+ONder Antwerpens en der vereenighde Neederlanden +gemeene benauwtheit, waaghde Spanje van feest en blydschap: besteedende de Kooning zyn' jongste dochter Katharina, gewonnen by Izabella van Valois, aan Kaarel Emanuel, Hartogh van Savoye; met toevoorzight, van dat Vorstendoom, tot een' eeuwigen voorburgh des Milaanschen Staats, teeghens der Fransoyzen aanval, te maaken; en zich die poort, naa 't Graafschap van Borgonje, oopen te houden. De trouwing werd, met groote praal, den elfden van Lentemaant, tot Saragossa, gepleeght, en den Bruidegoome de tytel van Stadthouder zyner Majesteit, door gansch Italie, ten huwelyk +gegeeven. Ter zelve tydt liet Graaf Willem Lodewyk van Nassau eenen inval tot de Marne doen, om de landtzaaten tot betaalen van schatting aan d'Algemeenschap te praamen. Dan de Kooningschen, hebbende verscheide schansen, in en heinde by dien oordt, verzaamden ter yl; benoodighden 't Vriesche volk naa de scheepen te wyken. Een soldaat, waanende in vyanden landt alles vry te staan, werd, door Graaf Willem, uit zaake van vrouwekraft, ter galghe verweezen. In Hollandt begosten nu etlyke luiden, welke, als verdechtight, men van verscheide plaatsen had doen vertrekken, hunne ooren vermeetelyk op te steeken: en die van andre te noopen, met scherpe reedenen, teeghens hooghe en laaghe Ooverheit. Waar oover men aldaar, den zeeventienden in Grasmaant, allen, die t'eenigher steede der vereenighde gewesten +uitgeleidt oft uitgezeidt waaren, by plakkaat beval, binnen vier daaghen naa d'afkundighing, 't Landt te ruimen, zonder weeder daar in te keeren, dan met uitgedrukt verlof der Staaten; op peene van vyandtlyk ransoen en eeuwighen ban. In 't eerste van Bloeymaant, gaaven ontrent veertigh knechten van Koen van Steenwyk het Huis te Rechtere, by +Zwol, aan Taxis oover, laatende hun vendel en halsgeweer achter. Graaf Willem, daarenteeghens, won, met vier stukken geschuts, en zeevenhondert mann', booven vyfhondert, die Sonoy hem aanbraght, de sterkten te Slykenburgh en Oldemarkt, beide zulkx geleeghen, dat Verdugo, daar meede, de Zeevenwolden, en andre gebuurplaatsen, onder zwaare brandtschatting gehouden had. Aan Taxis weeder, werd, naa eenighe daaghen belegs, 't Huys te Schuilenburgh oovergeleevert, by afweezen des Hopmans; +hoewel de bezettelingen, zoo men zeide, zich noch met lyftoght voor zes maanden, voorzien vonden. Zeeker, een deel der zelve bleef by den vyandt: een deel begaf zich naa 't Graafschap van Benthem: zommighe nochtans naa Slykenburgh. Maar de Graaf van Nieuwenaar, als gemaghtight door Truxes, verdreeven Keurvorst van Kolen, om in dat Sticht
+yetwes aan te vangen, vergaaderde, onder anderen schyn, uit de naaste bezettinghen, zeevenhondert ruiters, met ontrent half zoo veel knechten, by Weezel: en braght ze, in den naanacht voor den tienden van Bloeymaant, onder Nuis. 'T was 'er jaarmarkt, en derhalven vol van vreemde gasten: waar onder hy veele soldaaten, in burghers- en kraamers kleederen, had doen binnen slippen. Deeze, hoorende twee mosketscheuten, spatten, op die leuze, t'hunnen herberghen uit; steeken 't vuur in zeeker huis, loopen, met reedschap, genoomen uit een' smitswinkel, naa twee poorten; en vallen aan 't breeken: gelyk ook die van buiten. Teffens heffen daar al de trompetten en trommen aan, en beklimt men de veste aan de Rynzyde, daar d'ouwde muur neêrgeworpen +was, de nieuwe niet volbouwt. Voorts raakten de deuren aan stukken, en zoo 't voet- als 't paardevolk ter stadt in, en tot op de markt, eer de burghers, die geweighert hadden bezetting van den regeerenden Keurvorst in te neemen, de kettingen, daar gemaakt aan alle straathoeken in 't begin des oorloghs, konnen spannen, oft zich by een voeghen. Dies bleeven'er, booven dertien oft veertien niet doodt. Maar wien 't faalde 't ontkoomen met zich oover de wallen te werpen, werd gevangen en op ransoen gestelt: de stadt geplondert met bedryf van grooten moedwil en vuile dartelheit: en de roof was te ryker, mits 't getyde der jaarmarkt. De Graaf liet daar orde tot sterking der vesten, en den dapperen Hopman Harman Frederik Kloet, tot Ooverste eener bezettinge van ontrent duizent mann', die 't den ganschen Stichte van Kolen, meer dan een jaar lang, met stroopen en brandschatten zeer zuur maakten. Wy hebben voor deezen vermelt, om wat oorzaaken Marten Schenk van Niddeghem, verlaatende der Staaten zyde, tot de Spaansche was oovergegaan. Dees, ziende, zoo hem docht, zyn' diensten, en de schaaden daar in geleeden, luttel erkent en vergolden; want hy had tweemaals, gevangen zynde by de Staatschen, grof ransoen moeten opbrengen, zonder dat men hem daar toe veel te baate quam; oft zorghende 't pleit te verliezen, dat een zyner maaghen, om 't Huis te Blyenbeek, teeghens hem voor zeekere rechters, gemaghtight van Parma, voerde; trad, met Nieuwenaar, in heimelyke handeling, oover wisselen van party. Zynde +'t werk genoeghzaam ryp, quam hy, verzelschapt met vyf paarden, een uur naa middernacht voor den twintighsten van Bloeymaant, binnen Gelder; en maakte den koop klaar, met heere Johan Hoorenkens en den voornoemden Graave, van weeghe des Keurvorsten Truxes en der Algemeine Staaten. De voorwaarden hielden, dat hy zyn Slot Blyenbeek, en zeekre schans daar ontrent, hadde oover te leeveren; om voorzien te worden met een Veldmaarschalkschap, oft ander krysampt naa de soort zyns persoons; en dat hem d'Algemeine Staaten behoorlyk wedde zouden toevoeghen: Dit begrootte daarnaa de Raadt der Regeeringe aan de oostzyde van de Maaz, op twaalfhondert en vyftigh guldens ter maant. Waar op hy den last van Steêhouder des Graaven aanveirdde. Zyn' burg te Blyenbeek, en inkoomsten aldaar, geschat op vierduizent gulden jaarlyks, zoude men hem vergoeden, met eenigh Huis en inkoomsten van gelyke waarde, in Hollandt oft Zeelandt. Doch dit stelde men uit tot bequaamer geleeghenheit, en hem immiddels te vreeden met vierduizent gulden jaarlyx te haalen van den Algemeinen Ontfanger der Landtschappen. Hy, hebbende 't verdragh geslooten, keerde weeder +by nacht, naa Blyenbeek; maakte des en der gedachte schanse de Staaten maghtigh; ende nam noch, voor 't uitgaan der zelfste maant, het Slot Ooverasselt in, by de stadt Graave. In 't midde van Zoomermaant, braght Taxis, op onthiet van Verdugo, zeshondert ruiters en dui-
zent +knechten, die tussen veertigh waaghens gingen; alle uitgeleeze krysluiden, op de Veeluw: en getooghen, op den eenentwintighsten, verby Arnhem, naa 't Sticht van Uitrecht, leegherde zich tot Wouwenbergh. De Graaf van Nieuwenaar, de Heer van Villers, en Marten Schenk, maakten zich teeghens hem op, met vast eeven veel paarden, en zeevenhondert man te voet. Zy huisden zich tot Ameronge, op twee mylen naa aan den vyandt: van waar Villers den Staaten van Uitrecht aanschreef, hoe hy verkundschapt was, dat Taxis meinde, zich meester van Vreeswyk, doorgaands genaamt de Vaart, en daar een schans, te maaken. 'S andren daaghs, drieëntwintighsten der maant, verscheen Taxis by Ameronge, met al zyn ruiters: uitgezeidt twee kornetten sterk hondert en vyftigh mann', volghende met zyn' voetvolk, dat noch een uur gaans achter was. De Staatschen, dien 't aan geen tydt om het dorp te bewallen ontbrooken had, en als noch raadzaamst was zich binnen te houden, rukken, misschien verwittight van de gedeeltheit zyner kraften, hem flux te +gemoet. Nocht deeze, nocht die party, voorzagh zich met eenighe troep van toeverlaat: maar men viel aan met alle vaanen teffens. Zy sloopten elke de schaaren der andre, raakten alzoo beide in verbystering, en rotsten gemengelt schermutselinx oover de heide. Het voetvolk, hebbende geen weederwerk, stond leedigh, en keek het aan. Men pooghde niet eens te herzaamen, om op nieuws, met klem, te treffen: en de zeeghe neegh noch nerghenswaarts: als de rest der soldaatye van Taxis begon 't hooft booven de heuvelen te steeken. Daar storten de hondert vyftigh frissche en welgesloote paarden, aangevoert door Oswaldt en Harman, jonge Graaven van den Berghe op 't Staatsche rosvolk; 't welk mat, en reeds verstrooyt, terstondt wegh stoof, en 't veldt ruimde. Toen werdt +het der knechten beurt. Deeze, inzonderheit een klit van driehondert mann', onder Schenk, stellen zich stoutelyk ter weere: en, merkende de kleene kans tot ontloopen, dachten, ten minste niet ongewrooke uit het leeven te scheiden: maar zynde verlaaten van hunne, en omringt van 's Koonings ruiters, werden haast ooverrompelt, en meest alle gevelt oft gevangen. Nieuwenaar ontrund' het, met zyn' dertienen, en raakte binnen Aamersvoort. Schenk berghde zich tot Wyk. Villers, van den paarde geworpen, met een' wonde in 't hooft, viel in handen des vyandts; die, voorwendende dat hy eertydts in 't ooverleeveren van 't steedeken Bouchain, ter quaader trouwe gehandelt had, hem dreighde aan den lyve te straffen, ende niet dan traaghlyk, voor hoogh ransoen, en by verwisseling van andren, ontslaakte. Onder de verslaaghenen, welker getal onzeeker was, vonden de Graaven van den Berghe eenen, zeer gelykende Roelof van Lennep, die, onder de Staaten, en meede oover 't afzetten van hunnen vaader Graaf Willem, gezeeten had. Ontsteeken van toorn, zochten ze hunnen moedt te koelen, met houwen en kerven in dit lyk: maar schaamden zich des naamaals, hoorende dat Lennep noch leefde, en loegh. De maare deezer neêrlaaghe baarde maghtighen schrik: hebbende 't meeste deel der kleene grenzsteeden geen bezetting in; Uitrecht slechts eenighe ruiters; de Staaten van Hollandt weinigh krysvolk by der handt, zoo dat zelfs voor eenen inval te dien geweste gezorght werd. Men voorzagh dan, op 't spoedighste, het dorp Vreezwyk, met hondert +vyftigh knechten, gehaalt van Amsterdam; en begon het met grooten yver te beschansen; roerende Schenk zelfs de schup, om den soldaat willigh te maaken, die den ganschen nacht oover wracht. Die van Uitrecht zonden hondert en tachtentigh mann' derwaarts; te weeten uit elk rot hunner burgherye eenen, die yder de vrye kost en tien stuivers 's daaghs genooten. Men oopende de sluizen aan de Vaart, en liet het laaghe landt
+onder loopen: leide etlyke ruiters tot Jutfaas, en brak'er de brug af. Tot Naarde waaren hondert en vyftigh, tot Weesop vyftigh, Zwol hondert Amsterdamsche soldaaten. De vluchtelingen werden ter yl verzaamelt, en naa d'omleggende steeden, Aamersvoort, Wyk, Rheenen, geschikt. De Kooningschen, kennende, zoo 't scheen, zich te zwak tot dieper intoght, oft aantasting van vastigheeden, en genoegende met het platte landt te brandtschatten, toefden twee daaghen t'Ameronge, begroeven hunne dooden, plonderden de Staatsche; en, laatende die op het veldt, naamen hunnen wegh naa 't dorp Houten, een' myl van Uitrecht. Zy staaken noch dien aavondt den brandt in twee wooningen aan de brug van Jutfaas. Het Vrouwenklooster by de Bilt, ten einde der steenstraat, leiden die van Uitrecht zelf aan koolen, op dat 'er Taxis niet nestelde. +Die scheidde, op den naastlesten der maant, uit Houten; rustte des nachts tot Nieuwkerk: van waar hy, ten volghenden daaghe, weeder naa Zutven keerde, gelaaden met buit, en hebbende daarenbooven al de dorpen van 't Sticht onder verding gebraght. Dit was de vrucht der zeeghe, indien wy Bor gelooven: want Eeverhart van Reid wil, dat de huisluiden al te vooren op brandtschatting zaaten; en dit gevecht, buiten nooddwang en hoope van voordeel, uit puure groenigheit van glooryzucht geschiedt zy. In deeze daaghen werdt Graaf Willem van Nassau tot een' aanslagh op Grooninge geport, door eenen Roelof Keetel, eertyds, zoo 't schynt, daar uit gebannen geweest. Want, dat hy, hoewel andren hem een' ballingh noemen, daar toen vryelyk verkeerde, blykt uit het +naavolghende. Hy gaf aan, hoe een kleen getal koene borsten ter sluik daar in te zenden, lichtelyk zeekre poort, daar slappe wacht was, zoude kunnen vermeesteren, en eenen hoop volx, die daar op passen moest, door laaten. Zyn Genaade, ooverweeghende 't stuk met den voorsteller en twee anderen, speurde 't zelve zeer splinterigh, en vertoonde dat het haaperen zouw. Maar Keetel, ooverheet in zynen toeleg, maakte alle schorrigheit glad, en erbood eighen hals te waaghen: men zoud' hem slechs hulpers byzetten. Hebbende dit doorgedrongen, begeeft hy zich in de stadt; en neevens hem, onder koopmans gewaadt en verschilderde trooni, Onno van Eusum, een zeer stout jongelingh, en meede, als een Ommelander, gebeeten van haat op de Grooningers; ook Kryn de Blaauwe, naabootsende eenen waagenaar, en Roelof van Schouwenburgh, een Lyflander; voorts noch twaalf anderen, dien men diedsch maakte, dat het met alles maar aangezien was op 't betrappen van zeekeren ryken koopman, gewoon buiten de poorte te wandelen, van wiens ransoen zy meede genieten zouden. Teeghens den bestemden tydt, past de Graaf, met vyftienhondert mann' in de Drenthe te weezen. Ende, naardien hem geen' andre baan oopen stond, dan, binnen scheuts, verby de schans Noorich, bezet met zeeventigh knechten, tot een voorwacht van Grooninge; zoo stelt hy 's nachts een laagh toe, en gebiedt den soldaaten, verhoolen te blyven tot 's morghens te neeghen oft tien uuren; als dan de koeyen wegh te dryven: op dat de steedelingen, hoorende, naa 't geschrey oover 't rooven der beesten, weeder van vyandt (want hy dacht ten zelven middaaghe, de gansche troep verby te mennen) zich voorstaan lieten, dat het al 't zelve werk waare. Maar een boer, gaande by geval oover 't veldt, werd der laaghe gewaar, en maakte ze kundigh op Nienoordt. Dies trekt Hopman Henrik van Delde, met eenigh volk daar af, om de laaghelinghen t'oovervallen, bejeeghent juist den grooten hoop; zulx hy, ter nauwe noodt zich binnen Noorich berghde. De Graaf, strax, omvangt de vesting met hondert mann'; zoo dat'er niemandt uit moght, om die van Grooninge te verwittighen. Thans, mer-
