hollanders en Zeeuwen vereenight, daarnaa oovervallen van de Spaanschen, weeder ontruymt by de zelve, en tot den voorighen standt gekeert. Nieuwgastel behoorde onder de stadthouderye des Prinsen, die daarom ongehouden was, 't Blokhuys aldaar needer te werpen: doch gereedt den Algemeinen Staaten, in deezen, te believen, naa 't vertrek der
+Hooghduitsche soldaaten uit Shartoghenbos, en als men Breda en andre plaatsen, hem toekoomende, van bezetting ontleedight, en weeder in handen zyner Doorluchtigheit zouw gestelt hebben. Der Vereenighinge van de Roomsgezinde hadden de Prins, en Staaten van Hollandt en Zeelandt, met ronde aantuyghing, weedersprooken, en moghten geen verbondt aangaan, +dat teeghens hun geloof streed. Terwyl men hiermeê tot Geertruydenbergh beezigh was, quaamen ook aldaar, afgezonden van Don Johan, de Hartogh van Aarschot, de Baroen van Hyerges, de heer van Willerval, de Doctoor Adolf van Meetkerke, met den Ryxgezant Andries Gayl. Schets en Leoninus werden gelast van d'Algemeine Staaten, zich neevens hen te voeghen. Naa eenigh onderling gesprek, verzochten zy schriftelyk, den drieëntwintighsten in Bloeimaandt; dat de Prins, nu bekoomen hebbende zyn hartlyk begeeren, naamelyk zyn' eere, zyne goedren, en 't vertrek der Spanjaarden, waarop hy 't aanneemen der waapenen gegrondtvest had, verklaaren wilde, oft'er noch yets ontbrak aan zyn genoeghen en verzeekertheit, op dat men hem voldeede. Dat het Eeuwigh gebodt, in Hollandt, Zeelandt, en de oorden met hun verwantschapt, afgekundight wierde. Dat men alles achter weeghe liete, wat naa vyandtschap smaaken, oft mistrouwen baaren moght: als onderhoudt van oorloghsvolk en sterking van plaatsen; toeleg op eedtghenootschappen en verbintenissen, voorneemlyk met uitheemschen; vergieting van geschut, 't welk behoorde in zyn geheel te blyven, tot het besluyt der Algemeine Staaten toe: de welke wanneer men te beroepen hadde, jeeghenwoordelyk t'ooverweeghen stond. Hierop vertoonden de Prins en de Gemaghtighden van Hollandt en Zeelandt, des andren daaghs; dat hun ontydigh docht nieuwe verzeekringen te eyschen, eer de voorwaarden der Gentsche bevreedinge waaren naagekoomen; met het volbrengen der welke men 't mistrouwen best dempen kon. Naardien de gezanten hun afvorderden, wat'er aan mangelde; men moght, voor eerst, in 't schriftelyk antwoordt, behandight aan den heere van Willerval op den achtentwintighsten van Wynmaandt lestleeden, zien veele punten, uitwyzende 't verschil tussen den pays van Gent, en 't verdragh met Don Johan, tot Marche in Famine, gemaakt. Waaroover 't zelve niet was aanveirdt by den Prins en die van Hollandt en Zeelandt, dan onder besprek in 't gemelde antwoordt uitgedrukt. En d'Algemeine Staaten hadden wel verklaart, dat hunne meyning was de Gentsche vreede te handthaaven, en te doen beeteren alles wat'er bestaan moght zyn tot afbrek der vrydoomen, rechten, en gewoonten der Landen; ook belooft, dit te doen teekenen, by de Stadthouders, Kryshoofden, en Kornellen, als gehouden zich daar naar te richten: maar 't was daarby, en 't besluit onvolbraght gebleeven. De Hooghduytschen, die men schuldigh was ten Lande uit te dryven, laaghen noch in 't midde van dien. Zyn' Doorluchtigheit ontbeerde haare goedren noch: desgelyx haar zoon, de Graaf van Buure: 't welk niet alleen teeghens de vreede streed, maar daarenbooven teeghens de vrydoomen des Lands, en de voorgeroerde verklaaring der Algemeine Staaten. Ook draalde men noch met den Prins t'ontfangen tot Stadthouder oover verscheide plaatsen, begreepen onder den lastbrief, hem, van den Koning, gegeeven. Jaa de Raadsluyden van Staate hadden, met hunne brieven, zich daarin wel partydigh getoont, houdende die van Uitrecht te rug, als zy willigh waaren, tot hunnen voorighen Ooverste te keeren. 'T was voort zoo verre van d'ouwde vrydoomen t'onderhouden en te styven, gelyk men belooft had, dat men ze oopenbaarlyk vermindert, jaa gebrooken en verkraft zagh, in verscheide manieren. Want de Heeren Staaten van ginszyde hadden zoo hunne Algemeine, als de vergaadring van de Staaten
+der gewesten in 't bezonder, onderworpen aan de geliefte van Don Johan, in plaats van de zelve te laaten geschieden in volle vryheit, naar 't recht van yder oordt. Ook liet men dien van den gezuyverden Godsdienst niet toe, te blyven woonen in d'andre landschappen, volghends 't verding van Gent: gelyk by veele exempelen blyken moght, wilde men de waarheit naaspeuren. Onaangezien al 't welke, en dat de voorwaarden der gemelde vreede, ook de beloften, seedert gedaan aan den Prins en de Staaten van Hollandt en Zeelandt, noch onvoldaan waaren, zoo hadden eevenwel, zonder de meening der zelve daarop te verstaan, die van d'andre gewesten Don Johan, tot het hooghbewindt van staat en oorlogh, aangenoomen. En hoewel de Prins, en die van Hollandt en Zeelandt zich daarteeghens niet verzet hadden; zoo zweemde nochtans het houden van deezen voet, naa kleinachting der vereenighing gesticht by den pais van Gent. Dat meer was; men had Don Johan ontfangen, met zyn gevolgh van Italiaanen en Spanjaardts, teeghens 't eighen gebodt uitgekoomen tot Marche. Ook zagh men, teeghens de Gentsche vreede, veele vreemdelingen, en andren, die zich partydighlyk en met de Spanjaardts gehouden hadden, grootlyx geacht by Don Johan: gelyk Octavio Gonzaga, Fernando Nunnes, Escovedo, en den heer van Gastel; die in Engelandt was gezonden geweest, om den bandt tussen dat Ryk en deeze Landen te breeken. Babtista Taxis ook, en luyden van gelyke stoffe, die zich zeer quaalyk gequeeten hadden teeghens de welvaart des vaaderlands, hanteerden daaghelyx zyn Hof: zulx 't gerucht ooveral ging, dat hy, met hun, een' achterdeur oopen hield. Endtlyk, hoewel het misschien der Staaten ooghmerk niet geweest was, zoo scheen nochtans het aanverghen van d'onderteekening eenigher punten, begreepen in de vereeninge onder hen opgerecht, in der daadt een nieuw invoeren van onderzoek des geloofs, veel wreeder dan 't voorighe, jaa dan het Spaansche zelf. Want, in Spanje speurde men, in dat stuk, niemands gezintheit naa, 't en waar eenigh vermoeden op hem viele, oft dat hy oorzaak daartoe gegeeven hadde: daar alhier, onder dexel van 't vorderen der vereeninge, yders gemoedt doortast werd; reeghelrecht teeghens 't verding van Gent, en den eisch aller eendraghtigheit. Men ging nu de klaghten der enkle persoonen verby, die tot geen' herwerving hunner middelen raaken konden, samt het bedrogh en d'arghelisten van d'ontfangers der verbeurtgemaakte goedren; om de Heeren gezanten althans niet te quellen met zoodaane geringheeden, waarvan men, op geleeghener tydt, breeder zouw mooghen handelen. Daar vielen voorts eenighe reeden by monde. +De Prins heelde zyn leedt niet, aanwyzende, dat hem zyn zoon onthouden werd, teeghens de vrydoomen des Lands, en in 't bezonder teeghens die van de hooghe schoole tot Looven: nam, tot getuigh van dien den Doctoor Leoninus, die 't toestond. D'andre gezanten, pooghende dit in de beste vouw te slaan, braghten by; 't waar geschiedt, uit vaaderlyke liefde des Koninx, om hem en zynen zoon te hoeden voor misquaam. 'T welk de Prins weederleidde, met zeggen; dat zyne Majesteit hem, ter zelve tydt, balling 's Lands, en hem al zyn goedt afhandigh, gemaakt had, zonder yets achter weeghe te laaten, dat tot schending zyner eere gedyen moght. Desgelyx klaaghd' hy, dat hem zyn' Baroeny van Breda niet ingeruymt werd. De gezanten kenden dat het reede was, hem de goedren te laaten genieten, maar den Koning, als Landsheere, vry stond, het Slot en de stadt, t'zyner geliefte, te bezetten. Hy voeghde daarop, dat een vassaal wel verplicht was, zulx, by effene tyden; te gedooghen: maar, dat die plaats nu hem als parthye, die ze aande Staaten bedongen had, toequam. Ook zweegh hy van Uitrecht niet. Waarteeghens de gezanten zeiden; Uitrecht, naa 't verstandt der Raaden van Staate en van Mechele, behoorde on-
