terug  begin  verderprepost
[p. 1057]origineel

P.C. Hoofts Nederlandsche Historien
Vierentwintighste Boek.

+DE kryszaaken deezes jaars naamen bynaa met het zelve te gelyk haaren aanvang: vallende d'Ooverste +Taxis, dien de Grooningers rieden het weeder (want het vrooz toen zeer fel) en 't afweezen van Graave Willem niet te verzuimen, op den drieëwintighsten van Louwmaant, tot Vrieslandt in. Zyn' Genaade, des verkundschapt, oft maakende van zelfs die gissing, trad t'Enkhuizen, in een' schuit, zulx toegestelt, dat zy ook voor sleede kon dienen: en raakte daarmeê, nu getrokken oover 't ys, nu gevoert door het waater, tot Staavere. Juist 's daaghs te voore was de vyandt, uit dien hoek, dieper in 't landt getrokken, met derdhalfduizent mann' te voet, en vierhondert paarden. Waar door Graaf Willem zich den wegh naa Leeuwaarde zagh afgesneeden, ende niet by zynen Ooversten Steedehouder, Stein van Malts, eenen Deenschen Eedelman, te koomen; die zich meede, met duizent knechten, een' vaan ruiteren, in 't veld, en t'Oosterluttens geleeghert vond. De Kooningschen, hebbende meest al de laaghe landen der Wolden door gestroopt, ende voorts verby Sneek heen; wendden 't oogh naa de hooghte van 't Bilt, en diens gebuuren. Stein, waanende meer hinders te kunnen doen, zoo hy naader by Leeuwaarde laaghe, brak op, met het krieken van den zeevenentwintighsten, en rukte naa Buxum, een' halve myl van de stadt. Eenighe Hopluiden rieden hem tot Hillaart te toeven, tot dat het bleeke, werwaarts Taxis het gemunt hadde: dewyl men hier, binnen den singelwal en de graft van eenes Eedelmans zaate, al de troepen veilighlyk leegheren kon. Maar hy toogh voort, met den vyandt op de hakken. Want Taxis, verneemende dat het Vriesche volk zich, uit zyn voordeel, op het vlak begeeven had, rend' het daatelyk naa met zyn' paarden, en tornde aan de staart: waar oover veele knechten, om te beeter aan te stappen, hunne waapenen van zich worpen. Zy braghten 't echter tot Buxum aan: dan zoo wanschikkelyk, dat hen de Hopluiden niet weeder in orde konden kryghen, om zich te verzetten teeghens des Kooninx voervolk; +'t welk hun strax op den arm quam, hebbende, door dwang van Taxis, den meesten roof wegh gesmeeten. De busschieter, eevenwel gaf vuur, uit vier veldtstukken, en joegh etlyke yzers door de genaakende schaaren. +Een goedt getal ook van roerdraaghers en moskettiers queet zich eerlyk, doende in 't eerst veele bespringers sneevelen. Maar zy werden ooverstelpt; ontrent zeshondert mann', eensdeels gevelt, eensdeels gevangen. Stein vertoogh zich op de poort van een Eedelmans huis, daar hy in 's vyands handen viel. Gelyke weederspoedt hadden Hopluiden Grouwstyns en Willem Willemszoon; ook de Wachtmeester Michaël Haaghe: doch deez ontliep onderweeghe. Steins broeder, Hopluiden Wessel Mek-

[p. 1058]origineel

kamans +en Hidde Zybrands werden verslaaghen. Jan Babtist van den Heuvel, Aadelborst, broeder van Willem Bartelot van den Heuvel, meinde t'ontkoomen door een eng steeghken, maar vond het weedereindtdicht, en verloor'er het leeven: een moedigh jongeling, die, opgetooghen tot koophandel, den schryfbank geschupt had, met zeggen, dat hy zich liever wilde lam laaten slaan, dan lam zitten. De vendrigh Otho Klant, te fors om leevendigh van zyn vendel te scheiden, weigherde zich gevangen te geeven, en starf gewonden daar in. Aan d'andre zyde, deed +een Vriesch vendel, gevat by Graaf Oswaldt van den Berghe, hem voor eenen Staatschen vendrigh aanzien, en doorsteeken van zyn' vrienden. Graaf Harman, zyn broeder, werd gequetst. Kaarel van Deekama, en Hopman Henrik van Delde, die van den kleermaakers winkel door zyn' dapperheit was opgeklommen, bleeven'er; met meer gemeene soldaaten (zoo 't schynt) dan de Staatschen gelooft hadden. Want Verdugo, op schryven van Graave Willem om de gevangens, antwoordde, met eenen troostenden trek van heuscheit, dat 's Kooninx volk meede geen' geringen afbrek geleeden had. Wyders, uit het veldt, +waaraf Taxis door de waapenen was meester geworden, dreef hem een enkle stofreeghen. Deeze, beginnende met de neêrlaagh, recht op den middagh, joegh hem zulk een' anxt aan voor 't benarren zyner paarden door krenking van 't ys, dat hy, als zelf geslaaghen en vlughtigh, ten lande uit ylde, laatende al zyn' dooden leggen, de verooverde veldtstukken staan, en 't hooghe landt, oover de vaart tussen Dokkum, Leeuwaarde, en Fraaneker, ongeroert; daar nochtans de meeste rykdoom gezeeten was. Als men thans onderzoek op de gedraaghe schaaden deed, bleek dat die van Koudum, Molquerum, en Workum, hebbende standt gehouden met hunne persoonen en goederen, in toeverlaat op 's vyands brieven van * veilighe hoede, meest geplaaght en geplondert waaren, en schier al de gevangens, tot driehondert toe, uit dien oordt gelicht. Want andren, onvoorzien van diergelyke bescheiden, hadden zich tydtlyk door gemaakt, ontbindende hunne beesten, op dat de zelve moghten aan de hooyblokken hun voeder vinden. Het branden en blaaken, de wreedtheeden, bedreeven met schenden van wyven en maaghden, met vermoorden van oudt en jong, met meêsleepen van kraamvrouwen, gestorven onder weeghe, met doorsteeken en weghwerpen der onlanx geboore kinderen, met pynighen en kneevelen om onvergeldelyk +ransoen, deeden den geenen, die ze hoorden verhaalen, de hairen te bergh staan. Deeze schrik braght het gansche gewest onder brandtschatting. Zelfs burghers, jaa Wethouders van steeden, naamen, om gerustelyk hunne dingen ten platten lande te beschikken, oft uit d'eene stadt naa d'andre te vertrekken, in 't heimelyk Verdugos brieven van * veilighe hoede oft * vrye reize. Uit de Vriesche haavenen voeren naauwlyx eenighe scheepen, oft zy verlieten zich op zulke bescheiden. 'T welk zoo veel als half met den vyandt verzoent was: gemerkt zy, zich mooghende teeghens hem niet ter weere stellen, 't gevanklyk weghrukken der andren, onvoorzien van zyn zeeghel, met goeden ooghe aanschouwden; voorts pooghden eenen ygelyken flaauwmoedigh te maaken; en, waar het erghens pas gaf, tot volkoomen verdragh met den Kooning porden. Verdugo, ziende dit dus gelukken, nam het voor den rechten slagh, om den Staat van Vrieslandt allengskens t'onderdelven: en voedde de zucht tot vreede met trekken der gemoeden, door bewys van meêwaarigheit, erbarming, en verfoeying der gruwelen, gepleeght op deezen toght. Men had hem (liet hy zich hooren) met geduurigh morren en aanmoeyen, verlof daar toe afgedrongen: wel teeghens zyn

[p. 1059]origineel

+hart, dat hem de genaakende onheilen tuighde. Deeze gaaven hem voortaan stofs genoegh tot styf staan in 't weigheren. Huisluiden, echter, die op veilighe hoede zaaten, werden van zyn volk gelicht, ten uiterste gerantsoent, en alzoo op den mesthoop geholpen: oft by ooghluiking van hem, oft mits hy (gelyk zyn klaaghen was) by de ruiters geen gehoor had. D'ooverste Steêhouder Stein, t'huiswaarts ontbooden door den Kooning van Deenemark, al eenighe weeken voor dit verlies, had zyn afscheidt van Graave Willem en de Vriesche Staaten genoomen: doch, zynde, noch niet vertooghen ten tyde van 's vyands inval, zich tot deezen laatsten +dienst laaten gebruiken. Verdugo, die zeeker ln alles naa lof van beleeftheit stond; misschien ook hier in zocht der Majesteit van Deenemark te behaaghen, hield Stein, in plaatse van hem daar oover eenighen ondank te weeten, deeze eedelmoedigheit ten beste; en, als achtende dat hy, niet om der Staaten, maar om zyner eere wil, gevochten had, ontslaakt' +hem zonder losgeldt. Door den zelven, ook seedert door een' gavangen Eedelman, bood hy Graave Willem den brandtschat der Ommelanden aan, mits dat zyn' Genaade hem dien van Vrieslandt liete toekoomen; op dat men de boeren niet behoefde, met opzeinding van soldaaten, te bederven: voorts, dat d'een in den oordt des andren niet zoude laaten rooven, hy en waare kloek genoegh om steeden oft sterkten te beleegheren. Maar de Graaf oordeelde, dat, wen schoon de zaaken, aan zyne zyde, met d'Engelsche hulpe, gelyk hy hoopte, op beeter voet raakten, de luiden, eens verlekkert op de gesmaakte rust, met geen gemak weeder tot weighering van brandtschat zouden te kryghen zyn; en het buiten, zoo 't aan zwakke troepen verbooden wierde, voor eerst alleenlyk den vyandt vry staan; dewyl hy, hebbende 's Koonings +buidel te baat, met minder moeite een heir te velde kon brengen. Derhalven sloegh hy het een en 't ander af: hoewel t'oover bezeffende, dat dit der landtzaaten gunst, van hem tot Verdugo, die zulx daar uit verwachtte, keeren zouw. Midlerwyle vermaand hy de steeden en bezettingen tot vlytigh waaken; acht geeven op verdechtighde persoonen: en dat men zommighen der zelve deede vertrekken op onpartydighe gewesten; ten minste op 't platte landt, met belofte van eenen yghelyke, die zich stil hielde, zyn inkoomsten te laaten volghen. Dan dit werk haaperde. Want, niemandt zoo zeer in 't oogh, oft hy vond onder die van den Hervormden Godsdienst eenen, die voor hem bad, met +aanbieding van borghtoght. En 't weigheren scheen te hard in een' regeering die om haar' zachtigheit gewilt werd: harder, indien de verborghde zich quaame te verloopen, den geenen, die zich met goede meening borgh gestelt had, te starffen. En, wien 't licht stonde zynen vaaderlande trouw te breeken, zouw ze zynen vrienden niet houden: nochte, wie zyn eighen gevaar vergaate, om dat van eenen andren denken. Alzoo gedeegh deeze artzeny tot omroeren, en geen afdryven: wordende d'uitgeweezenen niet gelost, maar bet verbittert door 't schandmerk van oopenbaaren twyfel aan hunne vroomigheit, en geterght tot argher dan zy misschien te vooren in den zin hadden. Ook verworp hierom +Graaf Willem dit middel, als men 't naamaals weeder voordroegh. Thans zond hy gemaghtighden naa alle steeden, om, ten ooverstaan van de Majestraat, de eetwaaren, van huis tot huis, te bezightighen, en elken burgher op een zeeker gedeelte te zetten, dat hy gestaadelyk in voorraadt te houden had. Wyders, alzoo 't op nieuw aan 't vriezen sloegh, deed hy alle vaarten, van Dokkum af, naa Leeuwaarde, Sneek, Slooten, en Lemmer, meer dan zes mylen weeghs, oopen byten: schreef ook aan d'Algemeinschap om bystandt; waar toe Norrits onthiet kreegh.

[p. 1060]origineel

+Voorts ontbood men den derden der huisluiden op: 't welk in Vrieslandt +drieduizent mann' uitleeveren kon. Jaa de schrik scheelde zoo weinigh van wanhoop aan 't uitkeeren des vyands, dat achtbaare luiden spraaken van de vetste en rykste oorden des landschaps tot een eilandt te maaken, met slechten der dyken tussen Kuinder en Lemmer, Dokkum en Kollum, en loop geeven aan de vloedt uit d'eene zee in d'andre, door de delling die van Kuinder en Lemmer naa Dokkum strekt: mits dat alvooren op de Noordwester zyde der zelve een dyk geleit wierde, waar +toe verscheiden' ouwde konden te staade koomen. Hiermeede zouden alle steeden van Vrieslandt, uitgezondert Slooten, bewaart geweest zyn; ook gansch Westergoo, en 't beste van Oostergoo: dan de Zeevenwolden, en de Heidekant van Oostergoo, verlooren. Maar Graaf Willem zagh noch het quaadt voor zoo zorghlyk niet aan, dat het afsnyding +zulker lidtmaaten van 't lichaam vereischte. Korts naa den ramp te Buxum, onderwond zich een wyf den Steêhouder, die Lemmer bewaarde, om te koopen, tot ooverleevering der schanse aan 's Kooninx bezettelingen van Steenwyk. De Steehouder gaf dit zynen Hopman Dodde van Laar aan, die tot Slooten lagh: deez Graave Willem, door brieven: en zyn' Genaade hem berichting, hoe de Steêhouder, met gelaat van naa 't geldt te luisteren, zouw zien de meêplightighen te betrappen. Maar Dodde had nocht schryven nocht leezen; en zyn' huisvrouw, die hy daar toe gebruikte, geen zwyghen geleert. Dies werd de toeleg ruchtbaar, en slechts d'eerste maakelster gekreeghen, die, tot Leeuwaarde gebraght, met een' geesseling vry raakte. In dus eenen standt der Vriesche zaaken; zynde de boeren door de veilighe hoedenissen vergistight; de Roomsgezinden al van ouds den Spanjaarde toegedaan; de Mennonyten, die schier een vierendeel van 't volk maakten, verbittert teeghens de Hervormden; deeze ten platten lande zeer dun gezaayt, lafmoedigh, en ingenoomen van een gevoelen dat aan hun vreedigh zitten niet dan 't vertrek der Staatsche soldaaten ontbrak; de gelooveloozen weifeligh tussen party en party; liet Verdugo geen' list onbeproeft, die tot stooken van 't vuur moghte dienen. Fransois Bodimont, eertyds *geheimschryver des Prinsen van Oranje, en daarnaa door diens aanbeeling Griffier des Hoofs van Vrieslandt, had, in den jaare vyftienhondert +tweeëntachtigh, zeeker schryven van den vyandt ontfangen; en 't zelve aan zyn' Doorluchtigheit getoont, verzoekende oorlof om aanmoedighlyk te antwoorden: alzoo hy zich sterk maakte, etlyke hondert Kooningschen naa Leeuwaarde te lokken, en in een' strik te helpen. En dit was hem van zyn' Doorluchtigheit toegestaan, mits dat alles gehandelt wierde by kennis van Meeroode, toen Stadthouder oover dat gewest, en van eenighe Gemaghtighden. Maar de Stadthouder, beducht voor uitleeken van 't geheim, heeld' het den Gemaghtighden: en, als ten laatste de vyandt vraaghde, wat meedestanders van aanzien Bodimont hadde tot Leeuwaarde, en oft zy vermooghen zouden een' poort, en welke, te leeveren; zoo verbood Meeroode aan Bodimont, meer brieven te wisselen. 'T welk hy (myns oordeels) deed, oovermits het den vyandt, indien men hem blinde naamen in de handt staake, aan geen' spieden kon mangelen, om de geleeghenheit naa te speuren, en het bedrogh t'ontdekken: en van zelfs te gaan eerlyke luiden tot verraadt bekooren, te haatlyk een' trek, jaa een soort van verraaderye geweest waare. Want, te waanen dat Meeroode (gelyk zeeker schryver wil), die anderzins in oordeel, ervaarenheit, en kennis der Vriesche zaaken uitmunt) vreezde voor aankoomen der Spaanschen, ten getaale van drieduizent op 't minste, om zich, als moetende zoo diep te lande in trek-