kende +dat etlyke soldaaten onder 't blokhuis, liepen schermutsen, zeindt hy, om de zelve af te haalen, eenen serjant, die, de meening quaalyk vattende, al 't volk, dat rondom den wal stond, te rug braght. Waar oover Henrik van Delde, ziende zyn oopen, flux te paarde naa Grooninge joegh. Dies hield Graaf Willem, die 't aanschouwde, den aanslagh +voor bedorven; en liet de benden rusten, om weeder te keeren. Aan den avondt, quaamen, met schryven dat de Grooningers op hunne hoede waaren, twee soldaaten, afgestuurt door Keetel, uit der stadt. Deeze, moetende door 's vyands vesting te Ponterbrugge, raakten onbelet voort, met veinzen dat ze van de zelfste party waaren, en op kundschap uitgingen. Dan de Bevelsman, alzoo zy recht toe traaden naa de Staatschen, waar voor hy hen gewaarschuwt had, deed ze achterhaalen, en, met den gevonden brief, naa Grooninge brengen. Die de poort zouden verkracht hebben, scheidden, als de zaak ruchtbaar werd, uit de stadt; en rieden Keetel, die hen een stuk weeghs geleidde, hun voorts gezelschap te houden. 'T welk de reukelooze mensch afsloegh, zich verlaatende op de goede kennis, die hy binnen had, en waanende dat niemandt yet arghs op hem vermoedde. Onder 't schryven, den twee soldaaten afgenoomen, stond geen naam: ook had het hun Keetel zelf niet behandight: zoo dat in 't gros, wel klaarlyk bleek van 't bestek, maar niet altoos van diens beleider oft omstandigheeden. En deeze waaren met geen' paley uit de gevangens te trekken, die zelve niet beeter wisten, dan dat men hun had meê getroont om eenen koopman op te grypen. Waar oover zy, oft schoon Verdugo, van ongedult, het pynighen deed hervatten en scherpen, by die belydenis bleeven. Eintlyk sprak de Burghermeester Joachim Ubbena Keetel alleen aan, en ontfouwd' hem dat hy veelen in 't oogh was. Keetel, nochtans, paaid' hem, dat pas, met praaten: en raakte, onder handttasting op enkle beloften van zich te zullen zuiveren, zyns ontslaaghen. Maar, hebbende, daar het ten minste nu tydt was om op te waaken, +zich te slaapen geleidt, werd hy 's nachts uit den bedde gelicht: voorts gefoltert, tot beken gebraght, onthooft, en gevierendeelt. De twee briefbrengers, die Verdugo gedacht had met de strop te doen straffen, schold hy met geesselen quyt, op voorbeede der burgheren. Graaf Willem, 't zy hem jammerde om hals en haave te laaten koomen, menschen zoo mildt daar meê, dat zy ze, ter gunste van zyn party, willighlyk in 't uiterste gevaar stelden; oft oordeelde, tot uitvoeren eens aanslaghs by meedewerking van ingezeetenen, dubbel geluk te behoeven; behalven dat dikwyls dubbelheit in hunnen handel vernoomen wort; wilde sint nooit op verstandt met binnenluiden bouwen: maar beholp zich, wen de geleeghenheit +lokte, met andre vonden van kryslist. Wyders, naa 't keeren der kanse op den Kouwesteinschen dyk, vertrok de Graaf van Hoohenlo terstondt uit Antwerpen; raakte behouden binnen Berghen op Zoom, en voorts in de vloote by Lillo. Op zyn vertrek vermaand' hy de regeerders, met zeer milde beloften, tot volharding. Zoo deeden ook, by schryven van den neeghenentwintighsten in Zoomermaant, de Hollandtsche Staaten, verzoekende, dat hun geliefde, den voornoemden Graave, by een brief in syfer, te laaten weeten, hoe lang zy meinden de gemeente, in moed, geduldt, en trouwe, noch te mooghen onderhouden. +Maar, korts daarnaa, verlooren zy de Boereschans, en daar meê de laatste hoope van yets te verrichten tot krenking der brugge: zynde dit blokhuis het naaste daar aan, en geen ander welgeleeghen om vuurwerken af te stuuren; gelyk men toen weeder voorhad. Meeteren schynt aan te wyzen dat het instorte, onderkabbelt van 't waater: naa 't zeggen van Bor, werd het oovergegeeven van zeekre Schotten, die hun geweer, in 't vlieden
+van den Kouwesteinschen dyk, verworpen hadden; en verklaart, als men hun, ten aanstaan van den Kornel Balfour eenighe roers toeschikte, zich daar af niet te kunnen dienen. In de mismoedigheit, hier door veroorzaakt, +quaamen de geenen, dien de zorgh oover de lyftoght bevoolen was, der Majestraat aangeeven, hoe 't daar meê zoo soober stond, dat men, wierd'er niet in voorzien, zeer haast tot bystre wanorde vervallen zouw, mits de meenighte van inwoonders en zonderling van armen, +die 't Gasthuis voeden moest. Dit braght de standtvastigheit van de Wethouders aan 't waggelen, en raading tot handel met den vyandt voort. Aldegonde, hier op, stelde zich niet anders aan, dan oft' men zyn' ooren +met zulk uitslaan bezoedelt hadde, en verfoeid' het ten hooghste, zeggende liever alles oover zich te zullen laaten gaan, dan daar in te bewillighen. Maar men dreef hem en zynen aanhangeren toe, dat zy zich, aan 't verderf van bet dan tachtentigh duizent menschen, gingen schuldigh maaken, en 't zelve nemmer, voor Godt oft de werelt, zouden kunnen +verantwoorden: ende dat hy, uit krachte van zynen eedt, gehouden was, de meeste stemmen, niet enkelyk zyn hooft, te volghen. Immers zoo groote moeite had hy met de gilden. Deeze begosten nu ongewoonlyke vergadringen te houden, die hy, passende daar in te verschynen, twee-oft driemaals, met onderwyzen, met dreighen, met belooven +van tydtlyk genoegh teeghens d'ingebeelde noodt te voorzien, belette, yets ooverhaastighs te besluiten. Echter vervorderden ze zich, eer lang, der Majestraat, by verzoekschrift, aan te kundighen, dat men hun oopening van middelen tot behoudenis der stadt hadde te doen, oft op onderhandeling te denken. Waar oover d'ouwde paisverzoekers de ooren weeder opstaaken, spreekende ten tanden uit, en rottende t'zaamen, +zonder eenigh ontzigh. Men besloot nochtans op den laatsten van Bloeymaant, ten ernstighen aanstaan van Aldegonde, eerst, van plaats tot plaats aan alle oorden, scherpelyk naa te speuren, wat'er van broodt, oft stoffe om het te bakken, noch moghte ooverschieten: maar vernam dat'er veel meer koorens ontbrak, dan reedelyker wyze verteert kon zyn sint +de eerste onderzoeking, slechts twee maanden te voore gedaan: en vieroft vyventachtigh duizent monden niet broods genoegh, voor vyf weeken, zouden hebben, zoo elk een pont 's daaghs toegeleidt wierde. Doch in de brouweryen (oft schoon yder had moeten zweeren niet van zulx te zullen verhoolen houden) achterhaalde men naaderhandt noch eenigh meel en mout. Ten zelven daaghe werd ook verstaan, te doen bezoeken door eenighe bezondre persoonen, op dat de stadt nocht wyte nocht weigering droeghe, oft de Landtvooghdt zouw naa een algemein verdragh, met toelaating van den gezuiverden Godsdienst, willen luisteren. En Aldegonde, om den volke 't oogh te vullen, bewillighde niet alleen daar in, maar erbood zich ook, uit eighen naame aan Parma te schryven: gelyk hy deed, naa gesprek daar af met zeekre gemaghtighde der regeeringe, en de Kornellen, zonder meer. In den brief, vol ootmoedigh smeekens, verklaard' hy, Nooit van gevoelen geweest te zyn, dat den onderzaaten vry stond, zich, om geloofszaaken, teeghens zyn' Ooverheit te waapenen. +'T welk hem naamaals quaalyk afgenoomen werd: hoewel 'er bygevoeght was, Dat, naa 't aanveirden des geschils door de Staaten en Landtvooghden, tot bescherming ter t'onrecht verdrukte gemeente, hy, zich vindende wettelyk beroepen, 't stuk ten hooghste behartight had. Voorts bad hy, Dat hem vergunt wierde, met de Hollanders en Zeeuwen te handelen, in kloeke hoope, van de Bondtgenooten, oft immers het meeste deel der zelve, tot weederkeeren onder de gehoorzaamheit des Koonings en zyner Hoogheit, te beweeghen, indien hun billyke voorwaarden gebeuren moghten, en eeni-
ghe +vryheit van Godsdienst, alwaar' het slechts tot dat men quaame een' vergaaderinge der algemeine oft der Neederlandsche kerken te houden. Door welke genaade zyn' Hoogheit meenighte van harten zouw verooveren. Een des vyands tromslaagher, in stadt gekoomen om andre boodschap, +nam aan, deezen brief zynen Veldtheere te behandighen. Doch, 't zy hy dat naaliet, gelyk Aldegonde naamaals bericht werd, oft dat Farneeze zich niet gewaardighde dien te beantwoorden, daar quam geen bescheidt +op. Dies deed men eenen andren instellen, aan den Raadshooftman Richardot, door eenen Jan van Damme. Die meldde enkelyk, dat hy heimelyk met den Heere van Sant Aldegonde gesprooken had, en hem genoeghzaam +tot verdragh geneegen vond, wilde men goede voorwaarden geeven. Van den Godsdienst, oft bewillighing der Bondtgenooten, geen vermaan. Hierop kreegh men haast een heusch antwoordt. Veelen meenden, men behoorde dit den Breeden Raade bekent te maaken. Dan Aldegonde verzette zich daar teeghens, uit vreeze dat de gemeente, zoo haar dies bleeke, in 't werk, 't welk hy zocht te verwylen, t'ongeduldelyk voortslaan zouw. En hy verklaarde geirne zelf te willen naa 't leegher gaan, om te onderstaan, oft'er kans tot bekooming van vryen Godsdienst, en een algemein verdragh, waare; en daarnaa, zoo men 't goedt vonde, zich by d'Algemeine Staaten vervoeghen, om hun oopening van alles te doen. Zyn trekken naa Hollandt werd niet dienstigh geoordeelt: naa Borght, oft Beevere, wel. Maar als nu zyn vrye reizbrief gekoomen was, viel'er yetwes voor, dat de Leeden der stadt beweeghde, eerst gemaghtighden aan Graaf Maurits en den Raadt van Staate, samt de Staaten van Hollandt en Zeelandt, te zeinden, om hun de teeghen woordighe geleeghentheeden ende noodt bet in te scherpen, en te vereischen naa de middelen, +waarmeede men meinde 't ontzet te kunnen uitwerken. Hier toe werden gebruikt, onder eedt van weederom te keeren, Daniel vander Molen en Jaques l'Hermite, als gelast door de Hooftmannen en Wykmeesters; Pieter van Panhuizen en Bonaventura de Moolenaar, van weeghe der Ambaghten. En zy hadden tot verrichting hunner boodschap te hulpe te neemen de Heeren van Osmaal, Junius en Alostanus, die in Hollandt oft Zeelandt waaren, en den Scheepen Jakob Suerius, onlanx derwaarts geschikt, genoegh ten zelven einde; oft eenen der zelve, die zich +by der handt vonde. Geduurende hun afweezen, zaaghen, naa verscheide ooverleggingen, de regeerders voor best aan, de meenighte der onnutte monden van wyven en kindren, ten minste alle beedelaars, leedighgangers, en verdachtighde luiden, te doen vertrekken; ende, op dat het hen aan geen' maght daar toe ontbraake, tien oft twaalf vendels, elk van hondert en vyftigh knechten, uit de burghery op half wedde, aan te neemen. 'T welk teffens dienen zouw, zoo tot onderhoudt oft verlichtenis van veele arme poorters, die hunne kost quaalyk wisten te winnen; als tot verzeekering der stadt teeghens de paiswillers: behalven dat'er wel meer soldaaten van noode waaren, om de schansen voorzien te houden, waar in d'andre steedelingen voortaan weigherden te waaken. De betaaling deezer benden hoopte men, by de beminners van den Staat, te bekoomen. Maar deeze, hebbende, reeds, zommighe zes, andre twaalf, zommighe zestien duizent gulden te leene verschaft, begosten des moede te worden; zoo dat het aan geldt mangelde om 't vierde vendel te werven. Ook bestonden de gilden, zich, in de vergaadring der Majestraat, daar teeghens te stellen. De Hopluiden drongen wel op 't uitzetten van een groot getal, zelfs der vermooghenste burgheren, die hun, zoo zy zeiden, in 't oogh waaren: maar zy wilden, zonder zich dies te bemoeyen, dat de Majestraat zulx deede: en deeze was niet gemaghtight yemandt
