+WOnder, zoo groot een moedt, als, onder de +Staaten van Hollandt, tot handthaaving hunner zaake teeghens den Spanjaardt, in de gemeine versleeghenis om 's Prinsen doodt, uitblaakte. De Leeden, die men ter yl by een kryghen kon, zonden, noch ten zelven naamiddaaghe, als de moordt geschiedt was, den Ammiraal Warmondt, en Jonkheer Arnhem, aan den Graaf van Hohenloo, met geloofnisbrief, meldende hunne standtvastigheit in deeze teeghenspoedt, en hun betrouwen, dat hy, in der landen dienst, +dus lange zoo loflyk betracht, volharden zoude: 't welk zy beloofden, naar hun uiterste vermooghen, t'erkennen, en te verschuldighen. Men lastte by monde, de voorzeide twee Heeren, te verzoeken, dat zyn' Genaade al 't volk, zoo te voet' als te paarde, in dienst en goede orde, houden wilde; alzoo de penningen, t'hunner betaalinge, derwaarts geschikt werden. Ende indien de Duitsche ruiters weigherden den jegenwoordighen dienst t'achtervolghen, zonder verzeekert te zyn van toekoomenden: zoo moghte zyn Genaade hun deezen toezeggen, samt dat men hun, daar voor, goede verzeekering, en gyzelaars, geeven +zouw. Vast op den zelven zin schreeven zy aan de Staaten van Brabant, oft hunne gemaghtighden, aan de stadt Antwerpen, en d'andre Vereenighde gewesten. Die van den Raade, geweest neevens zyne Doorluchtigheit, werden gemaghtight, omme, met de twee Raadshooftmannen +van Rechte, en Joost van Menyn van Dordrecht, Adriaan van Berkeroode van Haarlem, Paulus Vos van Leide, en Dirk Janszoon Lonk van der Goude, alle brieven, koomende gericht aan den Prinse, te oopenen; en beschikking daar op te doen: uitgezeydt wightighe zaaken, die zy, den Algemeinen Staaten, oft dien van Hollandt en Zeelandt te zaamen, oft dien van deeze twee gewesten in 't bezonder, hadden bekent te maaken, naar dat de stof elk betreffen zouw.
+Men schreef den gebeurden grouwel den Gebuurvorsten oover, en stuurde dubbelt van 's moorders belydenis, naa Vrankryk en Engelandt, om aan die Majesteyten vertoont te worden. De Raadsluiden, ouwlinx gevoeght by zyn Doorluchtigheit hooghloflyker gedachtenisse, die voorgaaven, dat zy zich, mits haar ooverlyden, ontslaaghen hielden van den dienst, werden verzocht, en gemaghtight, daar in voort te vaaren tot naarder orde toe. Op den zelven voet, hield men de geenen in ampte, die hunne lastbrieven, noopende 't stuk des gerechts, oft der oorloghe, oft andre, van den Prinse, oft onder zynen naame, oft tytel, ontfangen hadden: en beschreef de Eedelen, groote en kleene steeden, teegens den +dertienden van Hooymaant. Ten zelven daaghe verscheenen die van Dordrecht, Haarlem, Delft, Leide, Amsterdam, Goude, Rotterdam, Schiedam, Briel, Alkmaar, Hoorn, Enkhuyzen, Edam, Monnikkendam, Medenblik en Purmerendt; op den veertienden, die van Gorkom en Schoonhoove; op den zeeventienden, die van Muide, Naarde, Weesp, Heusde, Oudewaater, Woerde, en Geertruydenbergh. Men +raadtslaaghde daaghelyx, oover een' form van landtbestier, die duyren zouw tot dat'er anders in voorzien waare; oover 't instellen van den staat van oorlogh; oover de Vereening, gemaakt by die van Hollandt en Zeelandt; oover de naader Vereening, getroffen tot Uitrecht; schatting, en gemeene middelen; 't ontzetten der stadt Gent; benoeminge van nieuwe Raadsluiden tot de regeering, en van Gezanten om naa Vrankryk te gaan; 't maaken van den staat der hof houdinge van 't sterf huis zyner Doorluchtigheit, en van Graaf Maurits, op dat de eere bewaart, en de gemeente vernoeght bleeve; het onderhouden van tien vendel, yder van twee hondert hoofden, in wartgeldt, die vier duyzent, zeeven hondert, tzestigh gulden, ter maant, kostten. Binnen Delft, daar de zaamening gehouden werd, liet men den verdreeven Keurvorst van Koolen Truxes, de looze geeven. Als nu de meenighte en 't gewight der zaaken uitweezen, dat tot d'af handeling een ruyme tydt behoefde, zoo naamen, om kosten te spaaren, de Gemaghtighden van Edam, Monnikkendam, Medenblik, Purmerendt, Schoonhoove, Heusde, Oudewaater, Woerde, Muide, Naarde en Weesp, by bewillighing der andre Leeden, hun afscheidt, onder verklaaring, dat zy zich, zoo aan de Algemeine Vereening, als aan die van Hollandt en Zeelandt, houden wilden, naakoomende, wat, volgends de gemelde Verbintenissen, op het stuk der regeeringe en schattinge zouw beslooten worden. Onder gelyke verklaaring, vertrokken ook, seedert, die van Alkmaar, Hoorn, en Enkhuyzen; ende, daarnaa, die van Geertruydenbergh, voorgeevende, dat hunne geleeghenheit geen langer uitblyven lyden kon. Maar +hoe aanstendighlyk ook de gemeene noodt tot eendraght ried, zoo lieten echter die van Zuydt-en Noordthollandt niet, om 't heffen der schattingen, een punt van zulk belang, te twisten; tot dat vier der Staaten Gemaghtighden, gekoomen, op den zesentwintighsten van Hooymaant, binnen Alkmaar, 't geschil, niet zonder zwaare moeite, vereffenden, In Vrieslandt, daar Graaf Willem Lodewyk van Nassau, uit naam van den Prinse zynen oom, de stadthoudery bewaarde, zweefden althans +groote misverstanden; aan 't sluyten der welke hy zonderlinge bescheidenheit, heusheit, en geduldt, maar niet altyds met vrucht, besteedde. +Verdugo, daarenbooven, hebbende, zoo in de Groninger Ommelanden, als in de Drenthe en Twenthe, drie Regementen knechten, met vier vaanen ruyteren, t'zynen gebiede, zat als een haavik op den tuin, en haalde groove schattingen uit de Zeevenwolden en Oostergoo; oft schoon de schans tot Otterdum d'andre Vriezen ietwes bevrydde.

+In Gelderlandt (behalven dat'er de Spaanschen noch eenighe steeden hielden) waaren de gemoeden zoo verwydert, en verbittert door 't krakkeelen 'dat de Stadthouder, Graaf Adolf van Nieuwenaar en Meurs, schier geen stellen daar aan, en zich, aan eindeloozen arbeidt, vast, zagh. 'T landt van Uytrecht was in ruft: maar Ooveryssel beneepen tussen Steenwyk en Zutven; hoewel dit althans, en bet de Schans daar teeghen oover, op de Veluw, van de Staatschen gepraamt werd. In Vlaandre, meestendeels verlooren voor de Staaten, speurde Gent, terwyl de Bruggelingen het, ter eene zyde, tot verzoening met den Kooning aanmaanden; de Brabanders en Hollanders, ter andre, tot volharden; de weeghen t'zyner hulpe gestopt: en Denremonde, dat het eerstdaaghs zyn' beurt wilde worden. In Brabant, quynde Brussel, half geblokkeert van de gebuirsteeden. Booven 't ongemak, dat de bezettingen van Looven en Lier dien van Mechele en Antwerpen maakten, voelde deeze stadt nu 't voorspel eener beleegheringe: 't welk alhier, met melding van iet voorgegaans, +dat den zelven werke aankleeft, te vertellen staat. Wylen de Prins van Oranje, gezint de feest van den doop zyns jongsten zoons te houden op den twaalfden van Zoomermaant, beschreef derwaarts den Burghermeester Aldegonde, en den Griffier Martini, met vermaan, dat hy hun noodtlyk te spreeken had, van een' zaak, die de stadt Antwerpen ten hooghste betrof. Als zy dan, verscheenen zynde op eenen aavondt, naa 't eindt der staatsye, quaamen oorlof neemen, om t'huiswaarts te reizen, nam zyn' Doorluchtigheit hen alleen in 't kabinet, en hield hun deeze reden voor: Ik wenschte wel, dat ghy noch eenighe daaghen hier bleeft; maar uw vertrek dient gespoeit. De Prins van Parma heeft zich, onder zyne vertrouwdelingen, laaten hooren; hoe hy meint de byl, aan den wortel van den boom, te werk te stellen; houdende Antwerpen voor de mildste mamme, die 't oorlogh zooght; ende dat, naa 't verooveren dier stadt, Hollandt en Zeelandt, gedreeven, ter eene zyde, van schrik, en getrokken, ter andre, van de reedelykheit der aanbiedinge, die hy hun, tot vrye oeffening van Godsdienst toe, denkt te doen, wel haast een goedt verdragh met hem aangaan zullen. Voor zoo veel, als my belangt; het is onzeeker, hoe lang myn leeven duyren mooghe, oft myn gezagh: staande niet te vermoeden, dat een' gemeente, verbluft door weederspoedt, en getroont met smaaklyke voorwaarden, eeuwlyk, om eenen man, zal willen in oorlogh blyven. Deeze kundschap heb ik uit eenen persoon van soort, en jeeghenwoordigh geweest daar Farneze die verklaaring deed; ende ghy, derhalven, de zelve in geen' twyfel te trekken: doch daarom niet te flaauwen; maar den volke wen de Spaanschen 't belegh aanvangen, moedt in te spreeken, met toezeg dat ik hen, met Gods hulpe, zonder faalen, binnen twee maanden, zal koomen ontzetten. En als Martini bybraght, dat men zoo zeer niet behoefde te haasten, dewyl koorens en andren voorraads genoegh, voor een jaar, in der stadt was, zeide de Prins: neen; toef ik langer, Parma zal, der wyze, de Scheld, met schansen en schut, boorden, en zoo veel andre belemmeringen toestellen, dat zich, in het doorstreeven, maghtighe zwaarigheit oopenbaaren wil. Maar, voor al, en zonder uitstel, dient men den Blaauwgaarendyk, van den driesprong der Scheld' af, tot aan 't hooghe landt van Berghen, te slechten: gemerkt de stroom van Zierixzee en Haring vliet recht daar op aan slaat, en groote schuuring zal maaken; ook binnen 's dyx het landt zeer laagh leidt, vol kreeken, waalen en poelen; zulx de vloedt geschaapen is, met bequaame diepte voor de scheepen, door Oosterweel, tot aan de poort van Antwerpen, te loopen. Voorts heeft men, met de Hollandsche en Zeeuwsche oorloghscheepen, 's vyands volk van den dyk te dryven, en hun 't voorgenoomen maaken zyner blokhuizen te beletten. Toen vertoonde de Griffier,
+dat deeze toeleg misschien gevoeghlyker, door Zaftingen, oft den Synspolder, te volbrengen waar. Maar zyn' Doorluchtigheit zeide daar teegens; tussen deeze polders en de Schelde voor Antwerpen, leggen te veele slaapers in den weeghe. Ook zal, aldaar zulk een geweldt van zeewaater niet instorten, als door den Blaawgaarendyk; tussen welken en de stadt, het geenen weederstandt te verwachten heeft, dan van den Kouwesteinschen; waar oover het, mits de laaghte des zelven, lichtelyk heen zal vloejen, oft immers dien genoegh door spoelen, zoo men 'er maar een kleene oopening in maakt. Dies laat u dit stuk, op 't ernstighste zyn aanbevoolen. Zynde dan deeze beschikking aangenoomen by de voornoemde twee Heeren, ende zy t'Antwerpen gekeert; zoo droegh Aldegonde, 's andren daaghs, in volle vergaadering der Majestraat, de zaak voor, ten ooverstaan der Raadsluiden van Staate, daar toe verzocht, en der Burgerkornellen: die al t'zaamen's Prinsen reedenen zoo ryp vonden, dat men besloot, den Blaauwgaarendyk, ten naasten daaghe, te doen bezightighen, om de bequaamste plaats, tot het doorsnyden van dien, te raamen. Maar als Aldegonde, gelast, neevens eenighe Werkmeesters, dit te verrichten, daarnaa verslagh van de geleeghenheit aan de Wethouders deed; quaamen de Deekens, +en eenighe andren, van 't Vleeshouwers gildt, binnen staan, en vertoonen; Dat het verdrenken van zoo een' plek weilands, waar op men jaarlyx twaalfduizendt ossen kon vetten, die alle in der stadt verteert werden, niet alleen hun, den eighenaaren der gronden, en der gansche gemeente, tot ooverzwaare schaade gedyen zouw; maar ook heel noodeloos was. Want, in de maght, nochte van Parma, nochte van eenighen Vorst op aarde, stond het stoppen eener stroome, die heele scheepen, ooverlaaden met zwaare steenen, en gezonken dwers door haar' kil, leegbaarlyk vervoeren, en aan de bermten der dyken stuuren kon, met haar enkle eb en vloedt: gelyk de Ammiraal Worst, eertyds naakoomende 't bevel des Prinsen van Oranje, t'zynen verdriete beproeft had. Wat dacht zy dan te doen, met behulp van stormwindt en ysgang? geen brug zoo bondigh gebouwt, oft zulk een geweldt +wilde haar, dooke zy te gronde niet, sloopen, en wegh sleepen. Zoo Parma, schroomende 't waater te terghen, bestonde de doorvaart te beletten, met reexen, oft koorden, gespannen van oever tot oever, men konde, getroost een schip oft twee te waaghen, met eenen styven stooker uit den zuidooste, al dat getaakel aan sleetren zeilen. Dies baaden zy de Heeren af te staan van zoo hardt een voorneemen, dat niet uit te voeren was, zonder een groot getal van burghers, ter voorzeide plaatse gegoedt, uit al hun welvaaren te +werpen. Hierteeghens gaf Aldegonde der zaameninge te bezinnen; dat de Scheld, in haar gewoonlyk op- en afvloeyen, zich geener brugge zouw belghen. Wat zy, aangement van wakkren windt, en gewaapent met ysgang, moghte waanen te verrichten, en oft zy dan, met hardebollen aan de brug, al haar' kracht wilde baaren; oft, stootende daar het hooft, zich aan de dyken gaan wreeken; was onzeeker. Daarenbooven, wat hoope kon men doch op den windt vestighen? Wie had het weeder in zyn' handen, om te darren belooven, dat het zich, tot dooyen oft vriezen, naar het der stadt te passe quaam, schikken zouw? Noopende den raadt teeghens kabels en kettingen, wen Parma zich daarmeê beholpe: schoon 't gelukte eene heining te oopenen; hoe zoud' het 'er gaan, zoo men, als de snelheit der scheepen, op d'eerste gezwicht waar, korts daar aan de tweede, en thans de derde voor den boegh vonde? Men moghte hier teeghens bybrengen, dat andre scheepen de voorste zouden involghen, en met hunne volle veirt de tweede scheering breeken; andre, op gelyke wyze, zich door de derde redden. Zeeker, om dit uit te werken, moesten altydts de voorste scheepen den middelsten, de middelste den achtersten, plaats maaken, afwykende ter zy-