[p. 1061]origineel

ken, +aller Vriesche bezettingen te troosten; en dat zy, wen men schoon twee- oft driehondert mann' der hunnen afmaakte, met het ooverschot het heele gewest door den brandt verwoesten, en tiendubble wraak neemen moghten; schynt ydel: zynde niet te gelooven dat hy (ik zwygh van den Prinse en zyn' groote omzightigheit) op zulx, indien het te bezorghen stonde, van 't eerst af niet zoude gegist hebben, en den handel onbegost gelaaten. Bodimont, echter, antwoordde den vyandt; en verantwoordde, als dit in 't licht quam, zich zelven, met voorwenden, dat hy 't verbodt in den windt had geslaaghen, om dat hem de Stadthouder, naar den aardt des hooghen ouderdooms, al te zwaarhoofdigh docht. Deeze reede werd blaauw geacht: hy nochtans niet gepynight; maar, etlyke maanden, eerst in de gevankenis, daarnaa in zyn huis, gehouden; eindtlyk ten lande uitgeweezen. Thans verstonden de Raadsheeren van Staate dat hy zich t'Amsterdam onthield; en gaaven hunnen geheimschryver, Heere Christiaan Huighens, orde, om hem van daar te haalen. Doch hy ontging dier zwaarigheit; en hebbende de borst vol oevelmoeds, reeds kennis met Verdugo gemaakt, liet zich van hem gebruiken tot strooyen van zeekere boexkens door Vrieslandt. In deeze maald' hy de Staaten af, voor baatzuchtighe menschen, zich behelpende, om in 't bewindt te blyven en zich zelve te zeeghenen, met de bekoorlyke naamen zoo van vryheit als Godsdienst, en met Nassausche Hoofden, dien geenszins 't heil des Lands, maar eighe gloori ter harte ging, en d'oude wrok oover de doodt van Kaizar Aadolf noch in den krop stak. Tot verzoening (zeid' hy) der gemeente met haaren Kooning, behoefde zy niet, dan slechts weinigh blooden boeven (zoo noemd' hy de Staaten) den kop aan tween te slaan. Boovenal ried hy haar, zich van den handel met Engelandt te wachten, die haar aan eindeloos oorlogh, eeuwighe slaaverny zouw vertuyen. Etlyke hondert druxels van deezen inhoudt werden t'Oostmahorn in een Emder schip +gevonden, en Graave Willem toegeschikt. Ontrent het midde van Loumaant bemaghtighden de Kooningschen de huizen te Blitterswyk en Gystere, twee mylen van Venlo: beschansten zich ook in het dorp Blierik, en braghten 'er eenighe stukken geschuts: maar staaken, naa acht daaghen marrens tot Gystere, 't vuur in 't Slot. Hebbende te Blitterswyk tien vendels vergaadert, tooghen ze, van daar, door Wansum, naa Lottum; en zonden tweehondert oude Spaansche soldaaten oover de +Maaze, die zich in 't klooster Beeterswaart leegherden. D'ooverste Schenk, des verkundtschapt, trok, in der nacht, met eenigh volk te paard' en te voet, uit Venlo; ooverviel hen, ving'er tien oft twaalf, leide 't meeste deel ter needer, het klooster aan koolen; zoo dat ook zommighe Spanjaards in den brandt bleeven. Hunne spitsbroeders, hoorende tot Lottum deeze tyding, en ziende de vlam opstyghen voor hunn' ooghen, vielen, verwoedt van smart en spyt, op zeekre Staatsche knechten, hunne gevangens, en braghtender twee om hals. Tien andre, dien 't zelfste beschooren was, werden, door tussenkoomst van de Bevelhebbers, +geberght. Onlanx te voore had ook Schenk de Kornet van Appio Conti getrent, acht ruiters doodt gesmeeten, twintigh gevangen. Weinigh weeken hiernaa, beslooten hy en Harman Kloet, Ooverste van Nuis, alzoo zy beide lastbrief van den verdreeven Keurvorst Truxes hadden, op de stadt Werle in Westfaalen eenen aanslagh, ontworpen by zeekren *beampten Schryver, gebannen van daar door den regeerenden Aartsbisschop, Ernst van Beyere. Op den neeghenden in Lentemaant, met den aavondt, scheiden ze uit Nuis, en rukten, met vyfhondert mann' te paarde, vyfhondert te voet, den Ryn oover, naa Werle. Dicht daar by

[p. 1062]origineel

+gekoomen, te vier uuren des naasten morghens, ontstaaken z' een huis: +op welk teeken terstondt met brandt van een huis in stadt geantwoordt werd. Toen, terwyl binnen de burghers liepen om 't vuur te lesschen, beklommen die van buiten de veste, wat verre van 't Slot: en, zynde lichtelyk oover geraakt, sloeghen een' poort oopen, waar door de ruiter in quam. De burghery, ziende de stadt verlooren, week naa 't blokhuis: maar werd uitgeslooten van den Burghvooghdt, die niet dan den Burghermeester en noch eenen persoon in liet, vreezende dat de vyandt neevens de steedelingen zouw doordringen. Schenk eischte 't Slot op; doch vergeefs: en, eer hy 't wel omving, schikte de Landtdrost van Westfaale hondert knechten, en eenighe waaghens met voorraadt, van achtre daar op te kryghen. De zelve braght, voorts, uit d'omleggende plaatsen, wel vierduizent, zoo boeren als eedelluiden en burghers, op de beên, om de stadt te beleggen. Maar Schenk, laatende goede bezetting daar in, voerd' hun de rest der zynen te gemoet, met orde om voor +eerst slechts op Aadel en ruitery te vallen. 'T welk zulx gelukte, dat zy, keerende strax de rug, ook hun eighen voetvolk op de vlucht braghten. Dies werden der meer dan vyf hondert gevelt, en verdronk noch een groot deel. Eevenwel, mits de regeerende Aartsbisschop den Heer van Hautepenne met een' goede zeenuwe krysvolx te hulpe kreegh, etlyke +benden daar by voeghde, en de gevloode Westfaalingen vast weeder verzaamde; zoo vond Schenk ongeraaden te blyven, daar hy nocht meester +van 't Slot worden, nocht eenigh ontzet verbeiden kon. Hy deed dan, op den achtienden der maant, de stadt geslooten, en zulx bewaakt houden, dat niemandt van daar moght: inmiddels de zelve uitplonderen, en den roof op waaghens laaden. Met deeze, en dertigh de ryxten +van den Raadt, samt etlyke welgestelde burghers, gevanklyk weghgesleept, vertrok hy 's aavonds te neeghenen, en quam, zonder eenighen afbrek te lyden, binnen Berk. Van daar vervoeghd' hy zich by Leicester, die hem pleghtelyk Ridder sloegh, en met een goude ketting van +tweeduizent gulden beschonk. Maar Graaf Kaarel van Mansveldt, hebbende, door last des Prinsen van Parma, in Sprokkelmaant, met vyf blokhuizen en een' brug oover de Maaze, ook toepaaling der zelve zoo onder als booven, de stadt Graave, waar in vier vendels onder Lubbrecht Turk, +Heer van Heemert laaghen, begost te prangen, stond nu om ze door verraadt te bekoomen. Want eenighe Steêhouders en soldaaten waaren, uit armoê en ongeduldt oover quaade betaaling, met hem in handeling getreeden. Doch het stuk werd ontdekt, de schuldighen gestraft. D'andre +queeten zich eerlyk, doende by wylen kloeke uitvallen. Thans als Mansveldt toereedde om noch een' schans in dien oordt op te werpen, deed de Graaf van Hoohenlo de dyken door steeken, en kreegh, op den neeghenden van Grasmaant, met schuiten, oover 't verdronke landt, eenighe eetwaaren in stadt. Om dit getyde hoorde men, dat de vyandt volk in Duitslandt worf, en vierduizent Italiaanen verwachtte: doch +deezer storf bynaa het derdendeel op de reize. Leicester, bezeffende dat de voorraadt, in Graave gebraght, niet veel strekken kon, en hebbende een deel volx tot Niekerk verzaamelt, stuurde Hoohenlo en Norrits, met tweeduizent mann', eensdeels Engelschen, eensdeels Neêrlanders, om de zelfste boodschap. Te Littoye, drie mylen van Graave, had de vyandt een' vesting. Die wonnen z'hem af, en een' stuk geschuts daar in; tooghen voorts opwaarts aan, tot dat een hoop Kooningschen zich teeghens hen quam te kanten. Daar viel een hart gevecht; doch de Fortuin den Staatschen toe, die meer dan driehondert Spaanschen, daar onder etlyke Hopluiden en andre Bevelhebbers, versloe-

[p. t.o. 1062]origineel



illustratie

[p. *98-*99]origineel



illustratie

[p. 1063]origineel

ghen. +Zy lieten daar, zeeker, bynaa half zoo veel der hunnen: zelfs Norrits werd gewondt met een' spiets op zyn' borst; den Ridder Borris een vinger afgeschooten. Deeze ooverhandt, echter, holp hen aan de Huizen te Baatenburgh en Empel, en aan eenighe schanskens: waar naa zy, op nieuw, met dertigh oft veertigh schuiten, de stadt genoeghzaamlyk van spyz' en krysbehoefte verzorghden. Farneeze, des verwittight, en achtende daarom kleene vrucht te kunnen doen met blokkeeren, zond alles te velde wat hy uit de bezettingen missen moght: en, zelf in 't leegher gekoomen op den twaalfden van Bloeymaant, stichtte strax beukeryen +aan d'ooverzyde der Maaze: van waar hy beide de hoeken der stadt, aan 't waater, uit vierentwintigh zwaare stukken beschoot, die de huizen, toorn, kerk, strykweeren, zeer beschaadighden, en reedelyke oopening maakten. De Spaanschen, doende daar op eenen aanval, werden nochtans, te dien maale, mannelyk afgekeert. Maar, als het heele heir zich 's andren daaghs geschaart vertoonde, in schyn van dreighen met het uiterste geweldt; ging den steedelingen oevle angst aan, 't geschrey van wyven en kindren op, en zelfs, door dit misbaar, de moedt der soldaaten t'zink. De Majestraat, neemende plooy naar de nyghing der gemeente, onderwond zich eenighe Hopluiden tot haar verstandt te trekken, en belas die zoo verre, dat zy den heere van Heemert de verbaastheit der burgheren, het flaauwen des krysvolx, de hachlykheit des weederstands, voorstelden. De Ooverste, hebbende, slechts eenen dagh te voore, aan Leicester geschreeven, dat hy de stadt genoegh zagh te verdaadighen, luisterde nochtans terstondt: 't zy dat hem eighen gevaar, oft erbarming oover de weerlooze gemeente, oft het smeeken zyner boele (want hier af werd sterk gesprooken) week in den boezem maakte. Hy leidt de zaak in beraadt, en voeght zich tot de meeste stemmen, gedraaghende dat men verzoeken zouw oft de vyandt tot een +billyk verding gezint waare. Teeghens dit besluit, ylings genoomen, verzette zich heftelyk Hopman Denys de Charrette, met aantuighing, dat d'oovergift eener plaatse, die geen gebrek van yet noodtlyx, geen' weerlooze veste, geen twyfel aan spoedigh ontzet had, eeuwelyk stinken zouw, en met geenerley glimp te verantwoorden zyn. Beeter (zeid' hy) dan met schande van hier te scheiden, dat ons, indien 't 'er op aan komt, de kling in de vuist besterve, en onze zielen een' eerlyke uittoght ten lichaam doen. Kleene kracht baarden deeze woorden op harten eens getroffen van de schokking der vreeze. Men laat zich by Parma, en Parma +zich rekkelyk vinden, weetende dat Leicester op wegh was. Hy gunde den krysvolke te vertrekken in vol geweer, met hunne paarden, pakkaadje, wyven, kinderen, doch stomme trommels, doove lonten, gevouwe vendels: waar toe zy zich van de scheepen, leggende binnen Graave, moghten dienen, onder borghtoght voor getrouwe weederleevering. Des hadden zy de stadt, met allen voorraadt van mond en oorlogh, in zyn' handen te stelten; alle gevangens, ingebraght seedert den aanvang van 't beleg, t'ontslaaken zonder ransoen: uitgezeidt een, voor wien het reeds belooft was. Den steedelingen gaf hy quytschelding van alle voorighe misdaaden; keur om te vertrekken met al hunne goederen, oft te blyven, en naar instellingen +der Roomsche kerke te leeven. Op deeze voorwaarden, geteekent den zeevenden van Zoomermaant, ontruimde d'ouwde bezetting daatlyk de stadt; en deed'er Farneeze drie vendels van Spanjaarden, een van Hooghduitschen, in koomen. De enkle maare van 't verlies joegh eenighe Staatsche knechten uit het onhoudbare steedeken Meeghen. Die op 't huis Baatenburgh laaghen, toefden tot dat hen de vyandt dwong, zonder geweer met witte ryskens, af te gaan. De Graaf van Leicester, noch

