terug  begin  verderprepost
[p. 1109]origineel

P.C. Hoofts Neederlandsche Historien
Vyfentwintighste Boek.

+TErwyl de Staaten van Hollandt, Zeelandt, en Vrieslandt, arbeidden, om den Graaf van Leicester, tot neemen van beeter voet op het beleidt der dingen, te beweeghen; stak een nieuw onweeder +van Uitrecht op. De Staaten van dien oordt hadden Geeraardt Prounink, anders Deeventer, gemaghtight, om van hunnent weeghe, als een lidt van 't amptgenootschap der Algemeine, alles, neevens d'andre, te helpen bestieren. Hy vond zich ook in 't bezonder gelast, om hen, samt die van Hollandt en Zeelandt, tot gelyk besluit te verspreeken, als by die van Uitrecht genoomen was, noopende d'opdraght der Hooghe Heerschappye aan de Kooninginne van Engelandt. Juist op den elfden in Slaghtmaant, dagh van 't ooverleeveren des boovenverhaalden vertooghs, quam hy zitting ter vergaadringe der Algemeine Staaten verzoeken. Maar men wraakte hem, als ingekroopen ten Burghermeesterschappe van Uitrecht, teeghens de voorrechten der stadt, die geenen Brabander toelieten aldaar +eenigh ampt van regeeringe te bedienen: dewyl de Brabanders, t'hunnent, zulx geenen inboorlinge van Uitrecht vergunden. Als hem dit aangezeidt werd, belghd' hy zich des booven maate; en borst, naa een langh vertoogh, eintlyk uit, tot * aantuighing, Dat hem niet zouden +te wyten staan al de onheilen, geschaapen hier uit den Landen oover te koomen, en zoo groot, dat ze (dit woordt gebruikt' hy) niet t'ontmonden waaren, nochte te begrypen van de daar teeghenwoordighe Heeren, wen ze jaa zoo veele vernuften hadden, als hairen op het hooft: Hy ried ook den andren gemaghtighden van Uitrecht, die daar zaaten, op te staan, en de Hollandsche, Zeeuwsche, Vriesche, op zich zelve te laaten arbeiden: verzocht eevenwel te verstaan, wat bescheidt hy aan zyn' maghtighers hadde oover te brengen, om den slagh van 't beschooren misquaam eenigher wyze te breeken. Men gaf hem tot antwoordt, dat de Heeren Staaten hun besluit niet verandren moghten: maar 't ooverdraaghen der zaake aan zyn' bescheidenheit stelden, begeerende dat hy daarin den meesten oorber des Lands wilde betrachten. Daarop voer hy weederom uit; Deeze was de dagh, deeze de uure, die de Landen beschreyen zouden: vernieuwde zyn' aantuiging, en begeerde dat ze te boeke geteikent wierde. De Heeren verstonden, dat hy zelf de zelve op papier zoude brengen. Dat deed hy; doch ten geschrifte dien hoomoedt niet uitkyken, waar meê hy gesprooken had. Onaangezien deeze weighering, onderwond hy zich aanstending te doen, om in de vergaadring +der Staaten van Hollandt gehoort te worden: maar kon aldaar ook niet te weeghe raaken. Eenighe daaghen hiernaa ontbood Leicester den Algemeinen Staaten, zy zouden vyf persoonen uit hun, neevens Oldenbarneveldt, Voorspraak van Hollandt, by hem laaten koomen. Waar op de Heer

[p. 1110]origineel

+van Noortwyk, Barneveldt voorzeidt, Meester Pieter van der Meer, Adriaan Kooper, Kaspar van Vosberghen, en Kaarel Roorda, in den Raadt, daar hy zich vond, verscheenen. Naa vermaan van eenighe andre zaaken, vorderd' hy hun de reedenen af, waarom de Algemeine Staaten, aan Prounink, geen' plaats t'hunner vergaadringe wilden inruimen. Men +vertoond' hem, dat Prounink een Brabander was, ook geen burgher der stadt Uitrecht, nochte gegoedt in dat Sticht, en derhalven niet kiezbaar tot Burghermeester: dat hy, daarenbooven, den Algemeinen Staaten had reekening te geeven van een' merklyke som penningen. Een gemaghtighde van Uitrecht voeghd' 'er by, hoe Prounink, in de zaamening der Uitrechtsche Staaten, zich had laaten hooren, dat, ter zaake van zommighen, willende zoo zeer de voorrechten verdaadighen, noch bloedighe koppen zouden gedraaghen worden: 't welk alleen den Algemeinen Staaten stoffe t'oover gaf om hem af te slaan; naardien zoo lastigh en hachlyk een oorlogh by hen was aangenoomen, en zoo lange gevoert, allermeest voor den Godsdienst en de vryheeden, tot bescherming der welke zy zich ten hooghste verplicht kenden. De Graaf prees grootlyx den yver der geenen, die pooghden de voorrechten te handthaaven: maar begeerde, dat de gemaghtighden oopening van de verhaalde reedenen zouden aan Prounink doen. Waar op hun zeggen was, dat zulx in de goede geliefte zyner Doorluchtigheit stond: maar dat zy, in Prouninks teeghenwoordigheit, niet zouden begeeren oover de zaak te twisten. Dies ontbood Leicester +zelf Prounink, en hield hem de reedenen voor. Op d'eerste zeid' hy, niet te gelooven, dat die van Uitrecht zich voorzien vonden met eenigh voorrecht, waar by de Brabanders daar uit de ampten geslooten werden; gemerkt die van Vlaandre, met aanbieding van veele tonnen schats, zoodaanigh Recht van Kaizar Kaarel niet hadden kunnen verwerven: ende dat hy niet wist, met wat bescheidt de Hollanders alle buitenboorlingen uit hunne regeering weerden. Op de tweede zeid' hy, meer dan vyf jaaren binnen Uitrecht gewoont te hehben, en ooverzulx kiezbaar te zyn tot Burghermeester. Op de derde, dat hy in 't Sticht wel geen' onroerende goedren bezat; maar in Hollandt meer dan voor tienduizent ponden van veertigh grooten 't pondt. Op de vierde, dat d' Algemeine Staaten hem wel vierduizent gulden schuldigh waaren, ende hy hun niet dan reekening, het doen der welke hy nooit, maar zy zelve hadden uitgestelt. Op de vyfde, dat hy zulx, als men hem naagaf, niet gesprooken had; doch, dat, als in zeekre vergaadering der Staaten van Uitrecht verhaalt werd, hoe die van Hollandt meenden verandring van de nieuwe Wethouders der stadt, hechting der Stichtsche Landtvooghdye aan de Hollandsche, en andre diergelyke zaaken te weeghe te brengen; daarop vertoont was, dat men, om aan haare Majesteit en zyn' Doorluchtigheit genoeghen te geeven, niet diende zoo stips, om dingen te vooren geschiedt, op de voorrechten oft verdingen te staan: behalven dat daaruit lichtelyk zwaar misquaam, tweedraght, en bloedstorting ryzen moghte. Op dit antwoordt van Prounink viel wat praatens, zonder vast te stellen wat oorberlyxt te doen waare. Doch, als hy uitsloegh, dat de gemaghtighden van 't Sticht, in de vergaadring der Algemeine Staaten, zonder hem niet handelen zouden, dewyl 't hun, by besluit van de Vroedschap der stadt, verbooden was; zoo ried hem, in 's Graaven teeghenwoordigheit, de Heer Wilkes, herroeping van dat besluit te bevorderen. Op den vierentwintighsten in Slaghtmaant hoorde men Prounink, in byweezen van Leicester, noch eens: ende gaaven hem, naa eenighe woorden en weederwoorden, d'Algemeine Staaten tot afscheidt, Hy hadde naa Uitrecht te gaan, om te verzorghen, dat een ander in zyn' plaatse