der +zyn gebiedt niet; oft het geschil ten minste onbeslecht te blyven, tot de vergaadering der breede Staaten toe. En de Prins weederom, dat dit geenszins ter kennisse des Raads van Staate, oft van Mechele stond; de welke anders lichtelyk al de payspunten, die hun quaalyk gevielen, moghten in kyf houden. Maar, wat vervaat was in zynen lastbrief, moest, naar luydt der bevreedinge, t'zynen bewinde staan: waartoe ook die van Uitrecht zich wel geneeghen toonden. De gezanten beloofden, des verslagh te doen. Daarnaa vermaande zyn' Doorluchtigheit, van 't afbreeken der burghen van Antwerpen, Gent, en Uitrecht. Hierop werd voorgewendt, dat men die van Gent en Uitrecht niet ter neêr smyten kon, zonder verneedring der achtbaarheit van Kayzar Karel hooghloflyker gedachternisse, die ze gesticht had. U dunkt, zeide de Prins toen, dat ik wantrouwende ben; maar my, dat ghy quaadt oogh op de steedelingen hebt, en daarom dier wyze de zaak der blokhuizen bepleit; oft deeze denkt te misbruyken teeghens de vrydoomen der steeden. De gezanten dreeven hem toe, dat hy door brieven, in Gelderlandt, Vrieslandt, en Uitrecht, scheen onrust te zaayen: hy hun weederom, dat hy niets geschreeven had, oft wild' het wel gestandt doen, als 't geen enkelyk uitquam, op aanbieding van zynen goedtwillighen dienst, tot vordering van 't gemeine heil. Dacht ook voortaan zulx niet te vermyden; zynde zyn zin en wit, allen onderstandt te doen aan de lastlydende gerechtigheeden des Lands, om 't zelve tot zyn ouwde bloeisel en voorspoedt te brengen. En als de gezanten hem Don Johans aanbodt, vernieuwden, van zyner Doorluchtigheit te believen, in 't geen zy wyders moght' hebben te eischen oft voor te wenden; antwoord' hy, de voldoening der Gentsche bevreedinge voor al te begeeren. Wilde men hem, daarnaa, eenighe vorder gunst bewyzen, hy zouw zyner Hoogheit des dank weeten, zoo 't strekte tot's Lands nut; 't welk, en niet eighe baat, zyn eenigh ooghmerk +was. Hierop scheidde men. Dapper drok hadden 't, in deeze daaghen, die van Hollandt en Zeelandt, met het hermaaken der dyken, die, zoo door onweeder, als uit zaake der oorlooghe, grootlyx beschaadight, en af, oft deur, gesteeken waaren. Ende hoewel de kosten ondraghlyk, en 't krakkeel, daaroover ontstaan, nauwlyx te slyten scheen; zoo werd nochtans alles, door 's Prinsen voorzight en achtbaarheit, geredt. Don Johan, nu in 't bewindt, pooghde voor al te betoonen, hoe zeer hem 't handthaaven van den Roomschen Godsdienst ter harte ging. Dies beval hy, by brieven van den drieëntwintighsten in Bloeimaandt, den Bisschoppen en Kettermeestren, een waakend oogh oover hunne schaapen te houden; de +zelve te stichten door heilighen voorgank van leeven, en te waapenen met goede leere, teeghens de aanslaaghen der verslindende wolven: en deeze te straffen, volghends de geestlyke rechten, en 't Concilie van Trente: waartoe hun 's Koninx maght, en de zyne, daar 't noodt deed, niet ontbreeken zouw. En zy hadden den volke kundigh te maaken, dat men de vryheit, die de ketters uitstrooidden verworven te hebben, geenszins meinde te dulden, maar hen daar voor hooghlyk te doen boeten, als versteurders van de ruste des Lands. Schryvende vast het zelfste aan de Ooversten en Raaden van gerechte der gewesten, voeghd' hy daarby, dat zy ernstelyk hadden naa te trachten alle ketters, die zich quaamen te verloopen tot oproer, onorde, arghernis, oft reedenen strekkende tot smet en verleiding der zielen: en hen te doen draaghen de peenen, staande tot het verhindren en krenken der gemeene welvaart. De zwaarste zorgh hierenteeghen, der Staaten van zyner zyde, was, op dit pas, het loozen der Hooghduitschen, welker betaaling t'hunnen laste stond. Zy zouden hen wel geirne, strax naa 't vertrek der Spanjaarden hebben zien lichten uit Antwerpen, en verleggen ter plaatse, daar hun marren minder quets doen moghte, gelyk by 't Eeu-
wigh +gebodt besprooken was. Maar Escovedo, die de mondt van Don Johan geacht werd, draaghende dit volk booven maate, ried, dewyl men hen doch te vreede stellen moest, hun voorts af te betaalen; jaa zonder uitzondering der geenen, die voor schelmen verklaart waaren; en zoo wel de Kornellen, als den slechten soldaat te vernoeghen. Andre gissing was by de Staaten gemaakt. Want eenighe vendels hadden zich in hunnen eedt begeeven, en thans dien gebrooken: andre zich vermengt met het plonderen van Maastricht, en van Antwerpen; daar ook een groot deel der Ooversteynsche gesneuvelt was. En ooverzulx hadden de Staaten, geen' soldy toegeleyt, aan meer dan zessendertigh vendelen, van tsestigh in 's Koninx dienst geweest. Seedert, duchtende hiermeê niet deur +te mooghen, hadden zy last gegeeven, om met Polwyler, Fronsbergh, en Fokker, samt de rest der Ooversteynschen, te handelen, oover afreekening, betaaling op dagh, en verzeekering daar voor; mits dat men aftooghe 't geen den ingezeetenen ondeughdelyk was afgeperst. Zoo de Kornellen geen gehoor gaaven, zouw men verzoeken hoe de zaak by de Hopluyden en knechten laaghe. De Kornellen worpen 't wyd in 't eerst; zeiden met de Staaten geen doen te hebben, en by den Koning aangenoomen te zyn. Hieroover, oft schoon't volk van Ooversteyn zich wat reklyker toonde, bood Don Johan zynen dienst uit, om zich t'Antwerpen te vervoeghen, en 't best te doen tot beweeghing der Kornellen. De Staaten stelden dit te zyner bescheidenheit; doch gaaven hem te bedenken wat aanstoot het weezen zouw voor de gemeente dier stadt, zoo hy zich inhanden der geenen vertrouwde, die haar zoo schendigh uitgestreeken en berooft hadden. Dies zond hy Escovedo, neevens gemaghtighden der Staaten, die den Kornellen twee maanden in geldt, eene aan laakenen, aanbooden; mits dat zy daatlyk ten Lande uittooghen: in welken gevalle, men met hun afreekenen zoude, en bondtschriften en verzeekering geeven voor 't ooverschot. De Kornellen verklaarden niets te darren doen, zonder gemeenschap met het krysvolk buyten Antwerpen leggende; en verzochten tydt daartoe: dat het bodt te gering was, en de Spaansche Kroon ongewoon dier wyze te handelen: wilden eerst afreekening hebben, hunne rest weeren, en wat voor verzeekering; jaa dat men hun die in 't Roomsche Ryk zoude stellen. Zy verzochten ook meer gereeds, en met Don Johan zelf te spreeken: gaaven voorts goede woorden, van geneeghenheit tot 's Koninx dienst en de ruste der Landen. De gemaghtighden drongen op handeling voor af met die van Antwerpen, zonder vooroordeel teeghens d'andre benden: bewillighden in veirdighe afreekening, in verlyding van bondtschriften der Staaten, daar zyn' Hoogheit ook voor staan zoude, noopende de rest, te voldoen in vier jaaren, by eevene gedeelten. 'T welk den Kornellen niet vreemdt dunken moeste, gemerkt de jeeghenwoordighe armoê des Lands, en dat men, met de Hooghduytsche hoofden, in den laasten Franschen krygh, op gelyken voet, ooverkoomen was. En men zouw zoeken te bearbeiden, dat zy met Don Johan tot mondtgemeenschap quaamen. D'andren, hierop, zeiden, zich te willen voeghen, zoo veel als draghlyk viele, en bereidt te zyn, met zyn' Hoogheit, uit 's Koninx naam, te handelen, mits dat men alvoore met hun afreekende. Naa verslagh hieraf aan de Staaten gedaan, werd goedt geacht, dat de Landtvooghdt zelf naa Mechele ginge, +om aldaar met de Kornellen te woorde te koomen. Voor zyn vertrek, verghd' hy den Staaten, den Prins te bekryghen; voorwendende, dat die den pays brak, door 't quellen van d'Amsterdammers: 't welk, naar zyn' zeggen, hem zulx drukte, dat, wen hy zich in Spanje oft Italie vonde, hy de reize herwaarts zouw aanneemen, om 't enkel verdaadighen hunner zaake. Dit baarde byster naadenken. De Staaten, echter, antwoorden meer niet, dan
+dat men eerst beeter kennis van dit stuk behoorde te neemen, en d'ellenden der oorlooghe te schuwen, zoo lang daar hoope waar, van de geschillen, by t'zaamenspraak, oft t'hunner breede zaamening, te beslechten. Quaalyk geviel deeze koelte dien kryszuchtighen Heere: en hy scheidde met die weersmaak, neevens andre wrokken in den krop, den vyfden +van Zoomermaandt, uit Brussel. Gekoomen tot Mechele, en wel staatlyk ingehaalt, scheen hy 't werk grootelyx te beyveren. 