[p. 1064]origineel

+sterker niet dan drieduizent knechten, en dertienhondert ruiteren, doch verwachtende zeeven vendels van nieuwlyks oovergekoome Engelschen, en vierhondert Schotten, behalven de tweeduizent mann' onder Hoohenlo en Norrits, toogh naa Arnhem, en van daar, met den aanvang +der voorzeide maant, in de Beetuw. Etlyke Engelsche, voor heen gesonden, beschooten, teeghenoover Niemeeghen, de schans Knodzenburgh, deeden 'er twee vergeefsche stormen op, en stelden zich 't schrap tot den derden. Die werd niet afgewacht: neemende de verweerders genoeghen aan uitgaan met tromslagh en brandende lonten: 't welk men hun toestond. Hierop voeren ze de Waal oover, en vorderden hunnen wegh buiten Niemeeghen om, daar men weigherd' hen in te laaten. +Quaalyker queeten zich de bezettelingen van 't blokhuis aan 't Berghsche hooft, die, neevens 't zelve, hunnen Hopman, met zynen Steêhouder en Vendrigh, aan de Engelschen ooverleeverden. Als Leicester, naa 't verooveren van deeze sterkten en eenighe Slooten in dien oordt, meinde oover de Maaze te zetten, om de Kooningschen, door belet van toevoer, oft by aantasting eenigher goede plaatse, van Graave af te wenden, werd hem 't verlies der stadt aangekundight. Dies daald' hy, ziende zynen toeleg te niet, met een verstoort gelaat naa de Bommelerwaart, en leegherde daar zyn volk. Den Heer van Heemert, Hopluiden Denys, Koeboekum, en Du Ban, gekoomen binnen Bommel, om reekenschap van hun bedryf te geeven, beval hy in hechtenis te neemen; zeggende voorts, dat hy, wen de beste van Engelandt dier maate mishandelt hadde, dien zoude doen boeten; en geevende naadruk aan die woorden met slaan op zyn borst, gelyk in 't uitspreeken van yet ernstighs zyn' zeede was. Zeeker, de bezwykende krystucht kreet om onderstandt, en zoo wel de Staaten van Hollandt, als d'Algemeine, oordeelende dat een soldaat, om vroomelyk te dienen, zyn' Ooverheit bet dan zynen vyandt ontzien moeste, porden den Graaf tot bevordering van ongekreukt recht. Hy dan, weedergekeert tot Uitrecht, ontbood de Graaven van Hoohenlo, en Nieuwenaar, den Heer van Hoohensaxen, den oudtveltheer Johan Norrits, Ritmeester Johan Bax, en etlyke andre Hopluiden zoo te paard' als te voete, derwaarts: die, op den zesentwintighsten +den Heer van Heemert, Hopluiden Koeboekum en Du Ban, als wel niet behecht in verraderye, maar hebbende, uit ontydighe vertzaaghtheit, hunnen eed en plicht te laffelyk betracht, ter doodt verweezen: zich gedraaghende nochtans tot Leicesters bescheidenheit, noopende 't uitvoeren oft uitveeghen van 't vonnis. Hopman Denys, ook eenighe Steêhouders en Vaandraaghers, meede gevangen, deeden hunne zuiverheit blyken. Voor den Heer van Heemert, die een hoofttak van den Gelderschen aadel, en staatlyk vermaaghschapt was, werd zeer geloopen. Hy zelf erbood, met zoo veele jaaren dienens tot eighe kosten, als de Kooningin van Engelandt hem opleggen zouw, zyn leeven te betaalen, en de behaalde schandtvlek, met rustigh waaghen zynes persoons voor haare Majesteit, hier oft elders, te land' oft te waater, af te wasschen. Maar, nochte dit, nocht bidden van bloedtverwanten, nocht smeeken van achtbaare vrienden, nocht zyn' beklaaghlyke jonkheit, deelende de schuldt met de geenen, die hem, te onervaaren, tot zulken last beroepen hadden, nocht erbarming oover zyn' bedrukte gemaalin, eenighe dochter van aanzienlyken huize, golden genoegh om de genaade te doen plaats grypen. 'S daaghs naa de uitspraak des krysraads, braght men hem op 't schavot; daar hy, in Neederduitsche, en Fransche taale, bekende, door meêdooghen met de kermende vrouwen en kinderen, in bloodigheit vervallen te weezen, zich van ontrouw ontschuldighde, en staande onthooft werd. Koeboekum en

[p. 1065]origineel

+Du Ban droeghen de zelfste straf. In Bloeymaant verzaamelden zeekre luiden uit de landen van Luik, Gulik, en Kleef, by 'Shartoghenbos meenighte van rog, ma ze, neevens andre waaren, onder * geleide van soldaaten, naa Antwerpen, daar 't kooren zeer dier was, ter markt te brengen. Dit vernaamen de Ritmeesters Paulus en Marcellus Bax, leggende +tot Berghen op Zoom; en gaaven den Baroen Willoughby te bedenken, oft zulk een' geleeghenheit tot winst van eer en buit te verzuimen stonde. Willoughby prees hun 't stuk aan, en, willende zoo wel gelder als raader zyn, zeide dat hy zelf met hun zouw ryden. Toen zenden ze spieden uit. Die keerden met bescheidt, dat het getal zoo der waaghenen als karren ontrent vyf hondert was: de dagh, beraamt tot de reize, de zeevenentwintighste. Daar op trekken de toeleggers, 's nachts te voore, met +drie hondert ruiters en eevenveel knechten, uit Berghen; en gaan toeven t'eener plaatse, genaamt S. Antonis kappél, aan den wegh. De daagheraadt deed zich zoo mistigh op, dat zy, als de waaghens genaakten, niet bekennen konnen hoe sterk het geleide was, dat omtrent duizent mann' zoo te ros als te voet moght uit maaken. Zy vielen 'er echter op, sloeghen 't, verjoeghen 't; plonderden schier al de waaghens en karren; braghten 'er veele kostelyke koopmanschappen, vierhondert paarden, hondert en tachtigh gevangens af. 'T meeste graan, op d'aarde gesmeeten en vertreeden, lieten ze leggen, duchtende voor eenen uitval der Antwerpsche bezettelingen, die, aangevoert door Mondragon, het wel haast van daar haalden. Thans deeden de Graaf van Hoohenlo en d'Engelsche Maarschalk +Willem Pelham eenen inval tot Brabandt, op hoope van eenighe sterkten te bemaghtighen: en beroofden, als hun het geluk nerghens dienen wilde, de Langestraat. Op deezen toght leide Hoohenlo, by Bredaa, een' laaghe, waar meê hy de vaan paarden van Camillo del Monte betrapte, en den Engelschen Hopman Weltz gevangen kreegh, die eertyds de stadt Aalst verkocht had, en seedert gestaadelyk den vyandt gedient. Deez, gezonden door Hoohenlo aan Leicester, om straf te lyden, werd niet alleenlyk van hem in vryheit gestelt, maar ook, daarnaa, onder zyn lyfbenden ontfangen, en aangehouden. 'T welk Hoohenlo, en andre, zoo Hooghduitsche als Neederlandsche Ooversten zeer oevel naamen, morrende, waar toe de Heer van Heemert zyn' erbarmelyke flaauwhartigheit met den halze geboet had, en wat die scherpheit tot handthaaving der krystucht helpen kon, daar men eenen oopenbaaren verraader met ongewoonlyke gunst en eere streelde? Oft was het Engelsch geslacht aller straffe ontwossen; aan andren geen verbeuren? Booven dit bewys +van kleinachting dat (gelyk het de braave gemoeden voorneemelyk terght) de harten der Hoofden van hem vervremde; deed hy noch eenen misslagh, die, met smaadt en achterdeel, teffens de geringen niet min dan de grooten af keerigh maakte, en felle nydt teeghens de nieuwgekoome Engelsche heeren baarde. Te weeten; Prins Willem, hooghloflyker gedachtenisse, had voor een gewoonte onderhouden, elken krysman, by trappen, van laagher tot hoogher gezagh, te laaten opklimmen, en oover Duitschen, Neêrlanders, Fransoizen, Engelschen, gelyke Bevelsluiden te stellen. Maar Leicester, vindende 't Kornelschap des heeren van Hautain, +die aan den Kouwesteinschen dyk gebleeven was, oopen staan, bekleedde 't met den persoon van Sidney, zoon zyner zustre. En hierop volghde, dat de Graaven, Philips van Nassau, Georg Eeverhardt van Solms, Jan Philips van Ooverstein, en verscheiden' andre Ooversten, ten getale van tweeentwintigh in alles, den Graaf van Hoohenlo met een smeekschrift aangingen, verzoekende, Dat hy, als hebbende hun belooft, aleer zy eedt aan Leicester deeden, hen in hunne voorighe gerechtigheit te handthaaven, by zyne

[p. 1066]origineel

+Doorluchtigheit bemiddelen wilde, dat men hen hielde en handelde op den ouden voet: naamelyk zonder den eenen landtaardt met den andren te vermengen, ende hen, door 't begeeven der vervallende ampten aan uitheemschen, gelyk onlanx, met schyn van hun min te vertrouwen dan eertyds, geschiedt was, van alle hoope tot vordering te versteeken: ofte, zoo hen zulx niet gebeuren moghte, dat dan zyner Genaade gelieven zoude, hen aan ordelyke ontsoldighing, afreekening, en betaaling te helpen; op dat zy, by mangel van dien, geen verwyt van de ruiters en knechten hoefden te hooren. Hoohenlo behandighde dit schrift aan Leicester; die zich des, als oft het naar muitery gesmaakt hadde, bitterlyk belghde; en bezonderlijk om dat daarin de Engelsche heeren, gekoomen met hem, uit hun vaaderlandt, ten dienste der Vereenighde gewesten, voor vreemdelingen gereekent werden. Ook liep zyn bedryf nu in andre zaaken zoo verre buiten 't spoor der voorighe regeeringe, dat de Staaten van Hollandt ongeraaden vonden +het zoo te laaten sloeren. In hunne vergaadring werd voorgedraaghen, hoe hy, zich der voorrechten luttel bekreunende, vast plakkaaten, ordeningen, en lastbrieven, strekkende tot achterdeel van de gewesten, inzonderheit van Hollandt, uitgaf: jaa zelfs 't verbondt, gemaakt met de Kooninginne, niet naaquam. En 't zeggen was, dat zommighen, die Hollandt geen goedt gunden, hem hier toe opstutsten; en wisten te besteeken, dat de Hollandsche gemaghtighden om d'een' oft d'andre boodschap verzonden wierden, als men yets wilde aanvangen, waarteeghens zy zich verzetten +moghten. Hieroover schreeven de gemelde Staaten, op den achtsten in Zoomermaant, aan den Heere van Breederoode, Meester Sebastiaan van Loozen, en Meester Willem Bardes, gezet van hunnent weeghe in den Raade van Staate, dat zy, tot verhoeding van zoodaanigh misquaam, zich hadden te doen verschoonen van alle verrichtingen, die hun, oft den meerdeele van hun, beletten zouden den Raade gestaadelyk by te woonen. Zy bevaalen ook, by schryven van den zelven daaghe, hunnen gemaghtighden ter vergaadringe der Algemeine Staaten, te bevorderen by Leicester en den Raadt van Staate, dat tot gelyke bezendingen voortaan gebruikt wierden andre persoonen, geene Leeden van dien Raadt; ofte, ten minste, luiden, daarin gestelt uit Landtschappen, dien aan de daaghelyksche handelingen van den Raadt niet zoo veel, als den geweste +van Hollandt, geleeghen was. De heeren, waaraan men deeze brieven gericht had, verzochten bescheidelyke aanwyzing der zaaken, waarin men waande mishandelt te weezen. En, dewyl de Staaten van Hollandt toen al gescheiden waaren, zoo zonden hunne gemaghtighde Raadsluiden, den tweeëntwintighsten van Zoomermaant, aan de Hollandsche Leeden der Algemeine Staaten, een antwoordt van deezen zin. De Engelsche +bezettelingen, in den Briele, vervorderden zich, teeghens 't verdragh, aangegaan met de Kooninginne, onderzoek op de scheepen te doen, die ter Maaze in oft uit voeren. Met de betaaling van 't volk haarder Majesteit, ging 't aldaar zoo slappelyk toe, dat des gemeinen Lands middelen diesweeghe werden aangeslaaghen. De steeden en dorpen, waar in de ruiters en knechten, staande ter besoldinge van haare Majesteit, geleeghen hadden, konnen van de groote sommen der afgeteerde penningen, en zelfs van 't geene hun by zyne Doorluchtigheit belooft was, geen' voldoening bekoomen; nochte daarom hunne schattingen opbrengen. In plaats van orde, teeghens d'ongereegheltheit der Hopluiden en soldaaten, ook op het stuk der munte, en der monsteringe, te stellen, liet men de wanorde daaghelyx toeneemen. Hollandt, daar 't meer, dan 't geen dat by de Kooningin enkelyk verschooten werd, moest opbrengen, scheen men weinigh oft niet te achten: onaangezien de verklaaring, gedaan by haare Majesteit zelf, in jeeghenwoordigheit

[p. 1067]origineel

+zyner Doorluchtigheit, der andre Heeren van den Raade, ende der Gezanten, dat zy die van Hollandt, als hebbende niet alleenlyk zich zelve zoo loflyk beschermt, maar ook andre Landschappen geholpen, in zonderlinge waarde hield. De kundschappen, betreffende 't stuk der zeevaart en des koophandels, behoorden, wen zy aan den Raadt van Staate quaamen, vooral geoopent te worden in 't byweezen der Raadsluiden uit Hollandt; op dat zy alles ten beste moghten helpen stieren, en met goede reedenen den ondergank van dat gewest verhoeden: dewyl d'andre, als hebbende eensdeels geen' kennis van die zaaken, eens deels kleine geneeghenheit tot Hollandt, zich luttel daar aan lieten geleeghen zyn. Hoewel zy, die dit schreeven, zich niet gelast vonden van de Staaten, om de bezwaarnissen, ryzende uit eenighe plakkaaten en besluitingen, eighentlyk te verklaaren; zoo wilden zy nochtans niet verzwyghen, dat eenighe steeden vastelyk geloofden, dat het plakkaat, gemaakt den vierden van Grasmaant, op de zeevaart, indien al de Raadsluiden uit Hollandt jeeghenwoordigh geweest waaren, geenen voortgang zouw genoomen hebben; immers niet, zonder verzeekering van 't goeddunken haarder Majesteit, aan 't welke, uit verscheide kundschappen, noch getwyfelt werd: en daarentussen deed het gemelde plakkaat den Landen grooten afbrek van neeringe, den ingezeetenen geene geringe schaade. By 't plakkaat, gemaakt op de * geleigelden, bleek nu zeeker geschil besleght, tot groot achter deel zoo van d'Algemeinschap als van Hollandt: naamelyk dat de geleigelden te betaalen stonden ter eerste plaatse des Lands, daar de goederen door quaamen: waarteeghens die van Hollandt zich altyds verzet hadden, dryvende dat de betaaling behoorde te geschieden, ter plaatse, daar ze gelaaden en gelost wierden: ende, hoewel 't verdragh, seedert geraamt dien van Gelderlandt te gevalle, meêbraght, dat men d'eene helft aldaar, d'andre ter plaatse van de lossing, betaalen zoude; zoo was nochtans het zelve slechts ingewillight by maniere van voorraadt, om beeters wille, en de beslechting te beletten geweest door teeghenwoordigheit van al de Raadsluiden uit Hollandt. Ten eenen daaghe schreef men hun om waaghens, ten andren om paarden, ten derden om delvers, daarnaa dat Hollandt zelf zyne grensplaatsen sterker van nooddruft bezorghen moest; in allen schyne, oft de Landen, die zyner Doorluchtigheit volkoomen gezagh opgedraaghen, hunne middelen en 't meerendeel van hun geloof in handen gestelt hadden, noch schuldigh waaren een oorlogh bezonder te voeren: waarteeghens genoegh te zeggen zouw vallen, wen al de Raadsluiden uit Hollandt zich jeeghenwoordigh vonden: maar het stond te beduchten, dat zulx te weeghe gebraght werd, door luiden, die zochten Hollandt in ongunst by zyn' Doorluchtigheit te brengen. Zy, die schreeven, wilden nu verby gaan, hoe men, by verscheide * byteekeningen, om eenighen te behaaghen, die men, ten aanzien van Hollandt, voor * enkelingen behoorde te houden, zulke beveelen, in zaaken van groot belang, deed, dat het veelen verwonderde: als, naamelyk, geschiedt was, in 't recht, voorgewendt door den Graaf van Nieuwenaar, ten opmerke der geschillen van Workum en Altena: tot afdoening der welke men scheen met opstaanden zeile te willen voortvaaren; zonder acht daarop te geeven, dat die van Hollandt, in zaaken, waaraan den Lande zoo veel geleeghen was, niet verstonden zich in zulker voeghe te laaten handelen. Zy wilden, desgelyx, ten breedste niet uitmeeten, dat men, al willends, de Hollanders uit alle groote en kleene ampten scheen te weeren, en vreemdelingen daarin te steeken: dat die van de regeeringe 't bewindt oover 't Hollandsche geldt, en het tiende deel van 't Uitrechtsche hadden; daar de Zeeuwen en Vriezen de handeling van 't hunne behielden: dat men, van de schattingen van Gelderlandt, Vlaandre, en de Brabantsche steeden en sterkten, niet oft zeer weinigh in ontfang braght: maar konnen niet ongezeidt laaten, dat, zoo op deeze dingen,