[p. 1111]origineel

+gemaghtight wierde. Prounink, ziende, nocht in zyn' dreighementen, nocht in de gunst des Graaven, klems genoegh om zyn stuk staande te houden, trad, met een' krop vol spyts, ter kaamer uit. Kunnende nochtans de gehapte hoope niet slaaken, reizd' hy, neevens Leicester, naa +Dordrecht: deed aldaar eenen brief in stellen, naar een ontwerp opgetooyt met zyn' eighene; en kreegh' er's Graaven handt onder. In dit schryven, geteekent op den zeevenentwintighsten in Slaghtmaant, en gericht aan de Staaten van Uitrecht, daalde Leicester, van eenen glimpighen aanvang, waarby hy hun den Godsdienst en de eendraght hooghlyk beval, op de twist gereezen uit het wraaken van Prounink, dien hy zeide, op benoeming der Uitrechtsche Majestraat, tot Burghermeester gekooren te hebben, en te zullen handhaaven; begeerende dat zy 't zelfste deeden, met de meeste bescheidenheit, en in voeghe, dat, nochte d'Algemeine Staaten verbittert, nocht Prouninks achtbaarheit verkort wierde. Maar, geduurende zyn verblyf in Hollandt, ging t' Uitrecht het onderste +booven, door den wantemper der regeeringe en 't hollen der Burgherhopluiden. Deeze, opwroetende 't begraaven krakkeel van 't jaar vyftienhondert tweeëntachtigh, wilden zelfs de persoonen, gekooren om +de plaats der Geestelykheit in beleiding van landtzaaken te bekleeden, niet langer gedooghen, maar den eersten staat heel afgeschaft hebben. Ende viel hun hierin de Vroedschap der stadt toe; besluitende, op den eersten van Wintermaant, Dat men den * gekoorlingen, als weezende in hun bezonder onderzaaten der stadt, hooft voor hooft zouw de weete doen en beveelen, niet meer, uit kracht der kiezinge, onder de Staaten te verschynen, nocht eenighe zaamening te maaken, oft op verschryving, oft naar daaghelyksche gewoonte; op verbeurte hunner voordeelgelden; alzoo de Raadt hen hield voor afgezet: dat men ook voorts d' andre steeden, en de Heeren van de Ridderschap, hadde te verwittighen van dit besluit, met verzoek eener byeenkoomste, om gelykelyk nieuwe orde op het stemmen in de vergaadring der Staaten te raamen. Thans quam Prounink in stadt, en verzocht, op den derden der maant, aan den Aadel en der steeden gemaghtighden, daar zynde, dat hun geliefde 't verslagh van zyn weedervaaren, en den inhoudt van Leicesters brief, te hooren. De Eedelen verklaarden zich ongezint daartoe, 't en waare men alvoore de gekoorlingen, uitbeeldende 't Eerste Lidt der Staaten, t'hunner achtbaarheit herstelde, en ter vergaadringe verschynen liete. De Regeerders der stadt zeiden weeder, dat zy, volghende den voet, gehouden in andre Landschappen, en kennende de bezitters der geestlyke goederen niet dan voor geestlyke luiden, die zich met geen' wereldsche zaaken behoorden te moeyen, behalven dat zommighen der zelve ook op ontrouw teeghens 't gemeine beste bevonden waaren, hun, met goede reede, den ingang ter vergaadringe van de Staaten verbooden hadden: begeerende daarom, dat de Aadel zich naar hun besluit, en tot aanhooring van Prouninks +verslagh, wilde voeghen. Maar de Eedelen, hoe zeer de Majestraat ook drong, zoo met voorwenden van 't groot gewight der zaake, als met dreighementen van doch anders daarmeê te zullen voortgaan, bleeven bestendigh in 't weigheren, en tuighden haar aan, dat al, wat zy en die van d'andre steeden daarin quaamen te doen, hadde niettigh en van geener waarde te weezen. Dies onaangezien deed Prounink zyn verslagh in +de Vroedschap, en verklaarde de gemaghtighden 's Lands van Uitrecht zyn hardste weêrpartyen in d' Algemeine Staaten geweest te zyn. Maar 't afzetten der gekoorelingen misprees hy, zeeker, ernstelyk, vreezende dat men 't niemandt zoo zeer als hem zoude wyten. Waarop de Vroedschap verklaarde, de afzetting, nochte ten opmerke van hem, noch-

