+STaande de dingen op het ooverzwenken naa den Fransois; zoo ontbood men, uit Italie, de Hartooghin, moeder des Prinsen van Parma; welke vrouw eertyds, met een' goeden reuk, en gunstighe gedachtenis van reedemaatigh beleidt, uit de Landtvooghdye gescheiden was. En de spraak ging, dat zy weeder 't roer der dingen aanveirden zouw, om de geneeghentheeden, afstervende den huize van Oostenryk, met aanblik eener zachte regeeringe, by +adem te houden. Maar, naa haar aankoomst tot Naamen, daar zy van Alexander bezocht werd, scheen hy haare verheffing voor zyne verneedring, en aan 't enkel bewindt der waapenen geen genoeghen te neemen: en dat haar 't oppergezagh zoo zeer niet aan, als het twisten, daar om, met haaren eenighen zoone, teeghen stond. Geevende dan zyner eerzuchte toe, schreef zy aan den Koning, Dat d'onsteltenis van Nederlandt, hoewel men ze haar al in Italie bekent gemaakt had, zich nochtans voor haar eighen ooghen veel bysterder opdeed; en als onreddelyk anders, dan by weeghe van geweldt. Ende, dewyl in 't aanwenden van dien het bewindt meest al bestaan zoude; kon zyn' Majesteit genoegh afmeeten, dat de zwakheit eener vrouwe, en van afgaanden ouwderdoom, nerghens naa zoo bequaam daar toe was, als de frisheit des Prinsen haares zoons, op 't best van zyn leeven. Hy had zich, tot noch toe, der wyze gequeeten, dat men zich alledaaghs treflyker diensten van hem belooven moght; en haares bystands niet van noode. Dies bad zy op 't eerbiedighste, zyner Majesteit geliefde hem alleen den last bevoolen te laaten; haar met verleening van gewenschte +rust te begunstighen. Hierin bewillighde Philips; waarop zy, binnen weynigh maanden, naa Italie keerde. De Staaten, kennende hun voordeel te waater, hielden, om 's vyands toghten en toevoer te verhinderen, +althans etlyke uitleggers, elken beweert met tien oft twaalf metaale stukken, op de Maaz, en op den Ryn, tot by Koolen toe. 'T welk den Vorsten, grenzende aan deeze stroom, onlydelyk docht; zoo dat zy, hebbende, in Oestmaant, eenigh volk, schut, en scheepen verzaamelt, de Staatsche benoodighden neêrwaarts te dryven. De Walsche Bondtgenooten, te deezer tydt, om 't oopenbaar geweldt te proeven, daar 't bedrogh hun geweighert had, sloeghen 't leegher voor Bouchain. Taamelyk +sterk was de plaats, maar te kleen van begrip tot veel afsnydens teeghens de breuken die 's vyands geschut maakte: zulx de Heer van Villers, Joost de Zoete, ziende geen houden daar aan, op den vyfden +van Herfstmaant, Slot en steedeken oover gaf. De bezettelingen, verloovende binnen de drie naaste maanden teeghen den Koning te dienen, liet men, met geweer en pakkaadje, naa Kamerik trekken. Maar Villers had, stilzwyghends, zeekre mynen gegraaven, onder de straaten, daar zy ge-
schaapen +waaren de meeste schaade te doen, en etlyke tonnen kruidts daar +in geleyt, met kruipende kool, daar by, van eynden lonts, gepast naar gelang van den tydt, dien hy tot veyligh vertrek behoefde. Dit vuurwerk, baarende zyn kraft, smeet om veer oft verbernde aan den kant van hondert huizen, en doodde een deel menschen. Waar oover 's Koninx volk, in heeten toorn, (hoe wel te spaade) bestond de Staatschen naa te jaaghen, als breekers van 't verdragh. Dan Villers, dryvende dat hy daar teeghen niet misdaan, maar zy slechtelyk gevoorwaardt hadden, verweet hun de trouwschending, begaan met het vervolgh; en verklaarde, derhalven zich ongehouden in 't besprek van drie maanden buiten dienst teeghen den Spanjaardt te blyven. In Vrieslandt, sint de versterking des Graaven van Hoohenlo, scheenen de zaaken gestelt om eenen keer te +neemen. Rennenbergh, niettemin, weetende dat Hoohenlo vier vendels ('t waaren die van Schaaghen, Jarges, vliet en Weeda) tot Nyenoordt beschreeven had, zond hun, ter yl, een deel speeren te paarde, en goedt voetvolx, op 't lyf. Veel werd'er verslaaghen; zelf Hopman Weeda, zich kloekelyk weerende; twee vendels verlooren. Doch Hoohenlo, verkundschapt wat'er gaands was, veirdighde strax de Engelsche ruiters met eenighe knechten derwaarts, die den Rennenberghschen de verooverde vendels ontjoeghen en voeten maakten. Koomende in persoon, den vyfden van Oestmaant, met het heele heir, en drie veldtstuxkens, tot Nyenoordt, vond hy geenen vyandt meer; en nam, op den achtsten, +zynen wegh naa Groninge. De voorhoede hadden zes Walsche vendels onder Michiel Caulier, neevens die van Bouwinga, Kornput, Escheda, en Rein Jetsen: de middeltoght tien Engelsche onder Norrits, tien Nederduitsche onder Graaf Willem van Nassau, met die van Fervo en Grouwstein: de hinderhoede tien Nederduitsche onder Ysselstein, met die van Donau en Zedeniski; daar al de pakkaadje was. Voor uit reeden de ruiters van Caulier, Norrits, en Simon van Limburgh; die van Piek en Goor, met drie Vriesche kornetten, ter slinke; de Hooghduitsche ter rechte handt. Aandoende de Ponterbrug, werden zy gewaar dat de Rennenberghschen de brug van 't Hoorendiep hadden afgebrooken, en hondert-vyftigh knechten beschanst leggen aan ginszyde van 't waater. Doch deeze, als zy de vendels der voortoght zaaghen oover zwemmen, verliepen, achterlaatende hunne pakkaadje, en vier oft vyf dooden, naa 't dorp Haaren, dat een half uur gaans van daar, en de leeghersteê van hun gros was; en braghten'er den schrik in. Echter steld' het zich in orde, en schyn van +slagh te willen waaghen. Maar speurende, dat het den Staatschen, nu oover 't waater gezet, ernst was, gaaven zy de plaats, met veel pakken en voorraads, ten beste, om zich te vertrekken onder de vesten van Groninge. Hoohenlo leegherde zich, by duister, in het dorp. 'S morghens daar aan, heel vroegh, stond hy, met al de Ooversten en zyn gansche maght, binnen 't bereyken van 't grof geschut der stadt, dat gestaadelyk speelde. En hy hield zich hier een' lange wyl, den vyandt te trotse; zulx, neevens zyn' zyde, Zedeniski, van een yzer, aan het dik des beens gewondt werd. Anxt, gewislyk niet kleen, voor nieuwe beleeghering ging de burghers aan, die zoo schaarselyk van graan voorzien waaren, dat zy, in 't eerst, weigherden den soldaaten yets by te zetten. 'T inneemen der zelve werd veel wyder geworpen. Eenighen onder de Staatschen waaren van meyning, dat men de stadt, door scherpe blokkeering, wel gemeukt en tot reede gebraght zouw hebben. Maar de krysraadt vond het te hachlyk, ten opmerke dat de Rennenberghschen, met kleen volk en ongemak, den wegh des toevoers stoppen konden. Luttel schermutsens, viel'er 's uchtens: dan, naa den middagh en 't keeren van
+Hoohenlo tot Haaren met de meeste troepen, bestond de vyandt heftelyk de staart te terghen: 't welk hem by de tzeeventigh man' kostte, mits Norrits en andre ruiters wakker daar onder zaaten. Uit Haaren, dat de Engelschen, om de volheit der schuuren, meest afbernden, scheidde Hoohenlo op den tienden, en sloegh zich needer tot Zuidlaaren, met Graaf Willem van Nassau, en Ysselstein; de Waalen en Engelschen met het geschut tot Noordlaaren, zonder eenighe omgraaving. Hans Bouwinga en Rein Jetsen zond de Veldtheer naa Vrieslandt, in de schans t'Awerderzyl; daar hen Rennenbergh, op den zestienden, met drie kloeke vendels bestookte, die zy mannelyk afsloeghen, niet zonder weederzydighe +schaade. Ten volghenden daaghe werd de aanval hervat met styver geweldt; zulx de schanselingen, niet wel by kruidt en loodt zynde, de plaats ruimden, omkoomend' oft verstuivende. Hopman Bouwinga, geschooten in zyn been, werd tot Leeuwarde gevoert, ende, naa lang leggen, starf'er aan. Jetsen begaf zich, met het ooverschot zyner knechten, by Stammer, Hetting, en Iselma, in den Opslagh. De Koningschen deeden voorts een' toght verby Grypskerke, en Visvliet, tot Kollum toe; en, meêsleepende mannen, wyven, beesten, en alles wat laadbaar was, keerden naa Auwert. Op den twaalfden mende Hoohenlo al zyn volk naa Rolde; thans, hebbende eerst de brug by Waardenbras afgebrooken, naa Koeverde. Hopman Luit Ryxzoon, voor uit gereeden, vond in het dorp Daalen eenighe soldaaten ten gelaaghe zitten, en waanende dat zy van zyn' parthy, en voor uit geloopen waaren, bekeef hen daar oover. D'andren, belachende zyn dooling en onvoorzichtigheit, naamen hem gevangen, en met hun naa 't Slot te Koeverde, daar z' in bezetting hoorden. In den scheemeraavondt naaderden Hoohenlo en Nassau 't steedeken, tot dicht aan de brug toe, en renden voorts rondom, verby de bolwerken der burg; +uit de welke een zes ponds koeghel, geslaakt by gissing, Graaf Willems linke been, effen beneeden de knie, brak; zulx men hem, 's andren daaghs, te rosbaar naa Zwol, thans naa Kampen voerde, daar hy lankzaam genas, ende niet zonder leemte te houden. Zeeker Vendrigh, gebynaamt Quaadt, verraaden van 't geluk, dat hem, des daaghs te vooren, uit de Groninger vankenis verlost had, bezuurde 't bedrogh der weereltsche blydschappen, en de doodt, aan de zelfste scheut. Ten volghenden daaghe deed Hoohenlo de vesting opeischen. De bezettelingen, sterk ontrent hondertvyftigh +man', hielden 't in beraadt tot den naasten; en alstoen weeder aangemaant, bedongen lyf, goedt, uittoght met hun zydgeweer, en veyligh geley tot op de Benthemmer grenzen, onder belofte van, in drie maanden, teeghen de Staaten niet te dienen. Dus raakte Luit Ryxzoon zonder ransoen daar af; niet zonder bescherst te worden van Heeren en Hopluiden, om 't bestraffen van andren oover zyn eighen misgank. De plaats werd bezet met de vendels van Donau, Rashorn, en Renoy, die noch tot Groninge in hechtenis was. Rennenbergh, te zwak in 't veldt teeghen de Staatschen, rukte, zoo ras hy den toeleg van Hoohenlo vernam, om dien by weeghe van afwending te beletten, met grof geschut, en al zyn' troepen naa den Opslagh; en, hoewel hy 't oovergaan van Koeverde haast hoorde, besloot echter niet op te breeken. Het blokhuis had maatelyke sterkte, veel lyftoghs in, en vier vendels, van Stammer, Ielsma, Hetting, en Jetsen; en deeze twee laatste waaren naa Leeuwarde gereyst, +om ontzet te vorderen. Niettemin, met den aanvang van 't beuken, traaden die van binnen in gesprek, en, op den eersten van Herfstmaant, ter schans uit, met pak en rappier alleen. Welk slordigh daadingen de knechten van Stammer by den vyandt deed blyven, en den andren tot Dokkum de poort voor de neuze sluiten. Hoohenlo, gissende dat Rennen-
bergh +voor een' goede tydt werk aan den Opslagh zouw vinden, had het meeste deel zyns voetvolx verzonden, oft hier en daar in bezetting gelaaten. De rest des heirs voerd' hy naa Linge, mits Muilart, Drost aldaar, zyn' quaade geneeghenheit, die hy met geveinsde brieven dekte, daaghelyx met der daadt meldde. Laatende voor Linge het Engelsch regement, toogh de Graaf voorts naa Wedde. De bezettelingen, kleen in getal, wilden nochtans tot geen opgift van 't Slot verstaan. Waar oover Hoohenlo hier twee stukken geschuts deed planten, en echter eenigh volk liet, om zich met het ander naa Slochteren te spoeyen, vlammende op Delfzyl. Rennenbergh, ziende Hoohenlo zyn' krachten dus smaldeelen, hoedde zich wel voor gelyken misslagh; en hebbende derhalven de verooverde schans geslecht, joegh met al de zyne naa Slochteren; alwaar hy 't, op de vierden der gemelde maandt, aanbraght. Met het regement van Nassau, en 't zyne, hield zich hier Michiel Caulier, die verrast, en bynaa gevangen, nochtans met grooten arbeydt het volk in eenighe ordening kreegh, en vechtender hand de hertredt nam, tot Heyligherlee en Winschooten toe, daar Hoohenlo met de Duitsche paarden lagh. Verzaamelt, weeken zy voorts ter yl, verby Wedde, tot op de Bourtang, en booden somtyds 't hooft aan de Rennenberghsche voorryders; die, zeeker in de engte, een' ruime wyl gestuit werden. Maar al zyn' schaaren, aan zynde, vielen den Staatschen te zwaar, en deeden hen weeder voet +slaaken. Toen stort de speerruiter op d'achtersten, helpt alles oover hoop, doorstoot, vertrapt, en vloert het padt met dooden. By de duizendt man', acht vendels, een' kornet, bleeven'er in de loop. Het geschut, dat voor Wedde stondt, was een deel van den buit. De beleggers van Linge breeken, ter eerste lucht van de neêrlaagh, ordeloos op; en spreyden zich door 't veldt: blinde schrik is de leydsman. Graaf Willem Loodewyk, leggende noch gewondt tot Kampen, vermaande, by schryven van den achtsten, de gemaghtighden der naader Vereeninge, tot verzaamen der gestrooiden van Cauliers regement en van 't zyne. De gemaghtighden schikten dubbelt van den brief aan de Hollandsche Staaten, vergaadert in den Haaghe. Deeze, te vooren verstendight van den ramp, en bezeffende wat het hun golde, zoo de vyandt, in dien hoek, tot zyn vermeeten quaam, en de winter daar op met een' heftighe vorst, hadden reeds een' goede som penningen naa Vrieslandt gezonden, tot behoef van Nassaus regement, en beloofden meer te verschaffen. Zy begeerden ook dat Sonoy, neevens den Monsterheer Steensel van Mansloo, en andren, daar toe te maghtighen, 't oogh hadden op het hermaaken der voorzeide regementen; desgelyx op het tughtighen der soldaatye in 't gemein, en het beleydt des kryshandels. De gemaghtighden der Staaten van Noordthollandt, ten verzoeke van de Vriesche, gaaven orde, zoo zy best moghten, tot bezetting van Staavere, Hinloopen, en andre zeekusten. Harlinge was al voorheen voorzien, by die van Hollandt, met de vendels van Roodenburgh en Roobert; dien bevoolen werd, niet van daar te scheyden voor naader last. Een' kleene verquikking, in zoo zwaar een versleeghenheit, was, dat een deel der bezettelingen van Dokkum en Kollum, op den achtsten voorzeit, zeeker nieuw geworven volk des Drossaarts van +Koeverde en Schouts van Hardenbergh, in 't klooster te groot Auwert ooverrompelden, terwyl zich de wacht met drinken, deunen, en dansen vergat. 'T verloor'er meest al, tot ontrent driehondert toe, het leeven oft de vryheit. Vol goeds, meer dan d'ooverhandt draaghen kon, dat deeze knechten den huisman afgestroopt hadden, stak het klooster; en werd daarom in brandt gezet. Want de Staatschen, onsterk in tal, vreezden voor die van Groninge, dat slechts anderhalve myl van daar is. De Graaf