'T ging nochtans niet voorwaarts, maar de Kornellen bleeven eeven strak. De Staaten, haatende 't verwylen, dat hun, naar hunne reekening, op honderduyzent, naar die van de d'Hooghduytschen, wel op hondertentachtentighduyzent gulden ter maandt, zouw koomen te staan, verbeetren, met bydoen van noch een' maandt solds in gelde, het bodt tot Antwerpen gedaan. Vergeefs. De Ryxgezanten besteeden zich hieraan; eeven vergeefs. Endtlyk maakten de Staaten, den vyventwintighsten der gemelde maandt, een besluyt; Dat hunne gemaghtighden, daartoe te verordenen, veirdighlyk afreekenen zouden, met uitgemaakte luyden van elk vendel, ter plaatse by zyn' Hoogheit te beteykenen. Te korten 't geen by de krysluiden ontfangen bleeke aan verstrekkingen niet begreepen in der Hooftmannen lastbrieven; 't geen zy aan de Staaten, steeden, dorpen, en bezondre persoonen, schuldigh waaren; en 't geen zy, t'hunner eighe bescheidenheit (gelyk de soldaat dat noemt) verteert hadden; 't welk, voor elken dagh, zoo hoogh geschat zouw worden, als hunne wedde bedroegh. Deeze afreekening te eyndighen binnen den tienden van Hooymaandt. Des hadden de voorzeide vendels, binnen den zelven tydt, het aanbodt van den twintighsten lestleeden t' aanveirden. En men zouw hun, die nu, ten verzoeke van Don Johan, een leening wegh hadden, noch eene verschaffen voor de laaste; mits dat zy zich onthielden van meer te eyschen, en van alle geweldt, 't welk zy, (zoo men vernam) tot veele plaatsen, pleeghden. Zoo zy hiernaa niet hoorden, zouw men hen, ten uitgang van den bestemden dagh, voor afgestelt houden, en hun geen' leening toeleggen. De eeteryen van hunne wyven, kindren, hoeren, en jongens, die meer gekost hadden dan de gansche soldy bedroegh, zouw men trachten te quyten met een' merkelyke somme, ten opzien van hun lang onderhoudt, de grootheit der schuldt, en 't onvermooghen der Staaten. Voorts hadde men aan te staan by Don Johan, dat hem geliefde de steeden, zonderling Antwerpen en Shartooghenbos, t'ontlasten van dit krysvolk, zonder den bestemden dagh af te wachten. Ten laatste, zoo deeze voorstellingen niet aangenoomen wierden, zouw men zyn' Hoogheit verzoeken, dat zy voorzaaghe teeghens alle plondering, afpersing, en geweldt, den Lande, viellicht, naakende. Waartoe haar de Staaten getrouwe hulp en gehoorzaamheit zouden bewyzen; en, aan de benden van ordening te voet en te paarde, ontbieden, zich gereedt te houden. Wyders schreeven de Staaten, aan de regeerders van Antwerpen, Shartooghenbos, Berghen op Zoom, Steenberghen, Graave, Kampen, Deeventer, en andre steeden, bezet met Hooghduytschen, dat zy den zelven, voor't laaste maal, een' leening voor vyftien daaghen zouden willen uitreiken: des had men hun, uit d'eerste gelden by d'Algemeinheit in te willighen, alles te herborzen; wat by hen, sedert Bloeymaant, verschooten was. Ten zelven +tyde ontsloeghen zy van dienst, en stelden te vreede, eensdeels met baar geldt, eensdeels met bondtschriften, verscheide troepen by hen aangenoomen; als de geene, die in 't Landt van Naamen, en daar ontrent laaghen; 't regement Waalen van Mario Cardoini; dat van Margelle; en hondertvyftigh paarden van Bartholt Entes. Bossu ging, uit hunnen naame, de vendels afdanken, die zich in 't Sticht van Uitrecht onthielden. Waartoe de Landtzaaten zessentwintighduizent gulden verstrekten, die zy, te leene,
+van die van Hollandt verworven. Daarenbooven vorderd' hy hun de gevangene Hopluiden af. 'T welk der gemeente zeer verdroot, die daaroover wilde straf zien doen. Eevenwel, om 't ruymen des krysvolx niet te verwylen, men liet ze hem volghen, onder belofte van hen in de maght des Raads van Staate te leeveren, en voor den zelven te recht te doen staan. Geduurende Don Johans verblyf tot Mechele, zaaten Scheepenen aldaar oover de zaak van zeekeren kleêrmaaker, geheeten Pieter Panis, persoon van wiens handel en wandel zy zeer eerlyk getuyghenis vernaamen. Maar hy beleed, ten gehoore eens Leeraars, van den gezuyverden Godsdienst geweest te zyn, in 't dorpken Bolheyn, niet verre van der stadt; en bleef standtvastelyk, zoo wel als by zyn geloof, in weighering van andren te melden, die zich ter zelve zaameninge gevonden hadden: 't welk de rechters bet verbitterde. Harde liepen voor hem zyn' gebuuren, aan den Schout, Willem de Klerk, Ridder, en heer van Boevekerk, dien deeze tytel niet by geval aangewaayt scheen, naar 't lichtveirdigh antwoordt; waarmeê hy hen afzette, zeggende: dat 'er geen raadt voor zoo hardtnekkigh een' ketter was, die, nocht om den strop, nocht om 't vuur t'ontgaan, zyn' gezintheit verzaaken wilde: 't welk hem zelve lichter staan zouw, dan den vinger in de vlam eener kaarse te steeken. Aan zoodaane gemoeden was, op dat pas, het gezagh oover de vroome vertrouwt. By wel vuurigh en vruntlyk voorschryven, verzocht ook de Prins, dat men den gevangen verschoonen, en d'ouwde toonneelen der tierannye, bronnen van bloedt en zoo veelvoudigh een onheyl, niet weeder +oprechten wilde. Dan 't werd in den windt geslaaghen, Panis ter doodt verweezen, en in 't oopenbaar onthalst, by aanstemming van Don Johan. 'T welk veele burghers grootlyx ontstelde, en hem met zwaare opspraak belastte; zonderling der Onroomschen, die by deezen voet het gevolgh zyner regeeringe afmaaten. Die van Hollandt en Zeelandt hadden, nu oover een' wyle, zich des oovertallighen krysvolx quyt gemaakt, naarstighlyk +voorziende op het mindren der kosten, en 't raadigh besteeden der inkoomsten. Kunnende nochtans nemmer vast genoegh gelooven, dat de nieuwe Landtvooghdt het oprechtelyk met den pais meende, behielden zy vyvenveertigh vendelen knechten, elk van hondertendertien koppen in dienst, neevens dertigh scheepen van oorlogh. De Prins ververschende de klaghten, laastmaals van zyner zyde tot Geertruydenbergh gedaan, vorderde voldoening daarop by eenen ernstighen brief, gericht aan der Algemeine Staaten gemaghtighden tot Brussel. En hy erinnerd' hun, dat de behoudenis des Lands aan de Gentsche vreede hing. Dat, zonder 't handthaaven der zelve, de laaste val de quaatste worden moest, en 't jongste juk ondraghlyker viel dan het ouwde. Hoe schendigh men de eere en achtbaarheit, reeds verkreeghen by alle volken, door 't manhaftigh aanheffen van zoo loflyk een werk, verwaarloozen zouw, indien men hen deede oordeelen, by 't slappen des voorighen yvers, dat die veel eer uit een beroert gemoedt en reukeloos ongedult waar her gekoomen, dan uit bedaarden raadt, standtvastighe vroomheit, en deughdzaam besluyt, gegrondt op recht en reede. Maar, met de Hooghduytsche Kornellen te Mechele, raakte men, van dagh tot dagh, dieper in knibbeling, en hoe langer hoe veerder van elkanderen, door 't opwerpen van nieuwe geschillen. Don Johan toonde des droef, en te lyden te zyn met de Staaten, die, mits het +afdanken van zoo veele benden te gelyk, door hunne schulden niet heen zaaghen. Hy schreef hun, by Escovedo, hoe zyn zin was, den zelven naa Spanje af te veyrdighen, om een' goede som penningen, t'hunnen bystandt, aan den Koning te verzoeken. Dit wracht weederom gunst: en Escovedo wist zyns meesters en zyn' eighe geneeghenheit tot den Lande, zoo schoon
+op te pronken, dat het onbenoeghen oover Don Johans gemeenschap met d'Italiaanen en Spanjaards nu bekoelde. Jaa de Staaten dachten Escovedo, tzynen weederkeer, met een jaargeldt van tweeduyzent kroonen te beschenken. Men gaf hem dan eenen brief aan zyne Majesteit meê, waar in d'algemeene noodt, en d'oorspronk der zelve, ten breedste, ontfouwen stond, met een wel deerlyk smeeken, en aanroepen haarder milddaadigheit. Hangende de dingen aldus; geviel 't dat Vrouw Margriete van Valoys, zuster van Vrankryk, door Heenegouw, naa Spaa gereyst quam; quansuys om 't bronwaater aldaar, zoo vermaart van geneeskracht, teeghens zeekere quaale in te neemen. Uit hoofde van haaren man Henrik van Bourbon, den welken, daarnaa tot de Fransche kroone gekoomen, men in Doorluchtigheit alle Vorsten zyner eeuwe heeft zien oovertreffen, was zy Koningin van Navarre. Maar, om den Spanjaardt, die dat Ryk meest al bemaghtight houdt, in zynen tytel niet te verkorten, werd zy in Neederlandt, op 't hooghste, slechts Hartooghin van Vendosme genoemt. Don Johan, voorwendende dat hy, heusheits halven, niet leedigh staan kon, haar, als een' schoonzuster zyns Koninx, te begroeten en onthaalen, ontbood de Hoofttakken des Eedeldooms by zich; en onder andre den Prins van Chimay; de welke, zynde zoon des Hartooghen van Aarschot, als Steêhouder zyns vaaders, op de burgh van Antwerpen +'t bevel had. Met dit gezelschap gaf hy zich op wegh naa Naamen; reed van daar der genaakende Koninginne te gemoet, en ontfing haar met groote eerbiedenis. Op den aavondt haarder inkoomste, vond zy alle vensters en winkels gestoffeert met oovervloedt van lichten, en geen gebrek van dagh. Des volghenden morghens liet hy haar een' misse hooren, op de Spaansche wyze, met maatzang, vyoolen, en kromhoorens. Voorts gink men ten bankette, daar hy, t'eener afgezonderde taafel, met haar alleen aanzat, en zich van drinken deed dienen, door Octavio Gonzaga, te knie. Naa 't opneemen, braght men de rest des tyds, met dansen en kouten, deur. Des andren naamiddaaghs, werd zy met een zeer sierlyk boot, omringt van schuyten vol zangeren en speelluyden, gevoert aan een eyland der Maaze; en aldaar gefesteert, in een' zaal gevlochten van klimoptelghen, met veele pryeelen rondom, ten welken 't geluyt van stemmen, snaaren, en blaastuygh, uytgalmde, zoo lang als 't aavontmaal duurde. Zynde de taafels weghgeheemelt, voeghde men zich ter danse, en keerde, daarnaa, weederom steêwaarts. 