de; +en, met wenden en herwenden, zoo lang sukkelen, dat zy eer aan splinters zouden geschooten worden, dan door raaken. Maar (genoomen de winst woeghe dit verlies op) dat zy, onder 't geweldigh waayen, de dichte vluchten van koeghels, 't zwarte zwerk van den rook, zouden stips kunnen orde houden, zonder den laatsten in den weeghe te weezen, ooverzeilt te worden, en zelf tot hegge te dienen; 't had al te luttel schyns. Wyders; men wist niet, oft Farneze juist een der gemelde twee middelen van verlet gebruiken zoude: en, wat voor andre vonden hy, als hebbende ooverschrandre *Vernuftelingen, ontrent zich, moghte uitvorsen. Indien hy vlotten toestelde, van dikke en vastverknochte masten oft balken, geleidt ooverlangs, naar de strekking der stroome, aan gevierde ankertouwen, om te ryzen en daalen met het waater, ende 't ys onder door oft ooverheen, te laaten glippen; hoe dan toe? Vond men hulken zoo styf en zwaar, die zich vermaaten, teegens zulk een staketsel aan te gaan? Daar zouw men dan staan kyken, als een deel onbedacht graauws, met de blaauwe verantwoording van op zulx niet gegist te hebben. Maar zyn' Vorstelyke Doorluchtigheit giste op alles. Haar ingeboore wysheit, gesleepen door lange ervaarenis, behoorde eenen yghelyke, dien 't aan begrip haarder reedenen mangelde, waardt genoegh voor te staan, om zyn oordeel aan 't haare t' onderwerpen: en de meenighvuldighe proeven der liefde, die zy den vaaderlande, en allen goeden ingezeetenen, toedroegh, stelden haar buiten alle vermoeden, van, anders dan met de traan in 't oogh, tot verkorting van iemandt te raaden. Maar de noodt dwong by wylen, zommighen bezondren luiden eenigh ongelyk te doen, om den Algemeinen Staat, en vervolghends hen zelf, voor 't uiterste ongeluk, +te hoeden. Aan dit vertoogh, hoewel de Wethouders het toestemden, ende by hun besluit bleeven, naamen nochtans de verzoekers geen genoeghen. Onder hen waaren eenighe Lidtmaaten van 't getal der vyftien Hopluiden, 't welk het geheele Lichaam van de Hopluiden der Burghervendelen +uitbeelde. Deeze Lidtmaaten braghten 't zoo verre, by d'andre van hun amptgenootschap, dat men al de Burgherhopluiden ter zaamening riep; ende stelden daar de zaak in dier voeghe voor, dat zy 't gezelschap tot hunnen zin trokken: te lichtelyker, mits verscheide jeghenwoordighen eighe schaade aan hunne landen, uit het oopenen van den Blaauwgaarendyk en den Kouwesteinschen, verwachtten. Hierop verzochten, 's andren daaghs, de voorzeide vyftien, uit hunnen, en al der Hopluiden naam, aan de Majestraat, dat zy 't bovengemelde besluit lieten dryven. En hoe lieflyk men hun sprak, oft onderging met reedenen; 't moght niet helpen. Jaa zy zetten zulk een' wyz op hun antwoordt, dat het genoeghzaam verstaan deed, zy wilden het uitvoeren der zaake, wen 't daar toe quaame, met daadtlykheit keeren. Eenighe +Schryvers melden, hoe de verbittering zoo diep inetterde, dat Henrik Tseraarts, Heer van Kouwestein, die de geleeghenheit van 't gewest grondtlyk kende, ter stadt uitgezeit werd, om dat hy het doorsteeken ernstlyk aansprak. Dan deeze weederwaardigheit kon hem van de Wethouders niet koomen, die, met hem, in een gevoelen stonden: en 't waare te groot een' vermeetelheit van de Hopluiden geweest, zulx oopentlyk over zich te neemen. Maar misschien dat eenighen hunner, oft andren, die 't stuk raakte, hem te lichtelyker, om dat hy Roomsch gezint was, met dreigementen van hoon en hinder, gedreeven hebben, tot vertrekken, en ooverloopen naa de zyde des vyands; van wien hy, voor zynen raadt, en nutte berichting tot afbrek der steedelingen, naamaals het Schoutampt van Antwerpen te loone kreegh. Terwyl het werk dus haaperde, en uitgestelt werd, voor eenighe daaghen, op hoope van de Hopluiden te beweeghen, quam Parma, hebben-
de, +tot Kallo, in 't landt van Waas, een' schans geleit, op den derden van +Hooymaant tot Kalbeek, teeghen oover Sant Barnarts, aan de Schelde; verjoegh, rnet kraft van schut, eu geen' geringe schaade, d'Antwerpsche oorloghscheepen; ende deed eenen grooten hoop krysvolx, onder Mondragon, oovervaaren, aan den Brabantschen kant. Hier hadden die van Antwerpen, tot Lillo, drie mylen beneeden de stadt, om de stroom te bevryden, een blokhuis gebouwt; en daar teeghen oover aan de Vlaamsche zyde, een ander, genaamt Liefkenshoek, dat noch niet volkoomelyk weerbaar was, doch wel voorzien van soldaaten. Naa Lillo zond Farneze den Ooverste Mondragon, met ontrent zeeven duizent, zoo ruiters als knechten: naa Liefkenshoek den Markgraaf van Rysborgh, +met vyf duizent mannen. Rysborgh, naa 't opeischen der plaatse, en weigherend antwoordt, begon ze, op haar zwakste, te beuken; maakte, met drie hondert scheuten, een reedelyke oopening; en deed 'er, den tienden in Hooymaant, dagh van Oranjes doodt, twee stormen op; den eersten te vergeefs. Ten tweeden, braght hy etlyke waaghens met hooy voor de breuk: 't welk ontsteeken, met zynen rook, vlam, en +vuurighe schelven, aangevoert door den windt, de verweerders van daar dreef. Toen vielen de Kooningschen in, en versloeghen 't meest al, wat hun voor quam. Zommighen ontzwommen 't: zommighen werden gevangen; waar onder Jan Petin van Atrecht, een ouwdt en ervaaren Kornel. Deezen doorstak de Markgraaf, in jeeghenwoordigheit des Prinsen van Parma, die hem daar oover berispte, zeggende; Troppa colera, signor Marchese, é questa: te groot een' gramschap, heere Markgraaf, is deeze. Booven zyn' raazende heevigheit, die hem, anderzins geen' verachtbaaren Ooverste, meermaals teeghens weerloozeluiden deed woeden, werd hy tot dit stuk geport, van vreeze, dat Petin, als middelaar geweest in zeekre handeling tussen Oranje en hem, dat geheim oopenbaaren moghte: zoo Meteren meent. Maar Campana twyfelt, oft Rysborgh, wreevel om dat de Veldtheer, juist als men zich ten aanval bereidde, in 't leegher quam, en hem in 't licht zyner eere staan, die moordt niet gedaan hebbe, om zynen moedt te koelen, aan eenen, op wien hy ook bezonderen haat droegh. Niet eeven voorspoedelyk ging 't Mondragon voor Lillo. +'T zelve, als hy daar quam, was bezet met hondert en twintigh burghers van Antwerpen, onder den Burgherkornel Johan Godin, Opperbezorgher voor 't blokhuis, die een der neeghen mannen, gekooren in 't jaar vyftienhondert neeghenentzeeventigh, tot onderhouding der geloofsvreede, geweest was, en zich in dat beroep zeer bescheidelyk gedraaghen had. Maar men kreegh, voor eerst, het vendel van de jonggezellen der stadt, en ontrent hondert mannen uit de schutteryen, binnen de sterkte; daarnaa noch een vendel Françhoizen onder Hopman Gau; eer 's vyands geschut tschrap raakte. Gau, gebooren uit Gaskonie, dat goede soldaaten uitleevert, nam geenen dagh aan 't bewaaren van de eere zynes landaards; maar deed ylinx eenen uitval, en vyf Borgoensche vendels vluchten, met neerlaagh van anderhalf hondert knechten, vankenis van twee Hopluiden. Dit geschiedde ter aanraadinge des Heeren van Teligny, die d' outste zoon des Heeren van La Nouë was, en, volghende de voetstappen zyns vaaders, in groene jaaren rype vruchten van +vroomheit voortbraght. Dies bevaalen die van Brabant hem thans 't gebiedt oover de vesting; daar zyne vlyt de naadernissen der Spaanschen grootlyx vertraaghde. Geduurende dit bedryf, quam t' Antwerpen tyding van 's Prinsen quetsuur; en 's andrendaaghs wisse kundschap van zyne aflyvigheit. 'T welk zulk een' versleeghenis baarde, dat veele ryke burghers van daar vlooden. Meer dan tzeeventigh werden der inge-
daaght, +op verbeurte van goederen: doch met geringe vrucht, mits men, +in Hollandt en Zeelandt, weigherde vervolgh teegens hen te gedooghen. De regeering scheen, in twee oft drie etmaalen, nocht zin, noch wit te hebben. Toen weikten rouw en schrik de werzele gemoeden, en braght ze tot beken hunner blindtheit en zyner voorzienigheit; zulx men, in het +doorsteeken van den Blaauwgaarendyk, bewillighde. Maar Parma had 'er nu ook zyn zeggen in, en verbood het, met bezetten der aankoomsten. Dus werd de schoonste kans, om Antwerpen en gansch Brabant te behouden, verkeeken. En, gelyk men, in deezen, uit zorghelooze driestigheit gefaalt had; alzoo beging men nu, uit al te angstighe zorgh, eenen andren misslagh, met het ontbieden der soldaaten en krysbehoeften, uit Heerentals, om ze in sterkten, naarder by Antwerpen, te gebruiken. Oover +welk bedryf Mondragon zyn oordeel streek, zeggende, Nu ziet men, daf de Prins van Oranje doodt is. En zeeker, op deezen raadt van 't ruimen eener plaatse, waar uit de vyandt grootlyx verongemakt werd, volghde wel haast berouw; zulx de knechten, eer zy ten halven weeghe waaren, bevel tot keeren ontfingen. Dan de verlaate burghers ('t zy dat ze, naar de gewoonte der zwakke gemeenten, door veirdighe onderwerping zochten 's vyands ongenaa t' ontgaan; oft dat de Roomsgezinde, +te voore beleezen van Graave Nicolo Cesis, Italiaanschen Ritmeester, toen hy daar gevangen zat, d'eerste geleeghenheit t'hunner verzoeninge waarnaamen) hadden reeds, om bezetting, aan Parma, geschikt, en slooten den Staatschen de poorten voor 't hooft. Inmiddels werd zoo veel tyds verlooren, dat Odoardo Lanzavechia, Ooverste van Lier, met vierhondert mann' te voet, en een' kornet ruiteren, vroegh genoegh quam, om hen, in het te rug trekken, t'onderscheppen, en te breeken. 'T welk hem lichtelyk gelukte; dewyl zy, verbluft door den hoon van Heerentals, en verbaast door den onverwachten aanval, weinigh wisten van weere te bieden; hebbende, daarenbooven, geen' paarden tot dexel. Zy lieten zommighe dooden en gevangenen achter, en eenigh meêgesleept schut staan, zich spreyende, om, ten deele naa Antwerpen, ten deel naa +Mechele, te schooyen. Wyders, de Kornel Balfour braght noch vier vendels goede Schotsche soldaaten, uit Zeelandt, in Lillo. 'T welk den bezettelingen moedt gaf, om vier stukken, geplant van Mondragon, aan de noordtzyde, op den dyk, te gaan verooveren. Dan de engte van 's vyands loophoolen, en de smalte des dyks, vielen hun te kommerlyk, om zoo verre door te zetten. Zy braghten nochtans driehondert Kooningschen om 't leeven; en hunnen oppersten grafmeester gevangen in 't Blokhuis. Deez', meldende hun de mynen, buiten gemaakt, verplichtte zich tot blyven aldaar; en bewees den Lande seedert getrouwen dienst. Daarnaa begon 's vyands geschut, bestaande in heele en halve kartouwen, te balderen; en slaakte meer dan vyf hondert koeghels; die een gat in de veste gingen, dat hem, zoo 't scheen aan zyn toerusten, in bekooring van stormen braght. De verdaadighers hadden, hier ontrent, een' myne gedolven, denkende, de bespringers, wen z'er op zouden zyn, in de lucht te doen springen. Maar de Kooningschen, misschien niet beraaden ten volle, marden wat: waar oover d'andren ter bresse uit tooghen, om hen, met deizen, naa 't aanvangen der schermutsinge, op de laaghe te sleepen. En 't waare zoo gelukt; hadde de geen, die 't kruidt ontsteeken moest, zich niet verhaast, en vyventwintigh oft dertigh, der zynen, doen sneuvelen, eer de vyandt zoo verre quam. Nu raakte deez daar af, zonder andre schaade te lyden, dan van 't grof geschut. De beleegherden, thans, hebbende noch twee halve kartouwen uit Antwerpen ontfangen, maakten een' teeghenbeukery, en hum,
+daar meê, vier oft vyf stukken t' onbruik. Waar oover Mondragon, bezeffende dat hy, niet alleen met de schanselingen, maar teffens met de Antwerpenaars en Zeeuwen, te doen had, zoo lang als de vaart op Lillo voor hun oopen bleef, etlyke bussen, by Liefkenshoek, liet toestellen, om in den hals der haavene te schieten. En Parma (gemerkt dat zich maatroos dies luttel kreunde) deed meer geschuts planten, aan 't gat des dyks van Kallo, daar niet alleen de stroom enger is, en 't laveeren korter gangen maakt; maar ook het landt een' boght heeft; van waar men haar, op- en neederwaarts, voor een goedt stuk, in de lengte, bestryken kan. Maar, hoewel een' ontmoetende oft volghende kloot veel vreesselyker is dan een' dwersscheut, welwaargenoome windt holp de Antwerpsche scheepen zoo haast door 't gevaar, dat zy 't verachtten: en de Zeeuwsche, +willende slechts naa Lillo, liepen 't niet. Derhalven, als nu 't beleg ontrent drie weeken geduurt had, en de Sterkte, met vyftien oft zestien vendelen knechten, en genoeghzaame nooddruft voorzien was, vervoerde de vyandt, in stilte, zyn geschut, en brak op. Doch de huyzen van Lillo, en Kouwenstein, liet hy bezet: voorts eenigh volk aan den Blaauwgaarendyk, en andre plekken van dien hoekt: 't welk zich aldaar beschanste, om 't waater, met schieten, onveiligh te maaken. Hy had, naar 't gemein gevoelen, aan den kant van twee duizent mann' verlooren, voor de vesting; 't meeste deel door 't grof geschut; 't welk die van binnen zoo dapper beezighden, dat het, in den tydt van tien daaghen, wel vyftigh duizent ponden kruids verslond. De opperste eer, van 't behouden der plaatse, werd den Heere van Teligny toegeschreeven: en Parma zelf verklaarde naamaals, aan den Heere van la Nouë, te zyner verlossinge uit de gevankenis, dat de kloeke weere zynes zoons, uit Lillo, hem 't zwichten van Antwerpen, wel een half jaar, verspaait had. Maar de braave bezettelingen, dien billyk eenigh boovenloon, voor hunne getrouwigheit, toequam, liet men onbetaalt van veele maanden achterstals: 't welk hen aan 't muiten braght, en daar in harden deed, tot dat zy, hebbende hunnen Ooverste en zommighe Bevelsmannen, ter Schanse uitgezet, vier maanden solds in geldt, eene in laaken, ontfingen. +Te deezer tydt werd, tot Gent, oover den Oudtburghermeester Imbyze, naar vier maanden vast zittens, en 't bepleiten zyner zaake, vonnis geveldt; voorneemlyk op deeze belastingen. Dat hy den Baljuw (elders vindt men Burghermeester) van Axel, en, neevens hem, eenen andren persoon, had doen vermoorden: last gegeeven, om den wethouderen van Geeraartsbergh, ontbooden van hem naa Gent, het leeven te beneemen: ruiters gezonden om den Heere van Bonnivet, Anjous Ambassadeur, t'achterhaalen, en t'ontlyven; in welk bestaan, eenighe zyne dienaars neêrgeleit waaren, en zyn' pakkaadje geplondert: de gemeine penningen bekeert tot zyn eighen behoef: geldt geslaaghen met zyn en 's Lands waapen daarop: schenkaadjen genooten, teegens zynen eedt: zich zelf Burghermeester, en Opperkornel, gemaakt, by weeghe van geweldt: brieven geschreeven, uit zynen bezondren naame, aan den Prinse van Parma; en heimlyk verstandt gehouden met den vyandt, om hem Denremonde te leeveren, en vervolghends ook Gent. Twee zyne broeders baaden, by smeekschrift, om genaade voor hem: en hy de Predikanten, en andre Onroomsgezinden, om gunst en voorspreeken, ten aanzien van 't geene hy, eertyds, hun te nutte, gedaan had. Maar 't was van belang, voor den Staat, en ten gemeinen spieghele, kundigh te maaken, dat ouwde diensten, geen' jonge ondiensten opweeghen; ten einde niemandt op zyne goede werken zondighde. Ook schrikte de erbarming van de grouzaamheit der schelmstukken. Hy werd openbaarlyk met den