+de stadt te verbieden dan naa behoorlyke kennis van zaaken. Men trachtte nochtans drie oft vierduizent van 't snoodste gespuis, daar onder een deel, die, onlangs te voore, uit het Landt van Luik, en andre bedenklyke oorden, gekoomen waaren, voor eerst te verdryven: doch kon der meer niet loozen dan vyf oft zeshondert, die noch, 's daaghs naa de uitleiding ter eene, ter andre poorte weeder in quaamen, by ooghluiking der gilden, houdende daar de wacht. Ook gebeurd' het, dat zeeker Burgherhopman, genaamt Eeduart van Gistel, die tot noch toe, zoo hy zelf roemde, geveinst had den Staate en Hervormden Godsdienste aan te hangen, +om toegang ter vergaaderingen te verkryghen, en achter 't geheim te raaken, zich vervorderde, gekoomen uit den Raadt, wyd en breed uit te strooyen, dat de Kornellen en Hopluiden meinden al de Roomsgezinden op eenen nacht te verdelghen. 'T welk ten volle gelooft by hen, zoo groot een' ontsteltenis baarde, dat zich veele buitenlandsche inwooners in de waapenen begaaven, en en hielden, etlyke daaghen en nachten. Zommighen van de Gilden, en andren van de Augsburghsche belydenis, voeghden'er zich by. Eevenwel dit onweeder werd gestilt; en Gistel in hechtenis gestelt, daar hy bleef tot dat de stadt ooverging. Hierentussen liet Hoohenlo niet te beproeven, naa de zwakheit zyns vermooghens, oft erghens den vyandt eenighe af brek te doen waare. Op den elfden in Zoomermaant, besprong hy uit Lief kenshoek, met zulk een' styfzinnigheit, de naastgeleeghe schans, verdaadight door Hopman Wisleeven, dat hem twee paarden onder 't lyf werden geveldt, eer hy verstaan kon tot aftrekken: 't welk zonder achterlaaten van eenighe dooden +niet toeging. In 't laast der zelve maant, vermeesterde de Landtvooghdt Burgherhout, en al de sterke huizen, bezet gehouden van de Antwerpenaars ontrent hunne vesten. Dies was 't nu in zyn' maght, al 't gewas van graan, kool, moeskruidt, te verderven: en schier niemandt zoo stout, dat hy 't hooft uit de poort darde steeken. 'T welk, gelyk het in d'andre steedelinghen groote versleeghenis maakte, den quaadwillighen niet scheen te mishaaghen. Want, als de Kornel Balthazar Moucheron het weinigh koorens, dat noch op 't veldt stond, t'eener nacht +zouw gaan inhaalen, weigherden de waakers oevelmoedelyk de poorte te oopenen, en dreighden hem aan stukken te kappen. Wel is waar dat gepooght werd dit te verschoonen, met voorwenden dat men van d'orde, hem gegeeven, niet geweeten had. Maar deeze beroerte, neêrgeleidt door Aldegonde, verrees ten volghenden daaghe: koomende een hoop burgheren t'zynen huize om pais roepen. En als hy ze eenighzins bezaadight had, hoord hy van andre onrust by de Roodepoorte, daar alles in 't geweer stond, en de wachthuizen ingenoomen waaren. Derwaarts loopende, werd hy gestuit door den Hopman van de Paardemarkt. Die, +met het rappier in de vuist, dreef hem bitterlyk toe, Dat hy met den Prinse van Parma t'ooverkoomen had, oft het mangel van dien met den lyve te boeten: en vraaghde, oft zoo meenigh duizent goede burgheren, om zyner en zyner aanhangeren hardnekkigheit, 's vyands hooghste verbolghenheit zouden moeten uitstaan, oft van honger vergaan. Aldegonde, naa veele woorden en weêrwoorden, braght het zoo verre, dat zich yder naa huis begaf, en de waapenen afleide. Maar 't leed booven een uur niet aan, oft ze raakten weêr op de been. Doch eer zy der wachthuizen konden meesters worden, deed hy ze spreiden; niet zonder groot gevaar zyns leevens. Korts daarnaa onderwonden zy zich, t'eener andere plaatse, t'zaamen te rotten. En, hoewel hun dit meede belet werd, zy ontworstelden, den Markgraave, eenen van de voorbaarighste muitmaakers, dien hy, by goedtdunken der Wethouderen, gevat had: en men moest het gedoo-
ghen. +Toen begaf alle hoope de geenen, die gewaant hadden de stadt met +geweldt te houden, teeghens dank van het graau. Men besloot dan, dat Aldegonde, Duffle, Schoonhooven, en Hessels, zich hadden by den Landtvooghd te vervoeghen, om te proeven, oft hy tot een algemein verdragh met de vereenighde Landschappen zoude willen verstaan. Op den neeghenden van Hooimaant, teeghens den aavondt, naamen deeze, meêvoerende hunne spyze, als tot teeken, dat daar aan geen mangel was, hunnen wegh naa 't leegher: werden eerlyk ontfangen; 's andren daaghs 's morgens gelykelyk gehoort van Farneeze; voorts by hem ten eeten gehouden. Naa de maaltydt sprak Aldegonde, dien dit zeedert tot zwaaren laster gedeegh, langer dan een uur met hem alleen in zyn kaamer. +Op den twaalfden gaf hun Parma dit antwoord, O Heeren, ons verwondert, dat ghy de herwaartsreize aanveirdt hebt, op zoo smal eene maght. Zeeker, het schynt hier aan, dat men meer zoekt de zaak te sleepen, en onze meening t'ondertasten, dan in ernstighe handeling te treeden. Wy slaan nochtans d'algemeine niet af; en 't zal ons aangenaam zyn, zoo die van Antwerpen willen arbeiden, om d'andre gewesten te beweeghen tot verzoening met hunnen Kooning, van wien zy zich alle reedelyk genoeghen belooven moghten. Maar dat moeste het daadingen der stadt niet vertraaghen. Wy verzeekren ons ook, dat die van Antwerpen, op geene nieuwigheit in 't stuk van den Godsdienst, zullen aanhouden: maar zich werpen in de armen van zyne Majesteit. Als de gezanten, hier meê te rug gekeert, +dit dien van de regeeringe voordroeghen, viel'er verscheide gevoelen: meinende noch zommighen, dat men veel eer behoorde de jongste noodt +af te wachten, dan, zonder de bondtgenooten, te handelen, en op zoo kleene hoope tot goede voorwaarden. Onder 't flodderen der beraadingen, quam, uit Hollandt, de Griffier der Raadt van Staate, Levyn Kaaluart, aangeevende, uit den naame der Algemeine Staaten, dat zy, zoo men hun verzeekerde de stadt noch dry maanden te houden, zich sterk +maakten, haar daarentussen t' ontzetten, met drieduizent ruiters, en achtduizent knechten; welke men, booven de geene, die jeeghenwoordelyk in dienst waaren, binnen twee maanden zouw gereedt hebben. Het verslagh des Heeren vander Moolen, en zyner metgezanten, t'hunnen weederkoomste, meldde 't zelfste. En Kaaluart voeghd' 'er by, dat men, midlerwyle, geen' geleeghenheit te waater verzuimen zouw. Op gelyken zin schreeven de Staaten van Hollandt. Dan, een vierendeel jaars te teeren op zoo maagher een voorraadt van eetwaaren, scheen te hard een gelagh: behalven dat men aan de spoedigheit eener zoo maghtighe toerusting twyfelde; daar neevens, aan den uitgang; en aan 't bedwingen der muitzuchtighe gemeente. Dit vertoonden de regeerders aan den Griffier, en dat daarom de stadt, niet dan met waaghen van 't gansche geweldt der Staaten, op eene vloote, te helpen was. Waar op hy, bezeffende d'aangeweeze zwaarigheeden, ende dat, tot het ontzet te waater, niet alleen veel gelux van gety, windt, en weeder, behoorde: maar ook de vyandt zich nu sterk genoegh van oorloghsscheepen vond, +om, alwaar' 'er de brug niet, het doorbreeken te beletten; eindelyk bekende dat zy reeden hadden tot voortgaan met de aangeheeven' handeling eer de slagh onvermydelyk wierde, die hem dreighde te dempen. Hier toe geviel het, dat Emanuel van Lalain, Markgraaf van Renty, gezonden van den Landtvooghdt, neevens de Heeren van der Motte en Werp, met eenen hoop volx, zoo te paard' als te voet, en eenigh geschut, de schansen van Waalhem, Nekkerspoel, en andre, ontrent Mechele, eensdeels vechtenderhandt, eensdeels by verdragh, inkreegh: 't welk die stadt, hebbende lang te voore groot gebrek van lyftoght geleeden,
+in zulke benauwtheit braght, dat Kaarel van Levyn, Heer van Famars, leggende daar binnen, met twaalf vendelen knechten, zich tot uittoght liet bewillighen, mits ontfangende een' maant solds van de burghery, en voorts met den vyandt daadingde. De Wethouders, aanwyzende dat zy den Kooning niet afgevallen, maar met geweldt ooverrompelt waaren, en seedert onder dwang der bezettinge geweest, verworven deeze voorwaarden. De goede burghers, te weeten die in 't Roomsche geloof wilden leeven, begeerde men in alle billykheit te handelen. D'onroomsgezinden, zoo poorters als inwoonders, zouden mooghen vertrekken, neevens de bezettelingen; oft vyftien daaghen spaader, zoo zy geneight waaren, zich naa onpartydighe landen te begeeven; en zeeven maanden tydts genieten tot verkooping hunner goederen. Op den neeghentienden van Hooymaant, scheidde Famars uit de stadt; ende toogh de Baroen van Pravenne daar in, met Kooningsche bezetting. Die van Antwerpen, hier door te meer beangstight, +ontfingen wel somtyds aanmoedighe brieven: daar onder eenen van d'Engelsche Kooningin, en eenen van der Staaten gezanten, die, nu daar te Lande gekoomen, oorlof tot lichting van een deel krysvolx verkreeghen hadden. Maar de troost scheen te krank, oft te verre van honk: en de gemeente, in plaats van te luisteren naa zoodaanigh schryven, stoof op, als z' 'er af hoorde, en rotte, van alle kanten, aan het stadthuis te zaamen, met een dul roepen, Pais, pais willen we. Want ik zouw noode gelooven, dat Aldegonde (hoewel 't hem werd naagegeeven) de brieven achterhield, uit haat, gevat op de Engelschen, om dat hem eens +van de Kooningin verweeten was, dat hy, en niemandt anders, den Prins van Oranje, hooghloflyker gedachtenisse, zoo toghtigh naa vrundschap met Vrankryk gemaakt had. Hoe 't zyn moghte; men daald' 'er tot een +besluit van op zich zelven te handelen; ende beval die boodschap aan eenentwintigh persoonen. Deeze waaren Philips van Marnix, Heer van den Bergh van Sant Aldegonde, Burghermeester: Willem van Meroode, Heer van Duffele; Jan van Schoonhoove, Ridder; Meester Andries Hessels; Meester Matthias van Lanoy; Scheepenen: Louis Meegank; Cornelis Pruinen; Philips de Landtmeeter; ouwd Scheepenen: Adriaan Bardoul, Hooftman van de poorterye: Jan de Weirdt; Gillis Sautyn; Wykmeesters: Henrik van Uffele, ouwd Wykmeester: Aart Boudewyns, Deeken van de Bereiders: Willem van Schooten, ouwd Deeken van de Meirse: Jan Godyn, ouwd Kornel: Harman van Doedenburgh, Deeken van de jonge voetboogh: Henrik van Erp, Deeken van de ouwde handboogh: Jan Raademaaker; Jan Garyn; Dirk van os; Burgherhopluiden. Tot de wanhoop der Heeren, en onlydzaamheit des volx, deed, dat men, in acht oft tien daaghen noordwesten winds, niet een schip zich zagh reppen om yets teeghens de brugh te bestaan. Eevenwel de vereenighde gewesten, zonderling die van Hollandt en Zeelandt, faalden nooit aan hunnen plicht, met naalaaten van yets, dat (hunnes oordeels) tot uitwerking van 't oopenen der stroome vereischt werd. Maar +zy zouden zich des, zonder aanblik van gewenschte uitkoomst, niet geirne onderwonden hebben: en besteedden daaromme meer tyds aan het toerusten, dan den beleegherden, in hun verlangen, docht billyk te weezen. Op den twaalfden van Oestmaant eindtlyk, schreef Graaf Maurits, en de Raadt van Staate, hun aan, dat men, binnen twaalf daaghen, zoo God er de handt aan hielde, de stadt verlossen zouw, 't waar de windt diende oft niet. De Graaf van Hoohenlo, gemaghtighden zyner genaade van Nassau, des Raads van Staate, der Staaten van Hollandt en Zeelandt; hy +om den aanslagh by te leeven; zy om orde te schaffen, en de Ammiraalen en Hopluiden, door smaak geeven van buit, belofte van vergelding,
+voorstel van eere, tot weldoen te verwekken; vervoeghden zich naa de vloot. Daar krield' het van krys- en bootsluiden; woeld' het van lossen en laaden der aanboortgebraghte behoeften; daar maakte men nu de scheepen klaar, en veelerley vuurwerk veerdigh: als'er schryven van Aldegonde, van den vyftienden der maant, uit Beevere, quam, dat het +verdragh met den Landtvooghdt in staat van sluiten stond. En, zeeker, de gemaghtighden der oorloghshoofden, zich vindende zoo in de stadt als op de sterkten, voltooghen 's andren daaghs het hunne, onder 't volghende besprek.
+Alle Ooversten, Kornellen, Hopluiden, soldaaten, zoo te land' als te waater, zoo te voet' als te paarde, zouden mooghen vertrekken, met hunne wyven, kindren, dienaars, goederen, waapenen, ontfouwe vendelen; maar stille trommen, trompetten, en pypen, doove lonten.
+Men zoud' hen veilighlyk geleiden; de ruiters tot aan Berghen op Zoom, d' anderen tot Lillo; mits dat zy verzeekering gaaven voor 't weederkeeren der scheepen en waaghenen, hun daar toe te leenen.
+Niemandt te onderzoeken of te moeien, ter zaake van, nu aan deeze, dan aan die party gedient te hebben, oft anderszins.
+Alle gevangens weederzydelings los te laaten, zonder andre betaaling, dan hunner kosten: uitgezeidt de geenen, die reeds verding van hun ransoen gemaakt hadden; en de Heer van Teligny, dien zyn' Hoogheit niet ontslaan kon zonder orde van de Kooning.
+De zieke oft gequetste soldaaten zouden tydt hebben om hunne geneezing af te wachten, en dan meede te verreizen.
+Wie de waapenen wilde neederleggen, om t'huis onder 's Kooninx gehoorzaamheit te leeven; dien zoude zulx vry, ende nemmermeer yets te verantwoorden staan van voorleedene zaaken.
+Op den zeeventienden volghde 't verding der stadt. Dat begreep deeze punten.
+Aangezien dat die van Antwerpen zich weederom onder de gehoorzaamheit van den Kooning, hunnen wettighen Heere, begeeven, afstaande van alle bondtgenootschappen en verplichtingen, aangegaan by hen, t'zynen achterdeele; zoo neemt zyn' Hoogheit, in den naame zyner Majesteit, hen ook weederom aan, om gehandelt te worden als goede onderdaanen: ende verklaart haare meening te weezen, dat men d'ouwde verbintenissen, gemaakt, zoo met den Heilighen Ryke, als met andre Vorsten, Landen, en steeden, op het stuk van den koophandel, oft eenigh ander, zal naakoomen van punt tot punt, jaa vernieuwen (zoo 't noodigh blykt) ten meesten oorbaar der stadt.