'S uchtens daaraan, vervolghde de Koningin haar' reyze, en werd, tot in haar schuyt, verzelschapt van den Landtvooghdt; die, naa een welbeleeft en voldoenzaam oorlofneemen, haar, by den Heer en de Vrouw van Havrech, tot Huy toe, geleyden deed. Dus ontlaaten in hofweelde scheen Don Johan, en 't hooft niet dan vol mooy weeders te hebben, als hy schielyk omkeert, en werpt zich, reegelrecht teeghens 't Eeuwigh gebodt en de verwachting der Staaten, geweldigher +handt, 't bedrogh te baat genoomen, in de burgh van Naamen. Andren stellen dit als gebeurt 's daaghs naa 't vertrek der Koninginne: maar zy, die haar leeven, en de fortuyn der haaren, den naakoomelingen en bloeyenden style vertelt heeft, meldt, als uit monde der Markgraavinne van Havrech, dat hy, daatlyk naa 't afscheidt van haar, en eeven uit de schuyt getreeden, ging te paarde zitten, om 't werk te beginnen: 't welk, in deezer maniere, besteeken was, en op den vierentwintighsten van Hooymaant, volbraght werd. Zich gelaatende ter jaght te ryden, zond hy den Graaf van Barlemont, met Hyerges, Meeghen, Floyon, en Hautepenne, vier zoonen des zelven, naa 't Slot, en verstak een deel krysvolx in zeeker woudt daar ontrent. De Barlemonden vervoeghen zich by den Ooverste Jan van Borgonje, Heer van Froymont, en pooghen hem met vrundtlyke vertoo-
ningen +t'ooverreeden, dat het wel passen zoude, den Landtvooghdt in 't verbyryden, binnen te noodighen, om de sterkte te bezightighen. Die laat zich beleezen; en Don Johan, genaadert zynde, heet de lyfwacht achterwaarts deyzen; de Heeren hem verzelschappen; zyn gezin volghen, 't welk met voordacht in tal gesterkt was, en op voordeel gewaapent. Terwyl Froymont, hebbende hem bewelkoomt, den ontbyt doet gereedt maaken, blyft hy, met d'andren, in de poorte staan praaten, tot dat het krysvolk uit het bos quam aanrennen. Toen rukken die van Barlemont het zinkroer uit den kooker; voorts hy zelf, en biedt den geenen, die de wacht hadden de tromp; met zeggen, dat die dagh d'eerste zyner Landtvooghdye was. De bezettelingen, stokouwde oft verminkte soldaaten, gelyk men gewoon is op diergelyke plaatsen te leggen, zwichten terstondt, en laaten zich, neevens Froymont, ter burgh uitzetten. Eenighen hielden deezen aanslagh hem ingegeeven te zyn door konstenaarye des Prinsen van Oranje, om hem alle geloof te beneemen. Maar 't gaat vast genoegh, dat hy hierin niet dan zyn eyghen hooft en 't ophitsen van Barlemont volghde, verwerpende den rypen raadt des Graaven van Mansvelt, die hem ernstigh vertoonde, dat de klank van dit stuk 't gansche Landt zouw te waapen daaghen; en niet alleen zeer zwaarlyk hier te verschoonen vallen, maar misschien zwaarlyker noch in Spanje, van waar Escovedoos antwoordt verwacht diende. Voorts, Don Johan, aldus meester van 't Slot geworden, voorzagh zich ter yl van alle nooddruft; riep de Heeren te zaam, en ontfouwd' hun, dat zyn gedult, te veel geterght door de Staaten, met allerley soort van weederwaardigheit ten eynde was. Hy wilde voortaan volkoomentlyk en naar uitwyzen van zynen lastbrief, gehoorzaamt weezen. Dat men hem slinx naagetracht had, jaa gezocht binnen Brussel oft Mechele vast te houden; gelyk hy, by twee verscheide brieven, die hy hun toonde, verkundschapt was. Al 't welk hem tot het verzeekren dier plaatse gedreeven had, om zynen persoon, en 's Koninx dienst te raade te houden. Dien 't geliefde te blyven, zouden aangenaam zyn; dien niet: stond het vertrekken vry: alzoo hy zich met niemands onwilghen dienst beholpen vond. Veel' waaren'er, die zich strax deur maakten: andren, waaronder Aarschot en Chimay, bleeven hem by, tot dat zy zaaghen, wat zwaay de zaaken neemen wilden, Teffens schikte hy eenen Eedelman naa beneeden, om de beroerde gemeente te stillen, door 't voordraaghen der zelfste reedenen; die hy ook daadtlyk oover schreef, aan verscheyde +gewesten, steeden, en Heeren. Aan de Gemaghtighden der Algemeine Staaten zond hy den Heer van Rassingem, met dubbelt, der gemelde brieven van waarschuwing; wyders, om, voor zyn weederkeeren naa 't Hof, 'tvolbrengen van eenighe punten te vorderen, die daarop uit quaamen, dat men den Heer van Heeze Steêvooghdt, en de burghery van Brussel, t'ontwaapenen hadde. Oover deezen uitbrek van vyantlykheit, met bemaghtighen eener grensplaatse van zulk belang, ontstelden zich grootlyx de gemeene Landtzaaten: te meer, mits hy voorts Charlemondt, door den Heer van Hyerges verzeekerde; den zelven daar Steêvooghdt maakte; en Luxemburgh t'zynen wille had. En de gedaantenissen der beproefde jammeren weemelden, op nieuw, voor yders ooghen: zonder dat men wel wiste t'onderscheyden, wien de zelve te wyten waaren. 'T geen t'zyner ontschuldighing voorgewendt werd, had geen' geringen glimp. Want, wat gelykenis naar waarheit, dat hy, die 't Slot van Antwerpen, de steeden van Lier en Maastricht geruymt had; de Spaansche, Italiaansche, Borgoensche troepen verzonden, om den pays te koopen; zich, althans naakt van soldatye, en versteeken van die plaatsen, buyten noodt, in oorlogh ginge plonsen? Dies heekelde 't gerucht, niet alleen den Prins, maar ook d'Algemeine Staaten;
+hem, als raader tot slaan der handt aan 's Koninx oppersten Stadthouder, om de vankenis zyns zoons daarop te verhaalen, en met een 't gansche Landt eeven onverzoenlyk jeeghens zyn' Majesteit, als hy zelf was, te maaken: hen, als in 't stuk bewillight hebbende, om eenen Vorst van den bloede, tot onderpandt van straffeloosheit te bekoomen, en 't hooghbewindt, zonder eenigh omzien, naa hun welbehaagen te dryven. Maar de brieven, by hem voortgebraght, had niemandt onderteekent: en 't is nu tydt, der dubbelheit den boezem op te sperren, en 't broedsel der hoofsche beveinstheeden, booven eensdeels aangeroert, met klaarder dagh te beschaamen. +Don Johan dan, t'zyner aankoomst uit Spanje had de dingen in standt gevonden, om te zorghen, dat de Roomsgezinde Staaten, blyvende eene lyn trekken met den Prinse, 't vreemdt krysvolk ten Land' uit moghten jaaghen, en een' regeering naa hunnen zin stichten: ofte, ten quaadste koomende, hunne toevlucht naa Vrankryk neemen, werwaarts het oogh reeds gewendt was. In 't aangaan van den pays, had hy deeze reekening gemaakt: dat misschien beyde de parthyen zich vlyen zouden onder 't Eeuwigh gebodt; in welken gevalle de ruymte, ingewillight by 't zelve, maklyk geweest waar allenskens te krimpen, tot op den voorighen voet, mits 't verdwynen der jeeghen woordighe heevigheeden, en 't opwellen van nieuwe gedachten, gewoon, in tydt van rust, de menschen, by gebrek van ander handtgebaar, te kittelen, en hun, verschillend wit, bezondre inzighten, voor te stellen, tot slapping oft breuk van den eersten bandt der eenigheit. En, wen schoon die van Hollandt en Zeelandt weygherden zich naar 't voorzeyde gebodt te schikken, zoo docht hem nochtans, goedt doen met hun te zullen hebben, indien de breede Staaten beslooten, aldaar het eenigh Roomsch geloof te planten: waarmeê de PrinS (stond hy 't toe) verliezende den trouwsten aanhang, van zyn veldt zouw geweest zyn. Indien zyne Doorluchtigheit zich aan d'uitspraak der Staaten niet keerde, zoo hield hy, dat zy, met hem, teeghens haar, in maatschappy van waapenen treeden zouden: en dat, d'eylanden alzoo t'onder gebraght zynde, de rest t'zyner genaade staan moest. Ziende thans den Prins schoorvoeten, teeghens 't Eeuwigh gebodt; en de Staaten (die ook wat wisten) zulx gezint, dat zy scheenen, den zelven oft niet lichtlyk tot wisseling van Godsdienst te zullen verplichten, oft indien zy dit schoon deeden, en hy des weygherde, daar om geen harnas te willen aantrekken; zoo was'er, zyns achtens, niet gevordert met de vreede. Dies vielen zyn aardt en oordeel eenstemmigh op den krygh. Hierenbooven, ten eynde zyn' toghtigheit bet op staake, loogh hy zich zelve toe, dat de Staaten niet dan zyn' verkleyning zochten, om zich van geduurighe monbardy oover hem te verzeekeren; en met houte moffen te vermassen, handen, die hy waande tot voeren van schepters geschaapen te weezen. Derhalven had hy ook reeds in 't begin van Grasmaandt, zeer driftelyk aan den Koning om voorraadt van gelde doen schryven; met melden, hoe +'t meeste deel der Landtzaaten van 's Prinsen handt vloogh: eenighe gewilligh; andre door de zelve bygebraght: waaronder men bykans de gansche gemeente moest tellen. Die de weldaaden zyner Majesteit zochten te genielen, hielden zich genoegh gequeeten met het aanveyrden der zelve, en hadden te luttel moeds, om zich manhaftelyk te uiteren. Niet den allerminsten dienst had hy verzuymt, om harten te winnen, en den Staaten hunnen plicht te erinneren: maar bevond, dat het, tot noch toe, in de woestyne gepreekt was. De zelve Staaten meynden 't oevel met de Hooghduytschen; en zoo men deeze t' onvreede liet, 't waar (vreesd' hy) t' eenemaal omgekoomen met de achtbaarheit zyner Majesteit, by dien landtaardt. Hy had 'er onder aan gevoeght, met eyghene handt; Dat dit lichaam,