[p. 1112]origineel

te +by zynen raadt oft toedoen geschiedt te weezen; en dat zy beslooten had zulx te doen aanteekenen. Op zyn verslagh volghde, dat men, uit naame van Schout, Burghermeesters der stadt Uitrecht, ook van de gemaghtighden der andre steeden dies Lands, de Heeren Henrik Buth en Bartholomeus van de Waal, hunne gemaghtighden ter vergaadringe der Algemeine Staaten, herriep; schryvende teffens aan de zelve Staaten, dat de gemelde steeden niet zouden voor goedt houden, 't geen, by aanstemming der geenen die zy herroepen hadden, moghte beslooten worden, naa dat hun weete van de herroeping gedaan waar. Daarteeghens bevaalen d'andre twee Leeden der Uitrechtsche Staaten den twee voornoemden gemaghtighden, hunnen dienst echter waar te neemen; jaa aan te staan om richting van 't geene, dat, teeghens 't verding met Engelandt gemaakt, teeghens den lastbrief gegeeven, noopende de Landtvooghdy, aan Leicester, ende teeghens de voorrechten en gewoonten des Lands en der steeden van Uitrecht, gedaan oft gehandelt was. Ontrent +dit getyde beriep Leicester, tot Algemeinen Schatmeester, Georgius de Bie; tot Algemeinen Ontfanger, Philips Doublet: twee Heeren, zeeker, die de zelve ampten, en daarneevens (eerst Doublet, seedert de Bie) den staat van eersten Raadsman en Reekenmeester der Landsheerlyke goedren van Hollandt, tot hun ooverlyden toe, niet alleenlyk zonder eenighe smet van opspraak, maar met zeldzaam lof van getrouwigheit bedient hebben; en zoonen van eeven zuivere faame naagelaaten: een der welke, Georgius Doublet, gebooren uit een' dochter van den Uitrechtschen Raadshooftman Georgius Rattaller, om zyn eedel vernuft, hooghe geleertheit, en erntfeste oprechtigheit, althans voor een doorluchtigh sieraadt des Oppersten Raads van Gerechte in Hollandt, +gekent wort. Op den eenentwintighsten van Slaghtmaant ontbood de zelve Graaf vyf persoonen uit de vergaadring der Algemeine Staaten, ook den Voorspraak Oldenbarneveldt, by hem: en hield hun voor, dat hy van zinne was, met den eerste op wegh naa Engelandt te slaan. Zy baaden hem, de Landen, in zoo zorghlyk een gewricht van tyde, niet te versteeken van den troost zyner jeeghenwoordigheit, en +ten minste zyn' reiz yetwes te verwylen. Hy, hebbende gezeidt zulx onmooghelyk te weezen, om reedenen breeder verklaart aan d' Algemeine Staaten, en betreffende zoo wel de Vereenighde gewesten als de kroon zyner Meestresse, voeghd' 'er by, dat de Staaten in zyn vertrek bekommert scheenen, vermoedende 't zelve uit eenigh zyn misnoeghen, teeghens hen, her te koomen: maar zich moghten verzeekert houden (en dit bevestighd' hy bynaa met eede) dat het daardoor niet veroorzaakt werd. De Heeren, bekennende 't vermoeden van hem aangeroert, en beloovende dat men trachten zoude hem alle voldoening te geeven, klaaghden dat etlyke Kerkendienaars, welgeleeden en gemeenzaam by hem, van den preekstoel te verstaan gaaven, en onder 't volk strooyden, dat men zyne Doorluchtigheit, zeer t'onvreede oover de Staaten, vertrekken liet: geruchten, die tot ontsteltenis der gemeente, en oproer, strekten. Zy zeiden hem ook, den Staaten ter ooren gekoomen te zyn, dat de Engelsche Heeren en Eedelluiden, hebbende den Lande in 't gezelschap zyner Doorluchtigheit gedient, oover quaade betaaling morden: zonder dat de Staaten de reede daaraf wisten, vindende zich onbericht van de soorte der diensten by hen gedaan, en van 't geen hun daarvoor toequam. Zy vertoonden, dat in zyn afweezen veel misverstands, wantrouwens, naaryvers, zoo tussen de Engelsche als andre kryshoofden, en daaruit groot onheil dreighde t'ontstaan: dat ongelyk meer vendels soldaaten in dienst waaren, dan men, uit den onderstandt

[p. 1113]origineel

+haarder Majesteit, en de schattingen der Landen, met goede orde onderhouden kon: zulx noodigh bleek, der een deel, zoo wel van Engelschen als anderen landaardt, by gezagh zyner Doorluchtigheit, af te danken: om al welke en meer andre reedenen, die zyn' Doorluchtigheit van zelfs genoegh speuren kon, de Staaten groote zwaarigheit in zyn vertrek zaaghen. Hierop zeide de Graaf, dat hy de reedenen ooverweeghen zouw, en hun, naa den middagh, bescheidt geeven. Daarentussen wild' hy hun niet heelen, dat hy, hoewel hem geen onbenoeghen tot de reize beweeghde, zich nochtans, by 't vertoogh van den elfden der maant, geprikt vond. En hy maakte veele woorden van dat men zyne plakaaten op 't stuk der zeevaart wraakte, en 't vordren van Reingoudt en Burghgraaf ten quaadste duidde; daar alles nochtans uit goede meening geschiedt was. Ten laatste quam'er uit, dat de Staaten van Hollandt (zoo hy verkundschapt was) hem, oover 't maaken der voorzeide plakkaaten, en oover den handel teeghens Paulus Buis, aan de Kooningin zwaarlyk hadden doen beschuldighen: doch, dat hy, verwittight, door den Voorspraak Oldenbarneveldt, hoe 't eighentlyk met die zaake lagh, den Staaten dies geen' ondank wist. De Heeren pooghden hem te paayen, met reedenen elders van my genoegh aangeweezen, ende naamen daarmeê hun afscheidt. 'S naamiddaghs begeerd' hy op hen, door mondt van den heere Wilkes, dat men, ten opmerke van zyne en 's Lands achtbaarheit, den Engelschen Heeren en Eedelluiden, alzoo zy, ten aanzien van hem, zich herwaarts vervoeght, diensten gedaan, en groote kosten gedraaghen hadden, genoeghen gaave; op dat zy en andren, daardoor aangemoedight, teeghens den naasten zoomer, weeder oover quaamen, om zich te laaten gebruiken. Dit, oovergebraght aan d'Algemeine Staaten, werd van hun goedt gevonden. Noopende de loopmaaren, verwekt en onder 't volk gezaayt door eenighe Leeraars, van dat hy zeer op de +Staaten gestoort was, deed hy, in twyfelzinnighe woorden, zeggen; Dat men ze wel anders zouw doen preeken. De misverstanden, begost te spruiten onder de Engelsche kryshoofden, zeid' hy, door zyne vlyt beslecht en gesmoort te weezen, zulx van dien kant niets te vreezen stond: en dat hy, voor den tydt zyns uitblyvens, dacht den Oudtveldtheere Norrits, ten aanzien zyner voorighe goede diensten, zyner kennisse van 's Lands geleeghenheit, en zyner geneeghenheit tot de Staaten, het beleidt des oorloghs te beveelen. Het afdanken oft verkleenen van eenighe vendels verklaard' hy noodigh te zyn, en reeds orde daarop gestelt te hebben. Voorts begeerd' hy, dat men de af handeling met den Graave van Nieuwenaar en zyne Ritmeesters en Ooversten, vorderde, die in Oostlandt geweest was om de werving te doen, waaraf wy vermaant hebben: dat men ook besluit op 't stuk der schattingen maakte. De Heeren, naa verslagh van alles aan d'Algemeine Staaten, verzochten 's andrendaaghs, van weeghe der zelve, als duchtende voor onlust, t'ontstaan, onder de hoofden van andren landtaardt, uit de verheffing van Norrits tot het hooghste gebiedt in kryszaaken, dat zyner Doorluchtigheit geliefde, 't gansche bewindt, zoo van 't oorlogh als van den burgherlyken standt, te stellen in handen des Raads van Staate; om, naar de geleeghenheit der dingen en aanslaaghen, met aanschouw op het krysvolk dat daartoe zouw gebruikt worden, yemandt tot Opperbeleider te mooghen stellen. Daarop beloofd' hy 't heele gezagh den Raade van Staate bevoolen te laaten: maar voeghd' 'er by, dat noodtlyk het opperbestier der waarpenen aan een persoon diende vertrouwt te worden. Eindtlyk, als de Heeren hem der twist, gereezen tussen den Graaf van Hoohenloo en den broeder van den Oudtveldtheere Norrits, indachtigh maakten,