[p. 1068]origineel

+door 't beleidt van de Raadsluiden uit Hollandt, en van hun, die, van Hollands weeghe, de vergaadring der Algemeine Staaten waarnaamen, niet bytyds voorzien wierde, veele zorghlyke zwaarigheeden geschaapen waaren daar uit te volghen. By 't vertoogh van al ditte, waarmeê zy hoopten, dat zyn' Doorluchtigheit en de Raadsluiden uit Hollandt zouden eenighzins te vernoeghen zyn, moghten de Hollandsche leeden der Algemeine Staaten 't geene voeghen, dat hun dochte ter stoffe te dienen; ende voorts, in 't oopenen der voorverhaalde reedenen, zulke bescheidenheit gebruiken, als de geleeghenheit der zaaken dan quaame te vereischen. Maar Leicester ging zynen gang. De Algemeine Staaten, aangemerkt dat hy tot Algemeinen Landtvooghdt beroepen, en de Hooghe Ooverheit by hen gebleeven was, hadden beslooten, dat hy aan alle schriften, die van der Landen weeghe moesten gezeeghelt worden, hun zeeghel zoude hechten: gelyk zyn' voorzaaten in ampte, onder de regeering der Vorsten, met het waapen der zelve +plachten te zeeghelen. Hy, eevenwel, gebruikte, tot teeghenzeeghel, zyn geheele waapen. Reingoudt, weetende, als een' wyl bewindsman der * geldmiddelen geweest, scherpzinnighlyk daar af te kouten, en vlammende op 't algemein Schatmeesterschap, maakte hem vroedt, dat groot misbruik in dit stuk, onder de Staaten en ontfangers schuilde; en om 't zelve af te schaffen, een' kaamer van geldmiddelen moest opgerecht worden. Naa dat hieraf somtyds onder de Raadsluiden van Staate gesprooken was, en uitgeschooten dat men behoorde dit werk op beeter voet te brengen; verschynt de Graaf, op den zesentwintighsten van Zoomermaant, 's morghens, in hunne volle vergaadring, ende doet daar zeeker schrift, vervaatende een' nieuwe form deezer bedieninge, +opleezen. Het noemde tot eerste Hooft eener kaamere van geldmiddelen, den Graaf van Nieuwenaar; tot tweede, den Raadsheer Henrik Killegrey; tot derde, Reinhart van Aazewyn, heer van Braakel: tot Schatmeester, Jakob Reingoudt, heer van Kouwenberghe: tot * Bewindsluiden, Sebastiaan van Loozen, Joost Teeling, en Paulus Buis: tot * Hoorder, Daniel de Burghgraaf. Dit verwekte terstondt verscheide reedeneeringen. Want het streed teeghens 't berichtschrift bezwooren by de Raadsluiden: gaf ook ('t welk een' groote ongerymtheit scheen) aan Reingoudt en Burghgraaf, die geen' leeden des Raads waaren, toegang ten zelve, en sloot 'er de drie leeden, Loozen, Teeling, en Buis, buiten. Toen werd het schrift wat verhanselt, en eenighe Raadsluiden in 't bezonder aangezocht, zich daar naar te voeghen. De +Heeren uit Hollandt, naamelyk Breederoode, Loozen, en Bardes, vindende zich echter daarin bezwaart, gingen Killegrey, als hunnen amptgenoot, met vrundlyke taal aan, om hem hunne reedenen van aanstoot in te scherpen. Maar d'Engelsman borst strax uit tot ongezoute woorden; en dreef hun, onder ander, toe, dat men scheen zyn' Doorluchtigheit, gelyk eenen Hartogh van Veneedje, onder vooghdy te willen stellen. Zy pynden zich zyn' heevigheit needer te zetten: maar vergeefs. Ten laatste zeid' hy hun, zy moghten zich tot zyne Doorluchtigheit zelf keeren: vertrok daar meê in grammen moede, en liet hen staan. Dit gebeurde, den achtentwintighsten, in 's Graaven voorkaamer, tot Uitrecht. Geen' stadt, geen' oordt, daar 't zaat van weederwil teeghens de pleghtighe regeering breeder wortelen en geiler spruiten schoot. +De Koningin had, al oover een' wyl, den Staaten van dit Landtschap, met ooverminlyk schryven, geliefkoost, eeven oft haar geen ander zoo naa aan het hart laaghe. Leicesters vertrouwdelingen, wroetende zonder ophouden, om de gemoeden met oproerighe reedenen t'onderhoolen,

[p. 1069]origineel

+en oover zyn' zyde te vellen, hadden'er meenighte van menschen aan hunne koorde gekreeghen: blyvende hy zelfs in geenen gebreeke van vonken in 't opgeschudde stroo te werpen, met klaaghen oover zyn' smalle maght; met roemen van wonder te verrichten, zoo men hem alleen begaan liete; en diergelyk uitslaan, dat den volke wyde ooren maakt. En het scheen dat de Engelschen hier de klok dachten te gieten, die met haar brommen al d'andre gewesten, verbaazen zouw, en eenen yghelyke ontraaden +aan hunnen stok te baffen. Het was'er althans zoo verre gekoomen, dat onder de Burgherhopluiden, voorgangers tot alle vreemdigheeden, een heete handel smeulde, die, op den laatsten der maant, een verzoekschrift van deezen inhoudt uitbroedde. Hunne, der geheele goede gemeente, en aller vroomen, enkle wensch was, dat het bestier des bedroefden vaaderlands aalyk gestelt wierde in 't gewoudt der Kooninginne van Engelandt. Dies baaden zy zeer ootmoedelyk den eerzaamen, wyzen Raadt der stadt, gezaamder handt met de onderdaanen, by zyn' Doorluchtigheit te bearbeiden, dat men, van weeghe der stadt, steeden, en landen van Uitrecht, de gansche regeering, en volkoome maght oover dit gewest, aan haare Majesteit opdroeghe, naar haar' eighe geliefte, zonder eenighe voorwaarde oft bepaaling: behoudends den waaren Christelyken Godsdienst, en de voorrechten, waarby haar gezagh niet verkort werd. Een' zeldzaame bysterheit; alle vrydoomen teffens aan de uitlegging eener vrouwe te hangen; en een' schets van Heerschappye t'ontwerpen, die haars gelyk in Christendoom niet lichtelyk vinden kon. De Vroedschap, wat zouw ze, +op smeeken daar dwang achter was? Zy voeghde zich naar 't geschrift; voor zoo veel haar de zaak raakte: en deed'er dat onder teekenen. Die van Aamersvoort en Reenen, aangemaant door de zelfste Hopluiden, +volghden, naar den zin, het spoor der stadt Uitrecht ten volle: die van Wyk en Montvoort zoo verre, dat zy zich alleenlyk hoedden van de voorrechten op 't gladde te stellen, met uitzondering der geene, die 't gezagh der Kooninginne deeren moghten. De Raadsheer Reid getuight, dat de gemelde Hopluiden, aan Leicester, een Latynsch geschrift ooverleeverden, daar deeze woorden in stonden. Cupimus ut sua Excellentia absolute imperet, & pro sua discretione, salva religione, & privilegiis suam Majestatem non offendentibus. Dat is, Wy begeeren, dat zyne Doorluchtigheit een volkoomen gebiedt, en naa zyne bescheidenheit, hebbe, behoudends +den Godsdienst, en de voorrechten, die haarder Majesteit geen' aanstoot geeven. De zelve Burgherhopluiden pooghden ook, onlangs daarnaa (hoewel 't hun niet gelukte) de burghery van Der Goude in hun verstandt te trekken; en zochten ten gelyken einde, die van Vrieslandt en Ooveryssel aan. Hy dan, met het hooft dus vol winds, verscheen, op den tweeden van Hooimaant, in den Raadt van Staate, met de Graaven van Kuilenburgh en Nieuwenaar; en verklaarde daar, dat hy dien van Kuilenburgh invoerde tot lidt van den Raadt: zonder daar op eenighe omvraagh te doen. Naa wat mondgemeenschaps oover andere zaaken, scheidd' hy van daar, met Nieuwenaar, Braakel, en Teeling. Thans ontbood hy Loozen in de kaamer van 't * Schatmeesterschap; een weinigh tyds daarnaa, ook Breederoode en Bardes. Toen werd hun afgevordert, wat zy hadden +teeghens 't oprechten eenes Raads van geldmiddelen, in forme gelyk het boovengemelde schrift luidde. Hun antwoordt gedroegh, dat zy wel goedt vonden het werk der geldmiddelen van 't werk des Raads van Staate af te zonderen: maar de eedt, gedaan op het berichtschrift, hun verbood, zich naar de voorgeslaaghe form te schikken. Voorts haalden ze de punten op, die zulx niet toelieten; en sprak men, oover en weeder, veel van der genoemde persoonen, zonderling Reingouds, onontfanklyk-

[p. 1070]origineel

heit +in deezen: tot dat Leicester, gestoort, bestond uit te vaaren; De Staaten hadden met hem niet ter goede trouwe gehandelt; nocht in 't bescheidt van de opdraght der Landtvooghdye, noch in 't berichtschrift, seedert ingestelt; aan 't welke hy ook, in allen gevalle, niet gebonden was. Hy zoude de zaak by de Staaten verantwoorden. Eindtlyk begeerd' hy, dat Loozen en Teeling alleenlyk, tot herzeggens toe, op 't behaaghen der Staaten, zouden in de bediening der geldmiddelen treeden. En, als zy zich +des ontschuldighden, verklaard' hy andermaals; Dat hy 't by de Staaten verantwoorden zoude, en voortgaan met het werk. Wie zich daartoe beleedighen wilde, moghte verschynen: wie niet, in de Raadskaamer van Staate blyven. En daarop ging hy wegh. Ten naasten morghen, quam hy, verzelschapt met Graave Willem Lodewyk van Nassauw, dien van Nieuwenaar, Killegrey, Teeling, Braakel, Reingoudt, en Burghgraaf, weeder +in den Raadt. Daar liet zich Killegrey hooren; Dat men te besluiten hadde, oft by zyn' Doorluchtigheit een' kaamer van geldmiddelen stonde op te rechten, naar de voorgestelde forme. Men zoud' hun doen zien voor hunn' ooghen, wat voordeel, en van hoeveel duizenden, door beleidt van Reingoudt, te haalen waare. 'T welk Reingoudt zelf, 's daaghs te voore, belooft had, en als noch ooverboodigh was uit te werken, oft zich te laaten aan stukken leggen. Reingoudt, hier op gemaant om oopening van zynen vondt, hief aan, en propte de plaats met woorden, waar uit men niet, dan deezen +zin, kon ziften. Meenighte van luiden hadden de plakkaaten van Zoomermaant en Hooimaant des jaars vyftienhondert vierentachtigh, en van den vierden in Grasmaant deezes jaars, oovertreeden, met lorrendraayen en zeinden van goederen naa den vyandt, onaangezien de borghtoghten by hen gestelt tot verzeekering teeghens bedrogh: waar af hy, by getuighschriften, bekoomen in Engelandt, kon doen blyken. Uit deeze misdaadighen, maakt' hy zich sterk, twintigh tonnen gouds te trekken, indien men, met quytschelding der lyflyke peenen, hen alleenlyk wilde in gelde doen boeten, en de bescheiden der borghtoghten in zyne handen laaten koomen, met orde dat de zaaken by geene Majestraaten zouden berecht worden, maar slechts by onpartydighe persoonen, zich met geenen koophandel geneerende, en te kiezen by zyn' Doorluchtigheit tot Raadsluiden ter Ammiraliteit. Te weeten; Reingoudt had den Graave te verstaan gegeeven, dat de treflykste en rykste koopluiden van Hollandt en Zeelandt, jaa zelfs luiden, die ter vergaadringe van de Staaten verscheenen, hieraan vast waaren; en hy zich des arbeids van d'onderzoeking troostte, zoo 't zyner Doorluchtigheit geliefde, hem te maghtighen, omme, met hulp van onderbewindsluiden, alle koopluiden, * beampte schryvers, ontfangers van tollen en * geleigelden, tot ooverleevering hunner reeken- en schryfboeken, te bedwingen. Dit zelfste middel had hy eertyds den Landtvooghde Requesens geraaden te gebruiken, tot laste der koopluiden, door welke, toen gezeeten onder den Spanjaardt, de Hollanders en Zeeuwen +met heimelyken toevoer gesterkt waaren. Maar Don Louis had het verworpen, als een werk dat te verre achterwaarts zagh, en, met omroeren van aller luiden geleeghenheit, te veel verbitterings baaren zouw, en, naa grooten ondank en moeite, ten halve blyven steeken. Wyders, als Reingoudt uit had, zoo braght men 't stuk in omvraaghe, onder waarschuwing, dat zwyghen voor toestemmen zouw staan. Breederoode en Loozen verklaarden t'hunner beurte, dat ze 't straffen van de lorrendraayers niet quaadt vonden. Bardes vraaghde; Oft men verstond, alle oovertreeders der voorzeide plakkaaten te bezwaaren, oft slechts de geenen, die den vyandt onderstandt gedaan hadden: alzoo tussen deeze en d'andre, zyns bedunkens, groot verschil was. Want d'andre, ziende dat gelyk