+zonder afzetten der bedorve leeden, niet te geneezen was. Hierop liepen, al meede te dier tydt, Escovedoos bezondre brieven, inhoudende; dat, by woorden nocht werken, geneeghenheit in de Staaten tot het volbrengen hunner beloften gespeurt werd. Waaromme de Koning t'ooverleggen had, wat'er te doen stonde, zoo zy zich tot den ketter keerden. Dat alles, wat men hoorde oft zagh, toeging naa vryheit van gewisse: die nochtans zyner Majesteit niet quaalyk te passe zouw koomen; gemerkt, de geenen, die daar eenen afkeer van hadden, en de Raadsheeren van Staate, dien de hoon der geleedene vankenis noch zeurde, geschaapen waaren, zich teeghens de reste te kanten. Welk hun onderling plukhairen aan zyn' Majesteit schoon spel zoude geeven, om d' eenen door d' andren te straffen. Op den neeghenden der voorzeyde maandt, had de zelfste Escovedo geschreeven; Antwerpen, naardien 't zynen Godt verliet, zoude des vyands eyghen worden. Indien *Wonderdaadt deezen handel ten beste zouw keeren, 't was hoogh tydt dat het verscheene: indien 't handen en kraft moesten doen, zoo had zyne Majesteit, eer 't te spaade wierd, het noodighe te verzorghen. Ik, (schreef hy) naar mynen zin, zouw geen' staat maaken, van plaatsen op 't hechte landt te bemaghtighden. 'T is 't stuk der eylanden daar men op toeleggen moet. En hier aan houd ik meer werx vast te weezen, dan aan dat van Engelandt. Dit gewonnen, 't ander ontstond' ons niet. En om hiertoe te raaken, is maar maatighe maght van doen. Uwe Majesteit neeme dit niet als gezeyt, om de zaake van den Heere Don Johan; want die laat ik verre achter; maar om die van uwe Majesteit, daar geen ander helpen aan is; gelyk ik oover lang vermaant heb. 'T zelfste heeft de tydt geleert, en zal 't leeren t' aller uure. Ook had Don Johan den Prins met d'allervuylste verwen afgeschildert, by den Kayzar en de Keurvorsten; zelfs by de Koningin van Engelandt, buyten weeten der Staaten; en gepooght te verhinderen, dat haare Majesteit hun met eenighe penningen te baat quaame. Door den afslagh van 't verzoek van die om Hollandt en Zeelandt te bekryghen, was hy bet gestyft in zyn gevoelen en voorneemen. 'T magh daarbeneevens zyn, dat de dartelheeden, en 't wanontzigh der Brusselsche gemeente yets geholpen hebben tot hem voorts baloorigh te maaken. Men vond'er ook, die zyn' anxt voor aantasting niet voor gebootst hielden; maar dat de twee brieven van waarschuwing by een' versch opgereeze parthyschap die men Contrajohannisten noemde gedicht waaren, om hem een wanvoeghlyke vlucht te doen neemen, en alle Spaansche bewindsluyden schuw van zoo schor een' bediening te maaken. 'T welk niet quaalyk naar waarheit zweemt, zoo men geloof geeft aan 't geen hy, een' wyl hiernaa, t'zyner verdaadighing bybraght: naamelyk, hoe hem, t' eener midnacht, aan zyn' bedde, de Burghgraaf van Gent, tot Brussel, was koomen aangeeven, dat hy zich flux wegh maaken moest, zoo hy de laaghen, hem bereydt, ontgaan wilde: voeghende de Burghgraaf bedenkwaarde reedenen van weetenschap daarby. Dat, daarnaa, tot Mechele, de Hartogh van Aarschot teeghens hem had uitgeschooten, hoe 't bestek des Prinsen, noopende 't verzeekren van zynen persoon, noch in zwank ging, om hem te doen teekenen etlyke punten, strekkende tot vryheit, en diergelyke dingen: 't welk weyghrende hy gevaar liep, van ter venster uitgeworpen, en op de spietsen ontfangen te worden, gelyk ouwlinx alhier zeekren Landsheere gebeurt was. Zwanger met dusdaane gepeynzen, en niet dan oorlogh aamende, gevoeld' hy wel, wat zyn' zaaken, door 't ooverleeveren der gemelde plaatsen, en 't verzeynden der uitheemsche soldaaten, verachtert waaren: maar leydde zich toe, die schaade te boeten, stellende daarteeghens de scheuring ontgonnen onder de Staaten, die zich ook meestendeels ontwaapent hadden; den aanhang der Barlemonden, met drie
+regementen t'hunnen gebiede staande, en 't vierde van Du Cerf, eertyds van Cardoini; 't bemaghtighen van Naamen; daarenbooven, dat van de stadt en burgh van Antwerpen, naar zyn' gissing. Om 't welk te weeghe te brengen, en zich teffens te verzeekren van verscheyde steeden, die in der Hooghduytschen geweldt waaren, hy hen, onder den duym, had opgeruyt, toezeggende hun volle betaaling van 's Koninx weeghe, en vermaakende de Staaten schandelyk by hen, als hy uitterlyk meest tot byleggen van 't geschil scheen te arbeyden. En uit deeze bron had de weêrberstigheit der Kornellen haaren oorspronk genoomen. Men moet bekennen, dat, ten zelven tyde, als Don Johan deezen handel zoo aaverechts dreef, misschien jeeghens hem met beeter trouwe niet gehandelt werd; zonderling van den Graave van Lalain, als hebbende, door toedoen der Koninginne van Navarre, zich wel diep gescheept met den Hartooghe van Anjou, dien reeds alstoen smaak van de heerschappye deezer Landen gegeeven was. Te weeten; vrouw Margriete, immers zoo volleert in de konst van veynzen, als de geenen die in 't hof van Spanje waaren afgerecht, had, onder de enkle huyk van gezondtheits behoef, tweederley geheym versteeken. Want, naardien de Koning haar broeder haaren gemaal en die van den gezuyverden Godsdienst ten oorlogh ontzeyt had, zoo was 't haar voor eerst te doen, om 't vyandtlyk Hof te verlaaten, en echter met eere van haaren man te mooghen blyven; ten andre, en noch inwendigher, om haaren broeder van Anjou eenen slagh te voeghen, en de zaaken alhier te bekuypen; daar zy niet slinx in bleek. De Landtvooghdt, eevenwel, moest geen' lucht van dit lorsen hebben; gemerkt men in zyn' verdaadighing des geen gewagh vernam: 't en zy hy 't verzweegh, zorghende, door't melden van zoo veel staarts der weederparthye, de zyne te verflaauwen, oft d'ontdekte Fransoyzen des te wisser op zyn' hals te haalen. Ik bevinde, by de schriften van Antonio Perez, 's Konings geheymschryver van staat, en thans in ongenaâ geraakt, dat Don Johan, op dit pas, verbondt gemaakt had, met den Hartooghe van Guize, tot bescherming der kroonen van Vrankryk en Spanje. 'T welk men vermoeden moghte, gestrekt te hebben tot onderlinge hulpe in de binnenlandsche oorlooghen. Maar, dewyl 't geschiet was buyten kennis van Philips, die, als 't hem ter oore quam, zich daarin byster ontzette, zoo schynt veeleer de staatzuchtighe jongeling 't oogh op bouwing van eyghe grootheit, gelyk Guize in Vrankryk, gehadt te hebben. Die Hartogh ook, stond oom oover de Koningin van Schotlandt, en naa dat huwlyk Don Johan; kunnende d'eensgehapte hoope op 't Engelsche Ryk nemmer genoegh uit den zin stellen. Hoe 't hier meê lagh; altoos geen ding viel hem moeylyker, dan zyn gemak te houden: tot zoo verre toe, dat zeeker zyn schryven van den zeevenden in Grasmaandt, aan Perez, luydde; hy begeerde (hoewel hy 't verzocht had) niet herroepen te worden zoo lang als hier gevaarlykheit oft nood bleef die zyn' jeeghenwoordigheit vereyschte. Maar, daarnaa, moeste men hem geen' oorlof weygheren. Want, om den ouwden trant, en deezen volke in alles te gemoete, te gaan, 't welk men niet verby zoude mooghen; daartoe diende ongelyk beeter de zachtheit van vrouw oft kindt, dan de geene daar hy meê streelen kon. Gewissen zoo wroeghende zouden hem nemmermeer anders, dan voor hunnen straffer aanschouwen. Hy had nocht inborst, nocht ouderdoom, om in de leedigheit deezer Landtvooghdye te suffen; en min, om te verdraaghen, 't geen men zouw moeten zonder vrucht. Dies had zyne Majesteit hem, in zulken geval, van hier te helpen; oft hem zouw gebeuren te faalen aan all' zyn' gehoudenissen, en alles hier tot hachlyker staat keeren, dan te voore. Dat hy anders verkraft zou zyn, yet groots te bestaan, tot verwondring van al de weerelt, om in geen argher te vallen.