[p. 1114]origineel

+verklaard' hy, dat de voornoemde Oudtveldtheer alleenlyk oover de Engelschen gebieden zouw: en, in de rest, het verzoek der Staaten plaats grypen. Voor zyn opzet van d'ooverschietende vendels af te schaffen of te verkleenen, bedankten ze hem, met beede, dat zyner Doorluchtigheit geliefde 't zelve ter daadt te brengen: 't welk hy hun toezeide. Aangaande den Graaf van Nieuwenaar, zyne Ritmeesters, en Ooversten, vertoonden +de Heeren, dat d' Algemeine Staaten, van die handeling, als gedreeven tussen zyn' Doorluchtigheit en zyn' Genaade, gelyk ook van 't geene daarop gevolght was, zich niet volkoomelyk bericht vonden: doch bekenden, zoo van Nieuwenaars en der zynen zyde 't verding voldaan bleeke, dat men hun behoorde reedelyk genoeghen te geeven: doch, dat de zelve Staaten, verkundschapt van zeekre snoode treeken, waarmeê ook zommighe persoonen, die zich ontrent zyn' Doorluchtigheit hielden, de herwaartskoomst dier troepen belet hadden, verstonden dat men onderzoek daarop, en straf daaroover doen moest. Onder 't spreeken van dit werk werd wel blaauwelyk bygebraght, dat het marren der Hooghduitschen +veroorzaakt was door misverstandt: hebbende Leicester hen doen bescheiden tot Lochem, ende hy met dien naame de stadt Lochem in 't Graafschap Zutven; Nieuwenaar 't klooster Lochem in 't landt van Bruinswyk, gemeent. Meer, voor dat pas, deed men in deeze zaake niet: doch ooverquam, een' wyl hiernaa, met de kryshoofden op tseeventighduizent gulden. Wyders, in de naastvolghende daaghen vielen, van zyner zyde, veele woorden die naa onbenoeghen; van der Staaten zyde, die naa geneeghenheit om hem te paayen, smaakten. Hy belghde zich des grootelyx, dat men hem der Staaten voorneemen, belangende de bezeinding aan de Kooningin van Engelandt, niet bekent maakte: deed hun zulx voorhouden; en daarneevens, Dat hem, van d' andre gewesten, naamelyk Gelderlandt, Ooveryssel, Uitrecht, en Vrieslandt, de Opperheerschappy, ten behoeve van haare Majesteit, was aangebooden: maar niet van d' Algemeine Staaten, nochte van de Hollandsche en Zeeuwsche: 't welk tot verneedring van hem scheen te strekken, die niet bezinnen kon wat de Staaten daarmeê meenden, en oft zy van elders beeter bystandt, dan van zyn Meestresse, verwachtten. Men vertoond' hem hierteeghens, Dat de Staaten, van den lastbrief en 't berichtschrift der geenen die naa Engelandt zouden gaan, noch met hem niet gesprooken hadden, eensdeels om de verandering gevallen in die zaake, eensdeels om hunne hoope op uitstel zyner reize, ook om dat zyn voorstel van 't getal en den last der gezanten te vermeerderen scheen uit te wyzen, dat zyn' Doorluchtigheit van den inhoudt hunnes berichtschrifts genoegh verstendight was. Zoo die van Gelderlandt, Ooveryssel, Uitrecht, en Vrieslandt, eenighe aanbieding van de Opperheerschappye gedaan hadden; dat moest men meer voor bedryf eener muitzuchtighe gemeente, dan voor een wettigh werk houden: dewyl het den Algemeinen Staaten toequam besluit op dat stuk te maaken; en de Naarder vereenighing geenen Leede der landen toeliet, zoodaane aanbieding +op zich zelf te neemen. Die van Hollandt en Zeelandt hadden hunne geneeghenheit om zich aan de Kooningin t' onderwerpen meermaals betoont; ende zouden daarin, wen men quaame te verstaan dat haare Majesteit begeerde de Hoogheit der Landen, op reedelyke voorwaarden, t' aanveirden, +de laatste niet weezen. 'S achtermiddaghs hiernaa, gaf men hem den lastbrief en 't berichtschrift, ingestelt op de bezending, te leezen; die hem niet quaalyk behaaghden. Maar hy verzocht dat Prins Maurits hem, op de reize, zoude verzelschappen, als hooft der bezeindinge, om haar des te meer aanziens en naadrux te geeven. Dan de Eedelen van Hollandt zaaghen dit voor zeer bedenkelyk aan: en, hoewel 't meeste deel der

[p. 1115]origineel

+steeden voorshands daarin geen' zwaarigheit speurden, zy lieten zich omzetten +door den Voorspraak Oldenbarneveldt; en deeden 't, volghends besluit genoomen by oovertal van stemmen, beleefdelyk afslaan. De weêrsmaak, gevonden by hem in deeze boodschap, en zyn' krop teeghens Barneveldt (want yemandt had strax alles aan hem oover gedraaghen) liet hy blyken, met zeggen, dat hy genoegh wist hoe 't in de vergaadering was toegegaan. Op den vierentwintighsten der maant borst hy wel bet +uit, klaaghende, Dat zommighen zochten al zyn bedryf ten arghste te duiden, en onlust tussen hem en de Staaten te verwekken: waaraan zy zeer quaalyk deeden, en straf verdienden. Hem ging geen ding zoo diep, als de behoudenis van den Godsdienst en de Landen, ter harte. Booven de penningen, hem verstrekt van de Kooningin en de Staaten, had hy meer dan drie tonnen schats gespilt; zonder ooit te trachten naa eenigh bezonder voordeel, gelyk misschien wel van andre Landtvooghden gedaan was, oft gedaan zoude worden. Maar wat dank men 's hem wist, kon hy daaraan speuren, dat niemandt hem eens in 't bezonder darde aanspreeken, uit vreeze voor ondank, te begaan by de Staaten. Hierenteeghens werd, met groote eerbiedenis, +van der Staaten weeghe, gezeidt, Dat allerley verslagh niet voor waarachtigh stond aan te neemen. Een persoon niet onder de Staaten, oft hy bezefte t'oover, dat het heil der Landen enkelyk, naast God, aan de gunst haarer Majesteit en zyner Doorluchtigheit hing; en dat het middel hunner behoudenisse bestond in goedt verstandt tussen hem en de Staaten, gelyk geweest was tussen de zelve en wylen den Prins van Oranje, die de gemeene zaak, daardoor, zoo veele jaaren, teeghens zoo geweldigh een' vyandt had gehandthaaft. Ook hielden zich de Landen hooghlyk verplicht aan zyn' Doorluchtigheit, en bekenden door haar' achtbaarheit grootlyx geholpen te weezen; wytende, niet hem, maar andren, de mishandelingen. Dies bad men hem, een goet gevoelen te hebben van de Staaten, die 't zelve, by alle geleeghenheit zouden pooghen te sterken. Aan d'Algemeine Staaten waaren, van hem, eenighe vraaghen schriftelyk oovergegeeven, beroerende 't geen hy, t'zyner koomste in Engelandt, der Kooninginne, van hunnent weeghe, +hadde aan te dienen. De wightighste scheenen deeze. Wat hoope zy wilden dat hy haarer Majesteit gaave tot bewilghing in hoogher schattingen voor twee, drie, oft vier jaaren. Wat besluit zy zouden neemen, zoo de Spanjaardt, hun, oft haarer Majesteit, pais aanboode; en wat verstandt zy begeerden dat met hun gehouden wierde. Men antwoordde op d'eene, dat de Inwilghingen eerst plaghten alleenlyk van drie tot drie, daar naa van zes tot zes maanden, te geschieden, en althans van jaar tot jaar gedaan +werden: niet om ten uitgange van dien de handt te sluiten, ofte te engen; maar op dat elk gewest juistelyk moghte begrooten wat het betaalen konde: 't welk niet doenlyk viel voor eenighe jaaren teffens, dewyl zich de staat der Landen, door ooverval van den vyandt, fooling van soldaaten, verwoesting des eenen oft des andren oords, ooverwaatering, groote sterfte, en andre zwaarigheeden, aan maghtigh verloop in een' korte wyle onderworpen zagh: en op de beeden, eertyds den Vorsten toegestaan, moest men geen' aanschouw neemen; alzoo de zelve (behalven dat ze in tydt van vreede, ook onder verscheide voorwaardern teeghens d'onzeekerheit der toevallen, waaren vergunt geweest) niet zoo veel in een heel jaar hadden uitgebraght, als teeghenwoordelyk de lasten der schattingplichtighe Landschappen in eene maant bedroeghen. Op d'andre verklaarden de Staaten, Dat zy, by de voorighe handelingen met Spanje, geleert hadden, geene verzoening met dien Kooning te kunnen plaats grypen, zonder uitrooying van den waaren Godsdienst, niet alleen hier, maar ook in de naastgeleeghe Landen, en zonder den geheelen staat deezer gewesten te zien storten, met een' smak, waar af zich de gebuuren er voelen zou-