+van Rennenbergh, nu onbekommert weidende, slingerde zyn' troepen om 't huis te Koeverde; daar Donau met zyn' bende, maar die van Rashorn en Renoy zonder Hopluiden op waaren. Als zy van geen' leevering hooren +wilden, begon hy 't waater af te leiden, toereedende om 't geschut te planten. Toen zaaghen zy d'onvolmaaktheidt der vesting in, ende bewillighden tot aftoght met pak en rappier, den twintighsten van Herfstmaant: doch bleef der veel by Rennenbergh, hoewel'er geen verzweeren van der Staaten dienst bedongen was. Donau kon geenen uitgang dan op toezeg van ransoen, verwerven. Heer Adriaan van Zweeten, en Jakob Visscher van Amsterdam, leggende tot Oldenzeel met hunne vendels, die te zaamen geen' tweehondert man uitmaaken moghten, werden tydtlyk verkundschapt, dat het, naa 't zwichten van Koeverde; hunne beurt worden wilde. De Baroen van Ek, een zeer jong Oostenryker Heer, was uit de vlucht daar binnen gekoomen, met etlyke Duitsche Eedelluiden. Dien naamen zy tot Ooverste, ende zonden Zweeten uit, om bystandt; mits men der burgherye niet vertrouwen, nochte zoo krank een' plaats met dat luttel soldaaten houden moght. Zy was wel breedt voor de borst, met getoorenden muur naa d'oude wyze, en graft daarom, buitenwaarts een' aarde veste en andre graft; dan alles maar domme kraft: dewyl de wal geen' strykweeren, de poorten geen' bruggen hadden, en 't waater, gestuit met dammen, by oopening derzelve, glippen moest. Ten aanstaan van Zweeten quam Eedelborn, Steêhouder van den Ritmeester Goor, met zyn vaan speeren, op den twaalfden, binnen Oldenzeel; thans wat kruids en lonten, geleent uit Deeventer. Meer volx oft voorraads, hoewel verordent ('t loogh hier 't loogh daar) volghd'er niet, oft Rennenbergh +was met al zyn heir voor de stadt. Naa 't afbernen der poorten liet hy ze fellyk bestormen: doch driehondert mannen daar voor, zonder yetwes te winnen. De bezettelingen, verstout door dit geluk, dachten een' uitval te doen, 't en waar zy verstaan hadden, dat de burghers, meest al Spaansgezindt, +toereyden om zich te waapenen en hun 't inkeeren te verbieden. De Graaf, verwittight voor zyn aankoomst, dat men beslooten had de bezetting te versterken, waande zulx geschiedt te zyn, en daarom elders zynen tydt beeter te kunnen besteeden. En hy was nu in 't aftrekken, als de burghery zich uiterende, hem te rug riep, om de stadt t'ontfangen; en de soldaaten drong te ruymen, op voorwaarde van al 't hunne meê te draaghen, onder eedt van, in drie maanden, den Staaten niet te dienen. Dit gebeurde den vierentwintighsten. Van hier streek hy naa Zwol toe, en besloot het rondom. 'T welk vremdt scheen met zoo weenigh maghts; en te peynzen gaf dat'er heymelyk verstandt smeulde. Eevenwel des bleek +niet, 't vermoeden zy dan ydel geweest, oft de bezetting t'onzighlyk voor die quaadt in den zin hadden. Want zy bestond uit ervaare krysluiden; Kaulier met zyn' Kornet, en drie vendels zyner knechten, onder Hopmannen Grenu, Noyr, en Jaspar; Simon van Limburgh met zyn' paarden. Petain, ooverste Steêhouder van Kaulier, en Cressoniere met zyn vendel, hoopende in der stadt te raaken, maar dwaalende door misleiding, vielen in 's vyands handen. Rennenbergh, oft ziende geen' kans aan Zwol, by mangel van inwendighe opstending, oft duchtende voor eenigh onheil van 't Geldersch regement, alzoo genoemt om dat eenighe uitgeweekenen van dien oordt, samt etlyke Ooverysselsche het opgerecht hadden, 't welk te zyner versterking oover Ryn gekoomen was, toogh op, dien te gemoete. Te weeten, de ruyters van Hoohenlo, en d'Engelsche met hun voetvolk, hebbende op de Bourtang den minsten afbrek geleeden, laaghen, neevens de Nassausche knechten ontrent Deeventer. Vereenight met het gemelde regement luttel sterker dan tweeduizent koppen,
+hoewel men van ongelyk meer geroepen had, quam hy voor Deutekum, +in meining dat het hem niet ontstaan zouw. Want geen grof geschut altoos, weenigh volx, 't zelve quaalyk gewaapent en betaalt, kleene voorraadt, was'er binnen. Ook geloofd' hy dat het hart der burgherye naa den Konink helde. Echter bejeeghend' hem wakkre weederstandt in eenighe aanloopen en schermutsingen; behalven dat hy van de Engelsche en Hoohenloosche ruiters, doorgaands, uit Doesburgh, zeer verongemakt en beschaadight werd. Zyne Vriezen, voorts, by brengende dat zy verstonden hunnen vaderlande, voor al, te dienen, wilden hier langer niet marren. De Gelderschen, daarenteeghen, weigherden +der Vriezen hooft te volghen. Endtlyk werd de twist by geleit, en parthyen versprooken tot yets gezaamentlyk in Ooveryssel aan te vangen. Hy lichtte dan ten vyfden daaghe 't leegher; en bezettende Grol, dat toenmaals niet geacht by de Staatschen, onbewaart gelaaten was, zond het voetvolk oover 't moer van Ommen, de paarden door Koeverde, naa Steenwyk. De naadervereenighde Staaten speurende werwaarts het gemunt was, gebooden Hopman Kornput met zyn vendel daarnaatoe, de welke door hulp van Olthof, leggende daar alleen met het zyne, ter naauwe noodt, mits 't weederstreeven der steedelingen, op den zeeventienden aavondt van Wynmaant, daar binnen raakte; hebbende te voore zyn' knechten by eede verplicht, dat niemandt, eer hy zelf van opgeeven spraake, des gewagh zoude maaken, op peene van daatlyk by den naaststaanden doorstooten te worden. Des morghens daaraan, ontfingen zy noch door de Waltpoort, Hans Plaat met zyn vendel, en dat van Johan Stuiper onder zynen Steêhouder Johan van Beerenbroek; groen, ongeoeffent en tuchteloos volk. Op den middagh verscheen de voortoght des vyands voor de Omminger poort. Ten zelven daaghe ransden hem de verweerders, tot twee plaatsen, met schermutsen aan, ende staaken 't vuur in veel huizen, daar hy hadde kunnen nestelen. Geduurende dit bedryf, in 't welke Hans Mom, ooverste Steêhouder van Rennenberghs Vriesch regement, aan een' scheut, door den kop, sneuvelde, kreegh men te scheepe noch etlyke tonnen kruids, en ruimte van andren voorraadt in de stadt, die zich te vooren schaarsselyk verzorght vond. Thans werden +de uitvallers te rug gedreeven door de speeren des Graaven; wiens ruitery beloopende ten getaale van twaalfhondert, meest al van deeze soorte was. Zyn voetvolk, bestaande in achtentwintigh vendelen, naamelyk veertien van 't Vriesche, neeghen van 't Geldersche, vyf van zyn eighen nieuw +regement, werd op zesduizent man' geschat. Steenwyk, dat pas, had eenen taamelyken wal van aarde, de borstweer dik vyf voeten, maar zonder strykweeren. Het waater der graft, die nerghens oover de vyftigh voeten breedt, aan de Noordtzyde op haar smalst en ondiepst was, werd geschorst, teeghens 't afloopen, met bemuurde dammen, daar de poorten, dieshalven licht te genaaken, op stonden, gebouwt van bros metselwerk, met spightighe toorens, zonder heekels oft valdeuren. De soldaaten waaren ten minste zeshondert; de weerbaare burghers half zoo veel; maar booven vyftigh onder deeze niet, dien men vertrouwen darde. Zy hadden nocht grof geschut, nocht paarden, uitgezeit, twaalf oft veertien, toebehoorende den Hopluiden, en bleeken anders, geschaapen den vyandt bet te plaaghen, dien zy 't noch zuur genoegh maakten. 'T bestier der dingen (want daar was geen ooverste) naamen de Hopluiden gezaamentlyk aan, erkennende daarin, neevens hen, den Burghermeester. Deeze raamden verscheide keuren, als op 't spaaren van 't bussekruidt, graan, en andre eetwaaren; op 't reeghelen der soldaaten, en dat zy zich met hunne leening te vernoeghen hadden, zonder den burgher lastigh te vallen; teeghens 't gevaar van brandt,
+om den welken te verhoeden, zy gebooden hooy, turf, takken en diergelyke licht ontfonkbaare stof in d'oopene lucht te leggen, en af te breeken de huizen gedekt met stroo, die naast aan de vesten stonden. Zy stelden ook veelerley vuurwerken toe, en ander gereedschap van bescherming en beschaading. Boovenal verstond men, niet uit te vallen zonder wightighe oorzaak; om kruidt; volk, en zynen moedt, welkes bestendigheit dikwils aan een' oevle beteeghening hangt, te raade te houden; ook op dat de vyandt niet lichtlyk gevangenen kreeghe, die hem de geleeghenheit der steedsche zaaken melden moghten. De Rennenberghschen, 's daaghs naa hunn' aankoomst, spraaidden zich rondom de stadt: gaande 't Vriesch regement leeghren tot Tuk en Steenwykerwoldt, aan ginszyde van 't stroomken Aa, dat zy met turfpleiten ooverbrugden. 'S nachts worpen z'een' schans op, dicht by de Gasthuis oft Geestpoort; op den Steendyk, slechts een' scheutweeghs van de Waldtpoort, een' andre, die hun afgeloopen, en geslecht werd van de beleegherden. Doch zy hermaakten ze 's nachts daaraan, en begosten noch een' grooter achterwaarts, op den zelven dyk, by de kappel. Ten naasten daaghe begaaven zich de verweerders buiten de Oosterpoort, met neeghen paarden en etlyke schutten te voet, en braghten vyf gevangenen in, waaruyt zy de gesteltenis des leeghers vernaamen, en dat Rennenbergh daar verwacht werd. Op den drieëntwintighsten, derhalven, bestonden de Wethouders, jaa zelfs eenighe Krysbevelhebbers te dryven, dat men ontzet verzoeken moest; +daar Kornput zich teeghen stelde, meinende, 'T zouw, by de Bondtgenooten, de achtbaarheit der soldaaten doen afslaan; deeze en de burghers, door inprenten van twyfel aan hun vermooghen te onvermooghender maaken. Men behoorde enkelyk den standt der zaaken te vertoonen; voorts den Staaten de zorgh bevoolen te laaten. Eevenwel, men veirdighde 's nachts eenen burgher af, met schryven dat de stadt booven acht daaghen niet te houden was. Dit onderteekenden Olthof, Plaat, en zeeker poorter, maar oudt krysman, genaamt Koen Dirxzoon; desgelyx de Majestraat traaghlyk, doch ten laaste noch Beerenbroek. Kornput volstond in weighering, hun aantuigende, hoe 't niet alleen schande, maar straflyk aan den halze was, zyn meesters met beuzelingen te blinden. Vestingen bouwde men, niet om ten eersten opeisch of aanval geruimt te worden, maar om des vyands loop te schorsen en tydt tot zaamening onzer kraften te winnen. Hoe bitterlyk (Acharme!) willen (zeid hy) ydel berouw en louwtre ellende ons te plaaghen neemen, zoo de Staaten genoopt van uw wangelaat en ongeduldt, het ontzet versnellen, zonder genoeghzaame maght, die alzoo niet is op eenen sprong te hoop te brengen? Wel troostelyk antwoordt schikten de Staaten op dien brief: doch naardien men weeder, en weederom hulp vorderde, schreef Kornput ten teeghendeele. 'T quam'er noch niet op aan. Noodrufts genoegh voor zes maanden. Men zoude 't ontzet wis neemen: doch hoe eerder hoe beeter, meer om d'onlydzaamheit van burghers en soldaaten, dan anderszins. Dit schryven, qualyk geheelt, werd weêrwaardelyk verweeten aan Kornput; die, zich des weenigh kreunende allenskens Beerenbroek en andre krysverstandighen op zyn zyde kreegh. 'S nachts naa den drieëntwintighsten, trokken Arent van Geemen, en Henrik Snaater ouwde Hopluyden, met een goedt deel voet-en paardevolx naa de Kuynder, een vlek aan de Zuiderzee, twee mylen van Steenwyk. +Daar laaghen, zwaklyk beschanst, twee Staatsche benden, onder Escheda en Roelof van Langen; die zy lichtlyk ooverrompelden. De knechten werden meest in den bedde doorsteeken; Escheda gevangen met veel andre; zyn vendel aan sleetren geplukt; het dorp geplondert en voort verlaaten. Langen berghde zich, met kleyn gezelschap te scheepe, en voer naa
+Hollandt. D'ooverhandighen droeghen een vendel meé, en sleipten 't, aan een' paardestaart, achter etlyke ruyters, met geschal der trompette, rondom de vesten van Steenwyk, Die van der stadt geterght door dit braveeren, tooghen ter Westerpoort uyt, en staaken daar 't vuur in eenen moolen. In weêrwraak van ditte, quaamen de beleggers by duister, met meenighte van mosketten, de wacht der Geestpoorte groeten, om haar te doen duiken, en midlerwyl een' ton, gevult met teer, zwaavel en stroo, tot afberning der hameye, aan te brengen: 't welk hun gelukte, en te vertrekken met verlies van eenen man slechts. Maar, der Kornputsche soldaaten een, rookende van moedighen yver, erbood zich; en gedaalt van de veste lanx een' ladder, voorts oovergezwommen met +eenen leedren eemer tussen de tanden, rukte de teerton om verre. Daarnaa, in spyt eens haaghels van handtgeschut, dat hem in 't licht der vlam ten doele koos, ging hy meermaals waater scheppen, en met gemak af en aan, bescheldende zyn vyanden met kryslyke trotsigheit, en roepende dat hy Aart van Groninge was, een brouwers zoon. Hebbende de brandt geblust, keerd' hy weeder door de graft, en klom, tot elx verwondering ongequetst ten wall' op; daar hem zyn Hopman, voor zoo stout een stuk, met een' greep daalers vereerde. Ten zelfsten aavondt vervorderde zich een' Hooghduytsch knecht, heinde by de hamey der Waltpoorte te koomen stoffen, uitbraakende onder snoode smaadwoorden op de Staaten en Hoohenlo, veel reukeloos vloekens met misbruik van Gods naam. Een soldaat van binnen, leggende in donker +op 't geluidt aan, trof hem juist in den gaapenden mondt. 'T welk, blykende aan 't doode lichaam, in stadt gesleept teeghens dank zyner metgezellen, dit straffen van 't lidt dat gezondight had, voor eenen slagh, der Heemelsche handt deed aanneemen. De Graaf van Rennenbergh, gelast door den Landtvooghdt, het beleg t'achtervolghen, tot dat Steenwyk +gedwongen waar, quam, op den zeevenentwintighsten van Wynmaandt in persoon daar voor; en deed het 's andren daaghs opeischen van 's Koninx weeghe, behoudends lyf en goedt, niet uitgezondert, met aanbieding van vrygeley voor de geenen die vertrekken wilden. Zynde hierop, met bescheidenheit geantwoordt; dat men de stadt voor zyne Majesteit, onder bestier der Staaten en 's Prinsen van Oranje bewaarde; werden daatlyk vyf bussen te voorschyn gebraght, en gereedschap tot beuken gemaakt. De burghers, schroomende 't grof geschut, vielen vlytigh aan 't schansen, om wal en borstweer te dikken. Kornput, die de krysbouwkonst verstond, onderwees hen, dat dit weenigh, en min arbeyds meer baaten kon, zoo men dien, aan 't maaken van een kaade, en bedekten wegh daar beneeden, buyten om de graft, en van zeekere raavelynen besteedde. Maar meer gehoors vond zyn weederstreever de boovengenoemde Koen Dirxzoon, een eighenzinnigh mensch, die, wyzer in de ooghen zyner meedepoorteren, ook Hopman Plaat en zyn volk belas. In de Zeevenwolden hadden de Vriezen, om dien ingang teeghens 't stroopen en brandtschatten des vyands te stoppen, etlyke ruyters geleyt, en vier vendels knechten, van Jouw Botma, van de Stadt Bolswaardt, van Fervo, en van Stein van Malsen, Deenschen eedelman, die in de +steede van Hopman Schaaghen gekoomen was. Om deeze te schande te maaken, zond Rennenbergh, op den laasten der maant, Snaater, Geemen, en Oyenbrug uyt. De vendels van Botma en Bolswaardt, des lucht kryghende, pakten zich tydlyk wegh, en lieten den last op d'andre twee, en zommighe paarden staan: welker beste weere te zwak viel. Johan van Fervo starf op de plaats; zyn jonghste broeder van boeren handen. Onlanx hiernaa raakten de Rennenberghschen in Slooten, noch on-