+zwaarde gestraft: zyn hooft op een' staak gestelt, in die stadt, daar hy yder oover 't hooft scheen gewassen. Hy starf met berouw, en verworf begraffenis. Deesen uitgang had Imbyze, om zyne t'zeeventigh jaaren: een man van woest gemoedt, trotse zeeden, loos hart, los oordeel: door wien 't Hervormde kerkgebruik, tot Gent, by opruying der gemeente, geplant was; door wien, met het weigheren der geloofsvreede, en 't verbitteren der Waalen, 't welk hy op gelyke wyze doordreef, het uitrooyen van den zelfsten Godsdienst, niet alleen te dier steede, maar eindtlyk ten ganschen Lande van Vlaandre en Brabrant, neevens 't verlies dier gewesten, veroorzaakt werd. Uit Denremonde was een goedt deel soldaaten gelicht, om te dienen daar men grooter noodt waande; de rest slechts driehondert sterk, en muitzuchtigh, by gebrek van betaaling; hun Ooverste Ryhoove, naa Hollandt gereist om die te bevorderen: ende niet, van al dit, verborghen +voor Farneze. Hy deed dan zyn' troepen verzaamen, en derwaarts rukken; de Schelde toepaalen by Basero, een' myl beneeden de stadt; en deeze opeischen. De Heer van Mortaigne, Steêhouder van Ryhoove, antwoordde, geenen last tot oovergeeven te hebben, maar tot bewaaring der zelve, voor d'Algemeine Staaten. Dies begosten de Kooningschen 't waater, meesten toeverlaat der beleegherden, ter graft af te tappen: voorts te beuken, met achtien kartouwen; die een ravelyn, voor de Aalsterpoort, stompten; eenen tooren der zelve, en anderhalf hondert roeden muurs, ter needer worpen. Toen de Spanjaards eerst; daarnaa de Waalen, aan 't stormen op 't ravelyn: 't welk zy in kreeghen, zonder dat het, hoewel eerlyk verdaadight eenen tydt van drie uuren, hun meer dan tien dooden kostte: de gequetsten moghten dartigh zyn. Grooter schaade leeden de bezettelingen in 't vechten: en daarenbooven verdronkender etlyken, mits het ylen op de hertoght. Eevenwel, hunne moedt kleende met het getal niet; eer de Roomsgezinde burghers, voorbaarigh tot opstending, en andre, niet getroost het naakende gevaar uit te staan, hen aan hunne weinighte deeden denken, en voor dwang duchten, 't en waar zy zich tot daadingen voeghden. Toen schikte men aan Parma; die, jaghtende naa hoogher aanslagh, +zich rekkelyk vinden liet, met toestandt deezer punten: Mortaigne en 't krysvolk, zouden uitgaan, met hun zydgeweer, maar zonder eenighe gevangens meê te voeren; en veilighlyk geleidt worden, tot Willebroek toe: desgelyx de burghers en andren, dien 't geliefde. Wet houders, en gemeente, werden in genaade ontfangen, onder last van tzeeventighduyzent gulden op te brengen in drie maanden. 'S andren daaghs, zeeventienden in Oestmaant, vertooghen de bezettelingen. Twee Predikanten, meinende meê te trekken, werden vast gehouden; en d'een verdronken, d'ander gehangen: teegens 't verdragh zeidt Bor. Maar, dien 't bekent is, hoe zeer Farneze zyn woordt plagh te betrachten, zal lankzaamlyk gelooven, dat hy hier niet d'een' oft d'andre uitzondering, tot behoedt zyner eere, gehad hebbe; daar doch het breeken zyner belofte geen voordeel van eenigh belang geeven kon. Aldus begon, en eindighde, in zeeven daaghen tyds 't beleg van Denremonde: voor 't welk de Spaanschen niet dan dertigh mann' verlooren; doch, daar onder, Pedro de Taxis, Algemeinen opziender van 't heir, aan een loodt; en Pedro Paaz, die een' mosketkoeghel door 't hooft kreegh, terwyl hy 't opbeurde, om uit te zien, tussen twee schanskorven. Op den neeghentienden der voorzeide maant, trokken de Kooningschen +naa Willebroek. 'T kleene blokhuis aldaar kreeghen ze makkelyk in: thans ook het groote; en, vervolghends, al de schanskens aan de Brusselsche vaart, tot Vilvoorde toe: 't welk van hun beleeghert werd; en, op den zeevenden in Herfstmaant, niet zonder opspraak teegens den Steêvooghdt, ooverging. In deeze gesteltenis der dingen, hielden d'Algemeine
+Staaten daaghlyx raadt, binnen Delft: alwaar die van Brabant, Vlaandre, +Hollandt, Zeelandt, Uitrecht, Mechele, en Vrieslandt, op den achtienden van Oestmaant, beslooten, dat, niet teeghenstaande 't ooverlyden van zyne Doorluchtigheit hooghloflyker gedachtenisse, de gemelde gewesten, en d'andre, die met hun in bondtgenoodtschap stonden, hadden, gelyk te voore, verknocht, en elkandren verplicht te blyven, volghends de vereening van Uitrecht. Voorts verzochten zy verklaaring van Graave Maurits, oft hem gelieven zoude, zich te laaten gebruyken tot Hooft van den Raadt, dien men, tot regeering der gemelde zeeven Landtschappen, +had op te rechten. Maurits, oudt maar ontrent achtien jaaren, nam, hier op, drie daaghen beraads; ende, daarnaa, dien last aan. Toen maghtighde men hem, en eenen Raadt van Staate der voornoemde Landtschappen, om de zelve te regeeren, tot weederzeggens toe, op zeeker berichtschrift. Tot de kosten des oorloghs te lande, zoo lang als de gemelde regeering duiren zoude, werden driehondertduizent gulden ter maant, ingewillight: waar inne Brabant zesentzestigh duizent, zeshondert, +zesentzestigh gulden, tien stuivers, te gelden had: Hollandt, Zeelandt, en Uitrecht, tweehondertduizent gulden: Mechele, drieduizent gulden: Vrieslandt dertighduizent, driehondert drieëndertigh gulden tien stuyvers. Vlaandre verplichte zich, tot betaaling der bezettinge van Gent, voor den tydt, dien 't beleeghert bleeve: en daarenbooven te gedooghen, dat die van de Regeeringe, ter gemeine bescherminge, in d'andre steeden, en ten platten lande, in sleur braghten den tol op de binnenlandsche bieren, gemaal, waage, slaghting van beesten; op verkooping oft vermangeling van paarden; op goude, zilvere, zyde, wolle laakenen, en andre gewrochte stoffen; op de groote koolen; en op de sleete van elke tonne zeeps, ter fomme van twee gulden. Te weeten; de Staaten der andre gewesten beloofden deeze middelen t'hunnent in te voeren, en der Regeeringe in handen te stellen; ten einde, dat elkes aandeel, in de gemeine bezwaarnissen, zoo eenpaarighlyk geheeven wierde, als gevoeghlyker wyze geschieden konde. Ende stond in alles te volghen de voet, waar op zy, in Hollandt en Zeelandt, werden verpacht oft verzaamelt: uitgezeidt de middelen, waar op men naamaals in 't bezonder zouw orde stellen. 'T geen die van de Regeeringe, uit de gemelde tollen, quamen te innen zouw elken Landtschappe strekken, tot mindering zyns aandeels: 't gebreekende, van maant tot maant, goet gedaan worden; en gevonden, by yder op de onroerende goederen, oft by weeghe van andre schatting, draghlykst aldaar, doch niet schaadelyk aan d'andre Landtschappen. Daarentussen hadden al de gewesten een' maant huns aandeels te verschaffen, in baaren gelde, op den eersten van Herfstmaant naastkoomende. Naa 't ontzetten van Gent, zouw men met de Vlaamingen handelen, op een billyk aandeel: ende als dan ook inzight neemen, op de lasten, welke, by die van de zelve stadt, geduirende 't beleg, moghten gedraaghen zyn, booven 't geen in reedelykheit behoorde. Die van de Regeeringe zouden ontlast: blyven, van de betaaling der soldaaten, oover hunne voorige diensten: doch de foldaaten hun achterstal mooghen vorderen, van de geenen, die zy verstonden hun 't zelve schuldigh te weezen. De Landtschappen, nochtans, hadden te bezorghen, dat het krysvolk, voor zoo veel als dies, leggende binnen hunne paalen, aangenoomen wierde by die van de Regeeringe, zich ten dienste van 't gemein, zonder weighering uit oorzaak der voorleeden' onbetaalde diensten, liete gebruiken, zoo lang als de voorzeide Regeering, ingestelt by maniere van voorraadt, duiren moghte: wel verstaan, dat dit hen niet wyder verbinden zoude, tot betaaling der gemelde ouwde diensten, dan zy te voore, daartoe, waaren verplicht geweest. De

+tollen, ingewillight op de wynen, en uitheemsche bieren, zouden, met den ingang van Wynmaant, by die van de Regeeringe, binnen al de Landtschappen, in sleur gebraght worden, en ontfangen; en de penningen, daar af koomende, strekken tot mindering van den voorzeiden last van oorlogh; zulx men de aandeelen der Landtschappen van dien dagh af, naar *evenredenheit te verkleenen had. Ten behoeve des kryghs te waater, voeghde +men, dien van de Regeeringe de geleigelden toe, van den eersten in Herfstmaant af, gelyk zy gestelt waaren, op de lyst, gemaakt in den Haaghe, in Oestmaant des jaars vyftienhondert eenentachtigh. 'T geen quaame, uit de Verhooghing der zelve van vier op vyf, zouden zy meede ontfangen; maar alleen lyk besteeden aan 't aflossen der lasten, gestelt op de geleigelden. Ende, om de schulden te voldoen, tot betaaling der welke reeds orde verleent was, van d' Algemeine Staaten, oft den ooverleeden Prinse, zouden zy trekken de vyftigh gulden, gezet op elk hondert zouts; twaalf stuivers van elke tonne zeeps; twee stuivers van elke tonne biers; den tol, ingewillight by de Vriesche Staaten, op het mout, in plaats van de voorzeide twee stuivers; ende verhooghing der geleigelden op goedren, uitgaande naa Vrankryk oft Engelandt. Wyders; de Algemeine Staaten der zeeven voornoemde gewesten verklaarden, dat zy geenszins verstonden, voor zoo veel de gemeine bescherming, en de middelen der selve toegeëighent, aanging, zich af te zondren van d'andre vereenighde Landtschappen, met het berichtschrift, gemaakt voor Graave Maurits en den Raadt van regeeringe: uit het welke, my goet dunkt, hier alleenlyk 't merkwaardighste te verhaalen, dewyl 't, in veele punten, met +andre voorgemelde schriften van die soorte, oover een komt. De Raadt, dan, zouw bestaan in achtien persoonen; drie van Brabants, twee van Vlaandres, vier van Hollands, drie van Zeelands, twee van Uitrechts, een van Mecheles, drie van Vrieslands weeghe. Uit deeze achtien, stond een Algemein Schatmeester te kiezen; en t' elker maant een Raadshooftman om de zaaken voor te draaghen, en de stemmen te gaaderen. Quaam'er, van de penningen, verordent tot het oorlogh te waater, iet merkelyx oover te schieten, dat zouden zy, aan 't oorlogh te lande, indien de penningen hier toegeeighent, niet volstrekken konden, besteeden mooghen; ende, by gelyke geleeghentheeden de schattingen, ingewillight tot het oorlogh te lande, aan 't oorlogh te waater. Aan de steeden, zouw, by tydt van noodt, die geen vertrek leede, geoorloft zyn, tot laste der voornoemde Landen, ter zee te waapenen, teeghens roovers, en diergelyke vyanden van 't gemeine beste: behoudends dat de rechtspraak, oover de verooverde persoonen, scheepen en goederen, aan de Ammiraliteyt stonde; ende dat de steeden ter stondt den regeerenden Raadt hadden te verwittighen van haare toerusting; en de kosten der zelve te begrooten, om orde op de betaaling gestelt te worden. Graaf Maurits zouw zich, buiten de voorzeide gewesten niet mooghen begeeven, zonder verlof van de staaten. Elken Raadsheere werden's jaars vyftien hondert gulden, waar op hy, ten minste, eenen dienaar moeste houden, toegeleit; maar niet altoos, voor daghgeldt, waaghen- oft schuitvracht, en diergelyke reiskosten. Onder andre belosten van getrouwigheit, hadden de Leeden van den Raadt te zweeren, dat zy, zonder de Landtschappen oft steeden, waaruit zy gebooren oft gekooren waaren, oft het bezondre voordeel der zelve, oft hun eighen, aan te zien, alleenlyk het gemeine welvaaren zouden betrachten; geene schenkaadjen neemen, nocht eenigherlei deel in verpachting van gemeine middelen, oft ander krystuigh, kooren, boter, kaez, tot behoef der gemeine zaake. 'T verklaaren der duisterheeden misschien te vinden in dit berichtschrift, hielden de Staaten aan zich; gelyk meede 't veranderen van eenighe punten, indien des vereischt wierde. In deezen Raadt stelden de Staaten yan Hollandt Rutger van den
+Botfeler, Heer van Aspere; Adriaan, Heer van der Myle, Raadshooftman's Hoofs van Hollandt; Govert Willemszoon Brasser, van Delft; en Simon Meinertszoon, van Hoorn. De tydt van het duuren deezer regeeringe werd niet uitgedrukt in 't besluit daar op genoomen; mits het onwis was, hoe lang men haarder van doen zouw hebben; en voorneemlyk uit zorghe, dat de kortheit des tyds haar achtbaarheit zwakken moghte. Maar, de gemaghtighden der Landtschappen verzeekerden elkandre, by onderlinge blykschriften, dat zy die regeering alleenlyk vast stelden voor den tydt van drie maanden; naa 't verstryken der welke, zy in hun geheel zouden staan, om haar, en 't bewindt oover de middelen haar toegevoeght, te verlengen, oft anders daar in te voorzien, naar geleeghenheit van zaaken. Dit werd aldus gedaan, op hoope, van, midlerwyl, aan een vorderlyk eindt der handelinge met Vrankryk te raaken; die my +nu te verhaalen staat. Korts naa 't ooverlyden des Hartoghen van Anjou, en 't ontvallen van dien toeverlaat, maghtighden de Algemeine Staaten, gepraamt van de geleeghenheit tot een onverwylt besluit, de Heeren, La Mouillerie en Asseliers, om zich naa dien Kooning te vervoeghen, en te verzoeken, dat zyne Majesteit gedient waare, met aanveirding der Neederlanden, op de zelve voorwaarden waar in zyn broeder bewillight had. Deeze gezanten werden tot Rouan, eenen ruimen tydt, opgehouden. Immiddels braghten de Heeren, la Prée, en Tondorf Oudthofmeester van Oranje, hun de droeve tyding van de doodt zyner Doorluchtigheit, en brieven van de Staaten aan hen; samt andre, gericht aan den Kooning en zyn' moeder, ten einde zyner Majesteit geliefde, eenighen achtbaaren Ooverste herwaarts te schikken, om 's Prinsen plaats te +bekleeden. En d'eene druk scheen den andren aan te voeren; naardien, ten zelven daaghe, de Geheimschryver van staat, Pieter Brulart, uit 's Kooninx naam, zoo hy zeide, zonder nochtans geloofnisbrief te toonen, hun verzoek plat quam afslaan. Niettemin, op hun zeer ernstigh aanverghen, beloofd' hy, van hunnent weeghe, den Kooning en de Kooninginne Moeder om gehoor te smeeken; indien hy zyne Majesteit, die stond om naa Lyon te reizen, noch niet vertrokken vonde. Zy baaden ook den Heer van Pruneaux, daar teeghenwoordigh, ende meede zeer ontstelt in zoo ongehoopt een' ontmoeting, aan hunne Majesteiten 't gewight der zaake te gaan erinneren; dewyl hy daar af wel de klaarste kennis had, en zyne woorden, als van eenen vassaal, geschaapen waaren, booven de hunne te gelden: 't welk hy gewillighlyk aannam. La Prée, hebbende alleen, mits Tondorf door ziekte belet werd, de meêgebraghte brieven oover te leeveren, verzelschapte Pruneaux: en zy renden t'zaamen, te poste, naa Fontainebleau; alwaar zich de dingen vry behaaghlyker op deeden. Want de Kooning, peizende, zoo te vermoeden staat, dat, dien van Hollandt en Zeelandt, de zucht, om buiten 't gemein verdragh te blyven, moght afgestorven zyn met den Prinse, hoorde hen heuschelyk en veirdighde la Prée af, met schryven aan de Staaten, hoe hy beslooten had, Pruneaux te laaten volghen, om hun zynen zin te ontdekken. +Voorts begeerd' hy, gemerkt zyn' reis geen' uitstel leed, dat zyn' Moeder de Heeren la Mouillerie en Asseliers voor haar riepe, en 't geen zy hadden aan te dienen, uit hunnen mondt vernaame. Hier op ontbood zy de gezanten, tot Sant Maur, in haare kamer; nam hen ter zyde; luisterde aandachtelyk naa hunne reede; en gaf tot antwoordt: Dat der Algemeine Staaten meening, al te vooren verstaan, uit zeeker schrift, behandight aan Brulart, en uit Pruneaux in 't lange, haaren Heere zoone zeer aangenaam was geweest: gelyk de brieven, afgegaan met la Prée, getuighen konden. Dat zyne Majesteit aan Pruneaux bevoolen had, zich, ten spoedighste, op wegh, naa