+Escovedoos brieven van Sprokkelmaandt lestleeden, ook aan Perez, (alzoo zy meynden dat hy ze voor den Koning verhoolen hield) vloeyden oover, van gelyke vertwyfeltheeden zyns meesters. Dat de zelve, sint het storten des Engelschen aanslaghs, dikwyls gedacht had, een kluyzenaar te gaan worden. Dat hem bet gelyken zoww, voor * beleyder, met zesduyzent knechten, en tweeduyzent ruyters, in Vrankryk te dienen, dan met de groote Landtvooghdyen behangen te zyn. Maar, om het woest gemoedt van deeze twee, zoo wel gegaayt in opgeblaazenheit, naader t'ontblooten; de zelfste Perez vermeldt; hoe Escovedo, voor zyn' herwaartsreyze, zonder bewimpeling had uitgeworpen; dat zy, koomende Engelandt te beheeren, zich met Spanje zouden mooghen verheffen, mits bezittende alleenlyk den ingank van Sant Ander in Biscaye, en 't Slot der zelve stadt, neevens een' sterkte op de klippe van Megro: door welke plaatsen gansch Spanje, schoon verlooren van de berghen af, weeder te winnen waar. Zelfs, dat Escovedo verzocht had, men zouw die klip vestighen, en hem in bewaarnis geeven. Meer diergelyke gedachten, baarlyk gebleeken, worden verhaalt: met welke oft het aangezien geweest zy op 't afloopen van heel Spanje; oft op het bedringen van 't zelve om het aan hunne handt te doen gaan; wie zal 't raaden? uitgezeyt dat hoofden, zoo vol winds, wildwaayigh genoegh scheenen om ondoenlyke dingen te droomen. Immers men meynt dat deeze eene der reedenen was, die den Koning zoo onzoet op 't voorneemen teeghens Engelandt gemaakt hadden: jaa dat hy, duchtende voor eenighen ondersteek, dewyl Don Johan van dus eenen geest gedreeven werd, best vond hem zelfs in Nederlandt, by den duym te houden, en slappelyk in te volghen met de middelen vereyscht tot het volvoeren der oorlooghe. Ook keerde Escovedo tot zynen meester +nooit; maar werd, koomende t'eener nacht uit het Hof, achter straate vermoordt, door bestel van Antonio Perez, ter wille van Philips: 't welk zelfs de Spanjaards niet rondelyk loochenen. Want Louis Caprera, wiens Historien tot Madril met verlof der Ooverheit gedrukt zyn, verklaart dat Antonio den moordenaaren schriftelyken last, geteekent by den Koning, gaf. Wel voeght hy daarneevens, dat Perez haat op Escovedo droegh, om eenighe dwersdrift in stoffe van vryaadje; en dat dit brief ken een der boovenwitte was, die onderschreeven van den Koning, den Gezanten en Landtvooghden geleevert worden, en gevult by hen als de zaaken geen vertrek gehengen om andre volmaghtighing van zyne Majesteit te gaan haalen: doch hoedt zich van zeggen dat Perez in dit blank yets buyten 's Konings ordre gestelt had. Ook waar dit te lomp een' reukeloosheit van zoo gesleepen een' man geweest: naardien de schennis aan den dagh koomen moest, en hy 's Konings rechtveirdighen en onverzoenlyken toorn op zich laaden; zoo de uitvoerders, viellicht betrapt, zich met dat papieren harnas hadden willen behelpen. Dan 't mangelde Perez aan geen andre schriften van 's Koninx handt, om 't +onthiet te bewyzen. Jammerlyk echter bezuurd' hy dit stuk. Matteo Vasquez, meede geheymschryver, zyn vyandt, betuyghd' hem des oopenbaarlyk. Daarop werd hy gevangen, en aan recht gevordert, van Pedro de Escovedo, 's dooden zoon. En, hoewel Pedro, ter vermaaninge van den Raadshooftman Antonio Pazos, de zaak steeken liet; en 's Konings Bieghtvaader, Diego Chavez, pays maakte tussen Vasquez en Perez; men deed hem zes jaaren tot Madril in zyn huys ooverbrengen: alwaar hy de zaaken, door zyn' klerken, gelyk te voore, doch zonder genot van wedde oft vereeringen, zoo lang bediende. Toen quelt men hem met een ander pleyt oover misdryf in zyn ampt: en schryft, naa veel verwylens, zyn vonnis, zonder 't zelve t'onderteekenen, zonder het rechtelyk uit te spreeken. Volghens dit
+had hy dertighduyzent kroonen uit te keeren; zynen staat van Geheymschryver verbeurt, twee jaaren in scherpe vankenis, daarnaa noch acht uit het Hof gebannen te blyven. Doch men zeyd' hem in 't heymelyk toe, dat het gewysde niet dan windt zouw zyn, indien hy de schriften zyner Majesteit afstonde, die gewagh van de manslacht maakten. Te weeten, de Koning had hem niet alleenlyk te voore somtyds geschreeven van dit werk; maar ook daarnaa, in 't begin zyns kommers, dikwyls by brieven eenen korten en gewenschten uitgang der dingen belooft; en 't zwyghen aanbevoolen: waarop eens, onder ander, van Antonio geantwoordt was, dat hy zoo onderdaanigh aan zyne Majesteit zouw blyken, als 't leem aan de handt van den potbakker. Als hy nu weygherde daar af te scheyden, zond men rakkers om 't vonnis uit te voeren. Waaroover hy zyn' toevlucht ter naaste kerke nam, hoopende alzoo zyn' zaak, van 't Koninklyke gerecht aan 't geestelyke, te brengen. Maar 't geweldt zagh 't gewyde niet aan: hy werd uit de kerk naa den kerker gerukt. Daar lagh hy, geslooten aan yzere keetenen, drie maanden; en maakte men 't hem zoo bang, dat hy aan zyn' gemaalin met zyn eyghen bloedt schreef, zy zouw de papieren behandighen aan den Graave van Baraia, gemaghtight om ze t'ontfangen. Dit deed zy: doch niet zoo getrouwlyk ten opmerke van den Koning, als van haaren man; met wien te voore bestemt was de wightighste te behouden; die hy ook naamaals aan 't licht gaf. Op dit slaaken der bescheyden volghde 't zyne, tot zoo verre toe, dat hy binnen Madril moght ter kerke gaan; en vanding van vrienden genieten. Maar, als dit vier maanden geduurt had, werd, by Escovedoos weeduw en kindren voor den Raadshooftman Rodrigo Vasquez, het pleyt hervat, in het tiende jaar naa dat het eerst was aangevangen. Toen quam de Biechtvaader Chaves, en ried hem den neêrslagh te bekennen; mits heelende den waarom. Waarteeghens Perez vertoonde, zulx, nocht zonder zyn gevaar, nocht zonder verwekking van arghewaan op den Koning, te kunnen toegaan: en dat hem oorbaarlyker docht, met zyn' weederparthyen te daadingen. Deezen wegh ging men in, en trof'er een zoen, die hem op twintighduyzent dukaaten stond: dewyl zulx, op dat pas, ook den Koning geviel. De zelve, eevenwel, door aanraaden van Vasquez, beval seedert de zaak in Recht te vervolghen, om zich, als door wettigh vonnis, op Antonio t'ontlaaden van den haat der moordt, die, by gerucht, nu ooveral verspreyt, den Koninklyken geboode werd toegeschreeven. Men vond'er, niettemin, die 't daar voor hielden, dat hy zich aan 't smooren deezer opspraake niet zoo veel liet geleeghen zyn, oft hy zouw Perez de handt wel booven 't hooft gehouden hebben: maar dien doodtslagh tot dexel nam, om daaronder te verzaadighen den oevlen moedt, gevat op Antonio, uit des zelven vryaadje aan Anna de Mendoza Cerda, Prinses van Eboli, weeduwe van Rui Gomez de Silva. Want de maare ging, dat Perez, gebeezight van den Koning tot minneboode tussen hem en Anna, aan 't zelfste vuur, waarin zyn meester blaakte, ontsteeken was; en zich vervordert had haar tot zyn' liefde te bekooren; waar op zy hem met geen afwyzigh gelaat bejeeghende. En men wilde, dat Escovedo, yvrende quansuys voor de eere van Rui Gomez, dien hy voor zynen ophelper erkende; maar in der daadt, om Perez, als Don Johans meesten weederstreever, uit de gunst te werpen; de mompeling, gereezen uit de gemeenzaamheit van dit paar, ter ooren des Konings gebraght had. Waaroover Perez, als Philips, met Gaspar Quiroga Kardinaal van Toledo, en Pedro Fajardo Markgraave de Los Velez, van Escovedoos zaak handelde, tot zyn' doodt zouw geraaden hebben, en 't beschik der zelve gewillighlyk aanveyrdt, meer der Prinsesse en zich zelve, dan den Koning te geval. Zeeker, toen men hem eerstmaals