+Alle voorleeden misdryf zy vergeeven en vergeeten: en de geenen, die zich by eenighe ordeningen, besluitsels, oft vonnissen verkort vinden, zullen daar af geen' beetering mooghen eischen, dan van bezondre luiden, die hen, buiten maght van d'Ooverigheit ontfangen, beschaadight hebben.
+Geenerley persoonen, gebruikt in bewindt van gemeene zaaken, zullen aangesprooken worden, oover besluitsels, ordeningen, teekeningen, oft vonnissen, voortgekoomen uit hunne amptgenootschappen, oft behoeven te verantwoorden van schulden oft verbintenissen by de zelve gemaakt; dan voor zoo veel, als zy daar af in 't bezonder mooghen hebben genooten.
+Dewyl by ervaarenis blykt de schaadelykheit der genaade, beweezen aan zommighen, die, gegaan van steede tot steede, aldaar nieuwe ontsteltenissen verwekt, en haar weederkeeren tot gehoorzaamheit belet hebben; zoo stond zyn' Hoogheit daar op, dat alle luiden, die, uitgezeidt oft gebannen uit andere plaatsen deezer Landen, oft begreepen onder de verdingen, gemaakt met de steeden, daar zy zich vonden ten tyde van 't oovergaan der zelve, zyn gekoomen bin-
nen +Antwerpen, zouden 't Landt ruimen: niettemin, op ernstlyk verzoek van die van Antwerpen, en op hoope dat de voorgemelde zich voortaan in stilligheit draaghen zullen, vergunt zy hun, in stadt te mooghen met der woone blyven, oft vertrekken met hunne roerende goederen, naa hun goeddunken, onder last van zich voortaan des oorloghs niet te onderwinden, nochte anders yetwes te doen teeghens den dienst des Kooninx, de welvaart en rust deezer Landen; nochte in eenighe maniere, de verzoening van andre steeden oft gewesten met zyne Majesteit te verhinderen; op peene van verstek van alle genaaden.
+Elke burgher, zoo wel die zich buiten als binnen der stadt vindt, jaa yder inwooner, daar geweest voor de verzoening der Walsche gewesten, treede, van den dagh deezes verdings af, in vol bezit en gebruik van alle zyne goederen, in wat plaatse die ook leggen onder de gehoorzaamheit zyner Majesteit, samt van de hooftsom zyner rentebrieven, bezet oft onbezet: niet teeghenstaande alle aanslaaningen, verbeurtmaakingen, verkoopingen oft vervreemdingen, ende zonder te behoeven eenighe handlichting, oft andre voorziening, dan dit jeeghenwoordigh verdragh: op gelyze wyze zal 't gaan met de schulden, noch uitstaande, ende waar meê zyne Majesteit haaren zin niet gedaan heeft: doch de geenen, die van der handt zyn, zoo zy de weldaadt deezes verdings genieten willen, moeten, binnen drie maanden naa de verkunding van dien, vertrekken uit vyandtlyke landen: ook begrypt men in dit punt alle buiten- ende dorplieden, geweeken in de stadt om hunne persoonen en goederen te verzeekeren.
+Dewyl zyn' Majesteit deeze zoo vermaarde stadt, bestaande by den koophandel, geenszins begeert t'ontvolken; zoo vergunt men allen borgheren en ingezeetenen, daar te blyven woonen, den tydt van een heele vier jaaren, zonder te worden onderzocht oft gemoeit in 't stuk hunnes gewisses, oft gedwongen tot nieuwen eedt ter zaake van den Godsdienst; mits dat zy zich stil houden, en geen' arghernis geeven; daarentussen zullen zy mooghen ooverleggen, oft zy voortaan in den Heilighen Roomschen Godsdienst hebben te leeven; ende zoo hun zulx niet aanstaat, vryelyk uit den Lande vertrekken: in welken gevalle men hun zal toelaaten hunne goedren te vervoeren, verkoopen, vervreemden naar hun welbehaaghen; oft de zelve te doen regeeren by zulke luiden, als zy daar toe begeeren te stellen: ende, zoo zy buiten oft binnen 's Lands koomen te sterven, zonder uitersten wil, zullen de voorzeide goederen vervallen aan hunne naaste erfgenaamen, in rechte oft byzydighe lyni.
+Daarenteeghens zal de Kooning weederom keeren tot zyne heergoederen, rechten en gerechtigheeden: gelyk ook zullen tot hunne goederen, gerechtigheeden, en uitstaande schulden, alle Prelaaten, Genootschappen, Kapittelen, Gods- ende Gasthuizen, Geestelyke plaatsen, ende in 't gemein alle persoonen zoo geestlyke als weirlyke, beampte als onbeampte, hebbende gevolght de zyde van zyne Majesteit, oft zich begeeven in andre onpartydighe landen: ende zullen zy de voorzeide goederen ooveral mooghen aanveirden, volkoomelyk en vreedelyk genieten gelyk te voore, al waaren ze schoon verkoft oft vervreemdt; uitgenoomen het geene, dat geoorbaart is tot sterking van steeden, tot straaten, markten, oft andre gemeine gebruiken; waar op gemaghtighden zullen gestelt worden, om den eighenaaren de waarde te doen vergelden, oft anders daar in te verordenen 't geen behoorlyk zy.
+Belangende de huizen en timmer aadjen, gezet binnen der stadt op geestelyke erven, in welk stuk die van Antwerpen eenighe zwaarigheit hebben voorgewendt; zyn Hoogheit, alzoo men dit niet veirdighlyk kan af handelen, zonder kennis van zaaken, stelt de beslechting van dien uit, tot dat zy t' Antwerpen koome, ende zal alsdan eenighe persoonen maghtighen, om, naa bezightighing
+der geleeghenheit, partyen, die 't aangaat, te hooren, en voorts daar inne te doen, 't geene blykt recht en billyk te weezen.
+De geenen, die uitgedrukt staan in 't zeevende punt hier booven, zullen ook genieten hunne achterstallighe inschulden, 't zy dat zy die te eischen hebben van 't lichaam der stadt, oft van de Brabantsche Staaten, in den oordt van Antwerpen: maar, belangende de vruchten en inkoomsten van de onroerende goederen, ook achterstallen van renten op bezondre persoonen; daar af zal geen' uitkeering mooghen geëischt worden, indien zy by last en gezagh der Staaten oft Majestraaten erghens besteedt zyn; ten waare, dat yemandt in 't bezonder daar meede zyn voordeel gedaan hadde: ende, noopende de roerende goederen; die zal men weederzydelings mooghen eischen en aangrypen, ooveral, daar zy in weezen gevonden worden; doch by gewoonlyke maniere van rechte, en zonder pleeghen van daatlykheit.
+Geene aSchatmeesters, Ontfangers, Amptluiden, oft andren, gehadt hebbende eenighe handeling oft bewindt van de penningen der beeden, * tollen, bheergoederen, oft andere, die aangeslaaghen en bedient zyn geweest van weeghe der Staaten oft Majestraaten, zullen bekommert oft gequelt worden, oover de sommen van gelde, die zy bewyzen kunnen, uitgetelt oft betaalt te hebben, by last oft ordening der voorschreeve Staaten, hunner gemaghtighden, oft der Majestraaten; nochte zullen hunne reekeningen onderworpen zyn aan eenighe naader ooverziening oft onderzoek, ten waare ter zaake van dooling oft bedrogh daar inne begaan; in welken gevalle 't beslechten der geschillen zal staan aan de geenen, dien het toebehoort, naar gewoonlyke wyze.
+Alle begoste pleitingen, vonnissen, brieven van genaade, rechte, en andre, gegeeven en verleent by de geenen die gehouden hebben den Raadt in Brabant, by de Majestraat, en andre Amptgenootschappen van Rechte, gemaghtight geweest om te oordeelen in gelyke zaaken, tussen luiden aldaar jeeghenwoordigh geweest, en hunne rechtspraak ctoegestaan hebbende, zullen van waarde zyn, om verwarring te schuwen: welverstaan, dat de geenen, die zich verkort achten, zich zullen mooghen voorzien, by weeghe van dherziening, beroeping, oft hervorming, volghends de gewoonten en voorrechten van Brabant, mits dat de behoorlyke tydt om te beroepen, hervormen, oft herzien, niet verstreeken zy: maar, aangaande de vonnissen, gegeeven by egebrek van verschyning, oft fweederspoorigheit, aan d'een oft d'andre zyde, teeghens de afweezenden; de gedoemde zullen gehoort en herstelt worden in 't geheel van hunne geischen en hantwoorden, ten minste onder weldaadt van iherheffing.
+Alle ontervingen, giften, kbeschikkingen, gaaven tussen de leevenden oft ter zaake van de doodt, die geschiedt zyn uit haat van verschillende Godsdienst, oft ter zaake van de beroerten, ende geduurende de zelve, zullen aan beide zyden, gehouden worden voor vernietight en van geener waarde: ende alle erfenissen, vervallen binnen den zelven tydt, zonder verklaaring van uitersten wille, zullen koomen op de naaste en wettighe erfgenaamen.
+Aangezien dat de koopluiden, burghers, en andre ingezeetenen, begreepen in dit verdragh, zouden schaade mooghen lyden, indien die van Hollandt, Zeelandt, en andre gewesten en steeden, blyvende in oorlogh teeghens zyne Majesteit, wilde verbeurt maaken de goederen, scheepen, koopwaaren, penningen, lgerechtigheeden, uitstaande schulden en achterstellen, toekoomende dien van Antwerpen, en andren hier booven gemeldt, zoo belooft zyn' Hoogheit, dat zy, koomende met hun te handelen, bezorghen zal, dat zulx geschiede zonder achterdeel der voorzeide steedelingen, ende op voorwaarde, dat hun voldaan ende betaalt zal worden al' t'geene men hun wettelyk zal schuldigh zyn, ende dat hunne voorschreeve goederen en koopwaren hun weederom zullen ter handt gestelt worden
+Belangende 't stuk der munte; zyn Hoogheit zal, ter geleeghener tydt, by +goeddunken der Staaten van Brabandt, naa 't hooren ook van 't gevoelen der Majestraat en voorneemlykste koopluiden, daar op neemen eenen voet tot het minste naadeel des Lands, en meeste voordeel der onderdaanen: daarentussen zullen alle soorten van goude en zilvere penningen, jeeghenwoordelyk gangbaar, loop hebben in de voorzeide stadt, zonder te mooghen verhooght worden.
+Om den koophandel weeder in zyn' kracht te stellen, zullen alle bruggen, haavenen, en weeghen, geoopent en geveilight worden; mits dat men de rechten en tollen, toebehoorende zyner Majesteit, en den vassaalen, betaale.
+Hoewel zyn' Hoogheit grootelyx zoude wenschen: dat alle atollen, inzettingen, en bezwaarnissen, opgestelt in den tydt deezer oorloghe, moghten afgeschaft worden, om de goede gemeente wat t'ontlasten, en aan verhaal van aadem te helpen; zy is nochtans te vreede, dat men, tot betaaling van de schulden, bbondtschriften, caanwyzingen, renten, en dvoordeelgelden, de zelve tollen, inzettingen en lasten, in sleur houde; doch onder voorwaarde, dat de betaaling niet geschiede aan vyanden, oft de geenen, die oorlogh zullen voeren teeghens zyne Majesteit, Landen oft steeden van haare gehoorzaamheit.
+Alle voorrechten, zoo gemeene als bezondre, wettelyk by hen genooten voor deeze beroerten, zullen hun van punt tot punt, onderhouden en achtervolght worden, tot rustelyk en vreedelyk gebruik der zelve, gelyk te voore.
+Wie van de voorzeide burghers oft inwoonders, 't zy dat zy in eedt en dienst der stadt zyn oft niet, naa 't sluiten van dit verdragh, willen vertrekken, om hunne woonplaats te verandren, oft om andre inzighten, die zullen 't zelve, t'allen tyde als 't hun goed dunkt, vryelyk mooghen doen, te waater oft te lande, met hunne vrouwen, kinderen, huisgezinnen, en alle roerende goederen, zonder dat hun daar in eenigh letzel zal gedaan worden den, oft noodigh zy derhalven evryereizbrief te hebben: ende zullen de geenen die zich begeeven in eenighe Landen oft steeden, onpartydigh zynde, oft staande onder 't gebiedt des Koonings, mooghen onbekommert reizen, weederom keeren, hunnen handel dryven, in de voorzeide Landen van zyne Majesteit, ende doen met hunne goederen, roerende en onroerende, naa hun behaaghen, oft de zelve laaten regeeren, ontfangen, en bedienen, door zoodaanighe luiden als zy daartoe willen stellen; ook derwaarts weederkeeren, en daar hunne woonplaats herneemen, zonder daar toe andre voorziening te verwerven, dan dit jeeghenwoordigh verdragh.
+De zelve vryheit geeft men ook aan de schippers der vooorzeide stadt, indien daar eenighe zyn, die met hunne eighe scheepen willen vertrekken; ten waare dat zyn' Hoogheit zich begeerde van hunne scheepen te dienen; in welken gevalle zy die zalmooghen aanveirden, mits betaalende den prys, volghends gerechtighe waardeering daar af te doen.
+De geenen, die willen reizen naa noch onverzoende Landen oft steeden, om daar orde te stellen op hunne zaaken, zullen mooghen weederkeeren binnen zes maanden naa den dagh van dit jeeghenwoordigh verding, om te koomen woonen in de Landtschappen oft steeden onderdaanigh aan zyne Majesteit, oft op andre onpartydighe plaatsen; alwaar zy zullen genieten de voorzeide vryheit van gaan en keeren, handelen en koopmanschappen, en alle vorder uitwerking van dit verdragh, gelyk de boovengenoemde, zonder ander verlof oft vryereizbrief.
+Wyders, op vertoogh van die van Antwerpen, hoe zy daaghelyx bekommert en aangehouden konden worden, ter zaake van de schulden en lasten der stadt, staat zyn' Hoogheit toe, dat men hunne persoonen oft goederen niet zal bekommeren oft aanhouden, om de voorzeide schulden en lasten, voor den tydt van een
+geheel jaar, op dat daarentussen middelen, t'hunner verlichting en redderinge, mooghen geraamt worden.
Dewyl de reede ganschelyk vereischt, dat de gebrooke en afgeworpe kerken +herbouwt warden, om deeze eeuwighe schandtvlek niet in 't oogh der gansche werelt te laaten staan; zoo zullen de Majestraat, Raadt, ende Leeden der stadt, onderling handelen, om eenen gevoeghlyken voet te raamen, dien men hier in te houden hebbe, ter minste bezwaarnis der stadt.