+Neêrlandt te begeeven: en oorbaar geoordeelt, neevens haar, dat hunner een, oft zy beide, met hem zouden derwaarts keeren, om by de voorzeide Staaten, en by de gewesten, onvertooghen bescheidt op zynen voorstel, te helpen vorderen; alzoo's Kooninx besluit noopende der landen bescherming, aan de forme van 't hunne hing. De gezanten, ooverboodigh haar te gehoorzaamen, baaden om veirdighen bystandt van zes oft zeeven duizent mann', eer Gent en Antwerpen, steeden wel waardigh, etlyke Kooninkryken van Spanje, verlooren gingen. Welke troepen haare Majesteit mochte doen koomen tot Oostende en Sluis; om teffens die plaatsen, beloert van de Spaanschen, voor den Kooning te verzeekeren. Voorts, dat haar geliefde Vrankryk voor den vyandt te sluiten. Maar zy meldde recht uit, dat de Kooning, om niet reukeloozelyk, oft vergeefs, in 't oorlogh teeghens Spanje te treeden, vast voorgenoomen had, zich de Neederlandsche zaaken geenszins aan te trekken, zonder voorgaande kennis van 't geene, by Pruneaux, zouw verricht weezen; ende dat zy, teeghens dit opzet zyner Majesteit, nocht ietwes doen, nocht gedooghen darde. Weshalven 't naaste was, de Staaten tot kort beraadt te porren. Zy voeghd 'er by, dat hun gewagh van Sluis en Oostende haar vreemdt gaf; alzoo zy zich, in 't zeeker verstendight vond, hoe de zelve steeden, en, daarenbooven, noch eenighe andre, der Kooninginne van Engelandt, waaren aangebooden; ende reeds, daaroover, zeeker perzoon, van haar, aan d' Algemeine Staaten, geschikt. Hierop verklaarden d' Ambassadeurs zulx niet te konnen gelooven: maar wel, eenen, van der Staaten weeghe, gezonden te zyn, om Elizabeth te bidden, dat haar geliefde, hun woordt by den Kooning te houden, ten einde hy zich gewaardighde, hunne behoedenis te behartighen: naardien 't Spaansche geweldt, quaam' het in Neêrlandt te ankeren, dreighde d'Engelsche niet min, dan de Fransche kroon, te bedrukken. Dan de Kooningin zeid' hun kort af, dat zy dies wel onderrecht was: riep voorts den Heer van Pruneaux, en beval hem zyn vertrek te haasten: der wyze dat zy schroomden, haar iets meer teegen te werpen. Zy pasten, daarnaa, met verscheide Raadsheeren, en andre, zoo Rooms-als Onroomsgezinde luiden van aanzien en bewindt, die hun der zaake toegedaan dochten, in mondtgemeenschap te koomen; om lucht oft licht van 's Kooninx in wendighe gezintheit te scheppen; en naa te vorsen, waar 't eighentlyk looghe, dat hy schoorvoette, in 't beslaan der Staaten, op zoo treflyk een aanbodt; en door wat wegh hy daar toe moghte te leiden zyn. In 't reedeneeren op deeze stof, werd, onder ander, bygebraght, hoe men de Kooninginne Moeder, tot antwoordt op der Gentenaaren verzoek om hulpe, gepraamt had, met uitschieten, dat voor zyn' Majesteit, zonder, binnen eene oft anderhalve maant, een grof heir derwaarts te zeinden, niets van de Neêrlanden te verwachten stond: zynde de dingen aldaar gestelt, om, in dien gevalle, andre parthy te kiezen. Welke bruskheit gekoomen ter oore van den Kooning, hem (als weetende, zoo hy zeide, in die kortheit van tydt, zulke kraften niet op de beên te brengen; nocht willende de verzoekers, met onvoldoenlyke beloften, bedrieghen;) beweeght had, het boovengemelde afscheidt, den gezanten, door Brulart, te doen aaakundighen; op dat de Staaten, zoo zy, gelyk men voorgaf, andre toevlucht zaaghen, geen' geleeghenheit verzuimden. Maar, de grondighste oorzaak zyner uiterlyke laauwigheit was, naar 't zich aanzien liet, een' heete begeerte, om Hollandt en Zeelandt, zoo wel als d'andre gewesten, onder zyn' heerschappy te kryghen: en zyn' steegheit scheen te strekken, om de Staaten willigh op wegh te maaken, uit anxt van verlaaten te blyven, zoo zy hem met geen' vorderlyke voorwaarden te gemoet liepen. Want, zommighen lieten zich hooren, dat hy, op zoo gering
+een onderpandt, als Oostende en Sluis, de bescherming der Landen geenszins dacht by der handt te neemen. Andren heelden niet, dat hy gewislyk zich hoeden zouw, van de Spaansche waapenen te terghen, en zyn gansche Ryk in gevaar te stellen, om d'andre gewesten alleenlyk, zonder de geheelste en genaaklykste, naamlyk Hollandt en Zeelandt, te hebben; die, door smaaklyke aanbiedingen, hoewel gedaan zonder meenen, moghten bekoort worden, om met den vyandt t'ooverkoomen en aan te spannen: waar door zyn Majesteit geschaapen waar, 't geen zy elders bezaate, te verliezen, en, met zoo zwaar een oorlogh op haaren hals, te blyven zitten. En, de meeste yveraars in 't stuk rieden den gezanten, de Landschappen tot rondigheit en reklykheit te vermaanen: staande te betrachten, hoe zy althans, niet eenen Hartogh van Anjou, die baat en geen' schaade verwachtte, maar eenen maghtighen Kooning aanzochten, die de treflykste kroon van Christendoom te waaghen had; en zynen volke te doen blyken, dat hy op geen welzandt bouwde; alzoo aan der onderdaanen goedwilligheit, waar uit de kryskoften koomen moesten, grootlyx geleeghen was. Zelfs eenighe Onroomsgezinden, waar op zy zich beft betrouwden, getuighden zeer loflyk van's Kooninx oprechtigheit in belooven en naakoomen: zulx niet te duchten viel, dat hy de landen, zoo hy ze eens aannaame, begeeven zouw, oft eenigh ander punt van 't verdragh, met hun gemaakt, te buiten gaan. Waar oover men, mits bedingende d'ouwde voorrechten, en 't gebruik van den Hervormden Godsdienst, in 't welk doch de Spanjaardt nemmer met ernst bewilghen zouw, nocht behoefde, nocht behoorde, om de regeering te knibbelen. +Van dit hun weedervaaren quaamen la Mouillerie en Asseliers, aan de Algemeine Staaten, vergaadert tot Delft, verslagh doen; en beslooten 't, met ontfouwing van hun eighen gevoelen: 't welk meebraght, dat nerghens gewisse troost, dan in Vrankryk, te vinden was. De Heer van Pruneaux, herwaarts gereist neevens hen, gaf zynen geloofnisbrief, gedaghteekent den laatsten der voorgaande,op den tweeëntwintighsten van Oestmaant, den zelven Staaten te leezen; ende deed voorts zyn vertoogh: 't welk hier op uit quam. Dat de oopeningen, gedaan, zoo in 't gemein, +als van elk Landtschap, van geen gering belang waaren, maar wel waardigh, dat de Kooning daar af naader onderricht wierde: voorneemlyk, noopende de verandring, seedert misschien gebeurt. Waaroover hy wenschte andermaals klaarlyk te verstaan, wat zy gezint waaren te doen voor zyne Majesteit; en, op wat voorwaarden, zy begeerden, zich in haar armen te werpen, en haar t'erkennen; om, volghends hun verzoek, geholpen te worden. Zy hadden dan, spoedighlyk, dies te doen blyken, by goede geloofwaardighe, en wetlyk bekraftighde brieven, der bezondre gewesten zoo wel als der Algemeinschappe: ende daar op te verwachten, van zyne Majesteit, een antwoordt, onverwylt, en onbewimpelt. Teffens pleeghd' hy, van zyns Meesters weeghe, den plicht der meedetreuring, oover 't afsterven des Prinsen: en leeverde eindtlyk, alzoo 't begeert werd, het gesprookene, +op papier, oover. Des andren daaghs, werd het stuk in beraadt geleidt by d'Algemeinschap. Daar verklaarden de Brabandtsche gemaghtighden, zich bereidt, om te handelen met den Kooning, mits hy hen holpe, naar eisch van de jeeghenwoordighe noodt, gelyk Pruneaux beloofde; en hem 't gezagh der voorighe Hartoghen toe te voeghen; onder besprek, dat hy, in de oeffening van den gezuiverden Godsdienst, geen' verandering hadde te maaken oft te gehengen; de Landen te laaten by hunne ouwde voorrechten, en naar deeze te regeeren; de steeden niet te bezetten, dan met inboorlingen, aangenaam den Staaten, en by voorgegaan verlof der zelve: en wyders op zulke voorwaarden, als by de gezaamde landtschappen, t'hun-
ner +gemeine verzeekering, zouden dienstigh geoordeelt worden, en te verwerven weezen van zyne Majesteit. Ende, naa dat zy, met reedenen, welke, als elders genoegh verhaalt, ik hier ooverslaa, de Bondtgenooten ernstigh vermaant en gebeeden hadden, zich te vlyen, neevens hen, tot het kiezen van deezen wegh, hun meenighmaals aangeraaden door den Prinse hooghloflyker gedachtenisse; zoo naamen de Geldersche, als niet gelast tot handeling met Vrankryk, uitstel, om hunne meesters te verstendighen, van 't geene door Pruneaux was voorgedraaghen. De Vlaamsche volghden de stem van Brabant. De Hollandsche braghten by, dat de Staaten van Hollandt alvoore dan iet zeekers te raamen, den Heer van Pruneaux dienden te hooren, dewyl hy bezondre letteren van geloove aan hen had. De zelfste reede, om dagh te neemen, hadden de Zeeuwsche. De Uitrechtsche zeiden, dat zy nooit voor heen gelast geweest waaren, om met den Hartogh, oft met den Kooning, te daadingen; ook alsnoch, noopende 't voorgestelde, geen' orde hadden; maar, dies begeerden de Staaten hunnes Landtschaps te verwittighen. De Mechelsche vielen dien van Brabant en Vlaandre toe. De Vriesche gaaven te bedenken, dat hun gewest, achter, en veerst, geleeghen was: waar oover hun, zonder eerst het gevoelen der voorleggende Landtschappen verstaan te hebben, niet geleek iets te besluiten, op dat zy zich, daar door, niet van de zelve vonden afgescheiden. De Ooverysselsche spraaken uit eenen mondt, met die +van Uitrecht. Thans behandighde Pruneaux den gemaghtighden van Hollandt en Zeelandt, elx, eenen geloofnisbrief. Daar naa voerd' hy, in de vergaadring van Hollandt, zeekere reede: en, verzocht zynde om afschrift der zelve, gedroegh zich tot het inhoudt van 't geen by d'Algemeine Staaten ontfangen was; alzoo, naar zyn zeggen, het vorder verhaal' alleenlyk tot middel van vroedtmaaken gedient had. Hy bekende eevenwel, van geloove te weezen, dat de Kooning verstond, ook met die van Hollandt en Zeelandt oover 't hooghe punt te handelen, en op eenen voet als met d'andre gewesten, om hem aan te neemen, niet als beschermheer, maar met het recht van Oppervorst, gelyk des de Graaven genooten hadden. Derhalven haakten alle harten, naa 't besluit, hier op, by deeze twee gewesten, te neemen; als naa 't geene, waarin de uitkoomst van zoo groot een' zaak ganschlyk geleeghen was. De Eedelen, gewoon ter zaameninge +van Hollandt te verschynen, tuighden den andren leeden aan, hoe zy, achtende dit stuk het gewightighste, dat, feedert den aanvang der oorloghe, was voorgevallen, zich bezwaart vonden in 't af-oft aanstemmen, buiten gemein goeddunken van de reste der Eedelen, die men niet plagh te beschryven. Dies werden al d'andre, zelfs jonger zoonen, ter daghvaart geroepen, teegens den laatsten van Herfstmaant, om des andren daaghs te beraamen, 't geen men, op den tweeden van Wynmaant, voor befluit, ter vergaaderinge hadd' in te brengen: staande d'afweezighen te houden, voor volghers der meeste stemmen. Men verzocht, niet alleen de besluitsels der Vroedschappen van al de steeden, maar ook het gevoelen van den Hooghen Raadt, het Hollandsch Hof, en de Reekenkaamer. Waarentussen Pruneaux, om de Regeerders te beleezen, genoeghzaam van gewest tot gewest, stadt tot stadt, reisde, uitmeetende de bekommering zyner Majesteit oover Neederlandt, met grooter glimp dan waarheit van woorden. Want de Kooning, vergeetende, van gemaklykheit, het ongemak, dat hem, uit het wortelen der Spaansche regeeringe alhier, te verwachten stond; en zoo graatigh naa gloory niet, als naa 't lesschen zynen lyflusten, nam de zaak slappelyk ter harte. Misschien ook, dat zyn' kinderloosheit, en wanhoop van der te winnen, hem te onzoeter op arbeidt maakte, waar af vreemden de vruchten genieten zouden. Zeeker, de Koo-