volsterkt, +en daarom geruimt van Malsens vendel, en van 't Bolswaardsche, +nu behopmant met Doko van Martena; die vervolght en ontrent Balk betrapt werd. De Grietman van Volega, Pier Andries, met zyn vendel, verliet het dorp Lemmer, al was 't beschanst, en stak oover naa Enkhuizen. Thans worpen zich de Koningschen in Staavere, verzuimt te vestighen eer men het blokhuis krenkte; 't welk, ten deele gegeslecht, zy weederom opbouwden. Hebbende voorts tot Makkum een' schans gemaakt, foolden zy daaghelyx 't platte landt tot voor Harlinge, +Franeker, Bolswaardt, en Sneek, met rooven en brandtschatten. Waar oover de Vriezen voornaamen, dien ganschen oordt onder waater te zetten, waar hun de drooghte des weeders en de windt niet dwars geweest. De beleegherden, stortende met ontrent vyftigh man', in 't begin van Slaghtmaandt, ter Geestpoort uit, in een hol der loopgraaven, op de wachters, versloeghen 'er eenentwintigh, en kreeghen'er drie gevangen. Als nu de naadernissen, gevordert nacht en dagh, hem den wegh geveylight hadden tot niet wyd van de gemelde poort, maakte de vyandt aldaar een hooghe kat, en steld'er zeeven schanskorven op. Waarenteeghen de verweerders de poort met aarde vulden; hoewel Kornput het ontried, vertoonende, dat zy des te eerder bezwyken zouw, en gemaklyker beklommen oft onderdolven worden. Met stoppen ook haarer busgaaten, zeyd hy, doen wy den vyandt zyn werk te voore; gemerkt zy tot strykweeren, dat 's armen der veste, dienen, die wy ons zelven gaan afsnyden. Niet nutter tot bescherming der poorten, dan een kaade en bedekte wegh om de graft. Indien ghy dit te zorghlyk vindt, veylig altoos kan men van binnen, tussen elke twee poorten, een' kat verheffen, om de bressen te bestryken, ende, wen 't 'er op aan komt, met nieuwen wal en +graft d'een dan d'andre gehecht te worden. Den Kryshoofden geviel dit. De katten werden begonnen. Maar 't werk haaperde aan de burghers, mits het niet zonder neêrsmyten van eenighe huizen te volbrengen was. Harde vorst, endtlyk, en bytensnoodt, deeden hun de noodtlykheit der graftkaade bezeffen; zoo dat men, op den zeeventienden van Slaghtmaandt, met alle maght daar aan teegh. By Vollenhoove, in 't klooster Sant Jans Kamp, 't welk niet dan eenen grafteloozen muur had, werden ten zelven daaghe, naa kloeken weederstandt, zes Heeghemans vendels vernielt van de Rennenberghschen; drie Hopluiden, Jan van Viaane, Gedeon van Poomere, Hans Wichmans, gevangen. Om de lydzaamheit der beleegherden te lengen met eenigh voorspel van ontzet, was, op hun versch aanporren, dit volk herwaarts gezonden; en tot Zwartesluis, Hopman Stuiper, die 't daar toen ook niet houden darde. De beleggers, hebbende tot Sant Jans Kamp etlyke tonnen buskruidts bekoomen, gebruikten die, 's andren daaghs, aan 't beuken der Geestpoort: ende, naa 't vellen der toppen en borstweeren, als nu de huizen ten toon stonden, stuurden'er gloeyende klooten naa toe; (een vond eerst beproeft, vyf jaaren te vooren, in 't beleg van Dantzik, by den Koning van Poolen Stefan Bathor) waar door men, uyt verscheyden' hoeken teffens, schielyken brandt zagh opgaan. Want de keuren, voor geroert, worden quaalyk gehandthaaft, mits de, meerderheyt der hoofden: en veele daaken van stroo laaghen noch; desgelyx turf, hout, ongedorst kooren, zonder verplaatst te zyn, volghens 't bevel. Dat'er verraadt schuilen, en 't onheil by eenighen van binnen moest gebrouwen zyn, waande men eerst, tot dat de oorspronk gespeurt werd. Toen al 't krysvolk in waapenen, en naa de veste, de steedelingen aan 't berghen hunner haave, en lesschen des vuurs. Maar, dat gestookt van eenen styven windt uit den Ooste, verslond, hoe zeer zy zich
+queeten, ontrent tzeeventigh wooningen, en etlyke volle schuuren, mooghende te zaamen het twaalfde deel der stadt maaken. De vlam, ooverwelvende den wal, en ontsteekende de nieuwe borstweeren, doorvlochten met stroo, verdreef de soldaaten; zulx een derdendeel der veste, en daar 't ys niet gebrooken was, verlaaten werd; doch de brandt verbood, met een, den Rennenberghschen daar het aankoomen. De zelve, verwachtende dat de beleegherden, gejaaght van de hitte, hunne toevlucht van zelf zouden t'henwaarts neemen, maakten nochtans gebaar van stormwilligheyt, en draafden met vlieghende vendels, te voet en te paardt, rondom de stadt. Een ooverschriklyke schyn: van buiten de vyandt, van binnen de gloedt, beyde opgeblaazen; de gedreyghden tussen tween. Als leeuwen echter volstonden de soldaaten, scheppende t'elken maale nieuw hart uit het vermaan der Hopluiden, door welker aanspraak de burghers ook gesterkt endtlyk 't gevaar in dwang kreeghen: waar toe hun wel slaaghde, dat het by daagh geviel. Want de Gelderschen hadden, by nacht, in het tweeëntwintighste jaar deezer eeuwe, op de manier van alstoen, de zelfste stadt aan brandt geschooten, bemaghtight, en wreedelyk geplondert: en men twyfelde weynigh, oft Rennenbergh zouw, mits desgelyx ty kaavlende, tot zyn vermeeten gekoomen zyn. De zelve, meynende dat binnen meest alles aan koolen lagh, zond, teeghens den avondt, twee trompetters derwaarts, om aan te staan op +oovergift, onder voorwaarden, eerstmaals aangebooden. Hopman Plaat, die de boodschap ontfing, worp zulx op 't veerste, en beval hun strax deur te gaan; oft zy zouden zich toevens ontdanken. Welke bruskheyt +van antwoordt gelooft wordt, dat pas, de behoudenis der plaatze geweest te zyn. Want, waare 't stuk toen in beraadt geleyt, quaalyk stond het 'er geschooren; als bleek aan 't onbenoeghen veeler burgheren, knorrende, dat hy 't geeven van zoo kort en scherp een afscheydt, zonder hen oft de Majestraat te kennen, alleen oover zich genoomen had. Ook bekoorden zy hem, die (als booven gemeldt is) te voore een' zelve streng met hun getrokken had, wel haast weeder tot die zwakheit. Een teeken van 't wonderlyk waalen en floddren des menschelyken gemoeds, en van de beurten der luimen die 't verheeren, met zulk een' oovermaght, dat zelden man zoo blood oft zoo koen, die niet by wylen van een' vlaagh, teeghens zynen aardt, verrukt word. Des andren daaghs, als Plaat zich nu voor de burghers uiterde, dryvende, dat's vyands voorstel wel ooverweeghens waardigh was; kantte Kornput zich daar teeghen, uitzettende +met styve stem, Hy wilde geen gewagh van leevering der stadt hooren; nocht om lief oft om leedt emmermeer daar toe verstaan. Eeven fors spraaken Beerenbroek, en Lazarus Austria, Olthofs Steedehouder. Olthof, geschooten door 't dik van zyn been, lagh toen daar aan, en voorts bynaa zoo lang als 't belegh duurde, te bedde. Naa veel' en hooge woorden ter weederzyden, verdroeghen de Kryshoofden t'zaamen, en gaaven elkandren de handt daar op, dat niemandt van daadingen met den vyandt reppen zouw, 't en ontbraak' hun eerst aan spyze. Ten naasten daaghe, twintighsten van Slaghtmaandt, hief de gemeent' aan te muiten; en rotte te hoop op de markt, niet zonder merklyk gevolgh van soldaaten. Kornput, dit verneemende, waapent een getal andren, zich zelven onder zyn' kleederen, treedt met Beerenbroek en Austria derwaarts, en bestaat den gezelschappe, dat zich onderlings tot oovergift opruidde, toe te grauwen; +wegh boevejaght, flux wegh. Wat mart ghy hier met kaakelen, om onzen reedelyken krysluiden door uwe leughenen 't hart te kleynen? ghy hebt die dwaazen niet voor: zy weeten zelf te raaden. Terstondt druipt'er een deel deur: en niemandt die daar teeghen kikt, behalven een vleyshouwer, zich
+vervorderende te vraaghen, hoe 't 'er ten laaste gaan wilde, wen men meer niet zouw t'eeten hebben. Toen Kornput: In lang noch dies geen noodt. En als het daarop aankomt, zoo willen wy dy, booswicht, eerst op vretten. Hiermeê strykt yder den moedt, en naa huys toe. Sint pooghde de vyandt meermaals op de zelfste wyze brandt te schieten: maar daar werd op gepast, met burgherwacht, ook van vrouwen en kindren, +'s nachts zoo wel als by daagh, in elke straat en huys. En waar de rook opdwelmde, men trok met yzere haaken de brandtbaare stof van daar; lichtte dan, met dikke wolle wanten, eerst in 't waater gedoopt, den koeghel, en worp dien ter deure uit. Van eenen diergelyken werd zeekre dienstmaaght getroffen, ten midlyve, in de keuke, daar z'een bed opschikte. Een andre kloot, gevlooghen door de borstweer aan de Geestpoort, brak eenen burgher de beenen; die 't ook bestarf. En men weet niet, dat, van 't grofgeschut, in de gansche tydt des beleghs, eenigh ander mensch aan 't lichaam beschaadight zy. Wyders, meenigherley krysbedryf viel 'er daaghelyx voor, daar de beleegherden zich manlyk queeten. Dan de wankelmoedigheit en onlust kreeghen allenskens 't meeste gezagh; zulx Kornput ook en Beerenbroek het schryven om haastighe hulp moesten teekenen. In plaats van eenighe goede nieuwe penningen tot beleening der knechten te munten, gelyk de Hopluyden verzochten, deeden de Wethouders een stempelken van 't waapen der stadt, dat een anker is, op d'ouwde slaan, en reezen deeze daarmeê tot dubblen prys. +Maar de lyftoght, die men begon achter de handt te houden, rees'er met der haast teeghen aan, 't welk geemelyke soldaaten maakte; hoewel zy, voor dien tydt, door de Hopluyden gestilt werden. Geen' minder moeyte had de Graaf met de zyne, die, verongemakt dan van sneeuw, dan van reeghen, altyds van koude, quaade betaaling, maaghre mondtkost, slaplyk te werk gingen: zulx de verweerders, daardoor verstout, de poorten weeder van aarde ontleedighden, en meenigen wakkren uitval deeden: in eenen der welke Hopman Plaat, geschooten, 't leeven liet. Endlyk quaamen +de Rennenberghschen, bol en dik, voor zyn' herberghing geldt schreeuwen. Hy streeld' en zette ze needer met zoetelyke woorden; vergaaderde, 's andren daaghs, de ruytery en hoofden van 't voetvolk, op 't hooghe vlak tussen Oosten Westwyk, en bekaldeze in voeghe met vertooning van de nu nypende noodt der stadt, en van de kleene kans t'haarder verlossing, dat zy altzaamen luyder stemme beloofden hem, ten laaste toe, by te blyven. Ook vleyd' hy zich zelve zoo wel als zyn' krysluyden: en zyn' hoope, hebbende nu niet alleen Steenwyk maar heel Vrieslandt ingeslokt, begon noch wyder te gaapen; der maate dat hy zich onderwond +die van Enkhuyzen te vermaanen tot bekeering ten Koning, op den voet der Gentsche vreede; met aanzoek dat zy zoo de voorstel hun smaakte, dien met de Noordhollandtsche Staaten ooverweeghen wilden, om, neevens de goedwillighen, tot handel met hem voort te vaaren. De brief, geschreeven den zesten van Wintermaandt, was onderteekent, Uw goede vrient zoo ghy wilt, Georgh van Lalain. Onder de Staaten, inmiddels, werd, belangende 't ontzet, met groote strydigheit van zinnen, geraadslaaght. Zommighen hielden voor reukeloosheit, om een Steenwyk 't uiterste lot te werpen; gelyk doorgaands gebeurt in 't steuren van beleegheringen. Andren, daarenteeghen, dreeven, men moght het zoo gering achten als men wilde, 't was eevenwel een' sleutel van Vrieslandt, Vollenhoove, en Drenthe: en indien de vyandt des meester wierd, Vrieslandt zouw, te lande, van de vereenighde gewesten ganschlyk afgesneeden leggen; viellicht eer lang, te waater ook; dewyl hy reeds aldaar zoo veele zeekusten en haavenen bezat. Dit gevoelen woegh oover. 'T gaat'er dan
+op een tsaamenschraapen van geldt, een te hoop rukken van volk. En +op dat men den vyandt aan verscheyden' oorden te doen gaave, werd de Ammiraal Duyvenvoorde naa Noordthollandt gezonden, om etlyke jaghten toe te rusten, en, by geleeghenheit, Delfzyl, Staavere, oft andre plaatsen +te waater aan te grypen. Wigboldt van Eusum, heer van Nyenoordt, hebbende onlanx last van de Staaten verworven, om een regement van zes vendelen, elk tot anderhalf hondert koppen, op te rechten, quam met zeshondert mann' tot Winsum; en, ten eynde van acht daaghen, lagh bewalt met een' borstweer: 't welk zich in 't hart der Ommelanden, +en (naar 't zeggen eens Oudburghermeesters van Groninge) in de geldtkist gezet was. Thans verjoegh hy een deel soldaaten, geschikt in Warsum van de Groningers, en kreegh 'er dertien in handen. In den Dam hadden zy twee noch ongemonsterde vendels geleyt, die desgelyks, besprongen van hem, de vlucht naamen, achterlaatende tzestigh dooden en vyftigh gevangens. Johan Norrits, gekooren tot Veldooverste der Staaten, was nu, tot Zwartesluys gekoomen: van waar hy zeeker getal schutten +naa Giethooren gebood, daar zy een nieuw vendel des vyands ooverrasten en verstrooyden. De Hopman, Otto van Zandt, Oudtdrost van Harderwyk, werd gevangen; zyn zoon, onder andren, verslaaghen; het dorp aan brandt gesteeken. Op den neeghentienden van Wintermaant, toogh Norrits naa Meppel, met weenigh paarden, en drieëntwintigh vendelen voetvolx, maar die booven achtienhondert mann' niet uitmaakten. Tot Zwartesluys liet hy alleenlyk drie vendels van Graaf Willems Kornelly, onder Appel, Kleerhaaghen, en Gouwenbergh. Welke zwakheit van bezetting Rennenbergh bekoorde, hen te doen aanranzen van elf benden knechten en zes kornetten die lanx de dyken, en oover 't ys, met +maghtighe vuurigheit aanliepen; doch zoo manlyk gestuit werden, dat Norrits, des verkundschapt, tydt had om een deel Engelsche en Walsche +schutten derwaarts te veyrdighen. Deeze, ontfangen in de schans, vielen met de bezettelingen, gezaamder handt, uit; sloeghen den vyandt in de vlucht, en hem wel driehondert mannen af; een der welke was Aarent van Geemen, Steedehouder Kornel van 't Vriesche regement. Twee vendels werden veroovert; geweer, bet dan van vyf hondert mann' gevonden op den dyk, oft gevischt uit het Zwarte waater daar der meenigh in verzoopen bleef. Tot verquikking der beleegherden zond Norrits hun den eenen standardt toe, met troostbrieven, en achthalf hondert pond' bussekruids, in leedre zakken, gedraaghen van ontrent veertigh soldaaten; die beleydt, in der nacht, by baanwyze booden gekoomen uit de +stadt, geluklyk daarin raakten. Op den dertighsten der zelfste maant, kreeghen zy weeder aanmoedigh schryven, neevens zestienhondert gulden aan goudt, tot betaaling der krysluiden; Beerenbroek lastbrief om Hopman oover de bende van wylen Plaat te weezen. Ten naasten daaghe bestookte Norrits de Rennenberghschen van achtre oover de moeras. 'T welk waargenoomen by die van binnen, deeden z' 'er ook eenen torn op; smeeten 'er etlyken doodt, en een' groove bus met mookers aan stukken: doch keerden niet heel zonder verlies te rug. In deeze maant, richtte, met voorschryven des Prinsen van Parma, zich, aan Rennenbergh, Willem van Montfoort Drost tot Hattum: de welke, hoewel hy in der Staaten eedt stond, met zynen vaader Loodewyk aangenoomen had, het Slot oover te leeveren: 't zy dat zy 's vyands voorspoedt ontzaaghen, oft zich 't verdrukken van den Roomschen Godsdienst ter harte trokken. Want vergiffenis van begange misdaadt, bevestighing des zoons in zyn ampt, gevoeghlyk onderhoudt voor hun en hunnen huisgezinne, zoo zy ter zaaken van dit werk quaamen hunne goedren te derven, en