[p. 1071]origineel

+verbodt, te doen aan alle volken, uit naam der Kooninginne, waar af men +hen verzeekert had, niet te voorschyn quam, nochte althans geschaapen scheen te koomen, tot maghtighe schaade der Landen; waaren daar door tot oovertreeding verrukt. Men antwoordde, dat alleenlyk de lorrendraayers gemeent werden. Daarop zeid' hy; Aan 't straffen der zelve de handt te willen houden, naar vermooghen: doch gaf den Raade te bedenken, oft zulx, zonder gevaar van oproer, ter daadt konde gebraght worden: zynde de zaaken lang te voore geschiedt, toen alle vaarte en handel bykans stil stond, en de gemeente, booven den druk der schattingen, noch het aanhouden van haar zuivel en andre eetwaaren lyden moest. Eevenwel vond hy oorbaar, de geenen, die zich meest, en in eenighen tydt herwaarts verloopen hadden, naar verdienste te loonen. Noopende 't oprechten der kaamere van geldmiddelen; d'ervaarenis leerde dat alle verandering ongemak maakte; en hy kon niet begrypen, dat daar meede zoo groot een voor deel te doen waare. Voorts vraaghd' hy, oft het zyner Doorluchtigheit toequam, op 't stuk der Ammiraliteit te voorzien, zonder dat de Hollandsche Staaten recht van benoeming, oft eenigh ander, in deezen, konden voorwenden; alzoo hy hieraf geen' kennis had. Hy voeghd' er by, dat dekoopluiden, +als zich der zaaken van de Ammiraliteit best verstaande, niet wel waaren daar buiten te houden. Daar op werd gezeidt, dat alles, wat der Ammiraliteit aankleefde, ter beschikkinge van zyn' Doorluchtigheit stond. Toen verklaard' hy, zich daar af voldaan te houden: maar, echter te vreezen, dat, uit deeze nieuwe form, geraamt zonder toestemming der Algemeine Staaten, en teeghens 't berichtschrift, grooter schaade dan baat zouw ryzen, en misschien eenighe ongeneught tussen zyn' Doorluchtigheit en de gemelde Staaten: zynde reeds, hem en zynen +amptgenooten uit Hollandt, te laste geleit, zoo by monde, als by geschrift (en hy toond' het) dat zy bewillight hadden in 't begeeven van eenighe ampten aan vreemdelingen, gebooren buiten de vier Landschappen, die schatting betaalden. Als Breederoode en Loozen het +zelfste getuighden, ontstelde de Graaf zich grootelyx, en zeid' hun; Dat hy geen' inboorlingen van de Neederlanden voor vreemden hield: en die van Hollandt meer ampten bezaaten, dan d'andren. Uit eenen oprechten yver was hy herwaarts gekoomen, hoewel genoegh verstendight +van de soobre gesteltenis der gewesten; die geenszins wenschen moghten, dat haare Majesteit daar af zoo goede kennis gehadt hadde, ende zich door zyn toedoen niet weinigh verlicht zaaghen. Hy had'er in 't eerste, niet eenen bequaamen Ooverste oft Hopman gevonden. Maar 't scheen, dat eenighe quaadwillighen zochten twist tussen hem en de Staaten te stooken. Bardes bad hem, zyne vrymoedighe reedenen ten goede te duiden; dewyl, als verplicht tot voorstandt des vaaderlands, behoudens eedt en eere, niet anders had kunnen spreeken. Waar op de Graaf hem verweet, dat de woorden goedt waaren, maar de werken gering. Eindtlyk, men moest zyn' wil voor een wet aanneemen. De Kaamer werd opgerecht; Reingoudt Schatmeester gemaakt: waar toe hem (zoo men mompelde) de Raadsheer Meetkerke, en de geheimschryver Burghgraaf, voorneemlyk gevordert hadden. Paulus Buis, verwittight van de kiezing zynes persoons tot *bewindsman der geldmiddelen, weigherde niet alleenlyk met +voorwenden zyner onervaarenheit in die dingen; maar zeid' ook den Graave in 't aangezight; Dat, wen hy zich schoon bequaam kende tot bediening van 't Schatmeesterschap, zoo zoud' hy noch Reingoudt niet kennen voor eenen man van soorte om bewindsman onder hem te weezen. Veelmin dan wild'hy, in dien graade, staan onder Reingoudt. Woorden, zeeker, niet gezult naar de smaak van trotse ooren. Ook bleeven ze Leicester in den krop

[p. 1072]origineel

+steeken; en baarden in Reingoudt eenen heeten haat teeghens Buis; zoo dat hy zyn' uitmondigheit, eerlang, zuurlyk bekoopen moest. 'S daaghs naa 't vallen der voorverhaalde woorden in den Raadt van Staate, werden +t'Uitrecht de Deeken en andre Kanoniken der kerke van Sante Marie in gyzeling gestelt, op dat zy de drie eenhoorens, die onder hen plaghten te berusten, en (gelyk wy elders gemelt hebben) uit der stadt geschikt waaren, te voorschyn braghten, oft veertighduizent gulden daar voor te berde. Ten zelven daaghe haalde men al de klokken, uit de toorens der kerken van Oudemunster en Sant Pieter; ook uit het klooster van Sant Paulus; en maakte ze korts daarnaa te gelde. Het klooster ten Daal aan de Vecht, en 't vrouwen klooster aan de Bilt, werden meede +verkoft; het eerste voor drieduizent eenhondert; het ander, 't welk binnen verbrandt was, voor achtienhondert gulden. Thans brak men 't koor der Buurkerke af, metselde 't eindt weeder dicht, en deilde den ontleedighden +boodem aan erven, die verkoft en met huizen betimmert werden. Op den vyfden in Hooimaant, raamde Leicester weeder een plakkaat, dat, afgekundight op den veertienden, maghtighe arghernis gaf. 'T schafte de * veilighe hoeden af, en beval allen luiden ten platten lande van Brabant en Vlaandre, uitgezondert alleenlyk de Fynaart, Ruighehil, Stant daarbuiten, en Neuzerambacht, binnen tien daaghen ten langste, op te breeken, en zich, met al hunne middelen, te begeeven naa plaatsen, daar zy waanen zouden verzeekert te weezen, zonder nochtans binnen +de Vereenighde gewesten te koomen, dan op zyn' *vryereizbrief oft verlof: desgelyx, in Gelderlandt, den ingezeetenen 's lands van Kessel, in den ooveroordt van Gelderlandt, des Graafschaps van Hoorn ende Weirdt, des Ryx van Niemeeghe, der Ooverbeetuwe, en dien van Maazewaal, uitgezeidt de dorpen van Bammel en Drummel teeghenoover de stadt Tiel; in 't Graafschap Zutven, dien van het ampt van Breedevoort, van de Heerlykheit Anholt, van de Hoogheit Wisch, van de Schoutampten van Zutven en Lochum, van het Rechter ampt van Doesburgh, van de dorpen Reurlo, Steenre, en Hummel; in de Veeluwe, dien van het Kerspel van Voorst en Brummen, Dieren en Spankere; in 't Graafschap van Hollandt, dien van de Langestraat, Hooghe en Laaghe Zwaaluwe; in Vrieslandt, dien van Stellinkwerf, Oostende en Westende, geleeghen in de Zeeven wolden; in Ooveryssel, dien van de geheele Twente, en van alle Heerlykheeden, dorpen, en gehuchten, daar onder behoorende, van 't kerspel van Hardenbergh, Gramsbergh, en hunn' aanhang sels, ook van Omme, Hellendoorn, den Ham, en Holten onder Zallandt, van Steenwykerwoldt, Giethoorn, Schoonewoldt, Paesloe, Ysselham, Oldemarkt, Wanneperveen; in het ampt van Steenwyk, dien van Kallenschoot en ysveen onder Vollenhoove, en van 't vlek Vollenhoove; dien van de gansche Ommelanden, van 't Oldeampt 't Goegerichte; dien van Westwoldingerlandt, van de Heerschappy van Lingen, ende van al de ding spelen, Heerlykheeden, en gehuchten, behoorende onder de Drenthe; ook dien van de Heerlykheit Reunen: al dit op peene van, naa 't verstryken der gemelde tien daaghen, met d'uiterste vyandtlykheit vervolght en bedorven te worden. Voorwaar een wreedt gebodt, waar by hy, om den vyandt t'ontryven, veele duizenden van huisgezinnen den lichaame der Algemeinschappe afsneed; veelen duizenden, die, t'hunnen grooten verdriete, +door 's vyands geweldt, daaraf gescheurt waaren, den wegh tot de verheeling opdolf; en alles ongenaadelyk op den mesthoop zette. Doch deeze grouwzaamheit had den gewaanden voortgang niet. Want, voor eerst +hielden de Staaten van Ooveryssel, en gemaghtighden van de Drenthe, met deerlyke klaghten en vertooningen, zoo ernstelyk by hem aan, dat hy, by schryven van den laatsten der zelve maant, het uitvoeren des plakkaats in

[p. 1073]origineel

+die oorden schorste. En Graaf Willem Lodewyk nam oover zich, in +Vrieslandt en de Ommelanden ook dien voet te volghen. In Brabant nam 't woeden eenen aanvang. Dan de Ooversten, daar toe gelast, speinden zich van veel bernens: 't zy uit erbarming; oft uit baatzucht, en dat zy slechts hier en daar een kleen dorpken aanstaaken, op dat de groote en ryke, daar by geleert, diergelyk onheil onder den duim quaamen +afkoopen. Midlerwyle toogh Leicester, op den neeghentienden, 's uchtends heel vroegh, van Uitrecht, met die van den Raade van Staate, die van de * geldmiddelen, naa den Haagh. Hy was zoo ras niet buiten, oft een Vlaaming, geheeten Jaques de Potter, toen Scheepen der stadt, en zeeker 's Graaven bewindsman, gebynaamt Webbes, koomen op Korneelis Gysbertszoon van Kuilenburgh, eenen der Burgherhopluiden, begeeren, dat dat amptgenootschap terstondt vergaadert wierde; aangezien zy dien, door bevel van zyne Doorluchtigheit, yets hadden voor te draaghen. Als Kuilenburgh dit in der haast bevordert had, verschynen de gemelde twee in de zaamening; verklaaren van Leicester gelast: te weezen, om Meester Paulus Buis, Raadsheer van Staate, strax, dewyl hy (zoo men meende) ook op zyn vertrek stond, in hechtenis te neemen; verzoeken daartoe der Hopluiden hulp; en dreighen, zoo zy die weigherden oft verwylden, hen met * aantuighing van ongehoorzaamheit. De Burgherhopluiden, zonder naa eenigh schriftelyk bewys van dien last te vereischen, gaan met hun naa 't huis eenes Oudburghermeesters, daar Buis geherberght was; vallen, tussen vier en vyf uuren, met groot gedruis, ter slaapkaamer in, daar hy, hebbende's aavonds te voore +goede siere gemaakt, noch te bedde lagh; doen hem opstaan; werpen al zyn' papieren in een koffer; drukken daar 't zeeghel van eenen Burgherhopman op; en brengen 't, eerst in hunne kaamer, thans op het Hof, in bewaaring des Graaven van Nieuwenaar. Buis werd in de voorzeide kaamer gezet; drie oft vier uuren daarnaa, in de huizing, genaamt stads wynkelder; alwaar hem eenighe burghers gestaadelyk bewaakten, tot op den vyftienden van Oestmaant. Toen leide men hem op 't Huis Haazenbergh, stads kerker: van waar hem, tem opmerke zyner weekelykheit, op den achtsten in Slaghtmaant traaghlyk genoegh gegunt werd, te gaan zyn' gevankenis houden ten huize van den onderschout, op den Plompen tooren, onder borghtoght voor vyventwintighduizent gulden, te verbeuren indien hy ontweeke. Tot dien tydt toe moght hy nocht penne nocht inkt gebruiken, nocht met eenighen vriende oft vreemde spreeken, dan ten aanhooren van Potter en twee andre gemaghtighden der Majestraat, oft van eenen der drie. Want North, een Engelsch heer, die Leicesters dingen t'Uitrecht, in zyn afweezen dreef, gaf den Wethouderen te verstaan, dat zyn' Doorluchtigheit den persoon van Buis scherpelyk wilde bewaart hebben, zonder yemants toegang t'hemwaarts te gedooghen. Wyders; men wist, uit voorgegangen bedryf, zoo luttel t'zyner bezwaarnisse voor te brengen, dat men zocht zich daar toe te behelpen met eenighe reedenen, gevoert by hem (zoo een enkel *Pleitbezorgher tuighde) in de gevankenis, die voorneemelyk hier op uit quaamen: Dat d'Engelsche Kooningin de Vereenighde Neederlanden wel nemmermeer verlaaten zoude, maar nochtans te geenen tyde de Hoogheit daar oover aanveirden; en dat zyn' Doorluchtigheit zelf, met het ontwerp der opdraght van onbepaalde Heerschappye aan haare Majesteit, gegekt had; dat het ook teeghens de Uitrechtsche Vereening streed, die geenen geweste toeliet zich eenighen vreemden Heere t'onderwerpen, zonder bewillighing van al d'andere Leeden des verbonds. Leicester, verneemende hoe quaalyk deeze manier van handelen teeghens Buis den Staaten van Hollandt beviel,

[p. 1074]origineel

+speelde den onweetende, en loochende ronduit, eenighe orde daar toe +gegeeven te hebben. Echter zond hy zyne geheimschryvers Athi en Burghgraaf, neevens den Raadsheer Leonardt Kaazenbroodt, naa Uitrecht, om te bezoeken, oft, uit des gevangens papieren, yetwes t'zyner beschuldighinge te raapen waare. Maar, verscheide teekenen deeden Kaazenbroodt vermoeden dat het koffer was geoopent geweest; waar oover hy, naa een maal bezightighens van de papieren, zich niet vorder daarmeê moeyen wilde. Naaderhandt werd het koffer in Leicesters kaamer bestelt. Hierentussen verzuimden de vrienden van Buis niet, om zyne verlossing den Graave aan te loopen, tot dat zy schryven van hem, quansuis te dien einde, aan de Burgherhopluiden van Uitrecht verworven. Maar, als zy daar quaamen, beval de brief, waar af hun dubbelt geweighert was, den Hopluiden, hem t'ontslaan, indien zy geene reedenen +daar teeghens hadden. Dus werden ze vast omgesleurt, zonder erghens troost, oft ten minste oopening van de oorzaak, en alzoo middel tot weederlegging der zelve, te kunnen erlangen. Van deezen handel, werd, zoo buiten als binnen's Lands, luide geroepen: en 't verwonderde meenighen mensche, dat men in zulke maniere met hem omsprong. Want hy ging voor eenen man van welachtbaare verdiensten op den Staat; had, +eenen ruimen tydt, het ampt van Hollands voorspraak bekleedt; dapper voor Engelandt geyvert, en teeghens Vrankryk aangearbeidt: was, door de Kooningin zelf, met loflyk getuighenis van zyn' bequaamheit, den Uitrechtschen Staaten aanbevoolen; een lidt van den Raadt der Regeeringe; en daar toe gekooren, niet op benoeming van eenigh Landtschap, maar enkelyk by Leicester. En, hoewel hy, in deftigheit van zeeden, oft spaarzaamheit van wellusten, op d'uiterste proef niet bestaan kon; jaa, in 't eerst, den Graaf, meer dan 't behoorde, had ingevolght; en, daarnaa, uit spyt dat hy alleen by den zelven niet alles vermoght, hem scheen teeghens gevallen: veele eerlyke luiden trokken zich zyn' quelling aan, bezeffende genoegh dat men, in weêrwraak van zyn smaalyk spreeken op Reingoudt, en van andre taal, teeghens Leicester en diens behaaghen gevoert, hem, om allen voorstanderen der vryheit den mondt te snoeren, dien beeker drinken deed. Op den drieëntwintighsten der gemelde maant, werd, van Leicesters weeghe, aan de Staaten van Hollandt en gemaghtighden van Zeelandt in 't breede vertoont, +Hoe de kosten der oorloghe, zoo te waater als te lande, verre de loopende middelen, hem toegevoeght, oovertrossen. Dies verzocht hy, dat men vierhondertduizent gulden, daar booven (maar niet klaarlyk) ingewillight, veirdighlyk opbraghte, zonder hem te wyzen op den onvruchtbaaren tol van de laakenen: ook in zyn' handen stelde, 't geen van de vyftig gulden op elk hondert zouts, van de twee stuivers op de tonnen biers, en van de twaalf stuivers op de tonne zeeps, was ingekoomen sint den aanvank zyner regeeringe, en voortaan inkoomen moghte; zonder dat de gewesten 't zelve van elx aandeel in de tweehondertduizent gulden, aan hem belooft ter maant, zouden afkorten: voorts, dat zy hun aandeel in een' tonne schats, by hem gelicht op voorgegangen verlof, herborzen wilden. Ende, gemerkt eenigh misverstandt tussen die van Hollandt en Zeelandt draaide, noopende 't begrooten van elx aandeel in de gemeene lasten; zoo begeerd' hy, dat zy 't geschil minlyker wyze te zaamen sleete, oft, binnen drie daaghen, hunne reedenen weederzydelings aan hem oover gaaven, om daarop naar behooren gedaan te worden. Eindlyk klaaghd' hy, dat hy, van zyn wedde, tot dien tydt toe, niet dan tienduizent gulden ontfangen had, en dat uit de middelen die tot het oorlogh bestemt waaren: en maand' hen om orde, niet alleen tot voldoening van den achterstal, maar ook tot maantlyke betaaling. Hun schrif-