+aantastte werd ook de Prinses in verzeekering genoomen. 'T welk den Koning zulx ter harte ging, dat hy, vermomt, het uit een kerkportaal quam aanschouwen. Derhalven, zoo men op alles te zaamen let, het schynt dat de Koning, door de zelfste vreeze van gelastert te worden oover dit werk, nu Perez verschoonen deed, op dat hy 't niet uitbraghte; dan weeder vervolghen, om 't vermoeden van zich te weeren; en liefst dit laaste, dewyl 't hem teffens wraak strekte. Maar, dat zoo oovermaghtigh een Vorst zich hierin dus byster bedraayt vond, strekke een' leer, dat geenerley grootheit eenighen aanstichter van diesgelyk bedryf in zorghelooze rust kan stellen. Wyders Antonio, naardien men nu waande dat hy geen bewys t'zyner ontlastinge te toonen wist, werd strengelyk gepynight, tot dat hy, eindtlyk de waarheit der zaake bekende, en eenighe afschriften der gemelde bescheyden te voorschyn braght. Afziende nochtans, dat hem geenerhande weere in Kastilie baaten zouw, zocht en vond hy middel, om zich met list, by hulp zyner gemaalinne, uit der hechtenisse te redden: en rende, zoo zwak als hy was van 't folteren, met Gil de Mesa zynen neeve, te post, in twaalf uuren, dertigh mylen verre, tot in Arragon zyn vaaderlandt, op hoope van aldaar billyk gehandelt te worden, mits de treflyke voorrechten van dat gewest op dien tydt. Maar zy golden zoo weynigh, dat men'er hem, van kerker tot kerker, van vierschaar tot vierschaar sleypte; en als de weyrlyke geen' schuldt in hem speurden, door die van de Heylighe Inquisitie, voor eenen tooveraar oft ketter pooghde te doen verwyzen. Om welken toeleg te steuren, die van de hooftstadt Saragosa tweemaals tot oploop quaamen, stellende ten laaste Perez op vrye voeten. Dit, en het te velde trekken teeghens een Koninklyk heyr, hierom herwaarts gezonden, dien zy niet darden onder de ooghen zien, kostte den Arragonneezen al hunne vrydoomen; meenighen persoone van aanzien zyn leeven, oft welvaaren. Don Johan de la Nuza, opperste Rechter des Lands, dien zy El Justitia plaghten te noemen, werd onthalst, zonder ander vonnis, dan dat het de Koning gebood. Perez berghde, met vlieden naa Vrankryk, zyn lyf; en behoedd' het sint ter naauwe noodt, van verscheyde schelmen, uitgemaakt om het hem te beneemen. 'T welk zyn' eegaâ en kindren, zelfs een minderjaarigh dochterken, met ongenaadighe vankenis en veel bitter lydens bekoopen moesten. Dus gedeegh het pleeghen van onwettighe daadtlykheit den dienaar tot eyndelooze ellende; den heere tot onbepaalt gezagh oover een Koninkryk: weshalven men deezen trotsen tytel onder zyn afmaalsel schreef, Allanó a Arragon: Hy verplette Arragon. Maar de merkwaardigheit deezer zeldzaame geschiedenis verschoone myn afwyken van de streek der Nederlandsche zaaken, die ik nu gaa achtervolghen. De Staaten, gehoort het aanbrengen des heeren van Rassinghem, veyrdighden, des andren daaghs, vierden in Hooymaandt, den Abt van Marolles, den aertsdiaken van Ypre, en den heer van Brus af, aan den Landtvooghdt, +om hem de quaade klank van 't aangestelde tot Naamen en Charlemont te vertoonen. Dat hy stof t'oover had, om hun alle goedt toe te vertrouwen. Wat woeghen doch schriften, by niemandt bekent gestaan, en geen' omstandigheit meldende, daar 't geloof eenigh vatten aan vinden moght? Zoo hy de waarschuwers deed' ontmommen, en d'aanstichters van 't werk noemen, men zoude reeden, en weêrreeden, tot straffe van ongelyk, hooren. Daarentussen was 't hooghoorbaar, dat zyn Hoogheit naa Brussel keerde, alwaar, en gansch Nederlandt deur, zy, onder verbandt van hunne persoonen, goedren, eere, en trouwe, beloofden, haar veyligh te houden. Don Johan, te vroegh op, met de blydschap van een geluk, dat hy zich inbeeldde hem niet te kunnen ontstaan, viel uit teeghens Marolles, hoe hy 't Slot van Antwerpen voor zyn hield: dat het hem ook
+nocht' aan volk nocht' aan geldt, zoude mangelen. 'T welke de Abt den Staaten moght aanzeggen. Een' wonderlyke losheit, die wel bewyst, dat de Historyschryver Thuanus, niet buyten reede, hem eenen hooghdraaghenden mensch, voor de rest, zorgheloos, en verzuymel noemt. Hy zond, niettemin, op nieuw, de Heeren van Rassinghem en Grobbendonk, +aan de Staaten, om hun af te vorderen; sterker hoede zyns persoons; afstelling der Steêvooghden, ter plaatsen, die'er, van ouwds geen' gehadt hadden; dat alle Ooversten, hoofden, en gemeyne luyden van oorlooghe, hem, wen hy ze ontboode, quaamen vinden, en hem gehoorzaamen; vertooning van de lyste der geenen, die ter daghvaart van de breede Staaten verschynen zouden, op dat hy zaaghe oft daar eenighen onder waaren, daar quaadt bedenken op viel; afsnyding der gemeenschap met den Prinse, Hollandt, en Zeelandt; en aanspanning met zyn' Hoogheit teeghens hen, zoo zy 't Eeuwigh gebodt niet voldeeden. De Staaten, hierop, stonden hem, booven de voorighe lyfwacht, noch driehondert schutten toe, onder Bossu, Montigny, Kruyninge, Willerval, oft Noyelles, t'zyner keure. Teeghens de rest hadden zy meede niet, dan eenighe bepaalingen, om onbedraayt te blyven. Waaren boovendien te vreede, dat alle krysluyden den dienst en de bescherming zyner Hoogheit zwoeren; mits doende gelyken eedt, tot voorstandt der Staaten en landtzaaten. Voorts verzochten zy, aanstendighlyk, zyn weederkeeren naa 't hof; dat van den Hartooghe van Aarschot naa Antwerpen, daar Louis van Blois, heer van Treslong, die geen Brabander was, teeghens 't recht des Lands, 't bevel op het Slot had; 't weghdoen der vremdelingen uit zyn gezin; 't vertrek der Hooghduytschen, die, met het zaayen der Luytersche leere, groot quaadt deeden; en aan 't verblyf der welke het hield, dat de breede Staaten niet verzaamelt werden. De Graaf van Bossu, samt de heeren, van Bus en Meetkerke, werden verkooren tot deeze boodtschap, niet zoo zeer, naar 't schynt, op dat zy die verrichten zouden, als om den Landtvooghde stof in d'ooghen te werpen, en hem van 't letten op der Staaten voorhebben, af te wenden. Want, terwyl de gemaghtighden beezigh waaren, op 't Slot van Naamen, quamp'er tyding, hoe men dat van Antwerpen voor de Staaten verzeekert had. 'T welk hem, die 't teeghendeel verwachtte, boovenmaate, ontroerde. Hier dient verstaan, dat zyne en Escovedoos brieven, gezonden aan den Koning en Antonio Perez, in Gasconje afgeworpen waaren, en oovergeschikt, +door den Koning van Navarre, aan den Prinse van Oranje, die ze, op den achtentwintighsten van Hooymaandt, den gemaghtighden der Algemeine Staaten, tot Brussel had doen vertoonen. Dat de Prins deeze blaadren, als afgegaan in 't begin van Grasmaandt, al een' wyl had onder zich, oft immers verhoolen gehouden, gelyk by de Roomschen gezeyt word, staat wel te gelooven. De zinlykheit is, d'oorzaaken van dien, naa te speuren. Zy waaren dan, voor eerst, meestendeels in syffer geschreeven, welx begrip uitkeur van schrandre geesten, ook byster hooftbreeken, tot krenkingh van harsenen toe, en, dienvolghends, tydt vereyscht. Mooghelyk ook, daarbeneeven, dat zyn' Doorluchtigheit twyfelde aan de geneeghenheit der Staaten te dier stonde; met inzight, dat'er een' bereyding der gemoeden diende voor te gaan, zoo d'ontdekking vrucht zouw doen: en dat zy, te dien eynde, de brieven eerst, van handt tot handt, liet omwandelen, onder haare vertrouwdelingen; een der welke de Graaf van Lalain was, dien wy, uit dit bedenken, hier voor, niet dan onder een misschien, hebben naa gegeeven, dat hy, teeghens Don Johan, ter beste trouwe, niet ging. Hierby komt, dat de Prins, als hofweêrwys, viellicht wel voelde, dat'er een' buy by den Landtvoogdt geklouwent werd; en goedt vondt den bommel te laten rypen, om, op het uitbreeken des zelven, 't ander geheym, ter
+juyste uure, met des te meer klanks en klems, aan den dagh te doen spatten. Toen nu d'ontsyfering net eevenveel silben, als d'oorspronklyke brieven, uitbroght, en bondigh te zaamen hing van vervolghenden zin; zoo nam niemandt voor guychelspel, 't geen hy klaar voor zyn' ooghen zagh. Noch waaren zy wys geworden, hoe Don Johan, staande op zyn vertrek all' zyn' pakkaadje uit Brussel en Mechele geschikt had, zonder daar yetwes te laaten; zelfs tot voorraadt van wyn toe, dien men verkocht vond. 'T welk genoeghzaam bewaarighde, dat zyn aanslagh op 't Slot van Naamen, niet uit schielyk verscheene noodt, maar voorbedachten raadt, was her gekoomen. D'oopening nu door Marolles gedaan, strekte geen duystere waarschuwing. Ook had Don Johan, aan den Markgraaf, Amman, en de Wethouders t'Antwerpen, geschreeven, dat zy Kornelis van Endt met zyn' vendels, binnen der stadt ontfangen zouden. Doch dunkt my gelooflyk (te meer om dat ik deeze lettren ongedaghteekent vinde) dat men ze niet eer meynde oover te leeveren, dan op 't pas zyner aankoomste; en dat zy niet dan naa zyne neêrlaagh, die thans geviel, gevonden zyn. Maar zeeker, 't gerucht liep nu, dat Kornelis op de beên was; en de koopluyden, gedaghtigh der voorleedene onheylen, gereedschap maakten om op te breeken. Al deeze baaken dan, oover een koomende, waaren den Staaten zulx toelichtende, dat zy bezeften, hoe men aangaan moest, om de schipbreuk van den Staat te verhoeden. Zy weynden, en geeven daatlyk orde, dat Champaigneys krysvolk, zich onthoudende op den Brabandschen boodem, aan Kornelis van Endt, den wegh naa Antwerpen onderginge. +De Vers, een neef van Champaigney, schroomde niet deezen last op zich te neemen; en Kornelis aan te ranzen; zoo wel ter maate, dat zyn' knechten ten deel verslaaghen, de rest verstroyt werden. 