+meer niet, was hun toegezeyt. Twee Raadsmannen 's hoofs van Uitrecht Antonis van Grisperre en Gerrit van Raatingen, geweeken van daar, en woonachtigh althans binnen Emmerik, hadden gedient tot maakelaars deezer koopmanschappe, en de quaalyk bedachte luyden dus verre weeten in te leyden, en zich zelve buyten scheuts te houden. De Graaf, vindende te opzightigh, hem eenigh volk uit den leeghre meê te geeven, wees Willem naa 't huis te Blyenbeek; van waar hy, met zeekren serjant genaamt Fonseco, en ontrent veertigh soldaaten, schikte by nacht voor 't Slot van Hattum te weezen; daar men hem van buyten liet booven +koomen. Vyftien Staatsche knechten, daar leggende, had Loodewyk, 's avonds te voore, dronken gemaakt, en in een' kaamer geslooten: zulx hun opwaaken en onder vallen teffens toeging. Deeze vast gezet zynde; daalen de Koningschen in stadt, lichten daar den Kornel Heegheman, den Hopman Kornelis de Haan, Jonker Reynier van Deutekum, Harman van der Hel, en Heeghemans geweldighen Prevoost, uit de herbergh, en brengen hen op de Burgh. Een veel te reukeloos aangaan, zeeker, met zoo een vuyst volx, daar alles rondom vyandsch was: oft Rennenbergh moest belooft hebben, hen daatlyk te doen involghen, zoo de toeleg wel beslaaghde; oft zy zich voorstaan laaten, dat de gebuursteeden geen' bezetting, veel min haare burghers zouden missen willen, om hun 't nestelen hier te verbieden. Ook vernaamen zy haast het lieghen hunner +reekening. Want de steedelingen, voor eerst, greepen 't geweer; hoewel met schroomte, mits hun 't getal der weederparthye onbewust was. Thans quam, uit Zwol, 't welk maar een' myl van daar is, Hopman Jakob van Mechele, met vyventwintigh zyner knechten, en tsestigh andre, die zich by geval ontrent die stadt vonden, samt een vendel welgemoede burghers, den Hattumschen te baat; die hen in lieten, opbreekende de poorten teeghens dank van de Koningschen. Deezer bleef, in dit bedryf, wel de helft doodt oft gevangen. De rest liep zich op 't Slot berghen, naagejaaght van burghers en hulpelingen, die terstondt de voorburgh gemaghtighden, en hun de brug aldaar, met byl en brandt, t'onbruyk maakten. Voorts ontbooden zy van Aarnhem, Deeventer, Kampen, Harderwyk, Elburgh, onverwylden bystandt; en bequaamen uit elke stadt een vendel burghers, daar drie benden paarden bygevoeght werden. Met deeze troepen omving men 't Blokhuys, en begon het 's morghens te kloppen met drie kartouwen en twee slangen, die's naamiddaaghs te drien twee reedelyke breuken gemaakt hadden. Vremdt voorwaar, zoo de muur, als Meetren tuyght, vierentwintigh voet' dik was. Toen zagh het'er zuur uit, en +elk den andren deerlyk aan. Doch Heegheman liet zich voor middelaar beezighen, en holp hen tot verding. De Blyenbeeksche bezettelingen tooghen af met hun zydgeweer, naa den Ryxboodem toe, onder veyligh geley, en beloftenis van, in drie maanden, teeghen de Staaten niet te dienen. Den Drost en zynen vaader voerde men gevanklyk naa Aarnhem; daar zy beyde, d'oudst' een man (zoo, tot meerdering der jammernis, Haraeus meldt) van tachtentigh jaaren, voor verraaders, verweezen, onthalst, en +gevierendeelt werden. Lydende dit Noordlyk gewest dus eenen last; nam de Prins van Parma Nivelle in; en oorzaak uit dien, om aan Burghermeesters, Scheepenen, gilden, poorters, inwoonders van Brussel, daar de geneeghentheeden dat pas merklyk ontstelt waaren, den zesten van Wynmaandt, +te schryven op deezen zin. Waarde, en wellieve vrienden, door den Godlyken zeeghen, verzellende 's Koninx waapenen, ziet ghy nu de stadt Nivelle t' zyner onderdaanigheit gebraght. Waaroover, het geweldt der oorlooghe dreyght, met haaren sleep van onheylen en verderffenissen ter eene zyde, te koomen storten op uw' armen, 't en zy ghy u werpt in die van
+zyne Majesteit; terwyl ghy, ter andre smoort onder d'ellenden, gebrouwen door 't snood en tierannigh toegaan van den Prins van Oranje, aanstichter en hooft van al de beroerten, die alsnoch by hem gevoedt worden, om 't Heyligh Roomsch geloof te dempen, en u meer en meer te verwyderen van de gehoorzaamheit, die ghy, naar Geestelyke en weyrlyke wetten, uwen aangeboornen Vorste schuldigh zyt. O wee! welx meededooghen ons 't hart weekt: dat een uitlander uwe vrydoomen, rechten, en loflyke gewoonten zoo onwaardelyk te gronde smyt, u rydende den rug in, met oplaagb van ondraghlyke, barbaarische tollen en schattingen, geschaapen van dagh tot dagh, zwaarder te worden; 't en zy m' 'er veyrdighen raadt inschaf. Dies heeft het ons, ten opmerke den plaatse die wy bekleeden, betaamelyk gedocht, u te vermaanen, dat ghy u langer geen' geleeghenheit ontslippen laat, waardoor ghy van zoo smartelyke quellingen mooght verlost worden; en stellende u zelf in rust van lichaam, geest, en gewisse, de heylzaame vreede genieten, neevens de eerlyke lusten, die u plaghten te verheugen, toen u de jeeghenwoordigheit der vorsten, oft Landtvooghden, en de luyster van 't Hof bestraalde. U is bekent de deughdzaame meening zyner Majesteit, geneight om u niet anders, dan naar uitwyzen uwer voorrechten, te handelen, in alle zachtmoedigheit, als ten tyde van dien goeden en grooten Kaizar Kaarel zynen vaader, onder wien deeze Landen zoo weeldrigh gebloeit hebben; en hoe zy jookt, om u weeder in de zelfste welvaart te stellen, en te behoeden teeghens uwen verdrukker, die allerley listen en bedriegheryen te zaamen zoekt, om u tot slaaven zyner moedwille te maaken. Waaroover wy niet bezinnen kunnen, wat u doet schoorvoeten teeghens uwen plicht; wat u verhindert zoo knellend en wreedt een juk van den halze te schudden, en u ten laaste t'erbarmen oover uw benauwde vaaderlandt, oover u zelve, oover uw' vrouwen, kinderen, en geslaghten, bynaa vernielt door zyn onmenschelyk bedryf en de langduurighe gedeeltheeden, rampen, en plaaghen, die u van alle kanten, doorkerven. Droeght ghy dit om een' eerlyke zaak te handthaaven, oft om uw' voorighe gesteltenis te verbeeteren; het inzien der rechtvaardigheit moght uw gedult sterken, oft aanblik der baat' uwe styfzinnigheit gespannen houden. Maar deeze bergh van quaalen dient niet dan om een' schandigh' en onbillyke twist te onderschraaghen, ter geneughte van eenen warzelen ketter en staatsteurder, die u pooght te persen tot verwerping van 't geloof, waarin ghy gedoopt, en uw' voorouders gestorven zyn; desgelyx tot verzaaking van uwen Landsheere; van uwen (zeg ik) wettighen Landsheere, afgedaalt by de meenighbondertjaarighe ry der Vorsten en Vorstinnen, veelen der welke ghy voor Santen en Santinnen, uwe voorstanders by Godt, hebt erkent, onder hun een gelukzaaligh leeven geleydt, en de rechten en vrydoomen ontfangen; waar meê ghy u zoo mildelyk begaaft vindt. Ende hy vermeet zich, in hunne plaats, u op te dringen vremdelingen uw' erfvyanden, den aardt en zeeden der welke d'ervaarenis u t'oover heeft leeren kennen. Vorsten uitstooten is eeuwigh oorlogh inhaalen. Stelt u de jammeren van dien eens voor ooghen. Stelt u teffens voor ooghen de groofte der misdaadt van opstending teeghens de Ooverheit; en hoe veel gruwzaamer het is, zynen Koning, en de naazaaten des zelven te berooven van hunrecht, en vaaderlyk goedt; zamt dat de Godlyke wraak, vroegh oft laat, alle ongelyk straft. Ooverweeght wat ghy by de wissel winnen zult, verlaatende zoo maghtigh eenen Koning, om eenen minder, uitheemschen, onwettighen Heer aan te neemen; en bescherming te gaan zoeken aan een geslacht, dat van ouds her gewoon is u zoo bitter een hart toe te draaghen, en uwe voorspoedt, rykdoom, en weelde te benyden. Ghy weet wat punten zyne Majesteit, van den aanvang der beroerten af, u heeft aangebooden, en noch laastmaals op de Koolsche
+vergaadering; alwaar u, en allen anderen, zulke voorwaarden zyn in geruymt, dat, niet alleen de Vorsten en Kaizarlyke gemaghtighden, de zelve vol van Koninklyke goedertierenheit vinden, gelyk hunne brieven, aller weeghen gezonden oopentlyk betuyghen; maar de gansche werelt alalleens daar van oordeelt, verdoemende de hardnekkigheit der ketteren en weederspannighen, die zoo genaaderyk een' weldaadt weygheren. Ende zeeker, die anders gevoelde, moeste gebrek van menschlyk vernuft lyden, oft alle reede, deughd, jaa zich zelven haaten: zulx wy geenszins kunnen twyfelen, oft ghy zoudt u ooverlang gevoeght hebben, waar uwe vryheit, van toen af, niet verdrukt geweest door deezen gemeenen vyandt, dien van Oranje: 't welk ons beweeght, u op nieuw tot aanveyrding der gemelde gunsten te noodighen. Kan ons behulp u daarin te staade koomen, lief zal 't ons zyn daar tot gebruykt te worden, en veele goede middelen by te brengen. Ten welken eynde, zoo ghy gemaghtighden t' onswaarts schikt, wel welkoom zullen zy, en, van nu af, in de veylighe hoede des Koninx en de onze, weezen. Begint dan eenmaals dit te betrachten, en weeder op 't rechte padt naa zyne Majesteit te keeren, die u haar' armen toereykt. Gelyk uwe stadt, als troon der Landsheeren, d'eerste in achtbaarheit is, alzoo betaamt het u der reste voor te treeden, en den wegh ter verzoening te baanen. Lof en eer zult ghy, zoo doende, by alles wat'er leeft, behaalen; en voortaan de vruchten der dierbaare gerustheit plukken. Indien ghy, daarenteeghen, eeven onbuyghzaam, u echter misleyden laat; verwacht niet dan aanwas van ongelukken, en al 't gewight van den krygh op uw' schouders; tot loon uwer lydzaamheit, de tieranny van deezen vremdeling, aangespannen teeghens Godt, teeghens uwen Koning, teeghens alle vroome luyden; en hoe langer hoe smaadigher geschrobt, gestroopt, verslonden te worden door zyn oorloghsvolk, by een geraapt uit zoo veelerley landtaardt, om u te vertreeden: zynde zyn eenigh wit, te groeyen by uwen afbrek, waarmeê hy lacht, en zyn' spot dryft. Denkt dit naa; en met een, wat Koning ghy gaat verschuppen; terghende, booven den zynen, den tooren des Almaghtighen, ongewoon de geenen te spaaren, die zich, teeghens de Ooverheit van hem ingestelt, verzetten. Dit vertoogh, aangeleyt om nydt, spyt, haat, erbarming, en berouw, teffens te baaren, wracht eevenwel zoo veel niet als de schryver zich had ingebeelt. Meer, misschien, waar daar verricht geweest, hadden de werken klem gehadt naa +gelang van de woorden. Maar deeze beezighd' hy tot noodthulpen, mits, by mangel van gelt, zyn' heyrkrachten kreepel gingen. 'T zelfste gebrek leeden de Staaten, en zaaghen zich, daarenbooven, bedraayt in wonderlyke +wanorde, en mistrouwen verwekt tussen de Landtschappen, door hun eyghen verzuym en de konstenaaryen des vyands. In Brabandt riep men, en steurde zich, dat de gemaghtighden der naader Vereeninge de grenzen huns gezaghs oovertraaden, aanneemende 't bewindt van dingen, die ter voorzieninge van d'Algemeynschap behoorden. D'andren, weederom, morden, Dat men van het besluyt, genoomen by hen, in Sprokkelmaandt lestleeden, op al de punten verhandelt in de laaste vergaadring der Algemeyne Staaten, niets naagekoomen had. Wargeesten moesten daar t' Antwerpen zyn, die, waanende geen' weêrgaâ in wysheit te hebben, allen raadt, juyst in hun breyn niet gebroedt, verfoeyden; alles, wat by de naader Vereenighden geraamt werd, omstieten; en deeze gewesten tot hietendoens der andre zochten te maaken. Dit gaaven zommighen hunner wel oopentlyk te kennen; en d' Algemeynschap zoo weenigh achts op 't stuk der zelve gewesten, dat zy, te zeer bouwvalligh, zonder veyrdighe ondersteuning voortaan niet waaren staande te houden. Jaa de moedt der gemeente begon nu oover te loopen van onbenoeghen, ende