[p. 1116]origineel

den: +ende dat zy zyne Doorluchtigheit baaden, allerley onderhandeling van verdragh met den vyandt te verhoeden; alzoo men daarin, zonder merklyk gevaar, niet treeden kon, om dat daar door, de gemeente, zeer bezwaart met de lasten des oorloghs, zoo toghtigh naa verlichting moghte gemaakt worden, dat zy, zich vergaapende aand' uitwendighe glimp eenigher aangeboode voorwaarden, zonder 't vergif, daar onder schuilende, te merken, quaame tot aanveirding der zelve haare Ooverheit te dwingen, ofte, +ten minste, een slinx vermoeden op deeze te vatten. Ten zelven daaghe, vierentwintighsten der maant, beval hy, by schriftelyk bescheidt, ter begeerte van d'Algemeine Staaten, het gansche bewindt, zoo noopende den * burgherlyken standt, als den krygh te Lande, aan den Raadt van Staate; mits dat het beleidt der oorloghe te waater zoude blyven by den Ammiraal Prins Maurits, en de amptgenootschappen der Ammiraliteit: alles tot dat hy weeder hier quaame, oft d'Algemeine Staaten andre orde te stellen. Maar een ander schrift, geteekent by hem op den zelfsten dagh, en verhoolen gehouden tot naa zyn vertrek uit Zeelandt, deed, als het opdonderde, +de Staaten wel vreemdt toekyken; alzoo het den Raadsluiden, die zy meenden volmaghtight te weezen, in de zaaken van 't meeste belang de handen bond. Want, Hy verbood hun daarby, buiten zyn' kennis en last eenighe verandring te maaken in plaatsvooghdyen, reeds begeeven by hem; oft in bewaaring van sterkten oft slooten; oft in hooghe krysampten; ofte die, leedigh geworden door afsterving, met yemandt te bekleeden, dan alleenlyk by form van voorraadt, om van hem, des verwittight, de orde te verbeiden, die hem te zynen dienste noodigh dochte: zich, noopende 't ontslaan van eenighe gevangenen, oft uitgezeiden t'eenigher steede, yetwes te onderwinden, dan by weeghe van gewoonlyk Recht, en volghends +de bescheiden op die zaaken gegeeven: yets te doen in 't stuk der verbeurtgemaakte goederen, buiten zyn verlof; te meer, alzoo beslooten was, daarop met d'Algemeine Staaten te handelen. Voorts beval hy hun te bezorghen, dat de lysten, by hem gemaakt van d'Engelsche bezettingen, juistelyk gevolght wierden: uitgezondert, dat men de Engelsche vendels, staande ter betaaling van de Kooninginne, moghte zien vol te maaken. Ook hadden zy aanstending te doen by d'Algemeine Staaten, om meerder belasting der uitgaande eetwaaren, voorneemlyk van inlandsch gewas; en om verhooghing der * geleygelden. Belangende 't punt der Regeeringe; zelfs het benoemen der persoonen tot Raadsluiden van Staate; zouden zy een waakend oogh houden teeghens alle inkruiping, strekkende tot afbrek van 't gezagh aan zyn' Doorluchtigheit gegeeven. Dit schrift, zoo naamaals door veel onderzoeks bevonden werd, en de handt melde, was ontworpen door den Heer van Braakel. Op de lysten, waaraf het gewagh maakt, stond het getal der Engelsche knechten, onderhouden van de Kooninginne, en der Engelschen en Yeren trekkende der Staaten soldy; met verdeeling van 't zelve, en aanwyzing der plaatsen, die hy hun wilde vertrouwt hebben. Den inhoudt welker beide ik hier goedt vind meede te melden; op dat men aanmerken mooghe wat kraften, die zyn' stem volghden, hy in onz ingewant, wat vestingen in zyn bedwang had, oft met een woordt waande +te kryghen. By de eerste lyst, dan, beval hy, van de hulptroepen zeshondert mann' te leggen in Arnhem; hondert vyftigh in Waagheninge; achthondert vyftigh in Oostende; vierhondert in Harlinge; driehondert in Tiel; zeshondert in Doesburgh; zeshondert in Uitrecht; vierhondert in Kampen; zeshondert in Zwol; driehondert in Kuilenburgh; hondert vyftigh in Aamersvoort; hondert vyftigh in Reenen en Wyk te Duursteede: welke getaalen ter somme van vyfduizent koppen beloopen. By de tweede begeerd' hy, dat men in Berghen op Zoom veertien-