[p. 1075]origineel

telyk +antwoordt hierop behelsde deezen zin. Dat by de vier opbrengende +gewesten, naamelyk Hollandt, Zeelandt, Uitrecht, en Vrieslandt, op den zeevenden dier maant, volkoomen en verplichtend verlof, noopende de vier tonnen schats, was gedraaghen: doch daarby besprooken en verzocht, dat hem geliefde eenhondert duizent gulden te lichten op den tol der laakenen; 't welk zy vastelyk vertrouwden, dat by zyn' Doorluchtigheit, ten opmerke van de teeghenwoordighe bezwaarnis der Landen, voor goedt zoude worden aangenoomen. Die van Hollandt hadden reeds dertigh duizent gulden, in baaren gelde, te berde gebraght, op reekening hunnes aandeels in de resteerende driehondert duizent gulden; en belooft, met d'andre gewesten, de rest van de helste, te weeten van hondert en vyftigh duizent gulden, te verschaffen in Oest-, Herfst- en Wynmaant, naastkoomende, t'elker een derdendeel. Hun verzoek was geweest, te mooghen bestaan met betaaling van de weeder helfte, oft andre hondert en vyftigh duizent gulden, op zeekere korte daghtyden, in den jaare vyftienhondert zeevenentachtigh; om dat zyn' Doorluchtigheit, in Lentemaant lestleeden, meende die som op fret te lichten: in welken gevalle, hunnes bedunkens, de betaaling oft herborzing wel zoo lange hadde mooghen uitgestelt worden. Maar, die van Hollandt en Zeelandt, als nu bericht dat die lichting niet voortgegaan was, zouden aanneemen, hoe pynlyk het hun ook viele, hun aandeel in d'andre hondert en vyftigh duizent gulden, meede in de gemelde maanden, by gelyke deelen, op te brengen. Doch, aangezien zy die penningen op schaade moesten haalen; zoo verstonden zy den ontfangeren en andren, door welke zy de opneeming zouden doen, in handen te stellen, t'hunner verzeekringe, de schattingen, ingewillight om geheeven te worden oover d'onroerende goederen in den jaare vyftienhondert zeevenentachtigh; ende voorts, tot een' toeverlaat, al d'andre gemeene middelen, loop hebbende in Hollandt en Zeelandt. Belangende den tol van de laakenen; de Hollandsche Staaten en Zeeuwsche gemaghtighden waaren te vreede (op hoope van gelyke bewilghing der andre gewesten) dien in zyn' handen te stellen voor den tydt van een jaar, te beginnen met den eersten van Wynmaant naastkoomende; mits dat daaruit betaalt wierden de hondertduizent opgelichte gulden, en 't wedde zyner Doorluchtigheit. Voorts verstonden zy, daarneevens, dat, indien hy * den staapel der Engelsche laakenen alleenlyk deede houden in de vereenighde Landtschappen, alsdan zulk een tol op die zouw gestelt worden, als zyn' Doorluchtigheit, zonder merklyk bezwaar der gemeente, moghte goedt vinden: waarinne de voornoemde Staaten en gemaghtighden, van toen af, verlof droeghen. Indien men den staapel hier niet quaame te houden; zoo zoud' hy den tol mooghen doen ontfangen op het inkoomen der laakenen: mits, dat, om verleiding van neeringe voor te koomen, op elk laaken van tsestigh gulden en daar booven, twee gulden, daar beneeden, een' gulde betaalt wierde, zonder meer; en dat de laakenen, gaande oover zee naa vreemde landen, hadden vry te zyn van * geleigeldt. Anders zoud' hy den laakentol op de sleete mooghen doen heffen, zoo hoogh als die toen in sleure was. Ende, indien hy niet gedient waare met den ontfang van dien tol op eene der drie voorzeide manieren; zoo zoud' hem gelieven, den gemelden Staaten en gemaghtighden bekent te maaken, op wat wyze, en tot hoe hoogh een' prys zyn' Doorluchtigheit verstonde den zelven tol te doen heffen. Waarnaa, ingevalle zy zich gelast vonden daar in te bewillighen, zy niet laaten zouden zulx op 't spoedighste te doen; oft anders, binnen korte daaghen, zulken last van hunne *maghtighers te bevorderen, als van de zaak vereischt werd, tot genoeghen zyner Doorluchtigheit. Belangende de hondert duizent gulden, opgenoomen by verlof der Algemeine Staaten, tot * buitenordlyke bezwaaring der gemeine middelen, de Staaten van Hollandt en gemaghtighden van Zeelandt

[p. 1076]origineel

+verzochten, dat zyner Doorluchtigheit gelievede den Raadsheeren van Staate orde te geeven, omme, volghends 't besluit der Algemeine Staaten, en 't berichtschrift bezwooren by dien Raadt, oover te leeveren netten staat van den ontfang, dien zy gehadt hadden, zoo van't aandeel elkes Landschaps in de ordelyke lasten, als van de buitenordelyke schattingen, seedert den tienden van Louwmaant tot den tienden der loopende maant; ende van de voorzeide gelichte hondertduizent gulden; ook van de uitgift en besteeding der ontfange penningen: dat meede de zelve staat geteekent, ende in zulke forme als de Raadsluiden dien op hunne gedaanen eedt zouden meenen te verantwoorden, oovergeleevert wierde, met aanwyzing der *ontfangtaafelen, waarop de gemelde hondertduizent gulden gelicht waaren. Daarnaa zouden die van Hollandt en Zeelandt niet verzuimen, op 't afleggen der gelichte penningen, voor hun aandeel, met den eerste, tot genoeghen zyner Doorluchtigheit, te voorzien gelyk 't behoorde. 'T geschil tussen die van Hollandt en Zeelandt, oover de gemeenschap der krysmiddelen loop hebbende in die gewesten, en 't begrooten van elx aandeel in de lasten der oorloghe, hadden de voorzeide Staaten en gemaghtighden, in 't vrundlyk, volghends de begeerte zyner Doorluchtigheit, niet kunnen neederleggen. Dies verzochten de Staaten van Hollandt, dat zyner Doorluchtigheit geliefde 't zelve (alzoo 't aan haar verbleeven was) by haare verklaaring te beslechten; ten welken einde zy, neevens dit geschrift, de reedenen, dienende tot beweering hunnes verstands, ooverleeverden. Op den tweeden van Oestmaant quaamen z' hem naader te gemoete, met belofte van eerstdaaghs d'eene helft hunnes aandeels in de driehondertduizent gulden, d'andre in Herfstmaant op te brengen; ende gaaven hem hoope, dat hunne * maghtighers (naardien zyner Doorluchtigheit niet genoeghde aan bewyzing op den laakentol) ook zouden te beweeghen zyn tot betaaling hunnes aandeels in de vierde tonne schats; indien hy eindtlyk, op twee hunne vertooghschriften, aan hem oovergeleevert, billyk besluit maakte, en 't zelve deede uitwerken. Het eene deezer schriften bestreed +het plakkaat, geraamt den vierden van Grasmaant op 't stuk der zeevaart; ende werd maar mondelings van hem beantwoordt, met zeggen dat hy niet dan der Landen welvaart zocht, 't welk men behoorde hem toe te vertrouwen. Het ander behelsde deeze zes punten van bezwaarnis. In 't monsteren en betaalen der Engelsche hulptroepen, werd het tweede lidt van 't verbondt, gemaakt met de Kooninginne, niet achtervolght. Teeghens het vyfde en zeevende lidt van 't zelve, onderwond zich d'Ooverste van den Briel de scheepen op de Maaze aan te houden en te doorzoeken. Teeghens het zestiende, zeeventiende, achtiende, neeghentiende, +en twintighste lidt; ook teeghens 't luiden van den lastbrief, ontfangen van zyn' Doorluchtigheit op 't stuk der Landtvooghdye; teeghens de voorwaarden, bedongen in 't inwilghen der schattingen; teeghens 't verding, gemaakt tussen zyn' Doorluchtigheit en d'Algemeine Staaten; teeghens 't berichtschrift des Raads van Staate; was het bewindt der geldmiddelen gestelt op eenen schaadelyken voet, en meest aan Jakob Reingoudt, eenen man zeer besprooken, verdechtight, en vol schulden; voorts, aan zeekere Hoofden; ter beschikkinge der welke zy vertooners de gelden van Hollandt en Zeelandt, ende, dienvolghends den ganschen Staat niet moghten stellen: dies baaden zy dat zyner Doorluchtigheit geliefde, de gemeine penningen te regeeren met ende door den Raadt van Staate: ofte, zoo haar zulx niet goedt dochte, een ander amptgenootschap tot waarneeming deezes werx, by bewilghing der Algemeine Staaten, opgerecht wierde, uit vertrouwde persoonen, te noemen by de gewesten, die hunne gelden door 't zelve zouden laaten bedienen: oft uiterlyk (zoo zyn' Doorluchtigheit, om zeekre inzighten,

[p. 1077]origineel

+tot afschaffing van 't reeds opgerechte amptgenootschap niet verstaan konde, gelyk zy hoopten jaa) dat zy, ten minste, 't bewindt oover de penningen van Hollandt en Zeelandt weeder aan haar en den Raadt van Staate tooghe. Op veele soorten van in- en uitvaarende koopmanschappen waaren grooter lasten gestelt, dan de vertooners hadden ingewillight: waaroover zy verzochten, dat de * geleygelden, op goederen, herwaarts koomende uit onpartydighe landen, op welke de handeling niet zouw verbooden worden, oft gaande van hier derwaarts, geheeven wierden volghends de gedaane inwillighingen: ende, zoo zyn' Doorluchtigheit oordeelde dat de kryskosten verhooghing van geleygelden vereischten, de vertooners waaren ooverboodigh, eerstdaaghs daarop zoo vruchtbaar een besluit te maaken, als de koopmanschappen en 's Lands geleeghenheit eenighszins lyden konden. Aangezien in Landen, schier uitgeput door zoo langduurigh een oorlogh, het vinden der middelen tot onderhoudt van dien zeer kommerlyk viel; zoo verzocht men, dat zyner Doorluchtigheit, in voldoening van 't zeste lidt des gemelden verbonds, geliefde het ooverigh getal van Bevelhebbers en van * wedden af te snyden. Niet alleenlyk veele dorpen, maar zommighe steeden, klaaghden daaghelyx oover d'ongereegheltheit en 't uitloopen der soldaaten; hoewel die van Hollandt en Zeelandt waanden al hunne schattingen betaalt te hebben: waaroover de zelve baaden, dat zyne Doorluchtigheit, volghends het neeghentiende lidt des voorzeiden verbonds en haar eighe plakkaat, geliefde goede orde te stellen op 't onderhouden der krystught. Elk deezer punten werd van hem beantwoordt op den zeevenden der maant, met * byteekeningen van deezen verstande. Noopende 't eerste, tweede, vyfde, en zeste, vond hy billyk hun te believen. Op het derde verklaard' hy, plaats te geeven aan hunne reedenen, en te vreede te weezen, dat de Hollandsche en Zeeuwsche penningen bedient wierden by hem zelven +en den Raadt van Staate, tot dat hy een' welghereeghelde kaamer van geldmiddelen, naar goeddunken der Heeren Staaten, opgerecht hadde. Op 't vierde zeid' hy dat eenighe * geleygelden verhooght waaren, om ze alle op gelyken voet te brengen; ende dit slechts by forme van voorraadt, tot dat d'Algemeine Staaten een' zeekere lyste zouden geraamt en vast gestelt hebben. Immiddels gaf hy, op den vierden der maant, twee plakkaaten uit. Het +eene betrof den gang des gelds, het stuk der munte, en 't geene daar aan kleeft. Het ander luidde, dat niemandt den onderzaaten van den Spanjaardt, in Neederlandt, eenigen toevoer hadde te doen, oft eenige gemeenschap, zoo wel van brieven als andre, met hun te houden: ook niemandt, zonder zyn verlof, eenighe goederen te zenden oft brengen, naa Kaalis in Vrankryk, naa de Sommestroom, oft andre plaatsen aan deeze zyde van Rouaan; naa Embde, Oldenburgh, oft andre haavenen, geleeghen buiten de Neederlanden, aan deeze zyde van Breemen; langs de Maaze, den Ryn, oft andre zoete waateren opwaarts. Hierenbooven begreep het noch +een deel punten, die naar de scherpheit des plakkaats van den vierden in Grasmaant smaakten: maar werd in 't begin des naastvolghenden jaars weederroepen. In de zelve daaghen broedde de blinde bruskheit der Engelsgezinde yveraaren een' nieuwe schennis uit. Ten aanstaan van den boovengemelden Nort, uit Leicesters naam, beval de Vroedtschap een groot getal, zoo van weirlyke als geestlyke luiden, by zonneschyn de stadt te +ruimen; en zich een' wyl te gaan onthouden op onpartydighe plaatsen. Zommighen tooghen naa Kuilenburgh, Vyaane, en Yselstein, als weezende bezondre eighene Heerlykheeden; en waanden daarmeê te voldoen. Maar men verklaarde (op dat immers hunne klaghten oover dit onwettigh bedryf nerghens voorstandt van Recht vonden) by afkunding, dat voor onpartydighe plaatsen alleenlyk de geene te houden waaren, die,