+zy 't lyf daarnaa te zetten, oft het eyndtlyk op haar aanquam, een redding in 't werk te maaken: waar door alles beschooren bleek, om 't onderste booven te keeren. Derhalven, dewyl'er geen' altoos van booven quam, hadden zy oorbaar gevonden, zelf eenighe orde te stellen; en beeter de zaak ten halve te handthaaven, dan heel te laaten glyen, en de Landtschappen in +wanhoop vallen. Wee deeden, in 't hart, den Prinse deeze misverstanden, geschaapen, mits 't wispelen des opperbestiers, en 't haaperen der raadschifting, hoe langer, hoe dieper in te kerven, en ten laaste op een' bederffelyke scheuring uit te koomen. Dies drong hy, ter noch duurende zaameninge t'Antwerpen, een' nieuwe beschryving der Landtschappen deur, teeghens den eersten van Slachtmaandt, in den Haaghe; voorneemelyk om eenmaals den voet der regeeringe vast te stellen. En daar werd ernstlyk verzocht, dat men, voor den tydt van een jaar, den gemaghtighden, verschynende ter vergaadring der Algemeine Staaten, bevaale glad af oft aan te stemmen, zonder op breeder orde te beyden; haar de maat van den last, gegeeven, den zessentwintighsten van naast voorgegangen' Herfstmaant, door de vier leeden van Vlaandre aan de hunne, gelyk by +dubbelt van den brief te zien was. Immiddels dacht zyn' Doorluchtigheit eenen aanslagh op Maastricht te proeven; en toogh in persoon derwaarts; doch weeder te rug, mits onverwachten voorval, als men reeds met de ladders aan de vesten was: zoo Meetren verhaalt, zonder dien bekent te maaken. Maar Antonio Karnero zeyt, dat een vendrigh groot geldt van de Staaten ontfangen had, tot omkoop der bezettelingen, en 't stuk door zeeker meysken werd uitgebraght. Ook deed de Prins van Espinoy, +Steêvooghdt van Doornik, t'eener morghenstondt, het steedeken Kondé beklimmen door den Heer van Estrelles, die 't maar een etmaal inhield, zorghende, de Spaansgezinde Waalen, die niet verre van daar laaghen, eerder op den hals, dan volx en voorraads genoegh t' zyner baate, te kryghen. De booven aangeroerde byeenkoomst der Algemeine Staaten verstonden die van Hollandt, bequaamer en veyligher, dat pas, binnen Delft te kunnen geschieden, en maakten zulx ook den andren vroedt. Twee +daaghen voor den aanvang, schikten de Ridderschap, Eedelen, en steeden des zelven Lands in den Haaghe te zyn, om t'ooverleggen, wat zy ter groote zaameninge hadden in te brengen; en teffens, hoe zy, tot onderstandt der Geldersche en Vriesche zaaken, gevoeghlykst een derde oft vierde huns aandeels in de gemeene lasten, buyten gewoonte, zouden mooghen vinden; 't welk hun, door de naader Vereenighde bondtgenooten, ooverboodigh eevenveel te doen, was aangeverght. Van den Spaanschen ban, verkundight teeghens hem en de zynen, had de Prins hun, oover een' wyl afschrift gezonden, en hun goeddunken daarop begeert: desgelyx berichting genoomen van verscheyde voortreflyke persoonaadjen, en d'aanzienlykste raadsluyden van Nederlandt; welker verstandt gedroegh, dat hy, zonder ontrouw aan zyn' eere te doen, niet leedigh staan kon, van zich van den toegedreeven laster oopenbaarlyk te zuyveren. Zyn' Doorluchtigheit derhalven, verschynende, neevens den Graaf van Hoohenlo en andre haare vrienden, op den dertienden van Wintermaandt, ter Delfsche vergaadering, onderworp haar' achtbaarheit, lyf, en leeven den oordeele der Algemeyne Staaten; en gaf den heere Zoomer, * Loontrekkenden Raadsman der stad Gent, een ontschuldighschrift op te leezen. 'T weederleyde wydluftigh, +van punt tot punt, den ban; en begreep, tot pit, de naavolghende punten. De gedachtenis van Kaizar Kaarel, als van zynen opvoeder, wild' hy altyds in hoogher eere houden: maar, van baat te trekken uit zyne bedieningen onder den zelven, was' t zoo verre geweest, dat hy, ten teeghendeele, niet weynigh van 't zyn daar had ingebrokt. Dat de Kaizar hem 't erf van zynen
+neeve den Prinse René had laaten beuren; wat rechter zoo partydigh moght' 'er uit koomen, om min te doen? Want van tweederley soorte waaren de voorneemlykste goedren; d'eene naagelaaten van zyn huys Nassau, d'andre van dat van Chalon. Op de Nassausche, geleeghen in Brabandt, Vlaandre, Hollandt, en Luxemburgh, en genoemt de Bredaasche naa de staatlykste heerlyky, had niemandt kunnen spreeken, dan zyn heer vaader, als Renees oom, en dees zelf aangestaan, ten einde dat hy zyn zoon in bezit gestelt wierde. Nooit mensch zoo onbeschaamt ook, die zich daarteeghen verzetten darde: behalven den * Raadshooftman Schoore, met uitslaan in den Raadt, dat een ketterszoon niet erven moght; om dat zyn heer vaader de kerken van zyn gebiedt in Duytslandt naar Godes woordt gezuyvert had, hoewel by verlof van den Kaizar. Noopende de Chalonsche goedren; van weeghe der Baroenyen en Heerlykheeden, bezeeten by hem in 't Hartoghdoom van Borgonje, en in het Delfinaat van Vienne, kon hy geenszins gehouden zyn in den Kaizar: gemerkt die daaroover meer maghts niet dan hy gehadt had; maar alles gestaan in 't gewoudt des Koninx van Vrankryk. Wel was hy in 't verdragh van Soisons meê begreepen: dan, zeeker, ruym dit verdient van zynen neeve, gestorven voor de voeten des Kaizars. Kleener veel was 't vermooghen des zelven geweest, om hem aan zyn Prinsdoom van Oranje te helpen, daar hy (Godt uitgezondert) geen' hoogher kende, nocht yemands gunst van noode, dan alleenlyk des Franschen Koninx, die eenen armen Vorst gewilligh t'zynen dienste, niet zouw hebben verkorten willen. 'T geen hem in 't Graafschap van Borgonje toebehoorde, was 't eenighe dat 'er ooverschoot; en dit zoo lang gederft dat de schaade by naa ter somme van twintigh tonnen schats beliep. Voor dit goedt hoefd' hy niemandt dank te weeten, dan puurlyk zynen neeve, die 't hem gemaakt had, en mooghen maaken, naar de rechten van dat gewest: zulx hy zich, te dier zaake, niet kon verplicht zien aan den Kaizar; want nocht de Kaizar, nocht de Koning bewees hem ooit eenighe milddaadigheit, 't en waare dat Philips gifte van 't goedt eens andren daar voor reekende. Ten teeghendeele (gezweeghen het onrecht, dat hy leed van den Koning, die hem 't zyne onthield) nauwlyx had hy zich erfgenaam verklaart, als hem ontrokken werd de Heerlykheit van Chastelbelin, niet zoo gering van waardy, oft de achterstallen, hem. koomende, bedroeghen wel ter somme van driehondert vyftighduyzent gulden. 'T bezit, gehadt by zyne voorzaaten, was hem geweyghert door den Kaizar; doch toegelaaten zyn' zaak aan recht te vervolghen. Maar de Koning, toen zy in staat van wyzen was, verbood, teeghens zynen eedt, den Raade 't vonnis te uiten. Dit had hy van den huyze van Spanje te bet. Men bezaaghe nu eens de diensten, gedaan door zyn' voorouwders aan 't zelfste huys, en aan dat van Oostenryk. Zyn oudtoom was 't geweest, Graaf Engelbrecht van Nassau, die met den heere van Remont den strydt van Guineguaste won; die, weedergekeert uit Vrankryk, sint zyn' vankenis tot Bethune, den Aartshartogh Maximiliaan, by weeghe van verding, door 't Vlaamsch oorlogh droegh; die den Kaizar in vreedigh bezit der Landen van Oovermaaze, stelde, bedwingende de weederspannelingen aan den oever des Ryns: oovergeslaaghen de gevaarlyke reyzen, en moeylyke gezandtschappen, volbraght by hem, ten gevalle van den zelven. Onder andre diensten zyner voor zaaten, moest men gedenken, dat zyn heer vaader, Graaf Willem, den Kaizar Kaarel de Roomsche kroon op 't hooft gezet had, en zyne kiezing bearbeydt, met verstek des Koninx van Vrankryk, die naa de zelfste hoogheit stak. En degansche werelt wist, dat'er, zonder te styghen tot deezen top, nooit kans geweest waar, voor dien Kaizar, om zoo veele maghtighe Landen onder de knie te kryghen. Een' enkle weldaadt niet, ontfangen by zyn geslacht van dat
+van Spanje, zoude men kunnen toonen; wel, tot verscheyden' oorden deezer Landen, de donderbussen, geteekent met de waapens van Hongaryen, en geschonken van die Majesteit aan zyn' voorouwders, in tuyghenis hunner dappere daaden, gewracht tot weederstandt van het Turksche geweldt. Van welk geschut de Hartogh van Alva hem zommighe stukken ontrooft had, en vervoert uit zyn Slot van Bredaa; zommighe daar noch laaghen, om te strekken, zoo lang zy in weezen bleeven, voor baaken van de gloory zyner doorluchtighe maaghen. Maar die, gezeeghent met eerlyke middelen, waaren zoo eedel van aardt geweest, dat zy van de Nederlandsche Vorsten nooit yets geëyscht, nocht dankgaaf ontfangen hadden; daar nochtans de betaamenis ten minste wel eenighe belooning voor de Kaizarskroon vorderde. De erffenis van Chalon, en 't Prinsdoom Oranje, hadden (bekend' hy) zyn huys grootlyx gereezen: maar, zoo het zich daarvoor in yemandt gehouden vond, die moest Koning Fransoys van Vrankryk, d'eerste dies naams, weezen: van wien Graaf Henrik 's Prinsen Philiberts zuster, zoghzuster van Koningin Anne schoonmoeder dier Majesteit, te wyve verworf. Een' zeldzaame ongelykheit van zinnen: de Kaizar, gekoomen tot het Ryk door den wegh hem gebaant van Graaf Henrik, laat zynen arbeydt onerkent: Koning Fransoys geeft den geene, van wien hy wist zich den zelven wegh gedraayboomt te zyn, d'aanstaande erfgenaam van Philibert ten huwlyk. Ende oft schoon door den Kaizar, ter gedachtenisse van den Prinse René, hem eenighe zonderlinge voorrechten verleent waaren; kon men daarmeê ten volle betaalt achten de getrouwe en treflyke diensten van zoo vroom eenen Vorst? die de schaade van eenen slagh, verlooren aan 's Kaizars zyde, met de waapenen geboet had; daarenbooven, hem 't Hartoghdoom van Gelder weeder onderworpen; en ten laaste 't leeven gelaaten in 't handthaaven zyner mooghenheit. Prins Philibert was 't geweest, die, bynaa alleen hem holp aan't Hartoghdoom van Milan en 't Koninkryk van Naapels; die, te zaamen met den Hartooghe van Bourbon, hem den staat van Roome verzeekerde, met vankenis van den Paus, en eyntlyk den geevel zyner voorspoedt en grootheit voltooyde. Nu zouw de zoon alzulken Vorsten koomen verwyten, dat de vaader hunnen erfgenaame en neeve recht gedaan had. Waaren die van Nassau niet te voore in de werelt geweest, nochte die van Oranje zoo kloek ten oorlogh, eer deeze Koning gebooren werd, hy hadde met zoo veel' tytels het hooft van dien ban niet gepronkt, waarby hy trachtte, met valschen laster, hem voor eenen schelm en verraader uit te roepen; een' klak, die noyt kleefde, nocht emmermeer kleeven zouw (zoo hy hoopte) op yemandt van zyn' afkoomst. Maar hy wilde wel beantwoordt zien, wat schelmen, en wie zy waaren, door welker bevel de Kardinaal Granvelle Maximiliaan den Tweeden, toen die noch Roomsch Koning was, gepooght had te vergeeven. Hy wist wat hem gezeyt was van den zelfsten Kaizar, anxtvalligh seedert der maate, voor Philips en de Spanjaards, dat hy 't beste geloof naar zyn' eyghe bekentenis, in't oopenbaar, niet belyden darde. Bewindt, eeren, en tytéls, liet hy zich voor geen' weldaaden aanschatten; 't en waare dat last van ooverzwaare kosten nu onder dien naam deur moest. Met oopen hof houden, om meenighte van uitlandsche Heeren, tot verlichting van 's Koninx taafelkosten, t'onthaalen; met het gezantschap om de Kaizarskroon naa Duytsland te voeren, met dienen voor gyzelaar in Vrankryk; met andre toghtens, inzonderheit om Charlemont en Philippeville te sterken, daar hy Ooverste des heyrs geweest was; had hy oover de vyftienhondert duizent gulden gespilt, zonder eenen penning vergeldings te genieten. Veldtheer van's Kaizars weeghe teeghen Vrankryk, had hy slechts driehondert gulden maantelyx tot wedde getrokken, die 't rechten der tenten niet moghten afwerpen. De Kaizar,
+daarenbooven, om den Passauschen handel te gladden, had die van Nassau gedrongen te wyken van hun recht op een groot deel van Katsenellebooghe, en t'hunnen koste zynen pays gemaakt, stellende den Hartogh Maurits van Saxen in't bezit. 'T welk hun toen voor d'eerste reyze niet bejeeghent was. Want als Prins René den Kleefschen krygh zoo kloekelyk vervolghde, had de Kaizar hem toegezeyt, geen verdragh aan te gaan, dan op voorwaarde, dat die Hartogh hem liete vreedelyk genieten het derdendeel des Lands van Gulik, vervallen op hem, als oir van Graaf Johan van Nassau zynen grootvaader: maar de Kaizar, te booven staande, daadingde t'zynen goeddunken met den Hartogh, en vergat zoo ras zyn' beloften, samt het recht en de verdienste des geenen, door wiens moeit' en kloekmoedigheit de ooverhandt behaalt was. Geenszins ontkend' hy grootlyx vereert te zyn door den Kaizar, die hem neeghen jaaren lang, in de kaamer zyner Majesteyt, daar naa tot aanzienlyk bevel, en, om zyn eenentwintigh jaaren, booven andre ouwder, en ervaarener Heeren, tot Ooverste des heyrs had opgetooghen. Doch de Kaizar had hem bequaam geoordeelt, en hy zich gequeeten naar behooren. Thans, als de zelfste Majesteyt de heerschappy deezer Landen over droegh, had het haar gelieft zyne schouders, tot ondersteun haarder lichaamelyke zwakheyt, te gebruiken: een' eere, die by veelen zeer hoogh gezet werd. Philips (wie looghend' het?) had hem het gulden vlies gegeeven; maar by onthiet des Kaizars, en oovereenstemming van al de Ridders. Dies kon dien Koning geen dank daar voor toe koomen; te min, dewyl hy ontrouwlyk pooghde hem deeze eer te beneemen: hy, die zelf van de orde vervallen was. Want, onaangezien zyn zweeren, dat de genooten der zelve niet dan voor hunne meedebroeders zouden te rechte staan, had hy de Graaven van Egmondt en Hoorne, den Markgraaf van Berghen, en den Heer van Montigny, gelyk ook hem, door een gesnor van huurlingen en pleytvooghels, doen verwyzen. Zyn' andre waardigheeden, samt de Landtvooghdyen, hem bevoolen, erkend' hy van den Kaizar, die 't alzoo gewilt had; zeeker gaande in zyn' neirstigheit en trouw; en om de goede diensten, betoont in't beleyden des heyrs, teeghens zoo harde weederparthyen, als den Hartogh van Nevers, en den Heer van Chastillon, Ammiraal van Vrankryk; onder de ooghen der welke hy niet liet Charlemont en Philippeville te vesten, hoe fel ook toen de pest in't leegher woedde. Aangaande zyn beroep tot Raadsheer van Staat, hy had, by zyne verantwoording, uitgegeeven in den jaare zeevenent zestigh, betoont, hoe dat besteeken was, door den Kardinaal Granvelle en zyn' aanhangers, puurlyk om de gemeente te mompen, en hun bedryf met de schaaduw zyns naams en aanziens te maskeren: om't welk, als geschiedt, niet hem, maar hun te gevalle, hy zich geenszins t'henwaarts verknocht kende. Ende, was 't hun, met dien toeleg, uit hunne gissing gegaan; dat moghten z' hunne botheyt, oft beeter hunne boosheyt wyten. Dat zy, niet vernoeght met hem oover den heekel te haalen, noch bestonden zyner gemaalinne in haar' eere te tasten; quaalyk wist hy t'onderscheyden, oft hunne onbeschaamtheyt, oft hun onverstandt meer bestraffings verdiende. Zy zaaghen daaghelyx eenen bloedt schandighen Koning, dien maar een half lidt naader mangelde, om eenen Jupiter, man zyner zuster te zyn. En noch quamp men hem beschelden, oover een huwlyk, heyligh, eerlyk, en * geplechtight volghends de instelling van de kerke Gods. Philips, getrouwt met eyghe zusters dochter, darde hem zynen jeeghenwoordighen wettighen echten standt verwyten: Philips, die, om tot de nieuwe bruiloft te raaken, zyn' echte gezellin Isabelle, dochter en zuster van Vrankryk, (naar dat hy verstond daar te lande goedt bescheydt van't stuk te zyn) vermoort had; desgelyx zynen eenighen zoon Prins Kaarel, om dat hy zich oover Neêrlandt erbarmde.