[p. 1117]origineel

hondert +mann' hielde; in Gorkum vierhondert; in Willemstadt tweehondert; in Deeventer twaalf hondert; in Vyaane tweehondert; in Lochum tweehondert; in de Schans voor Zutven zeshondert; in Sluis vierhondert; in Harderwyk tweehondert; in Elburgh en Hattum tweehondert: alle, Engelschen en Yeren, betaalt by de Staaten, en maakende meede de som van vyfduizent uit. Wyders, op den naastvolghenden morghen ontbood hy den Algemeinen Staaten, dat zyn' meening was, naa den middagh t'hunner vergaadringe te verschynen, om zyn afscheidt van hun te neemen; en steld''er het uur toe. Maar, als het quam, liet hy hun aanzeggen, dat zyne beezigheeden hem belet hadden middaghmaal te houden, +en althans zyne quaal van graveel hem verbood hen te gaan vinden: dies zoud' hy hen verwachten. Zy voeghden zich naa die weete: en, in 't neemen van oorlof, vielen, ter weederzyden, veele reedenen van heusheit, in allen schyne oft de harten veel verheldert, en van de voorighe misverstanden waaren ontleedight geweest. Op 't laatste beval hy hun den Godsdienst aan, die, wel betracht zynde, de Landen zouw doen bloeyen: en hy begeerde dat immers de ordening, geraamt by den kerkenzaamening +in Zoomermaant lestleeden, en bevestight van hem, by form van voorraadt, op den zesten van Oestmaant, ingevoert wierde. De Graaf van Hoohenlo, als hy hoorde dat de Landtvooghdt op zyn vertrek stond, deed zich, hoewel noch krank van de wonde gekreeghen by Zutven, naa Delft voeren, denkende meede zyn deel in de groete des afscheids te vinden. Maar Leicester nam zynen wegh verby Delft, oover Maazlandssluiz, zonder hem aan te spreeken oft yets t'ontbieden: daar nochtans de Veldtmaarschalk Pelham, en zyn eighe kaamerling, +Hoohenlo in zyn' herberghe gingen bezoeken. Hoohenlo, spellende hieruit eenighe steurnis van Leicesters gemoedt, vertoond' hem by eenen brief, dat hy bereidt was, zich, voor hem, teeghens alle aanklaght en valsche beschuldighing te verdaadighen: en, als hy geen antwoordt kreegh, vernieuwde die aanbieding door eenen Hopman daartoe afgeveirdight. Echter vernam hy niet naaders; dan dat Leicester gezeidt had nerghens af te weeten, en dat Hoohenlo den Hopman Eduart Norrits +verongelykt had. Dit maant my om verhaal van den oorsprong eens krakkeels, 't welk, tussen dien Graaf en deezen Norrits, broeder van den Oudtveltheer, met groote heevigheit, voorneemelyk van de zyde des Engelsmans, gedreeven werd. 'T was dan gebeurt, dat Pelham voornoemt en Eduart Norrits, genoodight van Hoohenlo op zeeker banket binnen Geertruidenbergh, oover taafel in geschil raakten, en elkandren, met spytighe woorden, te beschelden. Hoohenlo, dien 't verdroot dat de blydschap zyner gasten gesteurt werd, gebood hun beiden het kyven te staaken, en vreughde te voeden. En, als Norrits hierop batsch antwoordt gaf, worp de Graaf, die korzel van aardt, en toen reeds wel by drank was, naa hem met het dexel van een gouden kop, dat hem aan 't hooft quetste. Norrits verbeet zich voor dat pas: maar, broedende wraak in zyn' borst, quam, t'eener stonde als hy wist dat zich Hoohenlo in den Haaghe vond, bedektelyk aldaar met een deel moskettiers: +'t zy wat hy in den zin had. Immers de Algemeine en Hollandsche Staaten, zulx verneemende, deeden hem vertrekken. Seedert daaghd' hy, by eenen ontzegbrief, den Graaf uit, om teeghens hem te vechten met deeghen +en dag. Hoohenlo antwoordde, dat hy, hoewel genoegh kennende zyn' eighen' afkoomst, achtbaarheit, en staat van gebieden, niettemin, zoo haast als hy geneezen waare, hem zoude voldoening geeven. Norrits, nu, nam dit aan: doch Leicester, hem, op dat het niet hoogher liepe, meede naa Engelandt: hoewel hy, aan verscheide uitleekingen zyner

[p. 1118]origineel

+gezintheit, luttel tot Hoohenlo geneeghen scheen, ende zelfs deezen Norrits, daaghelyx, geirne zyn hof en taafel gunde; jaa hem, voor zyn vertrek noch, Ridder sloegh. Zoo bleef de zaak hangen, en baarde, van tydt tot tydt, nu d'eene dan d'andre brabbeling, tot dat ze, in 't volghende +voorjaar, door toedoen van Prinse Maurits en den Heere Bukkenhorst, Ambassadeur der Kooninginne, beslecht werd. Wyders, Leicester, zynde van Maazlandssluiz koomen vernachten tot Dordrecht, maghtighde daar, by lastbrief van den zeevenentwintighsten, eenen Johan Kouway tot Ammiraal van den Vlaamschen oordt, en tot oprechting eenes Raads van Ammiraliteit in Oostende, met verlof om het deel van de buiten, dat hem Graave was toegevonden, aan 't vestighen dier plaatse te besteeden. Maar dit werk haaperde: willende die van Hollandt en Zeelandt geen Ammiraliteit in Vlaandre gedooghen. Van Dordrecht voer hy naa Zeelandt; schreef van hier aan verscheide zyne vertrouwdelingen; maakte de bezetting van Kampveer afkeerigh van Prinse Maurits; dien die stadt toequam; gaf last, aan Hotman zynen meester van de verzoekschriften, om, als zyn * bewindsman, hier te Lande te blyven, ende Sonoy +en andre Ooversten van plaatsen, by monde en by brieven, uit zynen naame, te liefkoozen. Teffens quaamen in 't licht eenighe penningen, waarop, aan d'eene zyde een' sim zat, die haare jongen, geknelt tussen armen en borst, met troetelen verstikte. Daar stonden deeze woorden +by: Libertas ne ita chara ut simiae catuli: dat is, Hebt de Vryheit zoo niet lief, gelyk de sim haare jongen. Aan d'andre zyde zagh men +eenen man, die, pooghende den rook t'ontgaan, in't vuur viel; en dit byschrift: Fugiens fumum, incidit in ignem: dat is, Vliedende den rook, valt hy in 't vuur. Geduurende zyn verblyf tot Vlissinge, daar hy twee weeken naa goeden windt wachtte, werd in dien oordt een vuil en gruwzaam schelmstuk bedreeven. Een zoon van den Baroen Nort had krakkeel +met eenen Webbes; eedelman wel bezint van Leicester, en bestelde dat zeekre vrienden van beide de zyden Webbes uittroonden om buiten te gaan wandelen. Daar grypt hy hem, met hulp van vyf oft zes dieners aan; bindt hem, achteroover geworpen, op een bank vast, spalt hem de neusgaaten oopen; en, boorende, eindtlyk, met beide de duimen, +tot de hoolen des gezights in, drukt hem de ooghappels uit, tot dat ze op de kaaken hingen. Webbes, daarnaa ontbonden, duwde ze zachtelyk weeder innewaarts, en ontging, hoewel ter nauwe noodt, de blindtheit. Voorts quam hy zich, met het aanschyn, zoo bebloedt als 't was, voor Leicester vertoonen, en Recht verzoeken. Nort, vliedende naa den Briel, om van daar op Engelandt oover te scheepen, werd gevangen by den Schout. Maar de Landtvooght, gevraaght hoe men hadde te handelen, beval hem los te laaten: en voeghd' 'er by, dat de zaak, als uitstaande tussen twee Engelschen, ter kennisse van haare Majesteit +behoorde. Wyders, Leicester, in Engelandt gekoomen, werd, van de Kooningin, met ongemeene feestlykheit ontfangen. Waaraf terstondt zyner partylingen een, geheeten Willem Herle, aan de Burgherhopluiden van Uitrecht, om hen te styven in 't houden van den genoomen voet, kundschap gaf. De Ridder Fransois Draak, zich vindende, op deezen tydt, in Hollandt, met tytel van Ambassadeur der Kooninginne, moeyde d'Algemeine Staaten aan, om twintigh oorloghscheepen, te voeghen +by etlyke van haare Majesteit, tot bystandt van Don Antonio, verdreeven Kooning van Portugal. Dan de gemelde Staaten, kennende zich zelve meer behoeftigh van hulpe, dan maghtigh om andren yets by te zetten, sloeghen 't verzoek af. Niettemin, dewyl op dit stuk zeer door Leicester gedrongen werd, zoo docht hun goedt, te proeven, oft eenighe bezon-