[p. 1078]origineel

+nocht onder het Staatsche, nocht onder 't Spaansche, gebiedt stonden. Jonker Niklaas van Zuilen van Draakenburgh, Schout der stadt Uitrecht, Meester Floris Thin, voorspraak van dat gewest, en Jan Robbrechtzoon van Dreunen, geweeken alle drie binnen Montvoort, briefden +van daar hun weedervaaren den Staaten van Hollandt oover. Deeze, kennende hen voor persoonen, die zich altyds eerlyk en vlytelyk, voor 't vaaderlandt, zelfs in 't bevorderen des verdraghs met Engelandt, gequeeten hadden, verworven zoo veel by Leicester, dat hy, verklaarende geenen last van hem tot uitzetting der geenen, die voor getrouw gehouden werden, maar alleenlyk der verdechtighden, gegeeven te zyn, hun, ende noch twee andren neevens hen uitgeweezen, toeliet, zich in Hollandt aan Rechte te koomen verdaadighen, en, te dien einde, zyn' * veilighe hoede verleende. Hy schreef ook aan den Graaf van Nieuwenaar, de Majestraat, en Burgherhopluiden van Uitrecht, dat zy hem hunne reedenen, tot het uitzetten der voornoemde en andre persoonen, waarop hy verstond geen argh vermoeden te vallen, hadden bekent te maaken, en, midlertydt, het geene, dat teeghens hen was voorgenoomen, te staaken. De zelve Staaten noodighden ook, by zeer minnelyk schryven, de heeren, Zuilen, Thin, en Dreunen, naa Hollandt: en zonden hun, korts daarnaa, een bescheidt, dat allen Amptmannen van Rechte en Majestraaten gebood, hen, en eenighe andren, verdreeven uit Uitrecht, voor goede lief hebbers des vaaderlands t'ontfangen. Den brief van Leicester ontfing Nieuwenaar t'Aamersvoort, ende zond dien den Raade en Burgherhopluiden van Uitrecht toe. De Wethouders schooven den last van 't antwoorden op de Hopluiden. Deeze deeden 't met +vinnigh uitvaaren teeghens de Staaten van Hollandt. Hun verwonderde grootelyx, dat die zich, met het geen men tot verzeekering der stadt Uitrecht aanving, meer bemoeiden, dan die van Uitrecht zich bemoeit hadden met het geene t'Amsterdam, Rotterdam, en elders, tot verzeekering dier plaatsen, geschiedt was. Zy waaren niemandt, dan zyner Doorluchtigheit, reekenschap hunnes doens schuldigh: en zouden haar die, met den eerste, t'haaren behaaghen, geeven. De vyandt joegh alle verdechtighden uit, om zich van de bezettelingen in 't veldt te mooghen dienen. Wy, vierende de quaadwillighen, moesten, daarteeghens, hoopen volx, dat ons opat, in de steeden houden. Men beroofde (recht anders dan hy deed) d'uitgezetten nocht van goedt, nocht van eere: waaraan hun, zeeker, behoorde te genoeghen. Leicester hield deezen heevighen brief achter, zeggende, daarby niet geantwoordt te weezen op het hooftstuk der zaake; die hy daarom uitstelde, tot dat hy weeder t'Uitrecht quaame. Hierentussen +braght Nieuwenaar de gemaghtighden der Uitrechtsche Staaten, de Majestraat, en Bevelsluiden der stadt, onder nieuwen eedt van getrouwigheit aan d'Algemeine Staaten, den Graaf van Leicester als Landtvooghdt, en hem zelven als Stadthouder oover dat gewest. Zy beloofden, onder +andre scherpheeden, geen verstandt te zullen houden met eenighen ten Lande uitgezet: ook niet te spreeken, jaa te beletten (zoo 't mooghelyk waare) alle spraak van vreede met den Spanjaardt te maaken, zonder eendraghtighe bewilghing der vereenighde Neederlanden. Thans, gereist naa Aamersvoort en andre steeden zyner Landtvooghdye, schikte hy den Wethouderen van Uitrecht een geschrift toe, dat, neevens eenighe punten van geringer belang, hun beval, den gemelden eedt allen inwoonderen, hooft voor hooft, af te neemen: en t'ooverleggen met de Burgherhopluiden, oft men noch zeekre persoonen, hun door zynen raadsman Engelbrecht van der Borght bekent te maaken, en zommighe andren, die hun moghten in 't oogh zyn, hadde uit der stadt te zenden. Het

[p. 1079]origineel

+eerste werd zoo verre achtervolght, dat men de gansche burghery, die onder vendels stond, deed zweeren: het ander niet raadzaam gevonden. Op den twaalfden van Oestmaant vond zich Leicester weeder t' Uitrecht. Daar deeden de vyf verwervers zyner * veilighe hoede hem een smeekschrift behandighen; waar by zy verzochten, dat hem geliefde hunne weederparty, die op straffe van uitzetting verbooden had teeghens d'uitzetting te spreeken, tot oopening van haare reedenen te praamen, ende niet te gedooghen dat zy, midlerwyle, aan hunne persoonen oft haave verkort wierden. Maar, onverschoont de voorrechten der stadt, daar niemandt, dan met Majesteitschennis, al 't zyne verbeuren kon; onaangezien zyn' jeeghenwoordigheit (zoo heet was de bitterheit, oft zoo koel zyn gelaat van mishaaghen aan dit bedryf) men braght, des andren daaghs, +t'hunner woonplaatsen zeekre briefkens, luidende, Dat hun, volghends 't bevel, voorgedraaghen door den Heer Nort van weeghe zyner Doorluchtigheit, en het besluit daarop genoomen by den Raadt, belast werd, als noch, binnen vyf daaghen, te trekken naa onpartydighe oorden, op peene van aantasting hunner goederen ten behoeve des Lands, en van plondering hunner huizen. Hier op verzochten zy, by nieuw smeekschrift, dat Leicester hunner weederpartye bevaale haare reedenen in zyn' handen te leeveren; oft zyne Doorluchtigheit hun onpartydighe rechters gaave, voor welke zy den Graaf van Nieuwenaar, den Baroen Nort, de Vroedschap en Burgherhopluiden van Uitrecht, samt alle andren die hen bezwaaren wilden, verdaaghen moghten. Geen gehoor. Zy moesten, zoo wel als d'andre verdreevelingen, de stadt derven; en lyden, booven dien, dat +hunne ampten begeeven wierden aan Brabanders, Vlaamingen, en andre luiden, die t'hunnent de inboorlingen 's Lands van Uitrecht uit alle bewindt weeren. Voor de driftighste aanbinders van dit werk hield men Henricus Agileus, gekoomen van Shartoghenbos, Prounink, en Potter, van welke booven vermaant is. En zeeker schempschrift, toen om her zweevende, noemde Agileus den opruyer, Prounink den aanraader, en Potter den uitvoerder. De Staaten van Hollandt naamen de zaak der uitgezetten zeer ter harte. Zy gingen, op nieuw, Leicester aan, door gemaghtighden, die enkel te dien einde afgezonden, hem de onbillykheit deezes handels, en de zwaarigheeden geschaapen daar uit te volghen, met klaare en kraftighe reedenen voor ooghen stelden; verzoekende dat men, ten minste, die streng zoo styf niet tooghe, en dat hy, zoo hem dienstigh dochte 't recht noch een' wyl uit te stellen, immers de veilighe hoede immiddels deede deughen, die, zonder teffens zyn' achtbaarheit +heel t'ontzeenuwen, niet te kneuzen was. Met veel aanstaans hierop, zoo by de regeerders van Uitrecht als by Leicester, wonnen ze meer niet, dan mondeling bescheidt, dat d'uitgezeiden zich, voor eenighen tydt, hadden te gaan onthouden in Vrieslandt; oft men zoude hun ontilbaar goedt verbeurt, hunnen huisraadt tot buit maaken. Echter bleeven z' in Hollandt, en kreeghen daar verlof, om de schaade, die hun, onbehoorlyker wyze, geschieden moghte, te verhaalen by bekommering oft andre wettighe weeghen, op de persoonen oft middelen van de aanstichters en handthaavers der ooverdaadt. Jaa de Hollandsche Staaten waarschuwden +dies de Majestraat van Uitrecht, zonder te heelen hoe 't hun verdroot, dat men, ongedachtigh der goede gebuurlykheit en hulpe, beweezen, in alle nooden, aan die van haare stadt, door die van Hollandt, liever had d'uitgezetten in Vrieslandt te dulden. In dit tommelen der dingen schreef Leicester aan Heer Johan van Oldenbarneveldt, dat hy, op zight des briefs, by hem tot Uitrecht te koomen hadde. 'T welk de Hollandsche Staaten, als weezende vergaadert, en mooghende derhalven hunnen voor-

[p. 1080]origineel

+spraak niet ontbeeren; maar duchtende misschien voor eenighen slimmen +trek, hem te speelen, heuschelyk weigherden. Want zy verlieten zich meest op Oldenbarnevelds kloekheit en arbeidzaamen yver in 't verhandelen hunner zaaken: en hun was toen yet voorgekoomen, 't welk, schynende van geen klein gevolgh, van grooter bevonden werd; en, in 't +licht gebraght, den Lande wel te staade quam. Te weeten; Steeven Paret, oopenbaar bankbreeker, gevangen geweest tot Antwerpen in den jaare vyftienhondert drieëntachtigh, voor insteller van zeeker oproerigh schrift, vervorderde zich op den zestienden van Oestmaant, binnen Rotterdam daar hy woonde, in gezelschap van veele persoonen, te zeggen, Hy zoude den Algemeinen Landtvooghde aandienen, dat alle, die oorlof tot uitvoer van eetwaaren aan hem verzochten, voor hadden zyn' Doorluchtigheit om Landen en luiden te brengen. 'T welk te meer vermoedens baarde, dat verscheide smaadighe briefkens, uitgestrooyt om de gemeente teeghens de Staaten op te ruyen, in zynen winkel gesmeedt waaren. Dies deeden z' hem voor de Rotterdammer Majestraat ontbieden: daar hy, bekennende niet alleenlyk zulx gesprooken te hebben, maar ook verklaarende dat hy als noch zynen woorde stond, werd vast gehouden. Voorts tastte men zyn' papieren aan, en vond 'er verscheide stukken onder, die zyn verstandt met Reingoudt, en hunnen schaadelyken toeleg, oopenbaarden. Reingoudt, verwittight van Parets gevankenis, beschikte dat de Raadt van Staate aan de Staaten van Hollandt schreef, men hadde terstondt Paret naa Uitrecht te zenden, met al zyn' papieren om +daar bezightight te worden. Deeze brief, * gebyteekent door Meetkerke, rechtte niet uit. Dies nam Reingoudt zyn' toevlucht tot Leicester, leggende toen voor Doesburgh. Maar die van Hollandt veirdighden eenighe gemaghtighden af, om den Landtvooghde en Raade van Staate d'ontdekte snoodtheeden te vertoonen. Als zy t'Uitrecht quaamen, was Reingoudt vertrokken, zyn' papieren versteeken. Doch, men raakte +daar eindtlyk achter, en speurd' 'er schendighe dingen in. Behalven de schriften, die den Staat betroffen, quam'er een brief te voorschyn, waar by hem de vrouw van La Guillaire maande om huwlyxtrouw, haar belooft op verdoemenis zyner ziele, acht jaaren te voore; en weederom, naa dat zy den bedongen tydt van 't ooverlyden zyner huisvrouwe met groot geduldt had afgewacht. En zy praamd' hem met heughenis van de gemeenschap hunner lichaamen; en mengde, gelyk het in minne en misnoeghen gaat, kyven, smeeken, verwyt, ootmoedt, onder klaghten die naa d'uiterste wanhoop smaakten. Veel' afschriften van deezen brief werden uitgegeeven, en zyn' andre ranken niet verzweeghen. De gemaghtighden, voorts tot in 't leegher gereist, beschuldighden hem en Paret met verscheide zaaken, waaruit men deeze drie punten besluiten +kon. Dat zy getracht hadden, zich zelve te verryken tot koste der Landen: de gemeine middelen op eenen bysteren voet, en alzoo te niete te brengen: bitschen haat tussen zyn' Doorluchtigheit en de Staaten te stooken. Hierop verzochten zy, dat Reingoudt gehoort, en naar verdienste gestraft wierde. Maar Leicester nam 'er dagh aan, beloovende zich naarder van 't stuk te doen berichten, ende dan 't geen behooren zoude. Niettemin, hy bezinde zich wat beeter; deed eerst in zyn' eighe tente Reingoudt eenen dagh bewaaren; en steld' hem thans in handen van den Algemeinen Provoost. Ontrent den zelven tydt verscheen, ter Goude, +een genaamt Niklaas de Dryver, gemaghtight, zoo hy zeide, door Leicester, tot achterhaaling van de Lorrendraayers; en verzocht bystandt van den Amptman van Rechte, om in 't volbrengen van zynen last niet ge steurt te worden. Want hy wilde, zonder eenighe Scheepenen oover zyn

[p. 1081]origineel

+werk te gedooghen, de schryf-, jaa kladboeken niet alleenlyk van *geleigeldmeesters, maar ook van koophandelaars en hunne * bewindsluiden, van maakelaars, van *beampte schryvers, naa zich neemen en doorsnuffelen; om te weeten wat wisselen op verboode plaatsen moghten geslooten zyn, wat goederen derwaarts gezonden, wat verdingen daaraf gemaakt. Ook wild' hy by de schippers onderzoeken wat waaren zy gevoert hadden. Wie weigherigh viele, zoud' hy, met hulp des Amptmans, by den halze vatten, en naa Uitrecht stuuren, aan den Provoost zyner Doorluchtigheit. De Amptman ontschuldighde zich van hem hierin de handt te bieden, zonder voorweeten der Burghermeesteren. Toen eischte men dubbelt van zynen lastbrief en berichtschrift. Hy antwoordde bereidt te zyn tot vertooning van den lastbrief; van 't berichtschrift, geenszins. De zaak werd gebraght voor de Staaten van Hollandt: die den Amptluiden van de steeden bevaalen, diergelyken gemaghtighden (want men hoorde dat'er ook elders koomen zouden) oopening van hunne lastbrieven en berichtschriften te verghen, en de zelve te doorzien met de Majestraat: welke, zoo zy zich daarby bezwaart vonde, zich aan de Staaten hadde te richten. Den geenen, die hunne bescheiden niet ooverleeveren wilden, zouden de Amptmannen hun verzoek om bystandt afslaan. +Die van der Goude, niet lang hiernaa, dreeven deezen Dryver t' hunner stadt uit, en dwongen hem, by goeddunken der Staaten, heel Hollandt te ruimen, om dat hy, hebbende den Wethouderen, die hem in den weeghe waaren, te naa gesprooken, hun daarenbooven styfzinnighlyk ontzeide eenen eedt van getrouwigheit te zweeren, dien zy allen +vreemden inwoonderen afmaanden: 't welk de Staaten begeerden, dat men ook in andre steeden zouw doen. In Noordthollandt ontstond meede groote onlust, uit eenen lastbrief, gegeeven van Leicester aan Willem Mostart, om de geestlyke goedren te regeeren: welk bewindt de Majestraaten van dien oordt hem onttopghen hadden, en aan zich genoomen. Voor Mostart was de gunst van den Ooverste Sonoy, en de Predikanten, klaaghende dat de Wethouders, als meestendeels Roomsgezint, hun te schaars een onderhoudt uitreikten: teeghens hem de steeden en dorpen, ook thans de Staaten van Hollandt. Dies moest hy eindtlyk afstaan: hoewel alleenlyk gewraakt als een Brabander, en derhalven tot geen' bediening van Hollandsche ampten ontfanklyk. Op dit pas vond zich in Hollandt de heer Thomas Wilkes, Ambassadeur der Engelsche Kooninginne. En dewyl de Engelschen zich lieten dunken, dat de Hollanders, naar gelang van hun vermooghen, te luttel tot het oorlogh gaaven; zoo oopenbaarde men hem den staat des Lands, ende +wat by 't zelve, van jaar tot jaar, sint het vyftienhondert zeevenentseeventighste, was opgebraght. Teffens onderrichtte men hem van Reingouds en Parets bedryf: 't welk hy, ziende hunne schriften en brieven, zeer vreemdt scheen te vinden, en ter harte te trekken, met belofte van in alles goeden dienst te doen. Leicester, niettemin, volghende 't voorighe spoor, vergaf t'Uitrecht de ampten der uitgezeide heeren, zonder aanschouw van geboorte, zonder naa benoeming te toeven. Jaques Bellechere, een' Vlaamsche Waal, werd Raadshooftman des Hoofs van Uitrecht; Henricus Agileus van Shartoghenbos, Raadsman en * Algemein Bezorgher; Harman Wynhof en Jan van den Berghe, Raadsluiden; Philips Rataller, Griffer; Jakob de +Potter, een Vlaaming, Algemein Rentmeester der Landsheerlyke inkoomsten van 't Sticht. Hopman Kaarel van Trillo steld' hy (quansuis by voorraadt slechts) tot Schout der stadt. Thans liet hy verzoeken op de Staaten van 't gewest, dat zy wilden genoeghen neemen aan 't geen hy ge-