+Doch, wie wist, oft's vaaders gewisse bezwaart geweest waar in naa te laaten, tot erfgenaam, eenen onechtelyk geteelt, ten aanzien zyns trouwens te voore met Donna Isabella Osoria, die hem twee oft drie kinderen gebaart had? Booven de moorddaadt, gepleeght aan de Koningin Ifsabella, was hy noch, in haar leeven, beruchtight geweest met een merklyk en wel grof ooverspel: te weeten, dat hy Donna Eufrasia voor boel in huys gehouden had; ende haar, bevrucht by hem, te wyve opgedrongen, om zynen bastaardt ryk te maaken, aan den Prinse van Askoly, die korts daar naa van ongenught starf; zoo 't hem niet van een' brokke quam, die quaalyk te verteeren viel. Van zyn' huwlyk met de dochter van Saxen moest Philips hem geen' reekenschap eyschen: naardien haare loflyke en hooghmooghende maaghen daar in waaren te vreede geweest. Noopende zyn staande huwlyk; zynen schoonvaadere den Hartooghe van Monpensier, yverigh Roomsgezint, was, naa raadspleeghing, en onderzoek, ten breedste, gebleeken, dat zyn' dochter nooit belooft had kloosterlyk te leeven; dat ook zulke beloften, schoon gedaan, geenszins bonden, als geschiedt in de kindsche jaaren, teeghens 't geestelyk recht, teeghens de wetten en gewoonten van Vrankryk, zelfs teeghens de reeghelen geraamt by 't Konçilie van Trente. Men schold hem wyders voor eenen vremdeling. Wat verstond men by dat woordt? Indien een, gebooren buiten 's lands, zoo heeten moest; de Koning zelf was'er dan ook een, als voortgebraght in Spanje, een gewest vyandt in den aardt deezen landen. Hy was geboortigh uit Duitslandt, met het welke deeze Landen natuurlyke vrundschap en eenigheit onderhielden. Wilde men daar op antwoorden, dat Philips Koninklyke maght had: hy zeide weederom daarop, dat zulx weezen moght' in Kastilie, Arragon, Naapels, Indië, en ooveral daar die na zyn' lust heerschte, maar in Neêrlandt kende men niet hooghers dan Hartogh oft Graaf, van bepaalde maght, naar 't luiden der voorrechten. Hem belangende; 't ging vast, dat zyne voorzaaten, van de welke hy in rechte manlyke lyn was afgedaalt, oover tweehondert jaaren begonnen hadden Graafschappen, en vrye Heerlykheeden, in Brabant, Luxemburgh, Vlaandre en Hollandt, te bezitten. Heer Otho, dien hy ten zeevenden leede bestondt, had de Graavin van Vyande getrouwt ontrent het jaar dertienhondertveertigh. En dat Graafschap was seedert nooit geweeken van zynen huize, maar vreedelyk genooten, tot dat het de Koning hem zoo onrechtveirdelyk quam t'onbruik maaken. Graaf Engelbrecht, daarnaa, zoonszoon van Otho, nam te wyve de vrouw van de Lek en Bredaa; uit de welke hy meede in rechte manlyke lyn, en 't vyfde lidt, gesprooten was. Nu zouden zyn' weederstreevers zelve niet miszaaken, dat alle bezitters van Graafschappen en Baroenyen voor inboorlingen bestonden, mits houdende de zyde deezer Landen. Jaa in Brabant, en elders, vond men uitgedrukt recht hier af. Ende oft schoon de tytels van Hartogh van Brabant, Graaf van Vlaandre, en zoo voorts, uitstaaken booven andre; de Baroenen, nochtans, en de goede Steeden van Brabant, desgelyx d'Algemeyne Staaten, hadden genoegh betoont de grootheyt hunner maght oover de Vorsten, als de zelve, zich vergeetende, de grenzen huns beroeps oovertraaden. Wen 's Konings voorvaaders, enkle Graaven van Habsburgh, in Zwitserlandt woonden, waaren de zyne, en lang te voore, Heeren des Lands van Gelder geweest: en van hier quam 't her, dat dit Hartoghdoom noch jeeghenwoordelyk den Nassauschen Leeuw in zyn schildt voerde. Welk Landtschap zy geen kleen wylken beheert hadden; maar al van 't jaar duizent neeghenendertigh af, toen Graaf Otho de erfdochter des vooghds van Gelder trouwde, tot in 't jaar dertienhondertvyftigh; te weeten eenen tydt van driehondert en elf jaaren. Daarenteeghen, die op
+zyn vreemdeling schap smaalde, zouw nemmer doen blyken zynen oorspronk uit deeze Landen; in de welke zyn geslaght, op dat pas, noch onbekent, ten minste niet vermaart was. Den kommer der Nederlanderen kon men niemandt toeschryven, dan alleen den Raadt van Spanje, die 't zoo aangestelt had, oft zy onderdaanen en slaaven van de Spanjaards geweest waaren. Doch der Spanjaarden aardt, fel van ouds oover de Nederlanders, was gezwicht geweest door de wysheit des Kaizars: wiens tydt, derhalven niet verhaalt hoefde. Wel stondt hem Prinse voor, hoe die Majesteit in jeeghenwoordigheit van hem, van den ouwden Graave van Bossu, en andre heeren van haar' kaamer, haaren zoon eens waarschuwde; zy zagh zoo hy den Spaanschen hoomoedt en opgeblaazenheit niet intoomde, deezen staat haaft te gronde te raaken: zynde de Neêrlanders geschaapen, niet lang dat vermeetel heerschen te dulden. Maar, nocht vaaderlyke achtbaarheit, nocht eyghen oorber, nocht recht, nocht eedt, hadden die lust naa tierannigh gebiedt kunnen lesschen. Ten zelven tyde was de neeg hen jaarighe schatting ingewillight: welke milddaadigheit, in plaats van dank te behaalen, voor misdaadt van verneederde Hoogheit genoomen werd; ten eerste, om dat men geweighert had, verlof daar toe te draaghen, zonder de breede Staaten te verzaamen; ten tweede, om dat de Staaten, uit zorghe voor klaauwen van Barlemont en zyns gelyke grypvooghels, verstonden de penningen, onder zeekere voorwaarden, door hunne ontfangers te doen uitreiken. Hy zagh toen hun gebaar, hoorde hoe zy vuur en vlam spraaken, en de Staaten al teffens ter slachting veroordeelden; in voorneemen, niet anders met hun om te springen (waar de wil van maght voorzien geweest) dan met dat ongelukkigh volk van Indië, daar zy oover de tweehondertmaals hondertduyzent menschen, met onmeldbaare wreedtheit vermoordt hadden; en ruym dertighmaals zoo veel aardtryx verwoest, als gansch Neêrlandt begreep. Diep was hem dit ter borst in gezonken: hem, die gezooght, in zyn' kindsheit, met het gezuyvert geloof, d'Onroomschen nooit quaalyk vermooghen had, nocht zin gehadt in dat woeden met zwaardt, met strop, met waater, met vuur, ter zaake van eenen Godsdienst, alleen waardigh, dien naam te draaghen. Maar, als Koning Henrik de tweede van Vrankryk, hem 't geheym van Alvaas handel oopenbaarde, en den toeleg des Koninx van Spanje, om de verdechtighden van Onroomsheit, in Vrankryk, hier te Lande, en heel Christendoom deur, te verdelghen; dat was hem (geyrne bekend' hy't) een'goot killend waaters op't hart geweest, en een weldighe beroernis van gemoedt, met erbarming oover zoo veel' eerlyke luyden, toegewydt aan de doodt; zonderlings oover deeze Landen, waaraan hy zich zoo zeer verbonden hield; ten welken men dacht in te voeren een' Inquisitie, argher en grouwlyker dan de Spaansche; jaa die tot een gespannen gaaren diende, om niet min de heeren, dan 't gemeene volk te belaaghen; gemerkt men slechts behoefde een beeldt oover dwers aan te zien, om ten vuure verweezen te worden. Al van toen af, had hy dan voorgenoomen dit Spaansch gespuys te helpen verdryven; ook des noch geen berouw. En indien zyn' meedebroeders van der Orde, en van den Raadt van Staate, liever gehadt hadden zich neevens hem te vlyen, dan hun leeven om zunst wegh te geeven; in geenen gebreeke zoud' hygeweest zyn, van lyf en goedt meede by te zetten, om den Hartogh van Alva en zyn' Spanjaards op den drempel des Lands te stuyten. En alsnoch was de meening, naar zyn uiterste vermooghen, 't gansche gewest van dit gewormte te reynighen; en hen, met hunnen heelen aanhang, weeder oover 't geberghte te doen keeren, om aldaar hun zat te warren, ons in rust van goedt, bloedt, en gemoedt te laaten. Wyde doolden derhalven, die waanden dat hy deezen inval eerst naa 's Koninx vertrek gekreeghen had; zynde't opzet algevat, toen hy dien van
+Vrankryk ter jaght verzelschapte. Terstondt ook naa zyn' ooverkoomst alhier, had hy aangegaan, niet eenen berooyden hoop, maar luyden van soort en middelen, jaa de achtbaarste des Lands, om 't wegh zeynden der Spanjaarden, op der Staaten naam, te verzoeken. Als hy, daarnaa, 't quaadt zulx zagh inkankeren, dat het niet bleef by 't verbranden van eenighe arme menschen, die zich willigh lieten in 't vuur smyten, maar dat de besten des Eedeldooms daaroover morden, vreezende van dit byster voortslaan een oevel eyndt; zoo had hy ('t was de waarheit) zyn' meêgenooten, van der Orde, en de voortreflykste Raadsheeren van Staat, genoodight t'eener zaamening tot Hooghstraate; hun aldaar 't verloop der zaaken aangeweezen, en hoe hun toestond dat te richten; maar niet verricht. By welke vergaadering bleek, hoe hy, speurende van verre de onheylen, daar men nu bedooven in stak, zynen plicht, om die te weeren, betracht had. Zeeker, teeghen zyn goeddunken niet, was ook der Eedelen smeekschrift oovergegeeven; mits' t zelve (zyns achtens) grootlyx te zyner eere, tot zonderlingen dienst des Koninx en des volx strekte. Want, hadden de Koninklyke Raadsluyden dat verzoek ten eerste ingewillight, men hobde nu niet, ooverstolpt van de zee der jammeren, waaronder schier 't gansche Landt woest en verdorven lagh. 'T welk men der nemmerzatte wreedtheit van de geenen danken moght, die, niet vernoeght met d'ondraghlyke wrangheit der plakkaaten; maar volghende de voetstappen van den dwaazen Koning Roboam, zoo veel gehoors aan een' quaalyk beraade vrouw, en aan eenen Kardinaal, schepsel van den Paus, gegeeven hadden, en der gemeente tot antwoordt; De vaader sloegh u met roeden, met schorpioenen zal u de zoon geesselen. Dit was op 't invoeren der Bisschoppen, 't vertreeden der voorrechten, uitgekoomen. Hy, en veel' andre beminners des vaaderlands, en des Koninx, bet dan die verdiende, hadden de Hartoghin, en heeren van den Raadt, meermaals gewaarschuwt voor de naakende bezwaarnissen. De Graaf van Egmondt was naa Spanje gezonden, om 't zelfste vertoogh te doen; maar alles te vergeefs. Zy kreeten Graaf Loodewyk, zynen broeder, voor eenen ketter uit; maar zouden beeter zoo vroom eenen Ridder, waardigh ongelyk meerder eere, en oprechter Christen dan zy, ongemoeyt gelaaten hebben. En dat zy hem met den zelven toenaam bespooghen; des kreund' hy zich niet meer dan de Heer Christus, toen eeven eerlyke luyden als deeze hem voof een' Samaritaan scholden. Tot het oopenbaar preeken had hy nooit geraaden; wel, naamaals, der Landtvooghdesse, haaren eedt gestandt te doen; dewyl't misbruyk van Gods naam zyne straf naasleepte. In 't berooven van kerken, 't afwerpen van beelden en altaaren, op die maanier, buyten bevel der Ooverheit, had hy, gelyk de Heeren wisten, nooit behaaghen geschept, oft eenigh verlof gedraaghen. De reede zyns vertrex naa Duytslandt was genoegh verklaart in zyn' verantwoording van den jaare zeevenentsestigh, en voorneemelyk deeze geweest; dat hy't planten der Spaansche Inquisitie, ter plaatsen van zyn bewindt, niet gedooghen kon. Ten welken inzight' hy, voor zyn afscheidt, zyne Stadthouderyen in handen der Hartoghinne gestelt had, met vast voorneemen, van zyn leeven in gemak te leyden, by zyn' vrienden, tot dat het Goode gelieven zouw den Koning heylzaamer raadt in 't hart te stuuren, oft eens de deur te oopenen tot verlossing van dit bedrukte Landt, verdronken in een' afgrondt van allerley ellenden. Met dit zyn willigh ballingschap had men zich niet gepaayt; maar, raazende van oevelmoedt, gaan aanranzen zynen zoon, een leerkindt; het zelve rukken uit de hooghe school van Looven, teeghens haare vrydoomen; 't zelve, teeghens de Brabantsche voorrechten bezwooren by den Koning, naa Spanje voeren, daar d'onnoozele heer zyn' teedre jeughdt in deerlyke vankenis slyten moest. Men had, teeghens alle form van recht, de handt aan zyn' meedebroeders van der Orde geslaaghen; hem vervolght
+by daaghementen, by aanteekening en bekommering zyner goedren, en hem gedreevén, met geweldt, tot onderlegh van veele dingen nooit te voore gedacht in zyn leeven. 'T vonnis oover zyner meêgenooten zaak, en zyne, had men besteedt onder een deel ongeachte menschen, te snoodt om neevens hen te treeden, jaa hunne knechts te zyn. Men had hem uit zyn' waardigheit, uit al zyn' staaten, ampten, haave, geslooten, en hem ter doodt gedoemt. Kon men nu yemandt, ter werelt uit, wyzen, zonder teffens den zelven t' ontslaan van alle eeden? Zy stelden 't hem dan vry, mitsdien, zynen vyandt te beschaadighen naar zyn meeste vermooghen. By 't boovenverhaalde was te merken, hoe, als hy rust zocht, zy beroerten verwekten; als hy naa vreede jookte, zy hem 't oorlogh oover den hals drongen: een oorlogh, aangevangen, by hem, om zynen zoon te verlossen, om zyn leeven te beschermen, om zyn goedren weeder te kryghen, om zyn' eere te handthaaven; noch oovergeslaaghen 't geen den staat betrof. Men leydd' hem waapendraght teeghens zyn' ooverheer te last: maar hy vraaghde, met wat recht Philips, gesprooten uit Henrik, bastaardt van Kastilie, dit Ryk, en dat van Leon hield. Want, deeze bastaardt, 's Koninx zeste grootvaader, aangespannen teeghens den wettighen erfgenaam, zynen heer ende broeder, Don Pedro, had hem, met eyghen' handt, omgebraght, en zich zelven op den troon gezet. Men zouw antwoorden, dat Don Pedro, gebynaamt de Wreede, een tieran was. Zoo dan Don Pedro, om die reede, had mooghen ontkroont en ontlyft worden van Henrik, uit wiens hoofde Philips het Ryk bezat; hoe bezefte deez niet, dat men hem in de zelfste schaale moght weeghen? Ende, zoo nooit tieran meer onschuldigh bloeds vergooten, 's Lands vrydoomen leelyker geschendt, zyn' eedt en trouw onbeschaamdelyker gebrooken had, dan de zelfste Philips; was hy dan niet verre onwaardigher den schepter van Kastille te voeren, dan Don Pedro, onbesmet, ten minste, van bloedtschande, van moorddaadt aan zynen vleeslyken zoon, aan zyn' eyghe gemaalin? En, oft schoon hy Prins (als neen, ten aanzien zyner onteedighing) de waapenen aanveyrdt hadde teeghen zynen ooverheer; was 't zelfste niet gepleeght by Hartogh Albert van Oostenryk teeghens Kaizar Adolf van Nassau? Maar, genoomen al 't verhaalde waar nooit gebeurt; wist Philips niet, zoo hy voor Hartogh van Brabant gaan wilde, dat hy Prins, ten aanzien zyner heerlykheeden, voor een der voorneemlykste leeden van dien staat stond; en dat den Baroenen daar te Lande toequam, de Vorsten, wen zy struykelden in hunnen plicht, oft ter zyde uitsloeghen, te schorsen en te recht te stuuren, gelyk de Ephoren tot Sparta, als tuchtmeesters der Koningen plachten te doen? Men schrolde, dat hy zyn' weederkoomst in Hollandt en Zeelandt had deurgesteeken. Wat waar 't dan? By brieven; eevenwel, van d'aanzienlykste persoonen, jaa van de treflykste steeden dier gewesten, kon blyken, hoe hy geenszins had, maar was aangezocht, tot weederstandt van tieranny der Spanjaarden en 's Hartooghen van Alva. Men zeyd' hem ook 't vervolghen en uitjaaghen der Geestlykheit oover, het aantasten hunner goedren, en 't inbrengen van nieuwen Godsdienst. Dit vereyschte geen naader antwoordt, dan dat al de veranderingen, gevallen om 't stuk des geloofs, meer Gods werk, dan der menschen, geweest was. Meenighmaals had men hem beschuldight van veel te groot een' slappigheit; en dat zyn traagh verstaan tot verdryf der weederparthye, 't bederf des Lands spoeyde. Dat d'een' en d'andre Godsdienst gepleeght wierde, daartoe waaren, in 't begin, de Staaten geneeghen geweest; maar gewaarschuwt, door de dartelheit, slimme treeken, en verraaderyen der inwendighe vyanden, dat de goede zaak vallens gevaar leed, zonder 't staaken der Roomsche oeffening; ten minste, om dat de gewyde luyden zich by kraftigher eedt aan den Paus, dan aan 't vaaderlandt, verknocht waanden. Hieroover, was by de