+De geenen, die willen vertrekken langs de stroom, zullen, t'hunner reedelyke kosten, geryft worden, met scheepen, tot vervoering hunner persoonen, huizgezinnen, en roerende goederen; mits dat zy genoeghzaame borghen stellen, voor het weederkeeren van de schippers en scheepen, die hun voeren zullen.
+De gevangenen, hebbende geen verding van haar ransoen gemaakt, zullen ter weederzyden ontslaakt worden, mits betaalende hunne kosten; uitgezondert de Heer van Teligny, aan welken zyn' Hoogheit niet en magh roeren: doch zal zy wel zich te werke stellen, en allen goeden dienst tot zyne verlossinge doen, by zyne Majesteit, gelyk kennelyk is dat zy gedaan heeft voor den heere van La Noue, zynen vaader.
+Op voorschreeven voorwaarden, zullen die van Antwerpen, veirdighlyk, al het geschut, voorraadt en scheepen van oorlogh, toekoomende der stadt, stellen in handen van zyn' Hoogheit, die voorneemt in stadt te verschynen, en aldaar, tot haare bewaaring, tweeduizent mann' te voet, en twee benden paarden te stellen, welke gehuist zullen worden ten minsten ongeryve van de burghers: beloovende zyn' Hoogheit, dat de zelve stadt, nocht met burgh, nocht met bezetting, zal bezwaart worden, zoo de Hollanders en Zeeuwen zich onder's Koonings gehoorzaamheit vlyen; maar, indien niet, in welken gevalle zy een' grenzstadt blyven zouw, zoo zal zyn' Hoogheit, by raadt en toestandt der Majestraat, en andren, gewoon oover zulke zaaken geroepen te worden, acht neemen op middelen, om haar te verzeekeren teeghens de listen en aanslaaghen des vyands; en, belangende 't krysvolk, zich vindende op den Brabantschen boodem; die van Antwerpen zullen verneemen aan de werken, zoo ras als de geleeghenheit zulx toelaat, dat zyn' Hoogheit haare soldaaten niet houdt om d'onderdaanen t'ooverlasten oft quellen, maar wel om te stryden, en het gerechtighe erfdeel des Koonings weeder te kryghen.
+Endtlyk, hoewel zyn' Hoogheit genoeghzaame reede zouw hebben, om een goedt deel der kosten, gedraaghen in 't uitvoeren van deezen aanslagh, te verhaalen op de stadt; zy is echter te vreede, om te betoonen dat haar't bederf der zelve leedt waare, dat zy alleenlyk betaale vierhondert duizent gulden, om daar meede de soldaaten eenighzins te vernoeghen, oover't houden van zoo zwaar en lang een leegher: tot voldoening van welke somme haar reedelyke tydt zal gegunt worden, t'haaren meesten gerieve.
+Aangaande den Heer van Sant Aldegonde, naardien hy blyft by de begeerte van de zelfste zyde te volghen; men verstaat, dat hy zal belooven by eede, geene waapenen teeghens den Kooning te draaghen, binnen den tydt van een jaar, naa den dagh deezes verdings.
+Alle welke punten geslooten en geteekent zyn, zoo wel by zyn' Hoogheit als by de gemaghtighden van Antwerpen: beloovende zyn' Hoogheit de zelve te doen aanneemen, bevestighen, en goedt kennen, by oopene brieven, onder het eighe handtteeken en groote zeeghel zyner Majesteit, binnen vier maanden van deezen dagh af.
Het onderschrift was ditte,
ALEXANDER.
Op orde van zyn' Hoogheit
Verreiken.
Philips van Marnix. Jan van Schoonhoove. Matthias van Lanoy. Cor-
nelis +Pruinen. Philips de Landtmeeter. Hans de Weirdt. Aart Boudewyns. Jan Godyn. Jan Raademaaker. Harman van Doedenburgh. Jan Garyn. Willem van Meeroode. Andries Hessels. Louys Meegank. Adriaan Bardoul. Gilles Santyn. Willem van Schooten. Balthazar van Moucheron, in-plaats van Louys Malapert. Henrik van Erp. Dirk van Os. Zwaaren +ondank, by zyn party, beging met dit verdragh de Heer van Aldegonde. Hebbende geschreeven aan de gemaghtighde Raadsluiden der. Staaten van Zeelandt, dat zy zyn huisvrouw en kinderen daar eerstdaaghs te verwachten hadden, dat hy ook zelf, met veele andren, gezint hunne toevlucht derwaarts te neemen, meende te volghen; kreegh hy tot antwoordt. Men ried, nocht hem, nocht den zynen, zich daar te vertoonen; ten aanzien van 't quaadt gerucht, dat hem naaging. Indien eenighe vroomen begeerden oover te koomen, zy zouden aangenaam zyn. Hy zond eevenwel zyn gemaalin, met de kinderen: dan vertoefde zelf noch een wyl, en pooghde zich te verschoonen, door brieven, die, in plaats van de smart met eenighe hoope oft troost te bestryken de Spaansche maght en Parmaas deughden ten hooghste verhieven; en, porrende driftelyk tot pais, met weêrsmaakelyk vertoogh van de zwakheit +en wanorde der bondtgenooten, de ongunst bet opstookten. Jaa 't liep 'er zoo hoogh meê, dat hem de vereenighde gewesten verbooden werden: waartoe wel yetwes helpen moght, dat Parma hem, niet de vier jaaren alleen, gelyk andren, tot verkooping zyner onroerende middelen, maar onbepaalt bezit der zelve, vergunt had. Aldegonde, niettemin, hoewel hy al eens beraaden was zyn geluk buiten 's Lands te gaan zoeken; +en een verdaadighschrift, van hem uitgegeeven, niet onweedersprooken bleef, nam naamaals de vrymoedigheit van in Zeelandt te verschynen. Daar werd hy in zyn huis gegyzelt: en de Staaten van 't gewest, als hy gehoor aan hun verzocht, weezen hem aan d'Algemeine: voor de welke hy zyn' ontschuldighing deed. Doch, nocht deeze, nocht de zeer eerlyke getuighenis, die zoo eerlyk een man als de Heer van la Noue van hem gaf, kon zoo veel niet uitwerken, dat men goedtvonde hem seedert in de regeering te gebruiken. Maar de Prins van Parma, hebbende, weinigh daaghen voor 't voltrekken des handels met Antwerpen, +het Gulden Vlies ontfangen, door handen van Graave Pieter Ernst van Mansveldt, eenen der oudste Ridderen van die orde; welke feest in de schanse by Kallo zeer prachtelyk gehouden werd; quam, op den zeevenentwintighsten van Oestmaant, met blaakende staatsi ter stadt in ryden. +Drie vaanen te paarde, twintigh te voet, eensdeels van Waalen, eensdeels van Duitschen, neevens hem, door de poort. De Majestraat ontfink hem met toedraght van treflyke eere, zoo by monde als by geschrift, en in schildery, op aanzienlyke zeeghebooghen. D'uitheemsche geslachten hadden, tot eighe kosten, verscheide timmeraadjen gesticht, en versiert met blazoenen, die op zyn' gloorie sloeghen: pooghende elke landaart, om strydt, hem, door bewys van vuurighe geneeghenheit en grootachting, te behaaghen. Een' geschipbekte zuil, opgerecht van de Genueezen, ter hooghte van twaalf roeden, met haaren voetstal, droegh des verwinners beeldt, gekleedt in krysgewaadt naa d'aalouwde wyze. Een vooghel Phoenix, der Portugeezen werk, zat op een nest, ryklyk gebouwt, in de Hooghstellerstraat, en bereikte bykans ter weederzyden de huizen met zyn' uitgespreide vlerken. De geestelykheit, weeder ingekoomen op den twintighsten, had reeds de hooftkerk gestoffeert van altaaren en allerley pronk van inboedel. Derwaarts nara de Vorst zynen wegh; en voorts als 'er Te Deum laudamus gezongen was, naa de markt, en van daar naa de Burgh, heerlyk toegerust om hem te huizen. Toen bewelkoomd' hem 't grof
+geschut, meermaals gelost. Tot verscheide stonden van drie daaghen aan +elkandre, werden al de klokken geluidt. Op den achtsten van Herfstmaant verschiep hy de Majestraat; stelde, tot Burghermeesters, Heeren Eeverhart van der Delft en Adriaan van Heilsweeghe; eenighe ballingen in de Scheepenbank. De diensten, ontfangen van Henrik Tseraarts, Heere van Kouwestein, vergold' hy hem met het Markgraafschap des lands van Ryen, en Schoutampt der stadt. Thans deed hy al haar geschut naa de Burgh voeren, en het afgeworpen deel muurs der zelve weeder opmetsen. Dus ging, by mangel van in 't eerst eetwaaren genoegh op te +doen, en van daarnaa d'opgedaane raadighlyk te rekken, maar booven, al door meenighte van meesters, oft luchtighe luiden die ze speelden, een' stadt verlooren, daar, naa 't zeggen der geenen die 't wel behoorden +te weeten, eer ze beleeghert werd, alleenlyk voor de gemeene middelen van steete, vyftighduizent gulden ter weeke gebooden waaren; beloopende in 't jaar, tot hoogher somme, dan men den Hartoghe van Anjou, by 't verdragh van Bordeaux, tot onderhoudt des oorloghs, belooft had. Maar, 't geen'er de Staaten verlooren, won'er de Spanjaardt niet. Want, hoewel veele menschen, zich stellende tot blyven, 't Roomsche geloof aannaamen oft veinzden; hun getal was kleen, ten aanzien der geenen, die naa Hollandt, Zeelandt, Oostlandt, Duitslandt, Engelandt vertrokken, meêvoerende de neering, handtwerken, en hunnen rykdoom; eensdeels om vryheit van Godsdienst te mooghen genieten, eensdeels om de onvryheit der Schelde en des koophandels aldaar, zoo +lang als de Hollanders en Zeeuwen meesters te waater zouden blyven. Farneeze, anders, faalde niet het verdragh stips t'achtervolghen, en goede orde te houden. Eenen Roomsgezinden burgher, die, weedergekeert +uit zyn ballingschap, eenen andren uit ouwde wrok, met scheldwoorden had oovergehaalt, liet hy in hechtenis stellen, ende niet, dan op sterke voorbeede, en belofte van intooming zyner heevigheit, uitgaan. Zeeker soldaat, die zynen waardt, zonder reede, met vuisten geslaaghen had, bekoft het met den hals. Nu staat ons te vermelden, 't geene dat, noopende 't aanroepen der Engelsche Kooninginne tot hulp der vereenighde gewesten, zich heeft toegedraaghen. Naa dat men met beraaden, sint het midde van Grasmaant tot op den zesten van Zoomermaant, was beezigh geweest, beslooten d'Algemeine Staaten, gezanten heen te schikken, om die Majesteit tot aanveirding van de Hooghe Ooverheit onder billyke voorwaarden, oft van eeuwighe bescherming der landen, oft immers tot verleening van eenigh onderstandt, te +beweeghen. Tot deeze boodschap werden gekooren van Brabands weeghe, Jakob de Gryze, eertyds Hooghbaljuw van Brug, hoewel hy zich, met het belegh van Antwerpen, niet volkoomelyk gelast vond, ende daarom het verdragh, naamaals geraamt, niet onderteekende: van Gelderlands, Rutgert van Harsolt, Burghermeester tot Harderwyk: van Vlaandres, Noël van Caron, Heer van Schoonewal: van Hollands en Westvrieslands, Johan van der Does, Heere van Noortwyk; Joost van Menyn, * Loontrekkend Raadsman der stadt Dordrecht; Johan van Oldenbarneveldt, Loontrekkend Raadsman der stadt Rotterdam; Fransois Maalzon, Loontrekkend Raadsman der stadt Enkhuizen: van Zeelands, Jakob Valk, Raadsman van Staate: van Uitrechts, Paulus Buis, wylen *Voorspraak van Hollandt: van Vrieslands, Jelgher van Teitsma, Raadsman van Staate, Hessel Aysma, * Raadshooftman; en Laas Jongema. Welke Heeren, t'scheep gegaan op den achtienden, ook, gelyk laastmaals de gezanten naa Vrankryk, zwaare teeghenspoedt op de reiz' hadden, wordende tweewerfs gedwongen weederom in te loopen: als oft
+d'een' en d'andre bezending geschiedt waare teeghens 't behaaghen des heemels, die de vereenighde Landschappen hoeden wilde van in uitheemsche handen te vallen. De Kooningin, hierentussen, hoewel zy, door vertooning van zonderlinge zucht tot der Landen behoudenis, hun te mildelyk ontmoet was om met goedt aanzien te deizen; deed, kryghende de zaak naader in 't oogh, ook naader ooverleggen, by de luiden van +haaren Raade, wat zy te doen oft te laaten hadde. Hier op ontstonden verscheide meiningen. Eenighen lieten zich dunken, 'T zouw bespottelyke slechtigheit zyn, zoo schoon' een kans te verkyken. De Spanjaardt, +met booven recht den meester te maaken, had de Vereenighde Landen hunn' eighe meesters gemaakt. Zy vermoghten dan eenen Heer naar hunne geliefte te kiezen. En haare Majesteit zouw, in 't aanveirden van 't Hooghgezagh oover hen, de eerste niet weezen. Had niet de Hartogh van Anjou het eens gedaan met der daad? ende noch eens met den wil, de Fransche Kooning, zyn broeder? De Spaansche, buiten twyfel, zouw zich des bitterlyk belghen. Maar wat lagh 'er doch aan? Had hy niet altyds zyn quaadst gedaan, met styven der Yeren in hunne opstendingen, met brouwen onraadt in Engelandt, met draaghen der Schotsche Kooninginne in haar ongelyk? Hem bezat reeds een haat zoo heet, een' staatzucht zoo woest, dat elk van beide genoegh was om vastelyk te doen gelooven, dat hy de Engelsche nemmer verschoonen zouw, dan by mangel van maght. Tot deeze te koomen dat moest men hem beletten. En om 't hem te beletten, geen wisser wegh, dan aan de Engelsche waaterkraften de Hollandsche en Zeeuwsche te hechten, eer hy ze dwonge de zyne te sterken, en hunne haavenen, zoo geleeghen om Engelandt te bespringen, in zyn geweldt kreeghe. Andren zeiden +hier teeghens: Men gaave 't den naam dien men wilde; der Staaten bedryf was kenlyke weederspannigheit. Wen Kooning Philips, gelyk teeghens de waarheit werd voorgewendt, de voorrechten der Neederlanden al verkort hadde, zoo waare hy noch daarom van de Vorstlykheit niet vervallen. En, oft schoon eenighen meenden, dat men daar oover, voor een' wyle, tot dat hy zyn' misdaadt gebeetert hadde, d'onderdaanigheit schorsen moghte; andren oordeelden nochtans, volghends het Goddelyk recht, 't welk voor 't menschelyk ging, dat men, enkelyk om des gewisses wil, gehoorzaamheit aan de Hooge maghten, als ingezet van Gode, bewyzen moest. D'Almooghende had aan haar 't opperste oordeel oover de onderzaaten gestelt; hun de gloori van 't achtervolghen haarder gebooden gelaaten. Om goede had men te wenschen; allerlei Landsheeren te dulden. Die gewesten waaren den Kooning van Spanje, niet door keur des volx, maar door erfenis, opgekoomen. Ook hadden zy, van zyne voorzaaten, hunne vrydoomen verkreeghen, en de zelve verbeurt met Majesteitschendery, begaan in 't aaneemen der waapenen teeghens hem. De verzoekers der bescherminge waaren meestendeels luiden van zeer geringe stof, die zich slechts met den tytel van Staaten vermomden. Best zoude, daarom, de Kooningin zich voortaan niet mengen in de dingen van Neederlandt; maar pooghen haar eighen Ryk te versterken; de vroomen, door haar' aangeboore goedertierenheit, meer en meer te verplichten; de boozen in te toomen; haare schatkaamer te vullen; een treflyke vloot toe te rusten; de grenzen teeghens Schotlandt wel te bezetten; en d'ouwde krystucht haares volx te doen onderhouden. Dan waar Engelandt onwinlyk, veiligh van alle kanten, en een schrik zyner vyanden. Voor yemandt, die tussen te maghtighe gebuuren zat, geen middel zoo getrouw als dit, om hen hunne handen te doen t'huis houden. Want yder wachtte zich wel van de geenen te terghen, dien hy 't, nocht aanrykdoom, nocht aan krachten, nocht aan goede geneeghenheit hunner gemeente, nochte aan wil oft wakkerheit tot weêrwraak, zagh faalen. Daarenteeghens, losse loosheit was het, dat