[p. 1082]origineel

+daan had. De * gekoorelingen en Eedelen verklaarden, dat zy, te dien maale, hun recht van benoeminge afstonden, voor zoo veel als de hoofsche ampten aanging; mits dat hy hun, by bescheidt onder zyn' handt +en zeeghel, hadde te verzeekeren, dat zoodaane form van kiezing niet meer gepleeght zoude worden, 't en waare ook d'andre Landschappen de zelve quaamen in te willighen. Maar, eenen vreemdeling te zien het Schoutschap bekleeden, 't welk de voorrechten niet dan ingebooren burgheren toelieten; dat was, zoo wel den Staaten 's Lands, als den Raade der stadt, teeghens de borst. En, oft schoon de heer van Barchon, Steêvooghdt in 't afweezen des Graaven van Nieuwenaar, +pooghde Trillo in te voeren; men ontzeid' hem zitting, tot dat een' nieuwe Majestraat en Vroedschap, gemaakt uit zonderlingen last van Leicester, door den Graaf van Kuilenburgh, den Baroen Nort, en Barchon, geirne 't werk zynen gang liet gaan. En zeeker, 't kon quaalyk belet worden; gemerkt de Burgherhopluiden aan Leicester geschreeven hadden, dat zy Trillo in 't Schoutampt zouden handthaaven, dewyl zy bevonden dat het eertyds door Johan van Kuilenburgh en Geurt van Rheede, den eenen geboortigh uit Hollandt, den andren uit Westfaale, was bedient geweest. Hierenbooven quam Geeraardt Prounink, gezeidt Deeventer, gebooren, als gemeldt is, van Shartoghenbos, tot zyn vermeeten; +ende werd, door Leicester, tot tweeden Burghermeester van Uitrecht beroepen, op den eersten van Wynmaant naar den ouden styl, gewoonlyken dagh der verkiezinge aldaar: ende neevens hem, Jonker Pieter Ruisch, tot eersten. Onder dit kraaken der middelleeden van den Staat, door Leicesters raauwe handeling, dien daarom een ooverfraay vernuft onzes tyds zeer geestighlyk eenen grooven leêzetter noemt, dreunden de grenzen vast, van het woelen der oorloghe. De Prins van Parma, +naa 't inneemen van Baatenburgh, zond den Graaf van Mansveldt, met dertien Duitsche en drie Walsche vendels, om 't huis en de schans van Wel te bemaghtighen. Hopman Splinter van Helmich, gebooren van Uitrecht, lagh op het huis, met twee rotten zyner bende: in de schanse zyn Steêhouder, met niet dan een rot. De zwakste werd eerst aangesprooken, verwachtte tachtentigh scheuten van vier halve kartouwen; +die, hebbende hem en veele soldaaten gewondt, den serjant met de rest deeden genaade verzoeken: welke was, dat al de ongequetsten in hechtenis gaan moesten. Hopman Helmich, voor dat maal, werd niet aangevochten, dan door eenen brief van opeisching: rukkende, als hy dien weigherde te leezen, Mansveldt voort naa Venlo, voor 't welk de Spaanschen, zoo aan de Geldersche als Brabandsche zyde, zich needer sloeghen. Eenighe Staatsche knechten, op Arsen, wilden naa geen' aanbieding van voorwaarden hooren, tot dat vier groove stukken hen d'onhoudbaarheit van 't slot deeden bezeffen. Toen schikten ze den +vendrigh van Hopman Waardenburgh uit om te daadingen. Die liet zich dronken maaken, en schreef, zy zouden afkoomen, 't verdragh was getroffen. Zy, stellende geloof hierin, begaaven zich naa buiten, en werden alle doodt gesmeeten; hy vast gezet; het slot geplondert, tot groote schaade der huisluiden, die veele goederen daarop gevlucht hadden. 'S nachts te voore viel Schenk, met den Engelschen Ritmeester Rogier +Wiljams, en twee- oft driehondert paarden, ten Kooningschen leeghere in, op hoope van 'er door te slaan, en by zyn gemaalin te raaken, die hy, neevens haar' zuster, in stadt gelaaten had, gaande naa Sgraavenwaardt, om op den hoek, daar de Waal uit den Ryn spruit, een blokhuis, tot beheering van beide die stroomen, te stichten, eer de vyandt het deede. Hy joegh met merklyke neêrlaagh der Spaanschen, tot aan de herbergh

[p. 1083]origineel

+van Farneeze: moest echter zynen toeleg staaken, ziende 't heele heir in +roere, en den dagh voor de handt. In 't weederkeeren liep hy, hebbende reeds meer dan veertigh mann' verlooren, en vindende de weeghen bezet, maghtigh gevaar. Doch zyn dappere moedt droegh hem en de rest daar door, tot in Wachtendonk. Sint bouwd' hy de begoste vesting voort op, +die noch heeden Schenken schans heet, en van tydt tot tydt zeer versterkt is. Den Hartogh van Kleef, klaaghende, door gezanten aan Leicester, oover den aanvang deezes werks, stilde men met aanwyzen dat het op den Gelderschen boodem geleit werd. Die van Venlo hadden, voor de stadt, op zeeker eilandeken der Maaze, een' sterkte gemaakt, die den vyandt zeer hinderde. Dies timmerde Farneeze, op drie ponten, ontbooden van Maastricht, een houten bolwerk: 't welk, ter stroome afgedreeven, middel aan drie hondert soldaaten gaf, om met kleene schuiten op 't eilandt te koomen, daar zy zich strax wat beschansten. Dit baarde zulken schrik in de Staatschen, dat zy, hebbende een' brug t'hunnen gerieve, naa de stadt vlooden. Niettemin, zy en d'andre bezettelingen, hondert naar dat Hareus, zeevenhondert naar dat Meeteren zeit, (d'andre schryvers zwyghen 't getal) toonden zich seedert rustigh, vertrouwende dat Schenk zoo waardt een pandt, als zyn' huisvrouw en gezin, niet in de ly zouw laaten. Maar, alzoo zy zeeker gedeelte der veste, dat uit eenen enklen muur bestond, binnen met aarde bekleedt hadden, op weinigh roeden naa; en Parma juist teeghens deeze zyn geschut plantte; viel hun verraadt in. Echter bezweek hun het hart niet, eer de burghery, met +de waapenen in de vuist, hen dwong te gedooghen, dat ze met Farneeze in handeling traade, die, den achtentwintighsten van Zoomermaant, op deezen voet geslooten werd. De ruiters zouden'er hunne paar den laaten; de knechten met enkel zydgeweer uit gaan; met hun Schenken huisvrouw en schoonzuster, ook de * gemaghtighde Johan Hoorenkens, die eertyds in den Landtraadt gezeeten had: maar niemandt zyne goederen meê neemen. De poorters kreeghen genaade: en die niet blyven wilde, moght daatlyk, oft binnen zes maanden, met zyn' haave, vertrekken. Hoorenkens, hebbende (zoo zommighen meenden) veel gouds ingeslikt, starf ten naasten daaghe aan zwaare pyn des ingewants: andren zeiden, aan pleuris. Schenk verloor 'er een' groote som gelds: de soldaaten veel buits, dien Parma den steedelingen, op lyfstraf, beval in 't licht te brengen. Zes dubble kartouwen, geleent van de Uitrechtsche aan de Geldersche Staaten, bleeven ook in de stadt: en z'ontfing, tot bezetting, elf vendels knechten, met twee kornetten. Tot wraak oover 't misdryf der burgheren, gebood +Leicester, hunne persoonen aan te tasten, goedren verbeurt te maaken, waar ze in de vereenighde Landtschappen t'achterhaalen waaren. Naa 't verooveren van Venlo, deed Hautepenne 't Huis te Wel weeder opeischen, met harde dreighementen. Als die niet golden, omringd' hy 't met zesendertigh vendelen voetvolx en twee benden paarden. Hebbende, op den vierden van Hooymaant, zes kartouwen en een' halve ontfangen, zond hy, ontrent den middagh, eenen trompetter +met een' brief, die gelyken eisch inhield, en eeven luttel by den Hopman, Splinter van Helmich, geacht werd. Maar de soldaaten begosten te morren, en wilden eindtlyk van hem weeten, wat het was dat de vyandt schreef. Hy meldd' het, en bekald' hen zoo verre, dat zy, neevens hem, de rest van dien dagh, en den ganschen nacht, aan 't vullen der poorte en andre werken arbeidden. Van 's andren morghens vroegh, tot middagh toe, werd het slot beschooten, met twee kartouwen en een' halve: ende nam een yzer zeekren soldaat, op den moolentooren, beide zyn' beenen wegh. Toen stuurden de bezettelingen hunne Bevelhebbers,

[p. 1084]origineel

+tot drie reizen toe, aan den Hopman, om hem tot verdragh met de Kooningschen +te prangen. Doch, onaangezien zy hem ten derden maale lieten aankundighen, dat zy zelve eenen tromslaagher zouden afzenden, 't en waar' hy het deede, en hem aan den tydt van twee uuren beraads bonden; hy bleef onbeweeght. Als de muitery hier oover toenam, beloofd' hy, hoewel zy met spyz' en drank van hem verzorght werden, hun daarenbooven, yder een' maant solds uit zyn' eighen buidel te schenken, indien zy toefden, tot dat de belegger hun de eere deede van de plaats noch eens op te eischen, wen hy reedelyke breuk zouw gemaakt hebben. Geen gehoor: zy zingen den ouden zang: zulx Helmich, om tydt te winnen, hun toezeggen moest, dat hy ten naasten daaghe, zoo Hautepenne zynen eisch niet vernieuwde, eenen tromslaagher aan hem zouw schikken. Hier meê paayd' hy ze voor dat pas. Op den zesten der maant schoot de vyandt slechts nu en dan eens in 't wilde; maar had beddingen gereedt voor de vier andre kartouwen; ook zyne naadernissen tot aan de graft, en hierin etlyke schuiten gebraght, om volk oover te zetten, terwyl 't geschut den wal zouw beuken en de verweerders daaraf houden. 'T welk gemerkt van de bezettelingen; rotten zy t'zaam, en koomen den Hopman om voldoening zyns woords maanen. Hier op hield hy hun dit voor. Gedwongen eedt is Gode leedt. Dies meen ik ook de beloften, my gister afgeperst, niet naa te koomen. Ik deed ze, van vreeze voor uitbersting uwer weederspannigheit tot een schelmstuk, en op hoope dat ghy, bedaarende midlerwyle, tot betrachting van uwen plicht zoudt keeren. Gaat u die noch niet ter harte; ik zal daarom den mynen niet vergeeten, nocht dus een' sterkte zoo lichtveirdelyk oover leeveren. Liever heb ik (jaa bid het) dat ghy my een' kling oft koeghel door 't lyf jaaght; oft het zelve willends ten doele van 's vyands geschut te stellen. Zoo zal ik ten minste een eerlyk oorloghsman sterven, en van zoo smaadigh een' doodt, als de heer van Heemert en zyn' Hopluiden geleeden hebben, bewaart weezen. Wat u naakende zy, mooght ghy denken. Want, zoo ghy my, zonder andre noodt, tot daadingen dringt; weet, dat ik my met uwe schuldt zal ontschuldighen. 'T moght niet baaten: hun docht, hield' hy 't leeven niet waarder, zy waaren van ander verstandt. Toen zeid' hy hun, Ghy hebt my gister een paar uuren bedenkens toegemeeten: nu begeer ik der ook twee oft drie. Maar de muiters bezeften wel dat hy hier meê niet zocht dan de zaak te sleepen tot 's andren daaghs, en bres te verwachten. Dies verstout zich een aadelborst, geheeten Gyzeler Frieze van Hottingen, den vyandt, van wien hy voor Venlo gevangen geweest, en, zoo thans bleek, omgekoft was, toe te roepen dat men in gesprek wilde koomen. De Hopman, bevroedende dat hy verraaden was, en in gevaar van buiten 't verding geslooten te worden, vergaaderde de Bevelhebbers, en tuighd' hun aan, dat hy, teeghens zynen dank, moest daadingen. Zy gaaven hem schriftelyk en onderteekende verklaaring van al, 't geen hy, om de plaats ten uiterste toe te houden, gedaan had. Daar op liet hy eenen tromslaagher afgaan. Dan, +Hautepenne, verkundschapt van de opstending der bezettelingen, wilde, tot geen' onderhandeling verstaan, maar dat zy zich genoeghen lieten aan 't geen hy hun voorschreef, en toeveirdighde. De Hopman zouw vertrekken, met zyn paardt; de zelve, ook de voerder, met hun zydgeweer; de gemeine soldaaten ongewaapent; alle zonder pakkaadje; en, onder geleide, gebraght worden naa Tiel, ofte daar ontrent, tot dat zy zich in veiligheit vonden. Des aavonds, als zy uittooghen, toonde Gyzeler veele, zoo goude als zilvere, penningen in zynen hoedt; waar meê hy eenen aadelborst en twintigh knechten, tot aanneemen van dienst onder Parma, verlokte. Hautepenne, slaande zyn woordt in den windt, deed den Hop-

[p. 1085]origineel

man, +en de soldaaten, hem bygebleeven, in bewaarnis houden: ook hem zyn ros, waardigh wel tweehondert gulden, afhandigh maaken, en, in plaatse van dien, 's andren daaghs, een oolyk paardeken geeven. Voorts braght men ze oover de Maaze, in 't klooster van Sant Agatha; daar Helmich gedooghen moest dat men hem, zynen vendrigh, zelfs de zuster zyner huisvrouwe, ontkleedde; en hun al hun goudt en zilver, ook zynen signetring afnam. Zyn schryver, knecht, en jongen, werden op gelyke wyze gestroopt; zyn' dienstmaaghdt geschendt. De Bevelhebbers moghten nocht dag, nocht deeghen, behouden. De soldaaten, die yet goeds aan 't lyf, oft eenigh geldt oover zich, hadden, schudde men ook uit, en liet ze half naakt heene loopen. Onderweeghe droopen'er tien oft elf, uit anxt voor straffe, van den hoop af, die eindtlyk binnen Uitrecht quam. Daar klaaghde Helmich oover de gansche troep, uitgezeidt Leonardt Blanche van Limburgh, vendrigh, en Pieter Fransois, aadelborst: ende werd den Bevelsluiden voorgehouden, dat zy drie van de muiters, noch schuilende onder de knechten, hadden naamkundigh te +maaken, oft alle te sterven. De serjant, hier door verschrikt, noemd' 'er twee. Om den derden uit te maaken, dien hy niet wist te noemen, deed men de rest met teirlingen werpen. Aan dit deerlyk spel moesten ook de Bevelhebbers, op dat'er een voor hun allen leede. 'T lot viel op den serjant, een' Schotsman. Die werd gehangen, met den eersten en derden der soldaaten; de tweede verbeeden, hoewel hy een der genoemden was. Al d'andre, dewyl 't vonnis des krysraads inhield dat ze de doodt verdient hadden, en uit genaade gespaart werden, liet Helmich verloopen, zonder betaaling, zonder * vryereizbrief; en raakte alzoo van zyn Hopmanschap, waar toe hy, van enklen soldaat, en trap tot trap, door alle krysampten, zonder verzoek daarom te doen, gevordert was. Doch men maakt' hem daarnaa Monste