[p. 1119]origineel

dre +persoonen, op hoope van voordeel te doen met buiten, een deel scheepen wilden uitreeden. Daarenbooven noodighden de Bewindsmannen van Don Antonio, by aangeplakte briefkens, alle koopluiden, tot zending van lyftoght, krystuigh, en andre waaren, naa Portugal; om, ter plaatse, daar zyne vloot quaame te landen, verkoft te worden, zonder van de zelve goedren, oft van de geene die zy te rug zouden brengen, eenighen tol, voor dat maal, te betaalen: ook tot verkooping, te doen van +meêgezonde goederen, aan den gemelden Kooning, terwyl de vloot onder weeghe waare, op eene maant naa haar' ooverkoomst; oft van andre, hier in't Landt, op acht maanden. Maar't lustte niemandt zyn' middelen op d'een' oft d'andre wyze te waaghen; mits d'Algemeine Staaten zelf niet alleenlyk weigherden eenighe toerusting te doen, maar ook zich voor yetwes te verbinden. Hierentussen ging vast het oproerigh preeken, waaroover aan Leicester geklaaght was, in volle zwang teeghens hen: op welke men 't althans voorneemelyk gelaaden had, om dat zy zwaarigheit +maakten de keuren der Haaghsche Kerkenzaameninge goedt te kennen buiten verlof van hunne maghtighers de bezondre Staaten elkes Landtschaps. Die van Hollandt voeghden zich, in hunne vergaadring van Wintermaant, zoo verre, dat zy, tot herzeggens toe, in de keuren bewillighden, onder besprek, Dat alleenlyk de Lidtmaaten der hervormde gemeente daarin zouden gehouden zyn: de Staaten, Eedelen, Majestraaten van steeden, en andre, blyven by hun Recht en oudt gebruik, noopende 't aanneemen en afzetten der Kerkendienaaren en schoolmeesteren. Des had men niemandt, dan zuiver van leere en leeven, tot bediening des Heilighen woords t'ontfangen; ende stond met bescheidenheit te verzorghen, dat de * Voorleezers, en de meesters, voortaan te stellen in de Hooghe en in de voorneemelykste +steêschoolen, zouden zyn van den Hervormden Godsdienst; oft ten +minste dien toegedaan. Voorts zouden de Staaten, Eedelen, Majestraaten van steeden, en andre, by de gemelde kenren niet worden verkort in 't Recht en gezagh, hun toebehoorende in hunne Heerlykheiden en 't burgherlyk bestier; ende de Kerkendienaars, Ouderlingen, * Verzorghers der armen, hun daarin onderworpen zyn, gelyk andre poorters en inwooners. Ook zouden de voorzeide keuren niet mooghen verandert worden dan op voorgegaan wettelyk verlof der Staaten. Die van Dordrecht verklaarden, dat zy, noopende de kerklyke ordening, zich genoeghden met de verklaaringe zyner Doorluchtigheit: doch niettemin wel lyden moghten, dat de Eedelen en d'andre steeden daarop zoodaanigh besluit naamen als hun goedt dochte. In deeze stadt had gedient, voor Predikant, Harmanus Herberts, die +althans ter Goude stond: tussen wien en de gemeene kerken, al een' wyl te voore, geschil oover etlyke geloofspunten ontstaan was. Van 't zelve had men, in de voorzeide Kerkenzaamening onder ander, meede gehandelt: en zoo verre, dat het genoeghzaam vereffent scheen. Dan het verrees haast weeder: en, heftelyk gedreeven, zelfs door de Majestraat van der Goude, die deezen man, als wel ter taale, en van tughtighen +wandel, dapperlyk droegh, maakte noch zeeven jaaren t'zoek, eer't zich volkoomelyk liet neederleggen. Het euvel bedryf, aangevangen tot Uitrecht, en ingevolght by d'andre steeden van dien oordt, om den Eersten Staat uit het bewindt te schuppen, had nu, door de Vereenighde +Landtschappen, eenen roep verwekt, die allen luiden wonder wyde oorren maakte, doende, naa wat'er af worden wilde, de vroomen met vreeze, de snooden met hoope, haaken. Den Algemeinen en bezondren Staaten, Raade van Staate, en elken Leede der Regeeringe, gruwde, in't begrypen dat dit het zelfste spoor was, waarlangs men Gent, Niemeeghe, en andre plaatsen, had zien verlooren gaan. D'Algemeine, dan, schik-