ninginne +Moeder had, met haaren zoon van Anjou, de lust tot de Neerlandsche dingen verlooren; en seedert, uit anxt van 't Ryk buiten haar bloedt te zien vervallen, de gedachten gewendt tot eenen andren toeleg: naamelyk, om den wettighen gang van 't opkoomen der kroone t'zyd' uit te doen slaan, en de kindren van haare dochter Claudia, Hartoghinne van Lottringe' tot de hoope der Fransche heerschappye te verheffen. En 's Kooninx deftighste Raadsluiden waaren nu gestorven: oft verschooven: onder de rest, nauwlix yemandt, dien 't niet aan wil, oft vrymoedigheit, mangelde, om zynen geeft tot zoo hoogh eenen aanslagh t'ontfonken. Veelen, daarenteeghens, te rug gehouden van schandelyke schroomte voor de maght der Spanjaarden, oft gedreeven van verhoole gunst t'henwaarts, rieden de zaak zoo zeer niet af, als zy ze, met voorwerpen van verscheide zwaarigheeden, verhinderden, om alzoo de bequaame stonde van bedryf t'onbruik te maaken: een' vond, hun ingegeeven van nydt op de Engelschen, die zy oordeelden, zoo de Kooning weigherde, de schoot te zullen ophouden om de Landen t'ontfangen. Immiddels aasde men deeze met holle hoope; ende gaf, in 't heimelyk, den Spaanschen bewindsluiden te verstaan, hoe zyne Majesteit met luisteren naa de Staaten, niet anders meinde, dan hun den tydt t'ontfutselen, dien Parma moghte waarneemen, om zoo veel voortganks te doen, dat het verdragh met Engelandt zouw te spaade koomen. Uit welk falyfouwen de Spanjaards, naar hunne verwaantheit, terstondt speldden, datz' 'er de vrees in hadden; en derhalven stoutelyk voorts te vaaren, met stooken en styven der Guizardsche partyschap, om den Kooning zoo veel werx t'huis te berokkenen, dat hem niet leedigh stonde des buiten te zoeken. Doch Pruneaux, die, zeeker, voor eenen man met eere ging, moght niet beeter weeten dan hy zeide, en zelf bedrooghen zyn van den Kooning oft zyn' Moeder; oft oordeelen, dat een bewindsman zynen meester blindelinx +moest gehoorzaamen. Wyders, de Brabantsche Raadt van Staate, bestaande uit zommighe Heeren van Adel, en gemaghtighden van Antwerpen en Brussel, had, zonder naa orde der Algemeinschap te toeven, alzoo men daar met het vuur voor de scheenen zat, den Heer Jakob van Gryze, Oudthooghbaljuw van Brug, naa Engelandt gezonden, om, +neevens beklagh oover Anjous en Oranjes doodt, de Kooningin te bidden, dat haar geliefde den aangevangen handel, by de Fransche Majesteit, te begunstighen; en den Landen een deel volx en voorraads van oorlogh by te zetten. Korts daarnaa beval men hem ook de Neederlandsche Hervormde gemeente aldaar, zoo Walsche als Duitsche, aan te zoeken, om verschaffing van eenighe gereede penningen, ten behoeve des vaderlands. Waar op hy neeghenduizent vyfhondert gulden verworf, die aan lichting van vyftienhondert knechten, onder den Kornel Morgan, besteedt werden. Maar Elizabeth, hoewel ooverboodigh tot vordering der zaake +in Vrankryk, gaf, voor de reft, prat antwoordt; ende scheen zich te belghen, dat men haar verghde, in nieuwe kosten te treeden, zonder plaatzen, daar voor, t'haarder verzeekering, t'ontfangen. Oft dit haar, van zelfs, in den zin gekoomen zy; ofte dies, van hier, smaak gegeeven; zoud ik niet kunnen verklaaren. Zoo veel is'er af, dat, te deezer tydt, zommighe leeden der vergaadringe van Hollandt, met naame de Voorspraak van dat geweft, Paulus Buis, bybrengende, men zouw met den Fransois, inzonderheit zoo hy meester van al de Vereenighde Landen te zaamen wierde, bedrooghen uitkoomen; dreeven, dat die van Hollandt, Zeelandt, en Uitrecht, ten minste behoorden te proeven, wat hulp hun, van de Kooningin, op onderpandt van eenighe steeden, te verwachten stonde. Eevenwel, zoo verre te gaan, vond meest yder ongeraaden. Maar zeeker, d'Algemeine Staa-
ten +zonden heer Joachim Ortel naa Engelandt, met lastbrief op den heer +van Gryze en hem, om gelyklyk, uit hunnen naame, met de Kooningin te handelen. En te deezen einde werden hun twee bezondre berichtschriften geleevert, die op den vierentwintighsten van Oestmaant geteekent waaren. Het eerst quam hier op uit. Rouwreede te doen, oover 't afsterven des Prinsen. Te vertoonen, hoe nochtans, op zoo zwaar een verlies, geen merkelyk misquaam, onder 't krysvolk, de steeden, oft gewesten, gevolght was; mits de goede orde, gestelt by de Landtschappen; die des te vaster voorgenoomen hadden, zich verknocht te houden, en alles, wat t'hunner behoudenis vereischt werd, te bevlytighen. De spaadigheit deezer bezeindinge t' ontschuldighen, met der Staaten noodtlyke beezigheit, tot noch toe, in 't verhoeden der gevaarlykheeden, +die, uit zoo schielyk een' ramp, den lande dreighden oover te koomen. Haare Majesteit te berichten, van den jeeghenwoordig hen staat des lands: Voorts, hoe verre de handeling, met wylen den Hartoghe van Anjou, was gebraght geweest; hoe men de zelve, met den Koning van Vrankryk hervat had; en waarz' althans op draaide. Te verneemen, uit haare Majesteit, oft zy, daarin, yet hinderlyx, oft bezwaarlyx konde speuren. Haar wel ernstelyk in te scherpen, dat al het groot geweldt, en de voortgang des vyands niet de minste verandering van wil, in eenighe stadt oft plaats deezer landen, verwekt had. Zulx elk volkoomelyk getroost bleek, goedt en bloedt, voor de gerechtighe zaak, te waaghen. Eevenwel te bekennen, dat de middelen der Staaten, naar 't gemeine beloop der menschelyke zaaken, teeghens de helfte der maght van Spanje en zyn' aanhangers, niet bestaan konden: ende, te dien aanzien, haare Majesteit, met loflyk ophaalen der gloorie, die zy, door 't voorstaan van den waaren Godsdienst, in Neederlandt, Schotlandt, Vrankryk, veroovert had, te bidden, dat haar geliefde van knechten, ruiters, bussekruidt, en andre krysbehoeften, zoo veel herwaarts te zeinden, tot handthaaven der Landtzaaten, in 't oprecht Christen geloof, en hunne vrydoomen, als zy zelf raadzaam vonde; en by haar heir te voeghen eenen Heer, begaast met de deughden, die, tot het opperbevel daar oover, noodigh waaren. Haarder Majesteit te erinneren, dat de zaak der landen ook genoeghzaam de haare was: hebbende de Paus en de Kooning van Spanje het niet min op haar, dan op ons, gelaaden gelyk de brieven van Don Johan en Escovedo, en andre snoode handelingen, seedert in 't licht gekoomen, t' oover getuighden. Haar te verklaaren, indien zy verzeekertheit begeerde voor 't verschot haarder penningen, dat men, tot laste van d' Algemeinschap, oft van eenighe steeden, t' haarder keure, schuldtschriften te leeveren hadde, onder verbandt, dat, zoo men, wat ontslaaghen van 't oorloogh, de zelve niet afloste, zy de persoonen, scheepen en goedren aller Landtzaaten, waar zy ze vonde, bekommeren moghte: in welke wyze, zy genoeghzaam zouw bewaart weezen: behalven, dat men, ten aanschouw des handels met Vrankryk, geen' andre vastigheit scheen te kunnen geeven. Daar by te voeghen, dat de Staaten booven dien, pleghtelyk belooven zouden, geen verding, nocht verbintenis, aan te gaan met den Kooning van Spanje, nocht andre Vorsten oft Regeeringen, zonder uitgedrukte bewillighing van haare Majesteit; en der zelve te dienen, met al hunne middelen, waar 't haar gelieven moghte: te meer, mits hun vertrouwen, dat zy waare, om de gemelde handeling met Vrankryk geneeghentlyk te vorderen, en zich, met dien Kooning, te verbinden, teeghens den Spanjaardt: 't welk zy ootmoedelyk baaden. Haarder Majesteit aan te dienen, hoe de Staaten beslooten hadden, allen koophandel, zelfs van lyftoght, op de vyandtlykt gewesten, te beletten; en te dien einde, eenighe oorloghscheepen toegerust. Derhalven, haare Majesteit hooghlyk te bedanken, dat zy haaren onderzaaten geen derwaarts voeren van eenighe noodruft toeliet; en haar te bidden, om volharding in deeze gunst. Niettemin, ten opmerke dat de vyandt,
+immiddels, Brabant en Vlaandre ten uiterste praamde; andermaals, jaageduurighlyk, aan te houden, by haare Majesteit, om goeden en spoedighen bystandt van betaalde soldaaten, tot volvoering van den aanslagh, dengezanten bekent. Haar bescheidelyk te verstendighen, van 't geen zich toegedraaghen had, tussen de Staaten en Graaf Edzart van Oostvrieslandt, die hunnen vyanden lyftoght, krystuigh, en andre noodruft, tot onderhoudt van Groninge, verschafte; zulx te vreezen stond, dat de Spaanschen, by zyn toedoen en ooghluiking, de stadt Embde, en eenighe Staatschesterkten, daar ontrent, moghten vermeesteren: ende daar op te verzoeken, dat haarder Majesteit geliefde, zoo veel te weeghe te brengen door haar' achtbaarheit by den voorzeiden Graaf, de burghers van Embde, en d' aanzienlyken van dien oordt, dat de weederparthy, aldaar, voortaan, niet meer geleeden en begunstight wierde, nocht eenigh gerief genoote: waar door Groninge geschaapen scheen in kort oover te gaan; en Embde, een' haaven zoo wel geleeghen voor den Spanjaardt, zouw behoedt weezen. Al 't boovengezeide ook voor te draaghen aan de Raadsluiden der Koninginne, met beede; dat hun geliefde, de Staaten, onder 't getal hunner getrouwe vrienden en ootmoedighe dienaaren, te reekenen, en hun de eere te doen, van hen te onder houden in de goede gunst van haare Majesteit. Het tweede berichtschrift behelsde 't geen hier naa volght. Indien de gezanten gemaant wierden, om begrooting der behoefde hulpe; zoo zouden zy verzoeken zes duizent mann' te voet, eensdeels Engelschen, eensdeels Zwitsers, meest spietsen; en drie duizent ruiters, meest speeren; voorts driehondert duizent ponden kruids. Bleeke hun van eenigh misnoeghen der Kooninginne, oover mangel van voldoening der penningen, te voore van haar geleent; ende, zoo haare Majesteit, diesweeghe, zwaarigheit in den verzochten bystandt maakte; haar als dan te verzeekeren, dat de naalaatigheit uit geen onachtzaamheit, veel min uit quaade wille, sproot, maar enklyk uit gebrek van middel; dewyl het jeeghenwoordigh oorlogh den Landen geen verhaal van adem toeliet; ende, dat men, koomende wat verlichtings te voelen van deezen druk, het aflossen der voorzeide schuldt dacht, voor al, ter harte te neemen: dat men de Hollanders, Zeeuwen, en Vriezen, die nochtans, bynaa alleen, ter zee voeren, in weinigh bondtschriften begreepen vond: ende, alzoo de meeste op d' Algemeinschap hielden, dat haare Majesteit, naar der Staaten gevoelen, recht zoude doen, indien 't haar geliefde, de afgeweekene gewesten aan te spreeken, en zelfs de steeden, die, staande onder 't zelfste verbandt, kortelinx des vyands parthy gekooren hadden, en, steunende op zoo maghtigh eenen Vorst, als de Kooning van Spanje, beeter betaalen konden. Zoo deeze reedenen te weinigh woeghen, by haare Majesteit; de zelve dan, op 't needrighste, te bidden, dat haar geliefde, de kleinoodje, verzet onder haar, van de Staaten, te houden, en zich daar meê tegenoeghen, voor hun aandeel in de schuldt, zoo van hooftsom, als van verloopen fret, en 't geen echter verloopen moghte; daar af, t' hunner ontlastinge, deughdighe brieven te doen verlyden, en de bondtschriften oover te leeveren aan de gezanten; het ooverighe te zoeken aan d' afgescheide Landschappen en steeden, als verplicht voor 't geheel. Aan te wyzen, in wat benautheit zy den Kooning van Spanje brengen konde, met verbieden der vaarte en koophandelinge zoo op dat Ryk als op Portugal; en met het sluiten der zee, voor de scheepen van hier, van Oostlandt, Deenemark, Noorweeghe, en elders: in 't welk, zoo zy het deede, wy ons nevens haar voeghen wilden: zynde, ten minste, raadzaam, dat haare Majesteit, en de Staaten, het derwaarts voeren van eetwaaren, krystuigh, salpeter, ankers, kabels, en andre scheepsrusting, verhinderden: waar door men hun 't middel om ons te beoorlooghen ontzetten zouw, en de dierte, die hun jeeghenwoordelyk prang de, daar styven, en van hier weeren. Om der Koninginne bescheidelyker opening te mooghen doen van de geleeghen-
heit +der dingen alhier, zoo zy ze hun afvorderde, ontfingen de gezanten +ook een gedenkschrift van den onderstaanden inhoudt. Dat Prins Maurits tot Hooft des kryshandels gestelt was; en een Raadt neevens hem, om te regeeren tot jonger orde toe. Dat van den vyandt (ongetelt zyne bezettelingen) in den Gelderschen oordt drie duizent knechten, en vierentwintigh kornetten, laaghen; by Lillo, ter weederzyden van de Schelde, ontrent vyf duizent soldaaten van d'een en d'andre soort: rondom Gent, drie duizent; by Denremonde, ontrent vyf duizent. Dat de Staaten, moetende noodlyk veele en zwaare bezettingen onderhouden, om den verweerenden krygh te sleepen, niet anders te velde hadden, dan drie duizent mann' te voet, en vyfentwintigh hondert paarden, rontom Zutven. Maar, dat zy, zoo de hulp haarder Majesteit spoedigh oover quaame, zich dachten in standt te stellen om aanvechtend oorlogh te voeren; voeghende een' goede zeenuwe volx, uit de steeden (aangezien zy des daarin als dan min behoeven zouden) by d'andre troepen, tot oprechting van een taamelyk heir, terwyl de drie duizent knechten en drie hondert ruiters, die zy, in Duitslandt, en ten deele binnen hunne grenzen, deeden werven, verwacht wierden. Dat zy reekening maakten, van ontrent drie hondert en dertigh duizent gulden gereedt gelds, ter maant, te besteeden aan 't oorlogh te lande; te waater tsestigh duizent. Van 't getal ende gesteltenis der scheepen, had wylen zyne Doorluchtigheit haare Majesteit verkundtschapt, door den Heer Dyer, in Lentemaant lestleeden: ende, zoo zy naader bescheidt daar af begeerde, de gezanten moghten 't haar geeven, voor zoo veel als hun bewujt was. Hierenbooven bevind ik, dat de Staaten van Hollandt +bezondre orde aan Ortel gaaven, om te proeven, wat troost, hun, samt dien van Zeelandt, Vrieslandt en Uitrecht, uit Engelandt, te verwachten stonde. Waar op hy, niet alleenlyk met verscheide Grooten van dat Ryk, maar met de Kooninginne zelf, en haaren Geheimschryver Walzingham, in haar kabinet, zonder byweezen van yemandt anders, te woorde quam. Maar, 't geen hy van zyn weedervaaren, den Staaten ooverschreef, was +hunner vreeze, dan hoope, gelyker. Haar verwonderde, dat men zwaarigheit, in 't verpanden van plaatzen, voorwendde: eeven, oft de Franchois de waapenen voor de Landen aanveirden zoude, zonder grooter en meerder verzeekering te begeeren dan zy verzocht had. Maar zy wilde daatlyk tot onze bescherming verstaan, en een flux heir, onder deftighen Ooverste herwaarts schikken, wen men haar eenighe steeden in handen stelde; en de zelve ontruimen, zoo haast, als de Staaten, in rust geraakt, de kosten, by gemeen goeddunken gedraaghen, door het een oft het ander middel zouden vergoedt hebben: zynde haare meening niet, de Landen t' ooverheeren; dan de zelve, veel eer, als goede vrienden en naabuiren, in eeuwigh bondtgenootschap te houden, en hunne voorrechten, en vryheit van gewisse, teegens eenen ygelyken, te verdaadighen. Het weigheren van vastigheeden, zonder welke, haars gevoelens, van de Franchoizen geen' hulp te verwachten waare, wist zy niet, dan voor een teeken van puir wantrouwen te neemen. Echter, om den wortel van degezintheit diens Kooninx, en zyner Moeder, t' ontdekken, dacht zy, hem, zonder uitstel, te doen aanzoeken, ten einde hy gemaghtighden naa Bolonje zonde, om aldaar, met de haare te ooverleggen, oft eenighe voet te vinden waar, op welken haar ende hem beviele, gezaamentlyk onze zaaken ter handt te neemen. Zochte de Kooning dan 't werkte verlengen, zonder tot gereede hulpe te willen verstaan; zoo moghten de Hollandsche Staaten ook volmaghtighde luiden, ter zelve plaatze doen verschynen, omme, met de haare, in naader gesprek, en tot een heilzaam besluit, te koomen. Oft, zoo de zelve Staaten als noch dienstigh vonden, spoedighlyk, te dien einde, yemandt t'haarwaarts af te veirdighen; zy begeerde zich in alles gevoeghlykte bewyzen, en, met der daadt, 'dat zy den staat van dien van Hollandt, Zeelandt,