+yemandt, om een oorlogh af te wenden, zyn geldt, zyn' soldaaten, in een' zaake hem niet raakende, voor berooide Vorsten oft volken, onderzaaten van andren, ging spillen, die, indien men hun, in hunne noodt, geschaapen eeuwigh te duuren, niet gestaadelyk 't hooft ophielde, uit armoe voor zich zelve zouden zorghen; oft, indien men ze, by geluk, eindtlyk eens van hunnen last verloste, uit weelde de weldaat in den windt, het oogh op eighe baat slaan, en hunner verlosser met den nek aanzien. Zoo hadden, eertyds de Borgonjers, in 't verbondt teeghens Vrankryk, en zeedert de Onroomsgezinden aldaar, der genooten bystandt met ondankbaarheit vergolden; en de Engelschen, t'hunner schaade, geleert, dat, die de verkleumde slang in den boezem stooft, thans een venynighe beet, van de verwarmde, tot zyn loon kryght. Naa de eerste deezer voorstellingen, gelyk doorgaands naa de geene die moed en hoope van aanwas laaten uitkyken, luisterde 't meeste deel der vergaaderinge met gunstighen yver: naa de tweede, met arghdenkende opmerking, als oft ze naa zucht tot den Spanjaardt gerooken hadden. En de toestemmers werden, niet duisterlyk, voor zyne partylingen, en bloode, vuidighe menschen, gescholden, door de luiden van oorlogh, die hun des bitteren ondank wisten. Hier toe geviel 't, dat men'er tyding kreegh, hoe Philips, in Spanje, niet alleen de Hollandsche +en Zeeuwsche, maar ook de Oostersche, Hooghduitsche, en Engelsche scheepen, bekommerde. Een, toebehoorende, zeekeren Londschen Alderman, 't welk, als de rechter van Biscaye, onder schyn van als vriendt het te koomen bezightighen, het trachtte geweldigherhandt te bemaghtighen, van ontrent vyftigh die hem volghden, twintigh mannen had afgemaakt, eenighen in 't waater doen springen, braght de rest, en den rechter zelf, met zynen lastbrief, oover. Waar door het gevoelen van de aanraaders der paisbreuke te meer aanziens verworf, en tot schoore 's gemeenen volx geneeghenheit, die by voorzightighe Vorsten altyds +van groot gewight is. Ook volghde daar op, dat desgelyx alle scheepen, goederen, en persoonen der Spanjaarden en Neederlanderen, die hunne zyde hielden, in Engelandt beslaaghen werden. Ten laatste quaamen daar, op den zesten van Hooymaant, de Staatsche gezanten. Op den neeghenden gaf hun de Kooningin gehoor: doende Menin het vertoogh, met aanmelden, hoe de Staaten, zorghvuldigh voor de behoudenis van 't waare geloof, tot haar, die te rechten den tytel van diens beschermster voerde, hunne toevlucht naamen, om zoo wel een' eeuwighe slaaverny der ziele als des lichaams t'ontgaan: hoe haare Majesteit, aanveirdende +de vereenighde gewesten, zich in 't volle bezit van de heerschappye der zee, haare onderdaanen in onsteurlyke veiligheit zouw zetten: voorts met woorden weinigh verscheelende van de geene, die Leoninus by den Kooning van Vrankryk gebruikt had. Hy eindighde zyn zeggen met ooverleevering der punten, waar op zy gebeeden werd de Hooghe ooverigheit t'ontfangen. Elizabeth, gelyk haar de tong wonder wel hing, om de invallen van den geest met aardigheit van taale +te uiten, bedankte hen ooverheuschelyk, voor zoo een' perle, als het was aan haar' Kroon, dat men haar allereerst, en voor 't beroepen des Hartoghen van Anjou, booven alle mooghentheeden der werelt verkooren had, om haar tot de vorstlykheit der landen te noodighen. Waar door zy zich verplicht kende de handt aan hen te houden, t'haaren uitersten aadem toe. Zy zoude dien van haaren Raade de punten t'ooverweeghen geeven, ende zien, wat daarop, behoudens haare eere, gedaan konde worden; zonder 't antwoordt te verwylen, gelyk hun elders weedervaaren was. Sint quaamen de gezanten meermaals in gesprek met de achtbaarsten van den Raadt, en stonden ernstelyk aan, om, voor eerst,
+gerieft te worden met vier of vyfduisend mann', te besoldighen by de Kooningin, en te gebruiken tot ontzet van Antwerpen, neevens tweeduizent andre, die d'ooverste Norrits, met verlof van haare Majesteit, uit en tot laste der Algemeine Staaten, lichtte. En als Norrits noodigh vond, om de verlossing der stadt wis te neemen, noch daarenbooven twaalf oft vyftienhondert knechten te werven; zoo beloofden zy gezanten, den Raadt van Staate, daar toe te bewillighen, en ooverquaamen met hem noopende de penningen, te besteeden aan de werving. 'T leed +eevenwel aan tot op den tweeden van Oestmaant, Engelschen styls, eer dat men hun, van bystandt yet eighentlyx toeleide. Toen werd'er verding gemaakt. Dat de Kooningin, om Antwerpen t'ontslaan van 't beleg, zouw vierduizent knechten aanneemen, ooverzeinden, en onderhouden drie maanden lang: van de penningen, daar toe verschooten, voldaan worden, drie maanden naa 't ontzet; ofte, zoo dat niet gelukte, een jaar naa den dagh der monsteringe: immiddels de steeden van Sluis en Oostende in haar gewoudt hebben. Het aanbodt der Hooghe Ooverigheit sloegh ze eindelyk af. Immers zoo luttel lustte 't haar, zich aan een' eeuwighe bescherming der landen te vertuyen, die van gelyken last en minder luister zoude weezen. +Dies begon men te handelen op zeekere hulpe, die, zoo lang als het oorlogh, te duuren hadde. De gezanten verzochten, op onderpandt van den Briel en Vlissinge, tienduizent man te voet, tweeduizent te paarde; doch daalden allenskens tot op de helfte; aan 't bedingen van welk getal ten minste, booven 't geene dat tot de bezetting der twee voorzeide steeden vereischt werd, zy, by hunne lastbrieven, gebonden waaren. De Engelschen booden vierduizent knechten met vierhondert ruiters. Ende mits de Kooningin plat uit weigherde hoogher te koomen, zoo naamen de gezanten dit aan, onder besprek van indien de Staaten daar in bewillighden. +Hier af werd een bescheidt gemaakt, dat op deezen zin uitquam.
+De Kooningin zal, ten behoeve van d'Algemeine Staaten der vereenighde Neederlanden, booven zeeven hondert, te gebruiken tot bezetting der plaatsen van onderpandt, terwyl men daar oorloght, onderhouden, vier duizent mann' te voet', en vierhondert te paarde, onder eenen Ooverste van naame, aanzien, en den waaren Christelyken geloove.
Wen de Landen in vreede gestelt zyn, zullen zy, binnen twaalf maanden +daar naa, weeder te berde brengen de penningen by haar verschooten in 't +eerste jaar, en voorts de reste binnen vier achtervolghende jaaren, by gelyke deelen.
Tot verzeekering voor de betaaling, zullen de Staaten, binnen een' maant +naa 't voltrekken deezes verdraghs, stellen, in handen van Ooversten, te maghtighen by haare Majesteit, de stadt Vlissingen met het Slot Rammekens in Walchere, en de stadt Briel met de twee sterkten daar toe behoorende, in Hollandt; omme voor haar gehouden te worden, tot dat haar 't geleende geldt ten volle zy goedt gedaan binnen de stadt van Londen: ende zal ook een deel der voorzeide vierduizent knechten en vierhondert ruiteren mooghen dienen, tot bezetting van eenighe andre plaatsen der vereenighde gewesten, zoo de Staaten zulx, tot onderhouding van de rust en eendraght der zelve, raadzaam vinden, ende aan haare Majesteit oft haaren Algemeinen Ooversten verzoeken.
+De plaatsen van onderpandt hebben voorzien te blyven van geschut en andre krysbehoeften, in zulker gestalte als d'Algemeine Ooverste haarer Majesteit verstaan zal tot de bewaarnis noodigh te weezen: mits dat men alles behoorlyk aanteekene, om daar af naamaals te mooghen verantwoorden.
+Uit de gemelde steeden en sterkten, zullen der Staaten bezettelingen, doch geen' andre luiden van soorte, die daar woonen en van der Wet zyn, vertrek-
ken; +op dat de Ooversten haarder Majesteit daar mooghen gebieden, in 't geen de behoudenis der plaatsen raakt, zonder zich in 't stuk der burgherlyke regeeringe te steeken.
+De Ooversten en soldaaten, daar leggende, zullen geenerley verstandt, onderhandeling, oft gemeenschap houden met den vyanden der Staaten, nochte gedooghen dat zulx door andren geschiede; maar, naar geleeghenheit, hun pooghen te krenken, en, booven al de plaatsen wel te bewaaren.
+De voorzeide plaatsen zullen, geduurende 't pandschap, begreepen blyven onder d' Algemeine vereenighing, en onder de bezondre van haare gewesten, voor zoo veel als aangaat den burgherlyken standt, de voorrechten, wetten, vrydoomen, gewoonten, en andre dingen, niet raakende de verpanding: zal meede, aan der Staaten Amptluiden en Majestraaten, staan het beleidt van de zaaken der zelve plaatsen; zonder dat zy, oft haare burghers oft inwoonders, zullen mooghen bezwaart worden met eenighe opstellingen, beeden, oft andre lasten, van weeghe haarder Majesteit oft haarder krysluiden.
+Haare bezettelingen zullen gehouden zyn tot betaaling der tollen en opstellinghen, gelyk andre elders leggende: mits dat men hun van nu voortaan, met geen' nieuwe opstellingen bezwaare, buiten verlof van den Algemeinen Stadthouder haarder Majesteit, oft van den oppersten Veldtheer.
+Op dat de burghers en inwoonders der voorzeide plaatsen geenen ooverlast van de soldaaten koomen te lyden, by gebrek van goede orde en behoorlyk onderhoudt, zal haare Majesteit zorghe draaghen voor de betaaling, en 't betrachten der krystucht: ook zullen zy, nochte de handelende man aldaar, gemoeit worden om eenighe voldoening van 't geene, waar toe zich de Staaten oft Landschappen, by dit verdragh, verbinden; mits dat zy, van hunner zyde, 't geene doen, waar toe elk in 't bezonder, voor zyn eighen hooft verplicht is.
+Naa 't betaalen der geleende penningen aan haare Majesteit oft haaren naazaat, zal men de boovengenoemde steeden en sterkten, met al 't geschut, ende krysbehoeften, niet verbeezight in 't beschermen der plaatsen, aan de Staaten voorts weeder ooverleeveren, ende geenszins aan de Spanjaards, oft andre hunne vyanden, nochte aan eenighen andren Vorst.
+De Ooversten, aldaar gestelt uit naam der Kooninginne, zullen, aan haare Majesteit, samt aan de Algemeine Staaten, trouwe zweeren, en de plaatsen te verdaadighen, en te behouden by den waaren Christelyken Godsdienst, gelyk die jeeghenwoordelyk, zoo in Engelandt als in de Neederlanden, geoeffent wort; ook dit verding t'achtervolghen ende te doen achtervolghen, zoo veel als hun toestaat: de Hopluiden, Bevelhebbers, en soldaaten, hebben den zelven eedt te doen, ende voorts van gehoorzaamheit aan hunne hoofden; gelyk ook de burghers en inwooners den eed van getrouwigheit aan haare Majesteit.
+Het krysvolk, te velde leggende, zal men herberghen en spyzen voor eenen reedelyken prys, ende niet bezwaaren met eenighe tollen op eetwaaren oft andre nooddruft; maar in alles handelen gelyk andre soldaaten van d' Algemeine Staaten.
+Aan de Ooversten zal men, t'elker maant, betaalen de soldy van 't volk, geleidt van haare Majesteit in de voorschreeve plaatsen; mits dat het getal van die niet grooter zy, dan van de voorighe gewoonlyke bezettingen, daar onderhouden zes maanden voor de ooverleevering; zonder dat men nochtans, indien 't met de betaaling acht oft tien daaghen langer aandraaght, daar oover berispt warde.
+Den Ooversten en bezettelingen warde toegelaaten de vrye oeffening van den Godsdienst, althans bevestight in Engelandt, en hun, te dien einde, in elke stadt een kerk toegevoeght.
+De bezettelingen heeft men te handelen, gelyk de voorighe zyngehandelt ge-
weest, +zoo aangaande de huizinge, als de mondtkost: ende zullen de Staaten orde stellen, dat zy de eetwaaren tot reedelyken pryze mooghen bekoomen, gelyk de burghers en inwooners: ook zal men hun voorzien van buskruidt, lonten, koegels, gelyk men de voorighe voorzien heeft, en de soldaaten, leggende in andre plaatsen der gemelde landen, gewoon is te voorzien.