'T welk d'eerste bof van vyandtlykheit teeghens Don Johan geweest is. Wyders worp men het oogh op verzeekring der burgh. Zeeker Hopman, daarop leggende, had zich jeeghens Willem Martini, Griffier der stadt, laaten hooren, hoe 't 'er geschaapen stond, dat de bezettelingen, als zynde veele maanden ten achtre, naa der Staaten stem zouden luystren, zoo men middel t'hunner betaalinge schafte: maar dat de zaak behend-en bedektelyk gedreeven diende, uit vreeze, van Treslong, die voor Don Johan yverde, wakker te maaken. Martini liet zich dit bericht niet ontvallen, maar gaf het den heere van Liedekerk aan, die, Steêvooghdt geworden in Champaigneys plaats, en vreemdt van de Spaansche regeeringe, den gezuyverden Godsdienste, met het harte, toeneegh. Deez' houdende goede kennis met Pontus van Noyelles, heere van Bours, jongen Eedelman, eenen der Hopluyden van booven, bestaat, door omweeghen, hem de tonge los te maaken, om te speuren wat hy in den boezem droegh. D'ander' gemoedight met de hitte der jeughd en kryslust, en jaghtigh naa faam en opkoomst, maakt zich sterk yet goeds te verrichten, mits dat men hem een' merkelyke som voor uit, en voort gelds genoegh beschikte, om d'andre Hopluyden en soldaaten te trekken. Martini, en zyn schoonbroeder Willem Rouk Algemeyn Rentmeester van Brabandt, hebbende, van die Staaten, acht bondtschriften bekoomen, elk van vyftighduyzent gulden, om zoo veel op te mooghen neemen, werden borghen aan Bours, voor de penningen hem toegezeyt. Toen gaat hy de bevelhebbers aan, en bekoort'er 't meeste deel. Dit was quaalyk zulx te bestoppen, oft daar leekte yetwes uit, dat Treslong argh deed denken, en t'zyner bewaarnis, eenen nieuwen eedt den krysvolke voorhouden. Doch kantte Bours zich daarteeghen, bybrengende, men had eens gezwooren, en wilde dat betrachten. Blyvende Treslong hieroover bedremmelt; komt d'eerste van Oestmaandt, bestemt tot uitvoer van 't werk, eer zyn vendel ter wacht tooghe, wiens beurt het dien
+aavondt was. Dies begeeft zich Bours, met het zyne, in 't geweer, kryght strax toeval van het tweede, en verklaart zich voor de Staaten. Het derde waggelde vast in de anxt der keure. Treslongs vendel, nu meede gewaapent, bleef styf staan voor Don Johan, en al een' wyl schermutsen teeghens Bours, die'er op aanviel. De hoedt, hem van 't hooft geschooten, stoof in de graft, en werd bekent aan eenen witten veederbos, by de dienaars van Liedekerke, Rouk, en Martini, die tot dicht onder 't Slot gezonden waaren, om te bespieden, hoe 't 'er afloopen zoude, en hunne Heeren te verkundschappen, ten huyze van den Griffier. Deeze knechts, hebbende te gelyk eenighe soldaaten van booven needer zien storten, hielden dat Bours een der zelve was; en droeghen 't, voor zeekre tyding, oover. Daar, Liedekerk naa de Nieuwestadt, op hoope van, met het getyde, de stroom af, en tot Vlissinge te raaken: de Rentmeester om een' hoek, zonder nochtans uit den huyze te scheiden. Martini, de stoutste, treedt op straat, en naa de Burgh toe, om wisser bescheydt. Onderweeghe +ontmoet hem een' Steêhouder oover eene van Fronsberghs benden, die heel verbaast en bezweet aanquam; en gevraaght waarom, hem zeyde, dat het Slot omgewent was. Voorts vernam hy 't zelfste, by 't schreeuwen van een deel Hooghduytschen, koomende, met sleepende spietsen, aandraaven, uit hun wachthuys, dat aan 't eyndt dier straate stond. Dies keert hy naa zynen schoonbroeder, met de blyde boodschap, die hun terstondt bevestight werd, door 't afgaan van 't grof geschut, steêwaarts in, tot driemaalen: 't welk het besprooken teyken der gewenschte uitkoomst was. 'T zelve riep ook den Steêvooghdt weeder ten huyze van Martini. Daar quam hun, ontrent den aavondt, een Serjant van Bours aandienen, hoe Treslong gevangen was; twintigh van de zynen doodt; en al zyn aanhang ter burgh uitgedreeven: dat, oover een' uur oft twee, binnen de welke, zyn Hopman hoopte in de bewaarnis der plaatse voorzien te zullen hebben, hun gelieven zoude, zich naa booven te vervoeghen, om te beraamen wat wyders te doen stonde, tot verzeekring van Slot en stadt. Dit deeden zy: en Martini werd weeder naa beneeden gezonden, om brieven af te veyrdighen aan alle zyden daar 't oorber scheen. D'andre twee, neevens den heer van Bours, doorzaaghen Treslongs papieren, meldende hoe hy geduurighlyk verstand met Don Johan gehouden had. De Hooghduytsche bezetting, mits 't verneemen der verandringe, gevallen op het Slot, was dien heelen nacht in waapenen, en twyfel wat'er voorts uit worden wilde. Des morghens, werden zy, van hunne Kornellen Fronsbergh en Fokker, naa de Meerbrug gevoert, en aldaar in slaghorde gestelt. Maar als zy zaaghen dat de burgbery, beducht voor anderde plondering, 't geweer nam, en t'zaamen rotte, werd hun d'ouwde stadt te bang, en vertooghen ze naa de nieuwe. Terwyl zy zich hier beborstweeren, met waaghens, balken, baalen, en diergelyk schanstuygh, wort de Majestraat op 't Slot ontbooden, by den Steêvooghdt, om te beraadslaaghen, hoe men toe zoude. Daar besloot men de schuttery in waapen te brengen, d'aankoomsten te bezetten, en hun 't weederkeeren te beneemen; doch eevenwel gemaghtighden aan Fronsbergh en Fokker, te zenden, oft zy zich, met een' taamelyke som penningen, wilden laaten gezeggen, om geheelyk te ruymen. Verre van daar: bout spreeken de Kornellen en maaken gelaat van steêwaarts in te willen breeken. Etlyke Spaansche en Portugeesche koopluyden, die de gemaghtighden gevolght waaren, breydden deeze maare door stadt uit. +Die gaat het onderste booven: heeft niet dan moort en roof, en reeds een' tweede woede voor ooghen. Men beeldt zich in, dat de bezettelingen hunne spitsbroeders, van Breda, Shartooghenbos, en Berghen op Zoom, te hulp ontbooden hadden. De roep gaat, dat de Graaf van Mee-
ghen, +en de heer van Floyon, met hunne troepen in aantoght zyn. Dit zeeker by geval niet: gemerkt Don Johan, eenighe daaghen te voore, met hun, daar van gehandelt had. Een deel der koopluyden, die 't meest te verliezen hadden, vervoeghen zich naa de Burgh; bidden, dat men zie de zaak by te leggen, al moest' het een', twee, jaa drie tonnen schats kosten, zy zouden 't geldt verschaffen. Korts naa den middagh, worden de gemaghtighden weeder afgeveyrdight, met last om hondert en vyftigh duyzent gulden te bieden. Veele treflyke burghers, de voorzeyde Spanjaardts en Portugeezen, maaken den sleep: de kassiers daar neevens, met stokborzen vol gouds. De bezettelingen, ziende ter eene zyde de poorters tschrap staan, aan de brug der Nieuwestadt, ter andre 't blaaken der ontdekte penningen, scheenen keur aan 't loon der ruste oft des gevaars te weeten: zulx een groot getal van bevelhebbers den gemaghtighden teeghens ging, met verzoek dat men den handel sloote. 'T hield, zeyden de heeren, aan hen niet: men zouw den krysluyden, op staande voet, anderhalf hondertduyzent gulden toetellen; voort waaghens en scheepen verzorghen, voor hun gevolgh en pakkaadje, indien zy de stadt ontleedighen wilden. Zy roepen; 'T was wel. Zoo d'Ooversten het weygherden, zy zouden z' 'er toe dwingen. Deeze hielden zich tussen de veste en de leste brug der Nieuwestadt: werwaarts de gemaghtighden, door den drang heen, gebraght werden. Daar doen zy 't bodt, ten aanhooren van al de omstanders. Met reedenen en weederreedenen; zeynden en herzeynden, om naader onthiet, naa 't Slot, dat verre van daar lagh, verliepen eenighe uuren. En 't begon aan den avondt te gaan, als men meenighte van zeylen ontdekte, die, van beneeden, naa stadt toe quaamen. Te weeten, de Prins, verwittight van Liedekerks aanslagh, had den heer van Hauteyn, met eenigh volk, eyghentlyk daarop, in 't Landt van Thole doen wachten: en deez, op 't schryven van Martini, al wat zich van groote oft kleene scheepen daar ontrent vond, te hoop gerukt, en prachtelyk uitgestreeken met vlaggen en wimpels, om den vyandt, met den schyn van een staatlyke vloot, in d'ooghen te flikkeren; die doch, waar zich strydt vertoont, altyds d'eerste in 't zwichten zyn. Hy dan was, die dus brallende de Scheld op quam vaaren. De Hooghduytschen, des gewaar wordende, steeken den hals uit, om in den windt te kyken. De naadrende vloot slaakt drie scheuten; en een yzer komt, oover de brug, daar men 't gesprek hield, heene snuyven: niet zonder quetsing van eenighen der soldaaten. Schrik +coverrompelt hunn' harten; en verwekt een' gemeene kreet; de geuzen, de geuzen, daar zyn ze. Niemandt ziet naa zyn' meêgezel om; elk naa 't beste heenkoomen; zoo wel meesten, als minsten. Deeze ter eene, die ter andre poort uit: d'een naa den dyk, d'ander naa 't hooghe landt toe: laatende zak, pak, jaa een deel hunner waapenen leggen. En de verbaastheit was zoo groot, dat hun niet eens in den zin quam, de koopluyden met het baar geldt, oft de Heeren gemaghtighden meê te rukken, daar zy hun verhaal aan vinden konden. Weenigh werd'er ter needer geleyt; de poorten geslooten; Hauteyn heerlyk ingehaalt, en met een' goude keeten beschonken. Voorts doorzocht men de papieren der gevluchte Kornellen, en vond'er elf brieven, geschreeven van Don Johan, seedert den zestienden, tot den laasten in Hooymaandt toe; by eenen der welke, houdende aan d'Hooghduytsche Hopluyden en gemeyne soldaaten t'Antwerpen, hy pooghde hun vroedt te maaken, dat men voor had, hen, niet alleen van hunne verdiende soldye, maar ook van 't leeven te berooven; en diesgelyk bestek, teeghens d'eldersleggende vendels van hun