+Vrieslandt, en Uitrecht, booven alle andre behartighde, ende dien, met haaren wille, niet zoude zien te gronde gaan. In allen gevalle verzocht zy, dat dien van Hollandt geliefde, voor hun deel, tot geen eindtlyk besluit met Vrankryk te koomen, zonder haar goeddunken, oft haar, ten minste van trap tot trap, bekent te maaken, wat in 't handelen gevordert wierde; op dat zy hun altyds, met haaren goeden raadt, moghte behulpigh zyn. Wyders, het afscheidt, dat zy, aan Gryze en Ortel te zaamen, als aan gemaghtighden +der Algemeine Staaten gaf, was van deezen zin. Zy zoude, volghends haar' ouwde zucht tot de Landen, hun geirne alle gunst betoonen, die zy konde, zonder haar eere te quetsen, oft eighen staat t' ontrieven. Maar 't verzoek, om hun zesduizent knechten, en drieduizent ruiters toe te schikken, ende die te onderhouden, docht haar wel vreemdt en ongerymt; zoo ten opmerke van de Staaten, mits 't genaaken des winters, by welken tydt luttel met het heir te verrichten waare; als van haar zelve, mits de zwakke verzeekering, die men uitloofde. Voor heel slecht van voor zienigheit moesten de Staaten haar aanzien, waanende, dat zy, daar 't aflossen der voorighe bondtschriften, die zy tot last der Algemeinschap had, van wyl tot wyl versloft werd, zich, op zoo gering een voet, in zoo zwaare en zeekere kosten, van bynaa twintigh tonnen schats jaarlyx, zouw gaan steeken; en, daarenbooven, den Kooning van Spanje, tot oopenbaar oorlogh verwekken, dat de lasten verdubbelen wilde, en teffens den koophandel afsnyden, tot byster naadeel haarder onderzaaten, en afbrek haarder tollen en gerechtigheeden. Haar verwachten was geweest, dat zy hun verzoek veel lichter en billyker zouden gemaakt hebben, en haar, by gemeine bewillighing, reedelyker manier van voldoening doen voordraaghen. Doch, volhardende, dies niettemin, in haare goede geneeghenheit en zorghvuldigheit voor den welstandt der Landen, had zy beslooten, yemandt aan den Allerchristelyksten Kooning, die nu, bet dan voor heen, hunne zaaken scheente beyveren, af te veirdighen, om hem te beweeghen, tot zeinding van gemaghtighden naa Bolonje: werwaarts ook zy de haare zouw schikken; op dat men, gezaamentlyk, de oorbaarlykste middelen, t' hunner bescherming' en behoudenis, raamen moghte. Zoo nu de Staaten raadzaam oordeelden, eenighe perzoonen, wel bericht van de jeeghenwoordighe gesteltenis hunner dingen, en volkoomlyk gelast om te handelenen te sluiten, als dan meede daar te doen verschynen, het konde niet dan dienstigh weezen. Het verbodt van den toevoer der lyftoght, zouw stadt houden, en d'oovertreeders strengelyk gestraft worden. Het beletten van den koophandel der Oosterlingen, op Spanje, dacht den Staaten niet zoo veel nuts, als naadeels, uit steuring des Kooninx van Deenemark en der Henzesteeden, in te brengen. Aan Graaf Edzart had zy reeds eenen haaren dienaar gezonden; die zoo goede hoope van zyne verrichting gaf, dat zy niet twyfelde, oft het misquaam, gevreest van deezen kant der zee, zouw geweert worden. +Don Antonio, verdreeven Kooning van Portugal, verzocht, ontrent deezen tydt, van d' Algemeine Staaten, eenighe haavenen, daar men de buiten moghte inbrengen; eighe rechtspraak daar oover; voorts andre geryflykheeden. De Staaten, inziende dat het meeste welvaaren des Lands by de vryheit der zeilaadje bestond, maakten zeer groote zwaarigheit: doch gunden hem eindtlyk de haavenen van Sluis en Oostende, mits dat de Raadt ter Ammiraliteit in Zeelandt te wyzen hadde, oft de buiten wel oft quaalyk veroovert waaren. Maar dewyl zyn Ambassadeur aan dit besprek geen genoeghen nam, willende dat men, met dat oordeel, rechters, daar toe te stellen door den Kooning, begaan liete; bleef de zaak dus staan, tot dat de Staaten, in 't eerst des naastvolghenden jaars, uit naame van Graaf Maurits en den Regeerenden Raadt, een' hulk, en eenighe andre goedren, ingebraght, en aangehouden met meening daaroover te vonnissen, van Sluis
+deeden haalen, door den Ammiraal Treslong, en in Walchere brengen. +Hierentussen vertoonden de gemaghtighden van Gent den zelven Algemeinen Staaten, tot Delft, op den achtentwintighsten van Oestmaant, hoe zy zich van alle kanten beneepen, en booven dien onvoorzien van eetwaaren, vonden: verzoekende derhalven, dat men hunne ontleeghering wilde bevorderen; oft immers bystandt bieden, volghends 't bezwooren verbondt, en bezondre beloften, onlanx gedaan: by mangel van 't welke, zy zouden gedwongen worden, t'hunnen grooten leedtweezen, en schaade der Algemeinschappe, 't geene te doen, waar voor zy God baaden hen te behoeden. Voorts verzochten zy, dat men den handel met Vrankryk voltrokke: 't welk de beleegherden, tot noch wat hardens, moghte moedighen. Tot het zelfste praamden de geblokkeerde Brusselaars de Staaten van Hollandt, met groote heevigheit, en verwyt, +dat men, door traagheit van besluit tot aanveirding der Fransche hulpe, hen t'eenen roof aan den vyandt liet; in plaats van dank voor hunne diensten; waar onder zy 't vangen des Raads van Staate, in den jaare vyftienhondert zesentzeeventigh, reekenden, zeggende daar toe geraaden geweest te zyn, door de gemaghtighden van Hollandt en Zeelandt, en door den Prins hooghloflyker gedachtenis. 'T zelfste dreeven die van +Mechele, klaaghende hunne noodt: het zelfste de Staaten van Brabant by d'Algemeine; en inzonderheit, door brief, door hunne gemaghtighden, die tot Delft waaren, door Petrus Alostanus, eighentlyk daarom afgezonden, ter vergaadringe der Hollandsche, die, ten opmerke van 't verdragh, aangegaan met wylen Oranje, de meeste zwaarigheit maakten. Ook verzochten die van Brabant, dat men, immiddels, het krysvolk in hun gewest verzaamen wilde, volghends 't besluit der Algemeinschap, van den zesten in Hooimaant; ende oorloghscheepen op de Schelde zenden. +De Heeren van den Hooghen Raadt, van 't Hollandsch Hof, van de Reekeninge der Graaflykheit, gelast, als vermeldt is, den Staaten van hun gevoelen te dienen; ten welken einde zy dat van Brabant, Vlaandre, en Mechele, ontfangen hadden; verklaarden op den tienden van Herfstmaant, eendraghtelyk, dat zy nerghens wissen troost, dan by Vrankryk, te vinden zaaghen. Dit goeddunken werd daatlyk den Staaten van Zeelandt toegeveirdight: die, op den vyftienden antwoordden, reeds gelykformigh besluit genoomen te hebben, en gemaghtighden te zullen ooverzeinden. 'T geen bygebraght werd, om die van Hollandt in 't zelfste verstandt te trekken, en tot kort beraadt te beweeghen, draaide op deeze bedenkingen. Dat Gent, in de neeghende maant, zonder yets te kunnen in kryghen, omringt lagh van den vyandt; die ook geschaapen scheen de Schelde te sluiten; Vilvoorde beleeghert, ende, zoo Mechele als Brussel, +samt verscheide sterkten, aan de stroom, bynaa in gelyke benauwtheit hield. Ginge Gent verlooren, heel Brabant en Vlaandre bleeken in gevaar van te +volghen: zullende d'andre steeden zich geenszins kunnen belooven 't geen eener stadt van Gent niet hadde kunnen gebeuren. T' Antwerpen duchtte men voor dwang der gemeente: in welken gevalle Vrankryk niet zoude te spreeken zyn; oft immers veel bezwaarlyker voorwaarden eischen. Ende, wen men schoon als dan daar toe verstonde, zoo dreighde 't langer vertoeven den wegh, om de Franchoizen in 't landt te helpen, zeer zorghlyk te maaken: zulx Brabant, indien de jeeghenwoordighe geleeghenheit verwaarloost wierde, op andre middelen denken moest. Men behoorde, op dit stuk, niet in 't bezonder, maar gezaamentlyk, en in 't gemein, te besluiten: en de ongeschende Leeden des verbondts waaren schuldigh, het padt te kiezen, dat tot redding der verminkte leidde: zouden, anders doende, afval, en, daar uit, eighen onheil veroorzaaken. Het schatten dacht, in 't eindt, den volke te verveelen:
+en, zoo de vyandt, naa 't afloopen van Brabant en Vlaandre, lanx de zyde van Gelderlandt en Uitrecht quaame aanbreeken, men zoude meest al de inkoomsten, ten platten lande, verliezen; en geene nieuwe tollen kunnen instellen, zonder oproer te verwekken: zynde 't Landt hoofdeloos, en d'ingezeetenen niet eens gezint, gelyk in 't jaar twee-ende drieëntzeeventigh, behalven 't ongeduldt, te bevreezen in een quaadt, dat men althans vermoght en verzuimde te weeren. Zelfs die van Hollandt misten, neevens zoo een Hooft als de Prins, de Ooversten en soldaaten, die hun gedient hadden om zynent wille; ook die gunst, waar in hy by de gemeente geweest was; en zy zouden ze, in der eeuwigheit niet kryghen. 'T verloop der zaaken was gesprooten uit scheuring; deeze, uit eighe baatzucht van yder gewest: geen' eendraght hield men, nocht in 't besluiten, nocht in 't uitvoeren: tot verwinning welker bysterheeden, niet alleenlyk, maar ook om de achtbaarheit te bewaaren, en den koophandel t' onderhouden, die, door lastighe tollen, afgewendt oft vermindert werd, men diende eenen Vorst aan te neemen; al hadde men ook anderszins maghts genoegh. Maar daar aan mangeld' het al te merklyk. Dies moest men, niet willende met Spanje ooverkoomen, 't welk waare in 't gewisse bederf loopen, uitheemsche hulp te baat zoeken; die alleenlyk uit Duitslandt, Vrankryk, oft Engelandt koomen kon. Wat hoope op de Grooten van Duitslandt te vesten viel, leerde de verlaatenis van den Keurvorst Truxes: en van den Kaizar stond niet te verwachten, dan 't geen den Spanjaardt behaaghen zouw: Engelandt hield zich zoo koel, dat de Kooningin, in dit gewricht der dingen, niet eenen brief, aan d' Algemeinschap oft Hollandt,geschreeven had. Ook gebrak het haar, gelyk andren Vorsten, aan geleeghenheit om den krygh af te wenden van den boodem der Bondtgenooten; en aan middel om dien kortlyk tot een goedt eindt te brengen, oft lang te draaghen: zulx men, van daar, niet verwachten kon, dan, naa een wyl worstelens met de ellenden, deerlyk t'onder te gaan. Maar, genoomen haare Majesteit hadde den wil en de maght tot dapperen bystandt: wie beloofde ons dies geduurig heit? ontzagh de doodt bet een geschepter de handt, dan een' vereelte van arbeidt; oft scheen zy niet veel meer, gloory te zoeken in 't verwisselen van de gulde behangsels der troonen aan rouwlaaken; en trachtte, door duizenderley treeken, 't leeven der Vorsten te korten, eeven als droeghe zy roem daar op, dat de Grooten, ruim zoo luttel als de kleinen, haar geweldt waaren ontwossen? Wat wist men hachlykers in eenen Staat, dan aan den adem eenes enklen persoons te hangen? Indien Elizabeth, om de behoudenis der welke God vuirighlyk te bidden was, haast haaren Ryke quaam' t' ontvallen, dreighd'er 't onderst niet booven te gaan? Voorwaar men moght het afmeeten, uit de wonderlyke ver anderingen, oovergekoomen aan Engelandt, zoo in den Godsdienst als anders, door 't ooverlyden der Kooningen. Maar, inzonderheit zouw 't 'er zuir uitzien, wen de Schotsche Kooningin, Rooms en Spaans gezint, en verbittert teegens 't oprechte geloof, tot de kroon quaame. Laaghe men in zulken geval, niet erbarmlyk en argher dan althans, met de zeilen voor de mast? Elizabeth zoud' ons wel liefst by ons zelve zien geregeert blyven; maar verstond dat wy een Hooft behoefden. Ende uit haaren voorslagh, van onze zaak in maatschappye met Vrankryk t' aanveirden, kon men schatten, oft zy zich recht op haar' eighe krachten betrouwde. Daarenteegens had de Prins, hooghloflyker gedachtenis, altyds geoordeelt, dat de veilighste toeverlaat op Vrankryk te stellen was. Geen' andre te gelyken by de hulpe van dien Kooning: 't waare dat men op de treflykheit, oft op de gereedtheit ooghde. Het stuiten van den wegh des toevoers, ten vyandt, had hy in zyn' handt. Hy zouw, op eenen sprong, de Vereenighde Landen ontlasten, trekkende 't oorlogh, uit hun ingewant, naa de Walsche gewesten: ten alderminste den Spanjaardt van de Hollandsche grenzen houden. Hy had, naar allen schyn, vermooghens genoegh, tot spoedighe en ge-