+Het staa haarder Majesteit vry, in den Raadt van Staate te stellen, booven haaren Algemeinen Stadthouder, noch twee haare onderdaanen, luiden van soorte, en van den voorzeiden Godsdienst; ook, in den krysraadt, wen 't noodigh zy, te brenghen alle zoodaanighe, als haar Algemeine Stadthouder, naar eisch van zaaken, daar toe zal bequaam vinden: ende zullen de Hoofden van de bezettingen der voornoemde steeden vryen toegank hebben ten Raade van Staate, als zy 't voor oorbaarlyk aanzien, om eenighe zaaken, belangende den dienst van haare Majesteit oft de bewaarnis der plaatsen hun toevertrouwt, voor te draaghen; zonder nochtans daarom geacht te worden voor Leeden van dien Raadt.
+Haare Algemeine Ooverste zal, met den Raadt van Staate, vermooghen, de misbruiken, in 't stuk der * opstellingen, en zaamelingen van gelde, te richten, en 't oovertal van Bevelsluïden af te snyden; ook de penningen te doen besteeden ten meesten oorbaar der gemeente, teeghens den vyandt, zoo wel ter zee als te lande.
+De zelve haare Ooverste en de Raadt van Staate zullen de misbruiken van de munte der voornoemde Landen beeteren, ende de penningen, brengen tot minder en behoorlyk getal: ook zullen de * soorten der voorzeide penningen, oft andre daar gank hebbende, niet mooghen worden verhooght tot meerder prys, buiten verlof van haare Majesteit oft haaren Algemeinen Ooverste.
+De Kooningin oft haar voorzeide Stadthouder van haarent weeghe, gezaamentlyk met den Raadt van Staate, zal bevorderen, dat de regeering in haare voorighe achtbaarheit herstelt warde; dat men ook de krystucht verbeetere en op 't ernstighste onderhoude: welke althans beide zeer vervallen zyn, door de gelykheit der maght van de regeerders, en door vermengeling der Raaden.
+De voorzeide Ooverste, met den Raadt van Staate, zal voorzien op alles, dat de gemeene welvaart raakt: welverstaan, dat hy niets doe oft vernieuwe tot hinder van den gemelden Godsdienst, oft van de Hoogheeden, wetten, voorrechten, gewoonten, vrydoomen, keuren, en de ordeningen der Staaten, gemeenten, gilden, oft inwoonderen van de zelve landen, in 't gemein oft bezonder.
+De voorzeide Staaten zullen in 't gemein oft in 't bezonder, met den vyandt niet handelen, zonder weeten en bewillighing van haare Majesteit; nochte met eenighen Vorst oft uitheemsche mooghenheit, buiten kennis van haar oft haaren Algemeinen Stadthouder.
+Ook gelieve haarder Majesteit, met den Kooning van Spanje, oft andren vyandt der Staaten, niet te handelen, van eenighe zaaken, roerende den staat der vereenighde gewesten in 't gemein oft bezonder, buiten raadt en toestandt der Algemeine Staaten, wettelyk daar op beroepen.
+De aanneeming, ook de betaaling van al het uitheemsch krysvolk, noodigh tot de bescherming der Landen, zal geschieden door den voorschreeven Stadthouder en den Raadt van Staate, met bewillighing der Algemeine Staaten.
+By afsterving oft verandering van eenighen Ooversten der gemelde Landen oft hunner grenzsteeden, zullen de Staaten van 't gewest, daar zulx voorvalt, twee oft drie persoon van soorte, en van den voorschreeven Godsdienst, noemen: uit welke de zelfste Stadthouder en Raadt van Staate, eenen hebben te kiezen en te stellen.
+Wanneer de Kooningin scheepen ter zee zeindt, tot de gemeine bescherming,
+in geval dat de vyandt eenighe vloot, in de engte tussen Vrankryk en Engelandt, oft tussen Engelandt en Neederlandt braghte, zoo zullen de Staaten eeven veel scheepen uimaaken als haare Majesteit: welverstaan, als het getal en 't bekostighen der zelve niet gaa booven 't bestek, baarder Majesteit aangebooden, uit naam des Prinsen van Oranje, Hooghloflyker gedachtenisse, door den Heer Deyer, in 't jaar vyftienhondert vierentachtentigh; 't en waare dat de noodt meer vereischte, en de Staaten het draaghen konden: welke scheepen zich voeghen zullen by de geheele vloot, die te staan heeft onder 't gebiedt des Ammiraals van Engelandt: doch zullen de buiten, onder de Amptluiden van haare Majesteit en de Staaten, gelyklyk gedeilt worden, naar gelang van de kosten, by elke zyde gedaan.
+De scheepen van de Kooninginne zullen altyds vrye in- en nitvaart mooghen hebben, tot alle haavenen ende gaaten der voorzeide Landen, ende aldaar geryft worden van eetwaaren tot reedelyken pryze: ook zullen weederom de oorloghscheepen der zelve Landen gelyke vryheit en ge voeghlykheit, in Engelandt en d'andre Kooninkryken haarder Majesteit, genieten.
+De geschillen, die tussen de voorschreeve Landen, oft eenighe steeden der zelve, moghten koomen te ryzen, zullen, zoo zy door gewoonlyken wegh van rechte niet zyn needer te leggen, aan haare Majesteit, oft haaren Algemeinen Stadthouder, gestelt worden, en beslecht by haar, oft hem en den Raadt van Staate, binnen de vereenighde Landtschappen.
+Men laate den onderdaanen haarer Majesteit toe, hunne paarden, gekoft in de voorzeide gewesten, naa Engelandt oover te scheepen, des zullen zy de gewoonlyke gerechtigheeden betaalen, en de paarden van daar niet elwaarts vervoeren mooghen.
+De onderzaaten haarer Majesteit, die van 't getal oft lichaam des voorschreeven onderstands zyn, zullen, wen zy begeeren weeder naa Engelandt te keeren, vryelyk mooghen heenen gaan, zonder anderen verlof, dan vryereizbrief onder handtteeken en zeeghel van haaren Algemeinen Stadthouder: mits dat het getal haarder krysluiden vol blyve, en de +Staaten niet zullen gehouden zyn, eenighe onkosten te draaghen, van 't lichten +en ooverscheepen der geenen, die gebraght worden om de plaatsen der afgedankte te vullen.
De Algemeinen Ooverste, de Hoofden, Kornellen, Amptluiden, samt alle andre soldaaten en der Kooninginne, zullen doen den gewoonlyken eedt, +als te voore gedaan is, aan de Staaten der Landen: onverkort hunne plicht van hulde aan haare Majesteit.
Hier op naamen de gezanten hun afscheidt, en trokken, om het verding by hunne meesters te doen bevestighen, naa huis; uitgezondert Noordwyk, Valk, Buis en Aisma. Deeze, blyvende noch in Engelandt, braghten, met hulp der ongelukkighe tydinge van Antwerpens val, zoo veel by de Kooningin te weeghe, dat zy haaren bystandt vermeerderde, eerst tot op het getal van vyfduizent knechten, daarnaa ook van duizent ruiters, te houden, booven drie vendels, elk van hondert en vyftigh koppen, om de stadt Briel met de twee daar bygeleeghe schansen, in Hollandt te bewaaren; en zeevenhondert mann'ten behoeve van Vlissinge en Rammekens, in Zeelandt: mits dat men haar toestondt, in elk der andre gewesten een' stadt oft sterkte te kiezen, en met Engelsche knechten uit de vyfduizent +te bezetten. Al 't welk d'Algemeine Staaten aannaamen en inwillighden, verlydende daar af, op den tweeden van Wynmaant, een bescheidt, dat ook by haaren Ambassadeur Davidson, herwaarts gezonden om de bekrafting des verdings te vorderen, onderteekent werd. Tot gedenkenis van dit verbondt, sloeghen de Zeeuwen eenen penning, waarop ter eene zyde
+'t waapen van dat gewest stondt, een Leeuw, ryzende uit de zeebaaren, +en dit byschrift; Luctor & emergo: Ik worstel en koom op: ter andre zyde de waapenen der steeden, en Authort Deo, favente Regina: Door aanleg Gods, en gunst der Kooninginne. Zy deed een verdaadighschrift +drukken, meldende, Dat de ouwde verbintenissen, niet alleen tussen de Engelsche Kooningen en Neederlandsche Vorsten, maar ook tussen de volken, geestelykheit, Aadel, en steeden, van weederzyden, tot onderlinge vrundschap, +gemaakt waaren. Hoe de Spanjaards, met onmenschelyke wreetheit, de Neederlanders geplaaght hadden, ook verscheide scheimsche aanflaaghen ontworpen oft gequeekt, tot verstooring van haaren Staat; onaangezien de vlyt by haar aangewendt in 't arbeiden tot pais, en 't verhinderen +van eenen volkoomen afval der Landen. Waar oover zy behoorlyk vond den Algemeinen Staaten de handt te bieden; enkelyk op dat de Neêrlanders hunne voorighe vryheit genieten moghten zy met haare onderdaanen in veiligheit zitten, en de koophandel, tussen de twee volken, veiliglijk gedreeven worden. Teffens om den Spanjaardt werk te geeven, eer hy haar t'haarent bezochte, zond ze Fransois Draak voor Ammiraal, Christoffel Carlile voor Ooverste te lande, met een' vloot van eenentwin tigh scheepen, daar drieëntwintighhondert vrywillighe soldaaten en bootsluiden op waaren, naa Westindie. Als die van Hamburgh vernaamen +dat het verdragh volraamt, en deeze toght op handen was, schreeven ze aan de Kooningin, om toezeg te verwerven, dat haare scheepen den hunnen +de Spaansche vaart niet beletten zouden. Waar op zy tot antwoordt kreeghen, dat haare Majesteit niet verstond haaren ouwden bondgenooten, zoo de pais bestonde, in het dryven des koophandels, eenighe verhindering te doen: maar, ingeval van oorlogh met Spanje, hoopte zy, dat men haar geen' toelaating van kooren en krysgereedschap derwaarts te voeren, tot naadeel van haaren Staat, zoude willen verghen. Ende, als echter de Henzesteeden zich niet onthielden van graanen, waapenen, +buskruidt, en diergelyke behoeften naa Spanje te zenden, zoo werden verscheide haare scheepen, in den jaare vyftienhondert neeghenentachtigh, van de Engelschen aangetast en verbeurt gemaakt. De Prins van Parma, terstondt naa 't voltrekken des handels met Antwerpen, deed, in etlyke Staatsche steeden, brieven van eenen zelven inhoudt strooyen, waar by hy ze, zoo met glimpighe aanbiedingen, als vertoogh van de machteloosheit haarder partye, pooghde t'hemwaarts te lokken. Doch, in Hollandt, werd'er, dat men weet, niet gevonden dan een ter Goude in 't Tolhuis: den welken, gedaghteekent den achtienden van Oestmaant, +de Wethouders eerst den derden van Wynmaant, in der Holland sche Staaten vergaadering braghten. Voorts rustte hy toe om Berghen op Zoom te beleegheren: maar, verstaande dat de Steêvooghdt Market lucht daaraf had, en geschikt goeden voorraadt van mondt en oorlogh in te kryghen, +liet dit voorneemen vaaren. Ook waaren deEngelschenu aan 't ooverkoomen, zyn' ruitery merklyk gezwakt; en de lyftoght zeer schaars aan zyne zyde, inzonderheit het kooren. En d'Algemeihe Staaten aangeport van Graaf Maurits en den regeerenden Raadt, deeden, door den zelven, volghends besluit by hen genoomen den achtentwintighsten van Oestmaant, om deeze schaarsheit meer te scherpen, allen uitvoer van spyze verbieden. Doch de Staaten van Hollandt vonden hierinne zwaarigheit, en beslooten op den achtsten in Herfstmaant, het zeinden van allerley waaren, behalven graan, botter en kaaz, uit dien geweste, naa Breeme en opwaarts naa Ooste, toe te laaten: mits borgh gestelt wierde voor den haaring en 't zout, dat des niet naa den vyandt zouw gaan. Ook gaaven d'Algemeine Staaten den voorzeiden Raade last om
+etlyke vrybuiters aan te neemen, die den toevoer naa 's vyands landen te +beletten hadden, en de lorrendrayers (zoo noemde men de geenen die ter sluik yet derwaarts braghten) aan te haalen. Maar de regeerders van Dordrecht, daar het der burgherye verdroot, mits men de stroomen opwaarts aan niet bevaaren moght, zonder neering te zitten, terwyl de zeesteeden +de haare hielden; verzochten aanstendighlyk een' algemeene sluiting. Dies beschreef men de Staaten van Hollandt weederom, teeghens den zeevenentwintighsten, voor middagh, op verbeurte der stemme. Als derhalven een Burghermeester, en vier Raadspersoonen, gemaghtight by die van Amsterdam, op den zesentwintighsten naa den Haagh vertrokken waaren, kreegh * d'Ontfanger der geleigelden schryven, gedaghteekent den drieëntwintighsten, by 't welk hem, van Graave Maurits +en de regeerenden Raadt, op hooghe peenen verbooden werd, eenigherley eetwaaren uit den Lande te laaten gaan. Waar oover die van Amsterdam, daar een' groote meenighte van gelaade scheepen zeilreedt lagh, hunnen gemaghtighden aanschreeven, dat zy alle vlydt, by zyn' Genaade en den voorzeiden Raadt, hadden aan te wenden, ten einde het verbodt, als gedaan teeghens 't besluit van den achtsten, weederroepen wierde. Doch, hoewel zy vertoonden, dat het verhinderen van de reize der scheepen, die verscheide toagelaate koopwaaren in hadden, en voor den winter het kooren uit Ooste herwaarts te brengen, de Landen niet alleen met onbenoeghen van den Deenschen Kooning en andre Mooghentheeden; maar ook met groote dierte, dreighde: men zette hen af, met zeggen dat de zaak niet aan den Raadt, maar aan d'Algemeine Staaten stondt, alzoo t'hunner begeerte 't gemelde schryven aan den Ontfanger was afgeveirdight. De gemaghtighden antwoordden; dat het enkelyk uit naame van den Raadt sprak; waar oover zy zich aan niemandt anders richten konden: en, als men hun echter aan d'Algemeine Staaten wees, verklaarden, dat, by weighering, de regeerders van Amsterdam zelf zouden moeten orde stellen op het uitvaaren der scheepen, volghends 't besluit van den achtsten; naar 't welk de Staaten van Hollandt den Ontfanger, die hun alleenlyk by eede verplicht was, meede by zendbrief, op zwaare straffe bevoolen hadden zich te schikken. Thans vervoeghden zy zich by de gemaghtighde Raadsluiden der Hollandsche Staaten, en verworven aldaar nieuw schryven, waar by d'Ontfanger belast werd, de scheepen te laaten vettrekken. Want, onder der Algemeine Staaten besluitingen van den driëntwintighsten en van etlyke daaghen te voore, bevond men van 't voorgewende begeeren niets te boeke: maar wel, dat Meetkerke, van wien, in den Raadt van Staate, het woordt teeghens d'Amsterdamsche gemaghtighden gdvoert was; ten voorzeiden daaghe, neevens andre zyne amptgenooten, in de vergaadring der Algemeine Staaten, oover groote noodt van gelde geklaaght +had, en voorgeslaaghen van eenigh zout uit den Lande, en eenighe laakenen naa Antwerpen, te laaten gaan, waar af groot geldt zoude koomen. Jaa 't bleek, dat het verbodt, nocht aan de oorloghscheepen, op de wacht leggende, nocht aan eenighen Ontfanger van geleigelden erghens in Hollandt gedaan was, dan alleenlyk t'Amsterdam. Dies niet teeghenstaande, onderwonden zich, zonder hunne Majestraat daar in te kennen, de Burgherhopluiden van Uitrecht, op een zweevend gerucht, oft argh aangeeven van eenighe uitheemsche, onrustighe geesten, den Algemeinen Staaten, en den Raadt van Staate, door afgezonde luiden, aan te dienen. Dat hun ter ooren gekoomen was, hoe zeeker koopman, lidt der Amsterdamsche regeeringe, zich niet geschaamt had, aan den Raadt te verzoeken, dat dien van Amsterdam, voor eenen geringen tydt, toe-