+vergaadring tot Leyde, daarnaa by de Vereenighing tussen Hollandt en Zeelandt, dit punt beslooten. 'T welk, als het eerst vertoont werd, hem teeghen de borst stiet, gelyk de Staaten getuyghen konden. Noopende 't invoeren der vryheit van gewisse, 't welk hem meede te last geleyt werd; indien zy daarmeê meinden, dat zyn wit waar de poorte t' ontsluyten voor zulke grouwelen, als onder Parmaas hofgezin, daar men godloosheit voor spel hield, in zwang gingen; zoo antwoordd' hy, dat men die soort van vryheit by de naakoomelingen van Pietro Aluigi wel zoeken moght. Een ding kon hy nïet beneenen; dat zyn' ooghen, uit het glinstren der vuuren, waarin zoo meenigh arm Christen gegloeyt was, nooit de vreughd wisten te scheppen, daar Alva en de Spanjaards hun hart in ophaalden. Af te laaten van 't vervolgh, was altyds zyn raadt geweest. Ende, als de Koning, staande om af te vaaren uit Zeelandt, hem uitdrukkelyk belastte, veele deeghelyke persoonen, verdechtight ter zaake van 't geloof, om hals te helpen, had hy zelf hen doen waarschuwen, om geen' wroeghing zyns gemoeds te laaden, met meer den menschen, dan Goode te gehoorzaamen. Hem 't noosselyk vermoorden der geestelyke luyden naa te geeven; wie zagh oyt eerloozer onbeschaamtheit? dewyl zy genoegh wisten, niet alleen den af keer zyns aards van zulk een woeden, maar ook hoe hy zommighen daaroover gestraft had met de doodt; andren, van de hooghsten in gezagh, jaa van zeer grooten huyze, door de voorneemlykste amptluyden zyns hoofs doen vast houden, en niet laaten slaaken, dan naa langduurighe hechtenis, en ter aanschouw hunner af koomst. Dit hield de ban pryslyx in; dat de Koning nooit den Hartooghe van Alva 't opstellen des tienden en twintighsten penninx bevoolen had; nocht verstaan zulx deur te laaten dryven teeghens wil en dank der onderzaaten. Maar, zoo Alva, in dus een stuk, gedeeghen ten bederve en doodt van zoo meenigh duyzendt menschen, zynen last oovertreeden had; waar was de verdiende peen? Hy gaf den Koning keur, om een van tween toe te staan. Geen' uitvlucht. Gebooden, 't was tieranny: niet gebooden, en ongestraft gelaaten, al 't zelfste. Men bespotte 't mislukken van zyn' eersten toght: verwaandelyk. Zulx was den besten Veldtheeren der werelt wel gebeurt; aan Philips meenighwerfs: en zyn' weldighe heyren, onder den vermaarden Hooftman Alva, onder Don Louis naazaat des zelven, had een' enkle handt volx tot Hollandt en Zeelandt uitgestommelt. Alle steeden bykans, van dien oordt, waaren (zoo men zich verluyden liet) door de Spaansche maght, stormenderhandt, t'onder, oft by verdragh tot buyghzaamheit, gebraght. Braaf geblaazen. Booven twee oft drie steeden, veroovert in vier jaaren tyds, wist hy Prins niet te bereekenen: dit jaa; dat bet dan tsestighduizent mannen, aan's Koninx kant, verslaaghen, oft gesmolten waaren, door oft voor vier oft vyfduyzent, die hun teeghenstonden. En terwyl Philips hier te hoetelen lagh, had hem de Turk het Koninkryk Tunis, en de vesting La Goletta ontstreeken, met grooter hoon en schande, dan oyt eenigh Vorst van vermooghen uit zynen staat verdreeven werd. Dat de zelfste nu de schuldt van 't wyken uit Hollandt en Zeelandt wilde schuyven op d' onorde, gereezen onder de Spaansche troepen, naa 't dwingen van Sierixzee; was een' klad in den windt werpen, die z' hem te rug in 't aanschyn kaatste. Want, die den soldaat, by meêloopend geluk, dat hem goeds moeds maakt, met zulk een voordeel, en zoo ruym omkoomende middelen, niet bestuuren kon, bewees zich onbequaam en onwaardigh om bevel te voeren. Belangende zyn' tweeden toght; die was bestaan, zoo in voldoening zyns eeds en plichts, als ter aanmaaning meede van verscheide voortreflyke luyden; toen Alva, dronken en niet zat van 't bloedt der vroome gemeente, der achtbaare burgheren, der doorluchtighe mannen en vrouwen van aadel, vast woelde om onschattelyke ryk-
doomen +uit het sterfhuis van den Staat te rooven: naa dat hy, tot zeeghel der slaavernye, tot trots der Nederlandsche lydzaamheyt, zich zelve dat spytigh beeldt, teeken van helschen hoomoedt, als een' heerlyke kroon zyner schelmstukken, in 't Slot van Antwerpen had opgerecht. De weyghering van 't vergaadren der Staaten was daar voor gegaan; desgelyx 't ontslaan des Koninx, door den Paus, van zyne beloften, gezwooren deezen Lande; 't verbodt van te studeeren in eenighe uitheemsche school, behalven de Roomsche; 't verkundighen van't Konçilie van Trente? 't inleyden der nieuwe Bisschoppen. Oft by hem Prins, en die van Hollandt en Zeelandt, uit wettighe oorzaak, toevlucht tot de waapenen genoomen waar; geirne zoud' hy, daar op, der Algemeyne Staaten vonnis verbeyden. Maar zy hadden 't reeds geveldt, zoo door 't aangaan van 't Gentsche verdragh, als door 't verwerpen van Don Johan: en onder meenigherley melding hunner meeninge, was niet de minste zyn vruchteloos verzoek, meermaals gedaan, om van den last, dien hy droegh, verlicht te worden. Wat kraaide men oover hem, als breeker van den Gentschen pais? Don Johan was de recht schuldighe; de Koning zelf daar uit gevaaren; getuigh de Heer van Selles. Tot de veranderingen, geschiedt in het stuk van den Godsdienst, naa 't sluiten dier vreede, had hy Prins nooit wil gehadt; min raadt oft daadt by gebraght. Ende, oft schoon de malkontenten hun bedryf met dat blanketsel besmeurden, 't sproot uit raazende staatzucht en grillighe wispeltuurigheyt. Eerst hadden zy, teeghens hem, als slaaven, den Hartooghe van Alva, en Don Louis, gedient; thans zich teeghens de Spanjaards gespitst, en hem Prins te hulp verzocht; daar naa Don Johan aangekleest, en hem Prinse den voet dwars gezet; kortelinx dien afgegaan, hem t' henwaarts geroepen, en terstondt, buiten kennis der Staaten, den Aartshartogh Mathias; deezen ook laaten zitten, en, zonder hem Prinse des eenighe oopening te doen, den Hartogh van Anjou gehaalt, met belofte van wondere dingen; den zelven meede te leur gestelt, als hy zich noode tot hun hooft teeghens d'Algemeyne Staaten, en die van den gereynighden Godsdienst wilde opwerpen; en zich by den Prins van Parma gevoeght. Vond men zeebaaren zoo waggeligh, weêrhaanen zoo weyfelwilligh, als de raadslaaghen van zulke luiden, die waanden zoo hoogh gezeeten te zyn, dat hun vry stonde de spot met zoo groote en maghtighe Vorsten te dryven? Hierenbooven dichtte men hem op, dat hy de gemeente misleydt en verwekt had, om hem Ruwaart van Brabant te doen verklaaren teeghens den dank der Staaten; daar de zelve wisten, met welken zynen weêrzin hy in dat ampt getreeden was, en desgelyx in d'Algemeene stadthoudery onder den Aartshartogh. Noch hing men'er aan, dat hy uit het drabbigh waater der Gentsche beroerten de Landtvooghdy van Vlaandre gevischt had: 't welk uit onweetenheyt van zaaken gezeyt werd; gemerkt, dat de kiezing, by de vier Leeden des Lands, naar 't stillen der muiteryen gedaan was; en hervat tot verscheyde maalen, met verzoek, zoo aan d'Algemeyne Staaten als aan hem, die echter, tot noch toe, zich buiten dat bewindt hield. Gemeene penningen had hy nooit gehandelt. Ende, dat de kryters oover 't schatten, raauwelyk van hem waaren deurgenoomen, gevangen, berooft, omgebraght, door zyn toedoen; het bleek verziert, en noodeloos te beantwoorden voor d'Algemeyne Staaten; die des kennis droeghen, en hoe men, ten teeghendeele, zich veel meer aan zyn taay geduldt en zachtzinnigheyt gestooten had. Anders, de mondt waar dien snaateraaren wel te snoeren geweest. Doch des berouwd' hem niet, dien altydts verheughen zouw liever ongelyk geleeden te hebben, dan gedacht te doen aan anderen. Wat het omwerpen van den loozen Handel des Heeren van Selles betrof; hem Prinse werd die eere verweeten, maar quam den Algemeynen Staaten toe, die de list zoo
+wyslyk ontdekt hadden, en hem doen bezessen, dat de geenen die Spanje nooit zaaghen, daarom geen' beesten waaren. Zoo veel was'er af, dat hy, staande in een zelfste gevoelen met de Staaten, Selles niet geloofwaardigher gehouden had dan eenen bedriegher, uitgekooren tot reedtschap om alles in 't war te brengen. En de wightighste oorzaak deezes zynes verstands was geweest het zeggen van Selles zelf teeghen hem, hoe hy Prins zoo diep in 's Koninx jonste stond, dat zyne Majesteyt geenen Heer van herwaarts oover eeven hoogh zette, en hem voortaan noch veel dacht te werk te stellen. Door welke plompe, zeeker, en doorschynighe geveynstheyt, te meer naadenkens in hem verwekt was, dat men zyns hoofts wel behoefde, had' hy 't zoo goedes koops willen ooverlaaten, als de Verspaanste mensch meynd' hem dietsch te maaken. In 't afstellen der Roomsgezinde Amptluiden en Majestraaten, en 't beroepen van andre, was niet gedaan, by hem, dan volghends den last ontfangen van d'Algemeyne Staaten. Ende, och oft het Goode gelieft hadde hem maght te verleenen, om beeter te voorzien in dit stuk! 't quaadt, dat men bezuurde om 't scheyden der gewesten, waare noch ongebooren. Men knorde voorts op zyn groot geloof by den gemeenen man: maar 't moeid' hem, dat zyn gezagh somtydts niet meer vermoght. Want, hadden zyn' vertooningen, zoo schriftelyk als mondelinx gedaan, meer gegolden, ooverlang waar het Landt van de Spaansche vuiligheit geklaart geweest. Breedt roemde men van de paispunten, aangebooden tot Koolen; en dat zy, by alle luiden van oordeel, voer rechtmaatigh, genaadigh, en meer dan voldoende, gekent werden. Fraay bescheidt. Hoe kon doch de Koning in eenen aadem beeter uitzeggen, dat d'Algemeyne Staaten, samt al de landtzaaten, die, gezaamder stemme, de zelfste punten, als ongerymt in zelfstendigheit; arghelistig in woorden, en t'eenemaal onreedelyk, verworpen hadden, zonder vernuft, ydel van hooft, jaa gansch zinneloos waaren? Maar wie doch zouw zich deeze veeder door den bek laaten booren, dat het eenen volke, gequelt met zoo langduurigh een oorlogh en hondertduizenderley ongemak, lusten moghte een' vreede te weygheren, die naa eenighe billykheit smaakte? Ook had hy nooit gepooght, de voorzeyde punten achter de handt te doen houden. Ten teeghendeele; zy waaren in druk uitgegeeven, met bygevoeghde verklaaring van hunne nietigheeden; jaa gezonden aan alle Landen en Steeden, op dat 'er eenpaarigh besluit op genoomen wierde. 'T byster uitvaaren der Spaanschen, teeghens d'Uitrechtsche Vereening, sproot uit bevroeden, dat der Staaten baat hunne schaade, 's Lands heyl hun bederf was. Toen zy op klieving des Bondtgenoodtschaps hunne hoope gegrondt, en reeds etlyke gewesten naa zich gescheurt hadden; ook op hunne handt, in 't midde der volstandighe oorden, een deel vergiftighde deughnieten, en vergiftenaars; was, teeghen dat venyn, zaat van twist, geen krachtigher scherm, dan eendraght, geweest. Dies schaamd' hy zich niet, de gemelde Vereening eerst voorgedraaghen, thans gevordert, daar naa d'onderhoudenis der zelve beneirstight te hebben, en alsnoch zoo luide te roepen, tot d'Algemeyne Staaten, dat niet alleen zy, maar gansch Europa 't hooren moghte; Handthaaft uwe Vereening, en schikt, immers zoo vlytigh met der daadt als met woorden en schriften, te betraghten den zin van 't busselken verknochte pylen, dat ghy in uw blazoen voert. Die hem doorstreeken, met bybrengen van bet dan twee jaaren zyns zittens t'Antwerpen, zonder voet van daar te lichten, tot dat hy naa Uitrecht toogh; moesten wel, op een' prik, van zyn bedryf verkundschapt weezen: eeven oft hy, binnen dien tydt, niet twee reyzen in Vlaandre gedaan, en aldaar, met bystandt der vier Leeden 's Lands, beeter orde, dan de berispers wenschten, gestelt hadde. Maar zyn trekken naa Uitrecht;