wenschte +voltooying des werx; oft, zoo de kans kribde, tot etlyke jaaren hardens: ende wen hy te booven stonde, men zaat' in eeuwighevreede. Verscheide nuttigheeden, van merklyk belang, zoude zyn Heerschappy ons aanbrengen. Elk wist hoe groote meenighte van bootsvolk hier t'huis behoorde; 't welk leedigh te laaten, geen oorbaar waar. Een goedt getal van dien kon hy onderhouden, en gebruiken op zyn' vlooten. Al 't geldt, besteedt aan de scheepsrusting, die veel kosten zouw, en ten deel by hem betaalt worden, had in 't landt te blyven. Om de oovermaatighe tollen, opgestelt in de Deensche Zond, tot naadeelder zeevaart, van hier naa Ooste, te doen afschaffen, zouw zyn' achtbaarheit voor al niet min gelden, dan eertyds het ontzigh des Hartoghen van Alva. Eenighen angde 't gevaar, dat, onder hem, de waare Godsdienst lyden zouw. Maar, hoe waar het te vermoeden, daar hy dien t' zynent toeliet, dat hy den zelven denken moghte hier te steuren? Onderwond' hy zich dies; het derde deel zyner onderzaaten, en de meeste Vorsten van zynen bloede, zouden'er zich teegens kanten. Op styver steun rustte 't oordeel der geenen, die, weetende wat reede van baat oft schaê by opperheeren woegh, zich beloofden, dat hy, mistrouwende den andren, d'Onroomsgezinden handthaaven, vorderen, en in de Majestraatschappen zouw beezighen. Jaa de belyders van 't oprechte geloof, in Vrankryk, verstonden, de vereening van dien Staat en den onzen de eenighe behoudenis van den Godsdienst te weezen. Zommighen vreezden, dat hy, neemende zynen slagh waar, onze steeden aan den vyandt zouw leeveren. Zoud' hy, broedende zulx in den boezem, geweighert hebben, de steeden van Sluys en Oostende, by voorraadt, aan te neemen? Zyne rondigheit in 't handelen kon men, aan dit staalken, speuren. En, zeeker, wat vreemds moest' hem lusten, ginge hy 't zyne willends wegh, en den Spanjaardt toe, werpen, en diens trouwlooze aanslaaghen, gesmeedt, in vollen payze, teegens de beste plaatsen van Provense, met zulk een' gunst vergelden. Maar booven deeze ongerymtheit,wat sloot het, dus vuil een gevoelen te hebben van zyne Majesteit, die zoo goedertier van aardt, en met veele Koninklyke deughden begaaft was? Zoud' hy niet schroomen, den glans dier afsteekende sieraaden, en den naam van Alderchristelyksten, met zoo lasterlyk en snood een' verraadery te bezwalken? Men vond 'er, die hier meê deunden; doch bekenden, dat hy 't, zonder voordeel daar uit te trekken, niet bestaan zouw. Dan hun speelde in 't hooft, dat hy wissel met Spanje moghte sluiten, en deeze landen aan 't Kooninkryk van Napels, oft aan 't Hartoghdoom van Milan, oft aan beide te zaamen, vermangelen. Grillighe spieg helingen. Wen schoon de inkoomsten van d'Italiaansche Heerlykyen grooter, dan die van Nederlandt waaren, de waardy der geleeghenheit scheelde veel. Milan en Napels laaghen den Spanjaard noch eenighszins ter handt, mits het gerief der zee, daar hy maghtigh was, en om zyn gezagh in Genoa. Het ryk der Franchoizen had nooit aan ginszyde der berghen lang gestaan. 'T winnen viel zwaar, verre van heim; noch zwaarder het bewaaren: en dit was, doorgaands, eenen yghelyke, maar voorneemlyk hun best gelukt, met aanklampen van gebuirvolken, oft inlyven van middellandsche: gelyk aan Guyenne, Normandye, Daufiné, Provense, Bretanje, bleek; waar by men ook Mets moghte stellen. Uitdyghing in 't ronde was de bondighste wasdoom. Kenlyke keur, derhalven, tussen Neêrlandt, dat aan hunnen drempel stiet, en Napels met Milan, van waar zy, etlyke hondert mylen en met de Alpen in den wegh, zaaten afgezondert. Wat blindtheit zoo byster, die hem, naa zulke proeven van beheerzaamheit der aangehechte leeden, eenigh der zelve kon doen verwerpen, om een ander, 't welk, hebbende geen' gemeenschap van zeenuwen met het hooft, naa zynen knik niet zouw luisteren? Andren zorghden voor verdrukking door zyn' grootheit. Maar, men zaaghe op de gemelde Landtschappen van Bretanje, Provense, en Daufiné; die, oover lang aan de kroon geknocht,
+by hunne vrydoomen gelaaten werden, ende met geene schatting belast, zonder daarin te bewillighen. Hadden wy ons niet de zelve billykheit toe te leggen? Dan gegeven, hy weeke van zyn' gewoonlyke woordtbetrachting, waar af d'Onroomschen zelf zoo loflyk getuighden; en viele in bekooring van ons heel onder zweep te hebben; hoe kreeghe hy 't daar toe, niet kunnende de groote, veel min al de steeden, met krysvolk proppen? Wanneer het ook schoon dus wyde gebraght waar, zoo zoud' hy echter geenen waarom weeten, die hem porren moghte tot pleeghing van het tiende deel der Spaansche tierannye: maar veel eer oorzaak hebben om de steeden in rykdoom te doen toeneemen: van welke zyne geneeghenheit Mets en Kaamerik roemden. De Spanjaards, daarenteeghen, dreighden ons wel wat anders, dan de enkle vryheit, naamelyk Godsdienst, hals en haave, te beneemen; en, onder zich, gelyk in Indië, de Landen omme te deelen: gemerkt wy hunnen Kooning zoo veel leeds hadden toegedreeven, zyne waapens ter neêr gesmeeten; en hem, voor vyandt, uitgeluidt. Daar was' er, die waanden, dat de Franchois noch van wil wankelde, gezwicht door eenighe bedeestheit, oft aanstoot in 't gemoedt. Dan, wat kon hem herhouden, dewyl hy wettelyk zouw gekooren worden, en de erffenis zyns broeders aanveirden? Ook had hy een' groote reekening oopen staan met Spanje, en niet weinigh te eischen, dat zyne voor zaaten en den hunnen, teeghens alle reedelykheit, ontrooft was. Daarenbooven verstonden de beste Godtgeleerden, jaa zelfs de Oudtvaaders, dat men genoeghzaame stoffe tot aanvank van oorlogh had, aan 't oovermaatigh groeyen van de mooghenheit der gebuiren: zynde dwingelandy zoo gruw zaam een ding, dat anxt van t'ondergebraght te worden, naar Godlyke en menschelyke rechten, alles ontschuldighde, wat yemandt, loopende dies gevaar, doen moghte om zich te hoeden. En wie twyfelde, oft de Fransois, naa 't vermeesteren deezer landen door den Spanjaardt, stonde ter genaade van hem, die alleen oover den ganschen Aardboodem zocht te heerschen. Maar, dat d' Allerchristelykste dit bezeffende, met heelen harte t'onswaarts helde, bleek van heeden oft gister niet. Want hy had wylen zynen broeder nooit belet zich met onze zaaken te moeyen; zyne kryswerving met goeden ooghe aangezien; lange en zwaare inleegheringen van dien gedooght, op eighen boodem. Jaa 't verding van Bordeaux was puurlyk gemaakt, ten opmerke van zyne maght, verlof, en verklaaring. De reedenen zynes schoorvoetens ten tyde van Anjou hielden nu op. Van duchten voor eenigh bezwaar uit zyn' aflyvigheit was 't zoo verre, dat men verwachtte zyn' plaats te zien bekleeden met den persoon des Koonings van Navarre, die zelf den gezuiverden Godsdienst oeffende. Dan, wat viel'er veel te raadtslaaghen, daar de noodt, die geen' ooverstemming leed, riep, dat men deezen wegh in moest? Geen ander om Brabant en Vlaandre te behouden: en hen te verlaaten, waare nocht voor God, nocht voor de werelt, te verantwoorden: gelyk ook nauwlyx, dat men, hebbende zich dus verre t'zee begeeven met zyne Majesteit, en van zelfs haar aangezocht om den handel, nu daar uit zoude vaaren: behalven dat zy, zich houden de gehoont, haare waapenen, neevens den Spanjaardt, teegens ons moghte wenden; die al te lichtlyk bevroeden konden, wat ons haar voorstandt of te vyandschap in de keer wilde scheelen. Onuit spreekelyken dank, buiten twyfel, had zyn' Doorluchtigheit, hooghloflyker gedachtenis, verdient; niet alleenlyk op Hollandt en Zeelandt, maar op al de gewesten: en zy zouden, eendraghtelyk, Prins Maurits t'hunnen Opperheere verheffen, waar hy maghtigh hente beschermen Maar d'ouwde Vorst zelf had het anders verstaan, oordeelende 't schip, zonder de Fransche hulpe, te moeten stranden, ende die kroon onz plechtanker te weezen. Zyne Majesteit had middel om den kinderen deughd te doen; hen met eenighen staat te beschenken; en de doodt des vaders te wreeken. Wen zich de landen verlost, en in veiligheit, zouden vinden, konden zy ook
+de genoote weldaaden, met eenighe belooning in gelde, erkennen: waar toe Brabant niet laaten wilde als dan zynen yver te toonen. Gewislyk, de wyze Willem, moght' hy opzien, zouw die van Hollandt, Zeelandt en Uitrecht, aan Vrankryk raaden: dewyl de Kooning weigherde de rest, zonder hun, t'aanveirden. Deeze reedenen, hoe bondigh zy ook scheenen, bleeven niet onbevochten. Graaf Maurits liet ze wel in haar' waarde: leeverde +nochtans den Staaten van Hollandt een vertoogh oover, 't welk hun te peinzen gaf, dat zy zich, in dit werk, niet dienden te verhaasten. Het erinnerde hun 't geen met wylen zyne Doorluchtigheit gedaadingt was, noopende 't beroepen der zelve t'hunnen Graave. 'T welk zy niet denken moesten opgehaalt te zyn, om den voortgank des Franschen handels te beletten, oft uit zorghe dat men de diensten zyns vaders in vergeetenis zouw stellen; maar ten einde hun geliefde, by de jeeghenwoordighe geleeghenheit, het stuk naader t'ooverleggen, en aan den Kooning voor te houden; zulx, door billyk inzight daar op genoomen, het Huis ontlast wierde van schulden, gemaakt om 't landt te bevryen; en de vruchten van den arbeidt zyns ooverleeden Hoofts, eenigher maate, genieten moghte. Die zich heftighst kantten teegens de zaak, ende niet zonder zucht met voorzight te mengen, waaren die van der Goude. 'T achterst zeiden zy eerst, aanmeldende hun besluit' naamelyk nemmer +te bewillighen, en laatende 't bescheidt van dien volghen, gelyk wy 't gaan verhaalen. Van 't al te hoogh heffen der noodt, dat het oogh des vernufts deed scheemeren, en by de bedrieghers voor een' konste gebeezight werd, had men zich ernstelyk te wachten; ook van den eeryver, die gemeinlyk eenen yder opruidde, tot doordryving zyns gevoelens te voore verklaart; ende 't vooroordeel, misschien alreeds gevelt op 't zelve, 't welk strekkende ten teegendeele, tot noch toe schier alleen ooverwooghen was, ter zyde té zetten. Dat'er maar drie weeghen tot einding des oorloghs waaren, 't ooverkoomen met Spanje, zich te beschermen met eighe waapenen, oft uitheemsche hulp in te haalen; stonden zy toe: bekenden ook den eersten ter slaavernye te leiden; den tweeden, naar menschlyk verstandt, en zonder Gods onvoorzienlyk handtreiken, nauwlyx gangbaar te vinden; in den derden, hoewel zorghlyk voor de vryheit, nochtans voorshands het minste quaadt te speuren. Maar, genoomen, gelyk d'eerste zich yslyk vertoonde, dat de derde niet oopen stonde, hoe waar het als dan te verantwoorden, dat men den tweeden niet inginge, waaghende lyf en goedt, voor zoo wightigh en rechtveirdigh een' zaake, eeven als men, neevens die van Zeelandt, gedaan had, tot in d'uiterste benauwtheit? Min zoud' het mannen betaamen, uit verylde wanhoop blindelinx toe te loopen, om te schuilen in den schoot, die nu aangezien voor een' burgh des heils, thans een' gevankenis vol ellenden zouw blyken. Want anxt, eer 't 'er op aan quaam, was, als ontstaan uit dwaasheit, verfoeilyker veel, dan versleeghenis in de jongste noodt, die ook de vroomen somtyds flauwmoedigh maakte. De Fransche maght, hoewel zeer gekneust door den inlandschen krygh, en gezwakt door de zwaare belastingen, hielden zy voor de beste en bequaamste, die den Lande gebeuren konde, tot spoedigh oprechting der vervalle zaaken. Maar, gelyk de sterkste artsenyen, wen ze teegens de gezondtheit wrochten, de schielykste doodt aanbraghten; alzoo zoude die grootheit ons, wen zy 't anders dan wel daar meê meende, allereerst oover rug werpen. Weshalven men niet zoo zeer, op de dapperheit des vermooghens, behoefde te letten, als op d'oprechtigheit der wille, waar af de werken 't zeekerste getuighenis gaaven. De Kooning, nu, droegh zich als yverigh Roomsgezint. Waare die Godsdienst hem ernst; zoo had hy nocht wil, nocht vryheit, om ter goede trouwe met ons te handelen: gemerkt hy, handthaavende den onzen, den zynen bestryden zouw: 't welk nem-
mer +te verwachten stond. Want, oft schoon de Vorsten, doorgaands luttel op 't stuk van gewisse pasten; zy volghden echter stips de uiterlyke sleur, in 't geloof van hun aangenoomen. Men braght by, hoe hy, in Pole, de Hervorm de oeffening gedooght had, en de zelve t'zynent noch jeeghenwoor delyk toeliet. Maar groot onder scheit oopenbaar de zich, tussen den voet, gehouden by hem in die gewesten, en den geenen, dien hy hier hadde te neemen. In Pole was de Roomsche Godsdienst van hem niet bevochten geweest; nocht ook 't Ryk van den Paus: de welke, ziende geen middel om de Landt zaat en t' zyner gehoorzaamheit te brengen, zich had moeten genoeghen met het enkel stellen van eenen Vorst aldaar, op hoope van alzoo eenigh voor deel te bejaaghen. Met gelyken toeverzight waaren in Vrankryk door noodt eenighe paishandels, gedooghende de Hervormde oeffening, met verlof van den Paus geslooten, om te zaayen 't geen hy op Sant Bartholomeus dagh gemaait had. Alzoo had de Kooning van Spanje de Gentsche vreede, toelaatende de gemelde oeffening beaangenaamt, onder uitgedrukte verklaaring van 't zelve te doen met dien verstande, ende voor vast gestelt, dat zy der Roomsche kerke zouw dienstigh weezen: van welken zin de Franchois, willende rondelyk met ons te werke gaan, verre wyken moeste. Voorts (indien afkoomst iet zeide) de Kooning was geteelt van Henrik den Tweeden, eenen grouwzaamen vervolgher, en van Katharina van de Medicis, wyf zonder weêrgaâ in dubbelheit en bedrogh; ook een broeder van Karel den Neeghenden, den moorddaadighsten die ooit regeerde. Hy zelf, geöeffent, van zyn' jeughd af, in deeze vyandtschap, had, als Ooverste des heirs ten tyde van zynen broeder, de meeste en wreedste aanslaaghen uitgevoert. Waar door, en om dat hy, van aardt en zeeden, den Italiaanen, en ooverzulx zyner Moeder op 't naaste geleek, hy altydt voor haaren liefsten zoone was geacht geweest, en opgetooghen tot de kroon, niet zonder zwaar vermoeden van vreemdt bedryf: al't welk genoegh aanwees, met wat hart hy onze zaaken omhelzen zouw. Daarenbooven zach y zich gehouden tot bouwing van den Roomschen Godsdienst en verdelghing des gezuiver den, uit krachte van 't verbondt eerstmaals opgerecht tussen zynen Vader en den Kooning van Spanje in den jaare achtenvyftigh; en daarnaa vernieuwt by zynen broeder; ende nu onlanx (zoo 't gerucht liep) by hem zelfs, nevens den Paus; en bevestight met zoo veel daaden, stukken, en hachlyke onderwindingen. Wat schyn doch, dat hy zyn' eere, eedt, en beloften, die, van deeze twee Vorsten, elkandre, tot noch toe, maar niet hunnen onderdaanen, gehouden waaren, zoude, ter liefde van ons, in den windt slaan? Onwaarschynlyker noch bleek het, dat de Koninginne Moeder, gebooren in Italië, uit Pauzelyken geslachte, naatuir lyke vyandin der zaake, die nochtans door haar voorneemlyk gedreeven werd, de zelve deughdelyk meenen moghte: zy, welke men, met recht, voor een' hooft konstenaares aller valscheit hield; voor den oorsprong van al de ellenden, oovergekoomen dien Ryke by haaren tydt; voor de schaadelykste, schalkste, gevaarlykste vrouwe, die ooit de aarde betrad; die, eindtlyk, van de stank haar der boosheit, de wyde werelt deed waaghen, en walghen. Wie, onder de zon, slecht genoegh om te gelooven, dat zy iet anders, dan onz' uiterste bederf brouwde? Om de geringste verdechtenis van gunste tot het Pausdoom, had men, gestaadelyk, zelfs luiden uit de Regeering gehouden, die anders met der daadt beweezen, dat zy de vryheit des vaaderlands beminden; zulx te duchten viel, dat veele kloeke en getrouwe persoonen zich, t'hunner onschuldt, gehoont hielden: en althans wilde men (wat dommer dooling?) het hooghste bewindt, en de maght oover 't geheel, den geene beveelen, die ons, met groote reede, moest, booven alle menschen, in 't oogh zyn. Liepe men nu daar zoo luchtigh oover heen; zoo had men, voorwaar, meenighen eerlyken, treflyken man, verongelykt; jaa onzen ganschen landaard, wiens trouwe, vroomheit, en eenvoudigheit, met de ou-