gelaaten +wierde, etlyke scheepen uit te voeren. Hoe de zelve koopman, afgeweezen van den Raadt aan d'Algemeine Staaten, van hun zeer afdraghtelyk en smaadelyk gesprooken had, vraaghende wie zy waaren, ende wat zy vermoghten te gebieden oft verbieden. Hoe hy, kunnende van den Raadt niet anders verwerven, en willende d'Algemeine Staaten zoo verre niet kennen, als aan hen verzoek te doen, ten laatste had uitgesmeeten, dat de scheepen nochtans vaaren zouden, daar quaam' af wat het wilde: gelyk men ook verstond in der daadt geschiedt te zyn. Dat luiden van zulk een' vermeetelheit de zwaarste straf van Majesteitschenderye verdienden, als trachtende den Staat ten val te brengen, met breeken van den bandt der vereenighinge, door 't vertreeden van des regeerenden Raads, en der Algemeine Staaten achtbaarheit; tot handthaaving der welke zy Hopluiden hunnen ootmoedighen dienst, en de middelen van alle vroomeingezeetenen, zoo der stadt, als des Lands van Uitrecht aanbooden: verzoekende voorts, dat men, om de herwaartskoomst des Graaven van Leicester te spoeyen, terstondt aan de Kooninginne van Engelandt zonde, oft schreeve ten minste; en het bestuit, genoomen teeghens 't uitvoeren van goederen, scherpelyk deede achtervolghen; ook de vryereizbrieven afschaste, waarmeê zich de vyanden beholpen, om tussen Antwerpen en deeze landen oover en weeder te gaan, en heimelyk verstandt tot bederf der zelve te stichten. De Algemeine Staaten en de regee rende Raadt, dewyl nocht de reede van staat, het looven van zoo een' bezendinge roeliet; nochte zy, zoo ten aanzien van den tydt, als van bedenkingen hen eighentlyk raakende, het bestraffen der zelve dienstigh oordeelden; antwoordden zachtelyk, Dat ze de vertooners bedankten voor +hunnen yver tot het gemeene beste: en hun vertoogh, hoewel zy 't wel behoort hadden aan hunnen Majestraat, oft de Staaten 's Lands van Uitrecht te richten, nochtans in 't goede naamen; gelyk, by orde alreeds daar op gestelt, ende noch te stellen, tot yders billyk genoeghen zouw bevonden worden. Maar d'Amsterdamsche Wethouders, zich belgende deezes bedryfs, naar gelang van den hoon hun in den persoon hunnes Burghermeesters gedaan, en van de wanorde waartoe het scheen. de deure te oopenen, schreeven daar oover zeer ervoelighlyk aan d'Algemeine Staaten en de regeerders van Uitrecht. Zy leeverden ook ter vergaadringe der Staaten van Hollandt een scherp verdaadighschrift in; by 't welke gezeidt werd, dat de woorden, gevallen in den regeerenden Raadt, valschelyk verdraait waaren; en dat men daatlyk middelen, tot bedwang van zoodaanighe wargeesten, opruyers der Burgherhopluyden, behoorde by de handt te vatten. De Majestraat van Uitrecht gaf den Hopluiden te verantwoorden, 't geen zy, zonder haar, begonnen hadden. Die keerden zich tot de Burgherhopluiden van Amsterdam, en wisselden, met hun, op dit stuk, eenighe brieven; welke, oft schoon d'Amsterdamsche hunne Ooverheit droeghen, nochtans heuschlyk ingestelt waaren, en weederzydelings tot vriendschap en eendraght noodighden. Tot de zelve werden immiddels partyen vermaant, by schryven van Graave Maurits en den regeerenden Raadt: zoo dat het geschil, waar uit men meer ongemaks vreezde, niet hoogher liep; hoewel der Algemeine Staaten +besluit van den achtentwintighsten in Oeftmaant, voor zoo veel als het teeghens der Hollandsche Staaten besluit van den achtsten in Herfstmaant streed, geschort bleef. En zeeker (zoo die van Amsterdam in hunne ontschuldighing zeiden) een zwak getal van persoonen had het geraamt; zonder eighentlyk daar toe van hunne Landschappen gelast te weezen. Maar, ten opmerke van 't aanhouden der Hollandsche en Zeeuwsche scheepen, werd alle vaart derwaarts, en naa andre gewesten, staande onder dien Kooning, verbooden. Geduirende dit stribbelen oover
+'t uitvoeren der lyftoght, verzorghde men Arnhem met voorraadt van +mond' en oorlogh; braght'er voorts een deel ruiters en knechten in, by bewillighing van de Ooverheit der stadt. De bezetting van Kampen werd versterkt met eenigh volk, eer het de Wethouders vernaamen. Te weeten, Hopman Wolfwinkel, leggende noch aldaar, gaf den Burghermeester in +der tydt aan, dat vyftigh oft tsestigh krysluiden by der handt waaren, met bevel om in te koomen: maar, als die sprak van eerst de Majestraat te doen vergaaderen; ging naa de poort, en bekallende de wacht, holp de soldaaten, zonder ongemak, binnen. De Staaten van Hollandt, op +dit pas, vonden zich in zulke benauwtheit van geldt en geloof, dat zy, zoo om den oorlogsvolke, gescheiden uit de schansen ontrent Antwerpen, als om den vlootelingen, samt eenighe waapenen en andre noodtlykheeden te betaalen, anderhalve tonne schats, tot twaalf ten hondert voor fret, en een ten hondert voor maakelardy, moesten opneemen. Ooveral faald' ontzigh. Etlyke burghers van Uitrecht, daar onder een koster der +Buurkerke, darden der Majestraat wel aanverghen, dat men, dewyl Villers des vyands gevangen was, in zyn plaats den Graaf van Nieuwenaar, tot Stadthouder oover 't Sticht zoude stellen. Zynde hun daarop geantwoordt, +dat zulx der Staaten werk was, bestonden zy uit te vaaren met fors en oneerbiedigh spreeken; en, als de Schout, Niklaas van Zuilen, eenighen daar oover in hechtenis neemen wilde, begosten d'anderen te roepen, dat hy zich des te hoeden hadde, oft zy zouden ze met geweldt uit zyn handen scheuren. Nochtans, hoewel 't wanvoeghlyk en van quaaden gevolgh is, ook geen dank daar meê te begaan, dat de Ooverheit aan 't grauw yet uit vreeze schynt toe te geeven, de Staaten van dat gewest bevaalen op den eenentwintighsten in Herfstmaant, by maniere van voorraadt, tot dat Villers verlost waare, de landvooghdy dien Graave. De zelve, gekoomen, ontrent veertien daaghen daarna, in de Beetuw, beleegherde, +met achtien, eensdeels Engelsche, eensdeels Duitsche vendels, de schans by Ysseloordt, en beschootze, zoo van de Veeluwsche als van de Beetuwsche zyde, met neeghen donderbussen, waar onder twee heele kartouwen waren. Echter, al wat hy brak, hermaakten strax de schanselingen: en deeden eenen uitval, die den Hopman Willem van Doorn het leeven kostte. Zy sloeghen ook eenen storm af, die zonder voorgaan van graftvulling en behoorlyke oopening gedaan werd, op toeverlaat van drie +scheepen met marsen, waar in etlyke soldaaten laaghen, om de verweerders, met schieten, van den wal te dryven. Dan twee der scheepen raakten vast aan den grondt; en de soldaaten, begroet met zwermen van teirlingen geworpen uit een veldtstuk, begosten zich oover te geeven. 'T meeste getal ontquam nochtans, met de scheepen, alzoo zy, verlicht door 't +uitspringen der andren, vlot werden, en weghgevoert van den windt, die de zeilen noch gespannen vond. Ten naasten daaghe, als men gelaat maakte van de beleegherden andermaals te willen bestooken, verzochten ze +gesprek, en bedongen uittoght met hunne waapenen, zonder trommen, zonder vendels. Van hier nam Nieuwenaar zynen wegh naa een blokhuis, geleeghen booven Huissen, aan 't Berghsche hooft, en onlanx te vooren ingenoomen, door den heer van Hautepenne, die den Hopman Reinier van Oldenbarneveldt, en zyn' knechten, naa 't weederstaan van eenen aanval, had doen vertrekken, alleenlyk met hun zydgeweer, en onder +belofte van binnen zes maanden, den Staaten in dien oordt niet te dienen. Deeze sterkte, met drie groote stukken, al den voorraadt van oorlogh, en den Hopman zelf, die een gebooren Turk was, werd den Graave oovergegeeven, als hy zyne naadernissen zoo dicht aan den wal gebraght had, dat men dien met lange spietsen bereiken kon. De bezettelin-
gen +gingen uit, met pakkaadje, en vollen geweere, op den drieëntwintighsten +van Wynmaant. 'S nachts te voore, begaaven zich ontrent driehondert, zoo burghers als soldaaten, van Niemeeghen, oover de Waal, naa het dorp Lent, om de Staatschen, die daar een' schans opworpen, te ooverrompelen. Maar d'andren vernaamen 't, en schikten terstondt hun 't weederomvaaren te beletten, met vermeestren der scheepen. Voorts viel men op de geenen, die te lande waaren, en versloegh ze meest alle. Zommighen, geweeken in huizen, werden met de zelve verbrandt. Ook hadden Nieuwenaar en Schenk verstandt binnen Niemeeghen, met eenen +Jan Haarents, die hun volk meinde in te laaten door eenen tooren, bewoont by hem aan de veste. En 't waare gelukt, wen hy zoo wel zyn' woorden als zyn werk hadde weeten te beleiden. Maar, naa 't uithoolen des muurs, zoo verre dat men dien lichtelyk van buiten voorts in smyten kon; als nu de meeste helft der bezettingen van Gelder, Graave, Venloo, en Wachtendonk, by der handt was, om 's nachts het stuk te bestaan; ontviel hem 's daaghs te voore, door dronkenschap, onder zeekre gezellen, hem wel toegedaan, zoo hy waande, dat hunne +vrienden gewisselyk haast weeder in stadt zouden keeren. Dit werd den Wethouderen gemeldt; hy daadelyk gevangen, en door pyne gebraght tot belydenis van alles; uitgezeidt het teiken, waar op die van buiten zouden aankoomen: naa 't welk te vraaghen, men schynt, mits het ylen, vergeeten te hebben. Een groove verzuimenis. Want de Staatschen, waare 't gegeeven, zouden'er van hunne veedren gelaaten hebben; alzoo de tooren tydtlyk voorzien werd met gewaapenden, om hen te betrappen. Nu kreeghen zy achterdenken, en deisden in stilte, zonder dien te genaaken. +'S andren daaghs bekoft Haarents de toomeloosheit zyner tonge met den hals. Eenighe andre burghers, die kennis van de zaak hadden, raakten behendelyk wegh, en met banning vry. Thans deed Nieuwenaar de schans tot Lent volbouwen, zwaare bussen daar in brengen, en fellyk, ook by wylen met gloeyende koeghels, naa de stadt schieten. 'T welk meer niet uitwrocht, dan dat het de huizen wat beschaadighde, en eens oft tweemaal brandt ontstak, die haast geblust werd. Kort hier naa verliepen de Kooningschen, uit de schans te Monnikenwaart, een' myl van Deeventer, en verbernden twee hunne jaghten. De +steedelingen des verwittight, naamen de geleeghenheit waar, en deeden terstondt den wal in de graft werpen. Terwyl zich dit toedroegh in deezen oordt, hadden wy ons bynaa in den Oostvrieschen, aan eenen nieuwen krygh vertuyt: laatende die van Embde zich dunken, dat zy, als onpartydigh zittende, vermoghten zoo wel met voorraadt van mond' en oorlogh, als met andere waaren, op 's vyands Landen te handelen; en de Staaten, dat zich zulx geenszins te lyden stond. Als derhalven Hopman Knoop, Ammiraal hunner vloote op de Eems, voorneemelyk om toevoer naa Grooninge te beletten, een goedt deel Embder scheepen, koomende uit der zee, had aangehouden; ende (gelyk ook zyn' meesters) +het ontslaan der zelve weigherde oft verwylde; zoo rustte de Graaf van dat gewest zes oorloghscheepen en etlyke jaghten uit; die, op den tweeden van Slaghtmaant, den voornoemden Ammiraal, om verlossing van hunne koopvaarders forselyk aanmaanden. Doch, hoewel hy, reeds needergezakt en op zyn voordeel leggende, rondelyk antwoordde, noch geenen last daar toe van zyne Heeren te bebben, zy speinden zich van daadtlykheit, en zonden naa Embde om naader orde. En, eer die quam, oft in 't werk gestelt kon worden, verhief zich op den vyfden, zoo hard een weeder, dat elk genoegh te doen had, aan zich voor bederf te hoeden. 'T schip daar Knoop op was, zonk: ende, ter naauwe noodt, dat
+hy zich zelven berghde. De aangehoude scheepen voeren ten deele naa huis, ten deele naa Delfzyl. Echter lieten de Staaten niet de Eems weederom te bezetten: en duurde deeze twist, zonder nochtans tot bloedstorting uit te breeken, noch eenen ruimen tydt. Jaa 't lie