+hier zat de zweer, die hun zoo wee deed. Dit ging hun aan het hart; dat, als zy in hunnen toeleg, zoo wel ontworpen en beschooren, waanden wis te gaan, en daaghelyx nieuwe aanslaaghen brouwden, zyn enkel verschynen aldaar, met hulp en raadt van de gemaghtighden der Vereening, al dien donkren mist terstondt had doen verdwynen: jaa dat zy zoo veel' blokhuizen, bewaart om den landtdwang staande te houden, zaaghen neêrgesmeeten, zoo veel' steeden verzeekert; zulx hun slechts eene van belang ooverschoot, die door den hooftbeleyder van dat werk noch niet te beweldighen geweest was, zonder eerst die vuile moordt te begaan, aan den geenen, dien hy zynen vaader noemde. Dat hy Prins alle geestelyke luiden verjaaght had; was een' leugen, uit den drek geraapt, en hem in 't aanzight geworpen. Maar, naa 't vangen aller, 't ombrengen zommiger persoonen van den gezuiverden Godsdienst, binnen Groninge, jaa zelfs des Burghermeesters, teeghen's hooftbeleyders eedt, gezwooren op de geloofsvreede en Uitrechtsche Vereening; zoo hadden de Staatsgezinden op hunne verzeekering niet willen slaapen. Belangende de Heeren, en treflykste Eedelen, geprangt, door hem, (zoo men voorwendde) om hunne geboorteplaats te verlaaten; wien wist men, die der slechts eenen verdreeven had? Waaren zy, van de klaatrende zweepslaaghen hunnes wroeghenden gemoeds, ten vaaderland' uitgegeesselt; wien konden zy 't wyten, dan eyghen' ontrouw, verwekster van den helschen beul, dien zy in hunnen boezem droeghen? Dat z' hem afmaalden als eenen huichelaar; dit, zeeker, was belachelyk. Want, geduurende hunne vrundtschap, had hy hen te voore gewaarschuwt, dat zy met dat wreedt en barbarisch vervolgh, de koord huns verderfs draaiden: wat zy aan hem, seedert hun vyandt geworden, voor geveynstheit speurden, wist hy niet; 't en waar zy veynzen noemden, dat hy hun met oopenbaar oorlogh te keer ging. Wyders werd deeze gal teeghens hem uitgebraakt, dat hy, doorknaaght in zyn gewisse, met Kaïn en Judas, zyn' heele behoudenis op een eeuwigh mistrouwen stichte. Genoomen, hy hielde zyn' verzeekertheyt te bestaan in hun te wantrouwen; volghde daar uit dat hy Kaïn en Judas geleek? Geenen toeverlaat te stellen op de beloften en genaade Gods, die niet lieghen kon, was een ding; geen geloof te geeven aan de woorden eens menschen, valschen leugenaars en bedriegers, een ander, wydt verscheyden van 't eerste: inzonderheyt daar men zoo leerzaame exempelen, als der Mooren van Granaada, en der Graaven van Egmondt en Hoorne, voor zyn' ooghen zagh. Tot de vertwyfeltheyt van Kaïn en Judas was hy geenszins gekoomen; nocht zoude (Godt ten voorste) emmermeer daar in vallen. Maar 't bleek genoegh, by dien verwoeden ban, hoe, gelyk dat van Judas, hun eyghen gewisse verschrookt met gloeyend yzer, hoe zy, zelf verbaast als Kaïn, verworpen van Godt als Saul, waaren. Ende 't zouw hem lusten te hooren, wat de Kardinaal Granvelle, die zoo veel boekblaadren had omgekeert, wiste by te brengen teeghens dien wyzen reedenaar en yverighen beminnaar zyns vaaderlands, op de spreuk, Dat het mistrouwen 't hechtste bolwerk voor een vry volk is, om eenen tieran te weederstaan. Het zelfste doemschrift luidde, dat hem geen aanbodt van treflyk voordeel had kunnen beweeghen, om zich te vertrekken naa de plaats zynes oorspronks, hoewel elk uit der natuure behoort geneeghen te weezen om aldaar zyn' daaghen oover te brengen. Wat onvoorzightigheit was dit; zoo zy zich zulx ontvallen lieten, in hunnen lasteryver, zonder te denken dat z' hem loofden? Bezeften zy wel, dat het hem tot prys strekte, en wilden 't zelfste nochtans voor smaadbaar uitgeeven; wat onbeschaamtheyt was 't? Ende, trok yders hart zoo zeer naa 't leyden van een gerust leeven in zyn eyghen vaaderlandt; wat rotste dan dit vervloekt
+gebroedsel der Spanjaarden zoo van 't eene landt in 't ander, om de geheele werelt te plaaghen? Te weeten; hun, om boosheyt te bedryven, stond zulx vry, en quam'er eere voor toe: hy, die 't gemaklyk leeven en zyn' geboorteplaats derfde, om den Landen naa zynen plicht te dienen, moest daarom een verraader, jaa pest des aarboodems heeten; hoewel hy, sint zyn' elf oft twaalf jaaren, in 't midde van dit gewest was opgevoedt, en 't zelve, diesweeghe, voor zyn vaaderlandt reekenen moght. Bondighe reedenen. Maar, ay doch, indien'er gezocht was, hem, met toezeg van merkelyke baat, te bekooren, wat vond men bestrafbaars aan zyn weygheren, dan dat hy bestendighlyk zyn trouw tot Godt en vaaderlandt booven alle tydtlyke nuttigheeden gestelt had? Eevenwel, zoodaanighe aanbiedenissen, als de geene waar op zy zich beriepen, waaren hem nooit gedaan: deeze oopening jaa; dat hy, mits verstaande tot bezondre handeling, zich toeleggen moghte zyn' volle wensch te bedingen; en dat men hem belooven zouw, zynen zoon uit der vankenis t'ontslaan; al zyn' ampten en Staaten op te draaghen aan den zelven; hem de waarde van al 't goedt, dat hy bezat, samt van 't geen men hem benoomen had, erghens in Duitslandt toe te voeghen; hem t'ontlasten van al zyn' schulden, ende noch daarenbooven te beschenken met tien tonnen schats in gereeden gelde en vaste verzeekering. Dan 't was zoo verre gebleeven van te koomen tot aanbieding dier voorwaarden, dat hy nooit eenighe punten, in zynen enklen naam, had willen ooverzeinden; maar gestaadighlyk geantwoordt, zoo men de vreede aanging' op den voet geraamt by de Staaten, dat hy zich daar meê zouw voldaan houden, zonder besprek van yet anders, 't waar goedt oft quaadt; en dat hy zich niet begeerde van de gemeene zaak af te scheyden. Belangende 't slot van den ban; hy zulk eenen donder en blixem niet meer, dzn zyn voorzaat Prins Philibert dien van Clemens den zeevenden geacht had, die daarom niet liet den zelfsten Paus gevangen te neemen. Alle Spanjaards oft Verspaansten; (niemandt uitgezondert) die zeyden, oft zeggen wilden, dat hy een schelm oft verraader waar, spraaken valschelyk en teeghens de waarheyt. Ende oft zy hem 't gebruik van waater en vuur verbooden, echter zoud' hy ('t speet' hun verbittert hart) verkeeren net zyn' vrienden, en leeven zoo lang als het Gode geliefde, in wiens handen zyn' uuren stonden. Zyn' goedren, die hy noch bezat, dacht by hun zoo dier te doen kosten, eer zy daar aan raakten, dat zy der wel elders tot beeter koop moghten gaan zoeken. De geene, die z'hem onthielden, schold hy hun ook niet quyt, maar hoopte, met Gods hulp, die meede uit hunne klaauwen te kryghen, gelyk hy reeds begonnen had. Hoewel dat nooit by oopenbaare verkunding geldt op zyn hooft gestelt was, gelyk althans de vyventwintigh duizent kroonen, zoo wist hy nochtans hoe meenighmaals men den koop van dien gemaakt had; en vertrouwde dat Godt hem, nu gewaarschuwt, immers zoo wel als te vooren ongewaarschuwt, behoeden zouw. Maar, nietteeghenstaande dat de Spaansche landaardt een houten aanzight, en in deezen geen' weêrgâe had, echter benieuwd' hem ten hooghste, dat zy, oover alle eerbaarheit heen treedende, voor de gansche Christenheyt darden uitroepen, hoe zy niet alleen prys stelden op eenen vryen en vranken persoon, als den zynen, en die (Gode lof) zich nooit voor hen ontzette; maar dat zy noch belooningen, zoo vervreemt van alle heusheit en betaamelykheyt, daar by voeghden. Want, ten eerste beloofden zy den geene, die zoo schandelyk een stuk, by wat middel ook, zouw uitvoeren, te vereedelen, zoo hy van geenen aadel waar. Dan, oft schoon ('t welk, zoo hy hoopte, Godt nemmermeer gehengen zouw) iemandt, gesprooten van eedele stam, zulx volbraghte; meinde men dat eenigh Eedelman, hoe gering ook, voorneemelyk by volken weetende wat eedeldoom was, zich ge-
waardighen +zouw eens te eeten met zoo snoodt en eerloos eenen schelm, die yemand om geldt den strot hadd' afgesneeden? Hielden de Spanjaards zoodaanigh slagh van luiden voor eedel, ende kon men in Kastilje, door zulke weeghen, lof winnen; zoo gaf 't hem geen wonder meer, dat al de wereldt geloofde, het meeste deel der Spanjaarden, en inzonderheit die zich voor eedel uitgaaven, van de afkoomst der Marraanen oft Jooden te zyn, ende moesten zy deeze zeldzaame deughd geërft hebben van hunne voorouders, die 't leeven onzes Heeren en Zaalighmaakers, om gereede penningen, van Judas koften: weshalven hy ook dit ongelyk te geduldigher dacht te draaghen. Ten andere werd den moorder vergiffenis toegezeidt van allerley misdaadt, hoe grof ook, die hy moghte begaan hebben. Hoe? oft hy 't Christen geloof t'eenighen Koninkryke van Philips hadd' uitgerooit? oft de dochter des zelven ontschaakt, oft (dat in Spanje voor de yslykste zonde stond) der Inquisitie te naa gesprooken; zouw men 't hem al meede quyt schelden? Doch, met wat fraayer sieraaden moght' hem Prinse lusten deezen ban gepronkt te zien; dan dat zy den Eedeldoom opdroeghen, niet alleen aan onwaarde en verachte luiden, maar ook aan de haatlykste booswichten der aarde, onder voorwaarde van hem om als te helpen; ende dat zy verklaarden, zoo ongemeen een' grootmoedigheit te zullen erkennen met zoo staatlyk een' vergelding? Want, wen men in zyn' keur ginge stellen, wat hart, wat zin hy hun toevloeken wilde, wat kond' hy, tot beweernis van de deeghelykheit zyner zaake, anders, dan deeze hunne blindtheit wenschen, dat zy rondelyk beleeden voor al de werelt, door middelen en menschen, zoo verfoeit, te willen dempen den beschermer der vryheit van een volk, geterght, geteest, getrapt, van de genaadelooze wreedtheit dier grouwzaamste tierannye? Hoewel nu de stinkgeuten van deezen vuylen ban zoo behendelyk geleidt waaren, dat zy, met een ook quaamen uit te storten op de hoofden der Staaten; zoo hoefden zich deeze nochtans diesweeghe geenszins t'ontroeren; maar hadden te denken, dat, gelyk de booze wyven, te kort koomende met naaghels en tanden, voor d'uiterste waapenen haars raazenden onvermooghens de spytighe woorden te werk stelden, alzoo ook de Spanjaardt hen althans voor 't laast quam aanblaffen; dien men, mits toonende een onbezweeken hart, haast zouw zien zynen hoomoedt stryken. Maar niet ontbrak 'er aan, dan ter daadt te brengen 't geen zy Staaten altyds in den mondt hadden, en beteekenden met het bundel flitsen gegraveert in hunnen zeeghel: te weeten, dat yder Lidt niet enklyk op zich zelf, maar op 't gansche lichaam zien moest nocht alleen 't voedzel trekken, dat tot het gemein behoorde; maar de maaghe, naamelyk den Raadt, dien zy oprechten zouden, de spyz eerst laaten kooken, daarnaa, door de aadren den andren deelen toezeinden. En men diende voorneemelyk de artzenyen bequaamelyk te stuuren naa de oorden, daar zich eenighe ziekte oopenbaarde; ook de kranken hunne quaal een' wyl lydzaamelyk te draaghen; 't welk hen des te meer smaax in de geneezing zouw doen vinden. 'T was meest om zynen hals te doen; laatende de vyanden zich verluiden, dat het niet mooghelyk viel den krygh, zonder hem eerst, uit den weeghe te neemen. Maar, oft het doch Goode geliefde, dat zyn' eeuwighe uitlandigheit, jaa zyn sterven deeze bedrukte volken uit die ellendigheit redden moghte; hoe aangenaam zoud' hem zulk een ban, hoe welkoom zulk een' doodt weezen? Want, waartoe had hy zyn' goedren aan de roovery ten doel gestelt? was 't geweest om zich, zoo doende, ryk te maaken? waar toe zyn' broeders, waardt booven eighen leeven, laaten sneuvelen? was het geschiedt met meenihg van terstondt weeder andre te vinden? waartoe zoo lang zynen zoon in vankenis gelaaten? stond het aan hen Staaten, hem eenen andren, oft den zelven wee-
derom +te verschaffen? waartoe zyn lyf zoo meenighwerfs gewaaght? wat loon, voor zoo langduurigh een' arbeidt en moeite, besteedt, tot zynen ouderdoom toe, met verlies zyner haave, in hunnen dienst, wat loon verbeidd' hy anders, dan hunne vryheit te veilighen, zelfs ook (waar 't noodigh) tot koste van zyn bloedt? Oordeelden zy dan, dat zyn uit-oft ondergank hen helpen konde; geirne wild' hy zich, t'hunnen beveele, tot op 't eindt der werelt vertrekken; zyn hooft ook, oover 't welke geen Vorst oft Opperheer maght had, dan zy alleen, was daar jeeghenwoordigh, om gehandelt te worden naar dat hun oorbaar zouw dunken voor den staat. Maar, indien zy meinden dat zyne taamelyke ervaarenheit en beleykunde, verkreeghen door staadighe oeffening, oft het ooverschot zyner middelen, samt zyn leeven, al't welk hy aan hun heil, en des Lands, had oovergegeeven en toegeëighent, hun noch voortaan moghte te staade koomen; ende dat zy volhardden in de jonste hem tot noch toe beweezen; zoo hoopte hy, door Gods genaade, met alle getrouwheit, te ondersteunen en handthaaven 't geen zy, tot welstandt van de gemeene zaak en den Godsdienst, besluiten zouden. Voorts verzocht de Prins d'Algemeine Staaten, dar deeze zyne verdaadighing, zoo zy ze in recht en reede gegrondt kenden, van hunnent weeghe wierd' in 't licht gebraght. Doch, mits dat zommighen der zelve zich aan de schorheit eenigher zinleeden wreeven, zeggende ook geen' bezondre zeekerheit te hebben van de schandtvlekken waarmeê 't huis van Borgonje besprenkelt werd, stemden zy, den zeeventienden van Wintermaandt voorzeidt, dat geschrift op hunnen naame niet uit te laaten gaan; ende gaaven zyner Doorluchtigheit het naavolghende tot antwoordt. Gezien +en geleezen de ban, waarby de vyandt pooght uwe Vorstlyke Doorluchtigheit met vuile en leelyke schelmstukken te streemen en haar te belasten met den haat van ingekroopen te zyn, door slimme weeghen en snoodt bedryf, t'haaren jeeghenwoordighen ampte, staat, ende waardigheit, samt haaren persoon tot buit te maaken; gehoort ook de verantwoording uwer Vorstlyke Doorluchtigheit, teeghens den zelven ban; bevinden d'Algemeine Staaten, by d'oopenbaare waarheit der dingen, omgegaan hier te Lande, dat de gemelde mishandelingen uwer Vorstlyke Doorluchtigheit t'onrechte worden opgeleidt. Zy oorkonden meede, dat, naa wettelyke keure, uwe Vorstlyke Doorluchtigheit nooit, dan t' hunner ernstighe beede, aanveirden wilde de lasten, zoo van Algemeinen Stadthouder des Aartshartooghen, als van de bezondre Landtvooghdyen; in de welke zy ook t'hunner ernstighe begeerte volduurt heeft, en zich gequeeten ten meesten genoeghen van den Lande. Jaa, dat uwer Vorstlyke Doorluchtigheit gelieve daarin te vervolghen, verzoeken zy alsnoch, beloovende haar vlytelyk te gehoorzaamen, en by te staan, zonder 't lest hunner middelen te spaaren. Ende, ten opmerke der getrouwe diensten, ontfangen van uwe Vorstlyke Doorluchtigheit, samt der geene die wyders van haar verbeidt worden, zyn zy ooverboodigh, t'haarder lyfwacht te onderhouden een' bende ruiteren; met verzoek, dat haar gelieve de zelve aan te neemen van weeghe der geenen, die zich tot behoedt haares persoons verplicht vinden. Van 't ongelyk, voorts, +waarin de gemelde ban hen (zoo zy zien) tracht te stellen, verstaan zy zich, met den eerste te zuiveren, naa