trouw, +onvroomheit, en beveinstheit der Franchoizen, op eenen dagh niet te noemen waaren. Maar genoomen, wy hadden niet genoegh om ons te spieghelen, aan onze geloofverwanten in Vrankryk; hoewel 't enkel gedenken der gruwelen, teegens hen gepleeght, meestendeels door den Kooning, alle door de Kooninginne Moeder, eenen yghelyke 't hair moghte doen te bergh staan; ten minste behoorde 't vervloekte voorneemen des Hartoghen van Anjou, teegens den persoon van zyne Vorstlyke Doorluchtigheit hooghloflyker gedachtenisse, teegens Antwerpen en de Vlaamsche steeden, ons een' eeuwighe leere te strekken. Zouden wy anderwerfs verzeilt op 't zelfste zandt, niet de spot aller volken verdienen? Het smaadigh afwyzen onzer Gezanten in Vrankryk; ende dat nu Pruneaux, tot stinkens toe, en zonder eenighe acht op de achtbaarheit zyns Meesters te neemen, ging flikflooyen, om ons te winnen, niet in 't gemein, maar van landt tot landt, stadt tot stadt, jaa persoon tot persoon; gaf, alwaar' 'er niet anders, wel argh te waanen. Dus een doen, zeeker, had geen zweemsel van eedelaardigheit, nocht eenighe lucht, oover zich, van Vorstelyke geur. Ook werd nooit yemandt schendigher bygebraght van eenen Franchois, dan wen hy, van heusche treeken, volst opschafte. Immers, dat aanzoeken, by deelen, meldde klaarlyk, dat men 't niet recht met ons voor had. Want, daar uit wilde scheuring volghen; die niet dienen kon, dan om toegang, aan den vyandt, te oopenen; dewyl den Kooning van Vrankryk geenszins geleeghen zouw vallen, 't ontleede landt in bescherming te neemen. Gissingen, geworpen op toekoomende dingen, die ons, door onlydzaamheit, in last, en door hoope van verlossing, werden ingebeeldt, moghten, in vastigheit, niet haalen, by een oordeel, gebouwt op zeekere wettenschap der voorleedene, waar uit men de aanstaande kon afneemen. Waaroover zy vertooners, ooverslaande, voor onnoodigh te beantwoorden, de behaaghlyke reedenen van beweeghenis zonder bewys, die men, zoo door den Heer van Pruneaux, als door de Brabanders en Vlaamingen, ook eensdeels door de Raaden, zagh voorgestelt; zouden doen blyken, dat de geene, die de sterkste middelen van aanporring scheenen, gansch maghteloos, en ongegrondt waaren. Noopende 't eerste; men beholp zich hier meê; Dat het oordeel van wylen zyn' Vorstlyke Doorluchtigheit behoorde te gelden. Dat de proef, die men had van de regeering zyner Majesteit oover haar onderzaaten, ons de zelfste billykheit beloofde. Dat alle Vorsten gewoon waaren, meer op geleeghenheit van Ryxverbreiding, dan op eighe beloften, te passen; en hunne vriendschap niet langer stond, als 'er oorzaak van steurnis voorviel, oft de wasdoom des eenen den andren deed omzien. Dat zyne Majesteit in veele deughden uitblonk, en haaren woorde groote maght gaf. Dat men den Hartoghe van Anjou, zyne dwaaling vergeeven moest, gelyk andren goeden Vorsten, die ook dikwyls gedoolt hadden. Dat zyne Majesteit, tot het begunstighen der inboorlingen, en 't vorderen der Onroomschen, zouw genoodight worden, door 't bemerken hoe zy de landen, teegens den Spanjaardt, quaalyk anders verzeekeren kon. En eindtlyk, dat men buiten alle zorgh zouw zyn, mits de schoonheit der aangeboode voorwaarden, en der geene, die men wyders bespreeken moghte. De Prins (bekenden zy) had bestaan, voor eenen van de wyste, kloekste, voorzightighste Vorsten der werelt; zulx men behoorde zynen raadt in zonderlinge waarde te houden; onaangezien dat ook niet kon gelooghent worden, den zelven, in Anjous toeleg, hoewel ten aller quaadste niet uitgevallen, bedrooghen te weezen. Maar zy wisten zich geenszins vroedt te maaken, dat hy ooit verstond, oft emmermeer verstaan zouw hebben, neevens d'andre gewesten, ook aan Vrankryk op te draaghen die van Hollandt en Zeelandt, altyds gehouden, van hem, tot een' veilighe wyk; niet uit staatzucht, oft eighe begeerlykheit, voor welke zy geloofden nooit plaats in zyn hart geweest te zyn; maar, om dat hy den Franchoizen de geheele zaak niet betrouwen dar-
de, +verklaarende, bywylen (zoo zy vernaamen) te twyfelen, oft zy ons, oft de Spanjaards dachten uit den neste te neemen. En daarom had zyn' Doorluchtigheit altyds zoo zorghvuldelyk getracht, Hollandt, Zeelandt, en Uitrecht te verzeekeren; en gemydt de zelve te vermengen met het werk van Vrankryk, oft van d'andre gewesten. Waar oover zy voor gewis hielden, dat men, om rechtzinnelyk den raadt zyner Doorluchtigheit te volghen, zich nemmer dien landtaardt onderwerpen moest. Te zwaar zoud' hun vallen, te oordeelen van de goede oft quaade regeeringe des Kooninx: doch zy lieten zich niet voor staan, dat men, uit zyn bestier tot noch toe, groote hoope van voordeel in onze zaake kon scheppen: gelyk zy, te voore, eensdeels hadden betoont. En 't geen daarteegens was bygebraght, bestond slechts in ydel vertrouwen. Dien van Rochel, naa zeeven oft acht felle aanvallen, en 't breeken van een goedt deel des Koninklyken geweldts of de wallen, was een wenschlyk verding ingewillight; ter geliefte, quansuis, van de Poolsche gezanten, om de eer te bewaaren; gemerkt de stadt, sint hun verzoek, noch drie oft vier stormen had afgestaan. In Poole was de gezuiverde Godsdienst geleeden: maar misschien zyn' grondtlyke meening niet ontdekt, mits de kortheit des tyds. Weeder gekoomen in Vrankryk, en tot de kroon, had hy strax niet pais met de Onroomschen gemaakt; maar eerst naa een driejaarigh oorlogh, 't langste van alle teegens hen; en als 'er veele wonderlyke treeken te werke gestelt, zyne kraften zeer gekrenkt waaren. De pais werd meede zoo trouwlyk niet onder houden, nochte de vryheit van den Godsdienst uit zoo goedt een harte gegunt; oft d'Onroomschen schuwden wel, in zulken getaale, en van zoodaanighe soorte te vergaaderen, dat het waardigh waare 't moorden, daaraan, op nieuw te beginnen. Ook moesten zy, by wylen, gedooghen, dat de oeffening hunner kerkzeeden wat raauwelyk gesteurt wierd. Men liet hun de steeden van borghtoght wel behouden, naa den tydt ter ooverleeveringe bestemt: maar de half uitgetooge zwaarden hadden nieuwe voorwaarden gemaakt. Met al 't welke echter, de Kooning van Navarre, al was hy eerste Vorst van den bloede, schoonbroeder des Kooninx, en wetlyk de naaste tot het Ryk, zich noch, te dier uure, van zyn' vriendschap niet darde verzeekren. En, hoewel de aangewonne landtschappen zich niet zoo zeer van goedt onthaal konden bedanken, dat wy diesgelyk hoefden te wenschen; zoo stond, nochtans, volken, die men voor nieulyx t'ondergebraghte zouw houden, geenszins 't zelve te verwachten, dat den geenen gebeurde, die, meer dan hondert jaaren, der kroone waaren ingelyft geweest: aangezien nooit landtaardt ter werelt, met versch verooverde gewesten, darteler omsprong, dan de Fransche: waar af, niet alleen Sicilie, Napels, en Milan, maar onze eighe steeden, in Vlaandre, die de Hartogh van Anjou had onder gehadt, wisten te spreeken. Kenners van den inborst der Grooten moghten meest, tot toestanding der zaake beweeght worden, door 't ooverdenken, hoe alle Opperheeren gewoon waaren, zonder op voorighe verbintenissen te passen, zich onderling geen' beloften langer te houden, dan tot dat den eene geleeghenheit voorviel, om den andre eenigh achtbaar voordeel af te zien; inzonderheit, als de maght des eenen te zeer scheen toe te neemen, oft wen zy zich geterght vonden. Maar dat gemein gevoelen zouw, huns bedunkens, hier zyne plaats verliezen, indien men, met ernst, op de gesteltenis der dingen wilde letten. 'De erfkrygh, tussen de Huizen van Valois en Borgonje, die, in meer dan hondert en tzeeventigh jaar en, door geenerley verding oft verbintenis, recht had kunnen ter neêr geleidt worden, t'elkenmaale weeder ylinx verryzende; was ten laaste gevelt, ende nu zoo lang onder gehouden, door heevigher haat, gevat, by de Koningen van Vrankryk en Spanje, teegens 't waare geloof. En deeze vyandt schap, eighentlyke grondt des verdrags van 't jaar vyftienhondert achtenvyftigh, was maghtigh geweest, de twee geboore doodtvyanden te verzoenen; en hen, teegens
+aller menschen meening, hunne aangeërfde vlammende toghtigheit, naa elkanders landt en leeven, te lesschen; en aan eenen kant te doen zetten zoo veele eischen, weederzydelinx voorgewendt, en genoeghzaam om een' eeuwighe veete te voeden. Zy hadden nu zoo ruim eenen tydt, niet alleen vaste vreede, maar vriendtschap gehouden, en bewys daar af gedaan, laatende de schoone kanscn verloopen, die hun immiddels gebeurt waaren, om elkandren van 't gansche Ryk tc berooven, en biedende, d'een den andre, treflyken bystandt. Hoe konde doch, die al dit rypelyk ooverleidde, zich inbeelden dat nu de Franchois waare om eenen nieuwen gang te neemen? Hoe zoud' het hum doenlyk vallen, de bitterheit, ingezooghen, van zyn' kindsheit af, teegens den gezuiverden Godsdienst, uit zyn' adren te spoelen? Had het den Spanjaardt, in de jaaren vierentsestigh en achtensestigh, toen zyne maght onbelemmert, de Fransche gesplitst, geknakt, door 't inlandsch oorlogh, en in kindsche handen, was, anders dan aan wil gefaalt, om zyn' klaauwen in die kroon te slaan, en haar aan de zyne te klampen? Waande men, dat de Kooning van Vrankryk nu eerst bevroedde, dat hum de Heerschappy deezer landen oopen stond? Zoud' hy niet gemakkelyk daaraan hebben kunnen raaken, in de jaaren achtentzeeventigh en neeghenentzeeventigh, tachtigh en eenentachtigh, toen zy in hun geheel waaren, en de Koning van Spanje ganschelyk uitgeslooten? Zoo de staatzucht sterker, op dat pas, geweest waare, dan de haat teegens onze zaak, zoud hy Anjou met ons hebben laaten handelen? Oft, indien hy onder 's Hartoghen naam geschuilt hadde, zouden de dingen te flaauwlyk zyn gedreeven geweest, om ons buiten achterdenken van tzaamenspeeling te houden? Voorwaar zy hadden maar al te veel blyx gegeeven van hunne eendraght, en weederzydighe getrouwigheit, in den toeleg om ons, en alle handthaavers van 't zelfste stuk, te vernielen: en men moght zich wel verzeekeren, dat de Vorsten, indien zy emmer hun woordt betrachtten, het elkandren hielden; maar nemmer hunnen onderzaaten. Hy maakte zich droomen diets, die peinsde, dat den Koning van Vrankryk het oorlogh teegens dien van Spanje ter harte ging. Zy verstonden zich onderling, en trokken eene lyn. Kon iemandt gelooven, dat de Franchois het oevel had voor gehadt teegens den Spanjaardt, als Graaf Lodewyk van Nassau, uit raadt en last diens Kooninx, Berghen in Heenegouw, en Valenchien ooverraschte; zyne Doorluchtigheit hooghloflyker gedachtenisse, by onderstandt der zelve Majesteit, dat geweldighe heir te velde braght; en de Fransche waapenen, onder den Heer van Genlis, in dien oordt quaamen blikkeren; oft, als Don Antonio, Kooning van Portugal, in Vrankryk den bystandt van scheepsrusting verworf; oft, als de Hartogh van Anjou zich, in Brabant en Vlaandre, liet hulden? Gewislyk, aan den dagh van Sant Bartholomeus, de neêrlaagh van Genlis, het uitvallen des werx van Terçera, de proef gedaan op Antwerpen, het ooverleevren van Duinkerke, had men genoegh kunnen speuren, hoe ernstigh zy de zaak meenden, zonder elkandre, in gestaadigheit van trouw, te bezwyken. Desgelyx hadden ook de voorgestelde aanslaaghen op Provense en Languedok de vriendtschap niet kunnen scheuren: ende zoo men zich dieper te deezen handel liet' inleiden, daar wilde niet anders afkoomen, dan aanwas der zelve. Men scheen wel geschaapen, geen' beschuldighing van oovermaatigh mistrouwen t'ontgaan, vermoedende dat zyne Majesteit zich emmer met zoo vuil een' snoodtheit zouw bezoedelen, als, eenvolk, dat zich goedwillighlyk in haar armen quaame werpen, te verraaden. Maar, waare zulx niet beeter te verantwoorden, dan ons dochte ten eersten aanzien? Men ooverwoeghe eens, welk van beiden haar de meeste schande zouw schynen, by andre Mooghentheeden; ons, oft den Spanjaardt (want een van tween moeste weezen) te bedrieghen. Aan den Kooning van Spanje vond zy zich (gelyk gezeidt was) door bewys van groote trouw, treflyken bystandt, eere, en eedt, verbonden.
+Konde zy leelyker laster begaan, dan met zulk een' trouweloosheit, als hum zyn' erflanden afhandigh te maaken, en een eeuwigh oorloght' aanveirden, teegens den geenen, die haar haare kroon had helpen behouden, toen' er zoo schoone geleegentheeden oopen stonden, om ze haar van 't hooft te rukken? Ten teegendeele, wen zy ons de part speelde, (waar af minder wraak te vreezen stond) konde zy zich niet verdaadighen, met de uit spraak van 't Concilie van Constans, dat men den ketteren geen' trouw behoort te houden? Zoude des niet onz' eighe dwaasheit de wyte draaghen, dat wy, wel weetende, hoe zyne Majesteit, aan strydend geloof, door strydend verbondt, met strydenden eedt, verknocht was, haar geverght hadden onze parthy voor te staan? Waar 't niet onze rechte loon, verraaden te worden, van den geenen, die wy pooghden, teegens zyn' eer en eedt, tot verraadt te bekooren? Zeeker, 't gemein gebruik braght zulx meede: wy hadden 't ook, van onzer zyde, gepleeght; en 't zelve van onze bond