[p. 1120]origineel

ten +Heer Kaarel Roorda naa Uitrecht, om den Graaf van Nieuwenaar, met reedenen, en belofte van erkentenis, tot handthaaving des eersten Staats te beweeghen, en tot beetring der andre misbruiken daar gepleeghr. Thomas Wilkes, Raadsman van Staate van weeghe der Kooninginne, zond Hotman, die van Leicester, tot verrichting zyner zaaken, hier te lande gelaaten was, meede derwaarts, met eenen geloofnisbrief, waarby hy den Burgherhopluiden de onheilen der scheuringe voor ooghen stelde, en de rust ernstelyk aanried. Nieuwenaar, zich toonende gewilligh, kon eevenwel, met hulpe van Hotman, de Hopluiden en hunne Steêhouders niet verder brengen, dan tot antwoorden, naa ooverweeghen der zaake met de Vroedschap, Dat zy alsnoch behoorlyk oordeelden het Lidt der Staaten, 't welk men't Kerklyke noemde, uit de Regeering te zetten en te houden: dat zy nochtans zich ter geliefte van zyn' Genaade en hunne Majestraat stelden, en onderdaanighlyk voeghen wilden naar 't geene, by beide die, in deezen zouw gedaan worden. Hierop deed Nieuwenaar, aan de Vroedschap, op den vierentwintighsten van Wintermaant, eenighe reedenen, by geschrift, ooverleeveren: om welke hy zeide, noch voor alstoen tot afzetting van den eersten Staat niet te kunnen verstaan. Voorts, zonder naa beantwoording der voorzeide reedenen te toeven, doch hebbende eenighe aanbiedingen van partyen gehoort, verklaard' hy, by bescheidt ten zelfsten daaghe geteekent, Dat zoo wel d' Eerste staat als de twee andre, by forme van voorziening, zyne voorighe plaats te bekleeden had. Ende, indien die van der stadt Uitrecht en van d' andre steeden dies Landschaps teeghens deeze ordeningen stribbelden; zoo zouden de * Gekoorelingen en Eedelen; met de steeden die gehoorzaamheit beweezen, te zaamen orde stellen op de zaaken des Lands, en te dien einde vergaadren in d'eene oft d'andre stadt, oft op het huis te Duursteede, daar, ten tyde van de Bisschoppen, de Staaten ook gewoon geweest waaren by een te koomen. Uit krachte deezer ordeninge, deeden de twee eerste Leeden de Staaten ter daghvaart vorderen, om te beraadslaaghen oft men, volghends zeekeren brief der Algemeine Staaten, niet hadde te doen richten, 't geen, in een' wyl herwaarts, binnen de stadt in 't gewest van Uitrecht, teeghens de voorrechten, teeghens de verdingen met de Kooningin en Leicester gemaakt, teeghens de Naader vereenighing tot Uitrecht geslooten, was doorgedreeven. Dit, steekende den nieuwlyx ingedrongen amptelingen recht naa 't oogh, ontsteld' hen, en al hunnen aanhang, te byster. De Burghermeester Prounink, hebbende te vooren het uitbotsen van den Eersten staat gewraakt, begon althans dit stuk met d'uiterste heevigheit te dryven. En hy wracht uit, dat Philips +Rattaller, Griffier des Hoofs van Uitrecht, door den Raadt der stadt aan de Kooningin van Engelandt en den Graaf van Leicester gezonden werd, om beaangenaaming van 't geen in deeze zaake gedaan was. Neevens Rattaller reizde de Predikant Harman Modet, gelast van den Kerkraadt, in 't gros, haare Majesteit te bidden om naader omhelzing der gedreighde en benaude kerke aldaar, vermeerdering van hulpe, +en spoedighe herzeinding van Leicester. Maar de Majestraat gaf hem en Rattaller een gemeen berichtschrift, waarnaa zy zich beide schikken zouden: hoewel Rattaller een tweede in 't bezonder ontfing. Deeze schriften werden ingestelt niet al naar de waarheit; doch wel naar den zin van Prounink, die d'ontwerpsels eensdeels gemaakt had, eensdeels verandert met zyn' eighen' handt. Wyders, dewyl de daghvaarding der Staaten by 't Hooft der Gekoorelingen, naar d'oude zeede, was gedaan, zoo wilden dies te min die van der stadt ter zaameninge verschynen.

[1587]

Eevenwel, als 't 'er op aanquam, bedachten ze zich wat naader

[p. 1121]origineel

+en zonden, op den vyftienden van Louwmaant des jaars vyftienhondert zeevenentachtigh, aan de twee Staaten, die 's daaghs te vooren hunne vergaadring begonnen hadden, een' verklaaring, Hoe zy, ten opmerke van 't gewight der stoffe die te verhandelen stond, bereidt waaren met hun voor dat maal te werken; onder voorwaarde dat zulx, nocht in 't meeste nocht in 't minste, tot verkorting des Rechts van partyen zouw strekken, en dat de herroeping van Buth en Moersberghen, gemaghtighden ter vergaadringe der Algemeine Staaten, terstondt gedaan wierde. Anders deeden zy aantuighing van nietigheit aller handelinge, en van onschuldt aan alle misquaam dat daaruit ryzen moghte. De twee vergaaderde Leeden, echter, zich dies niet kreunende, beslooten richting der oovertreedingen, gemeldt in de punten van beschryvinge, aan d'Algemeine Staaten te verzoeken: en verbooden dubbelt van 't besluit aan de Majestraat der stadt te geeven. Als deeze nu het zelve, nocht van den Geheimschryver, nocht van de gemaghtighde Raadsluiden der Staaten, verkryghen kon, quam +de Burghermeester Prounink, gesterkt, zoo met eenighen van den Gerechte als van de Burgherhopluiden, en deed de * geheimschryvery oopen slaan, het besluit daaruit lichten. Hieroover gingen de twee eerste Staaten te zaamen een verbondt in, tot onderlinge handthaaving, en eendraghtighe uitvoering hunner zaaken: en beslooten voortaan hunne vergaadringen op 't Huis te Duursteede te houden. De Majestraat, ter andre zyde, schreef het stuk t'haaren schoonste aan den Raadt van Staate oover: en beval den persoon, die Lidtmaaten der twee eerste Staaten en inwooners der stadt waaren, nerghens daarbuiten ter daghvaart te trekken, oft anders niet weeder daarbinnen te koomen. Zy verbood ook den Geheimschryver der Staaten, eenighe schriften oft zeeghel uit de vergaaderplaats, veel meer uit de stadt, te vervoeren, op verbeurte van tweehondert goude Reaalen. Rattaller en Modet, nu in Engelandt gekoomen, konnen daar, hoewel hun Leicester zonderlinge gunst bewees, +niet zoo ras, als zy wenschten, te rechte raaken, om dat hem 't Parlement met zwaarder zaaken beezigh hield. Thans maghtighd' hy den Graaf van Nieuwenaar, Elbertus Leoninus, Adolf van Meetkerke, Adriaan van der Myle, Jacob Bellechere, en Hessel Aysma, tot slechting van 't krakkeel by minlyke tussenspraak: ofte (zoo die niet vorderde) tot stellen van orde, waarnaar zich partyen, enkelyk by form van voorraadt, zouden schikken. En, op dat het werk te gevoeghlyker beleidt wierde, bad hy den Baroen van Bukkenhorst, gelast om voor Ambassadeur der Kooninginne naa Hollandt te reizen, en den Oudkeurvorst Truxes, met hun byweezen en achtbaarheit de Gemaghtighden te styven. Doch, aleer de twee gezanten weeder t' Uitrecht quaamen, bekoelde daar de Vroedschap wat, in 't bevroeden dat haare brieven, by den Regeerenden Raadt, waaraan zy op nieuw t'haarder zuiveringe geschreeven +had, in plaats van trek af keer baarden; dat ook zy, en die van d'andre steeden; als maakende t'zaamen maar een' enkele stem uit, op daaghelyx voorvallende noodtzaaken, Staatscherwyze niet raadslaan konden; en dat haar, van alle misquaam, te verwachten uit het loopen der dingen in 't wildt, de wyte beschooren was. Nyghende dan tot daadingen, liet zy zich, op den drieëntwintighsten van Sprokkelmaant, genoeghen +met verzaamen der drie Staaten gelyk ouwlinx, by manier van voorziening, en onder zeekre voorwaarden, geraamt, wel tot voordeel der stadt, by bemiddeling des Graaven van Nieuwenaar. Doch dit verding week wel haast, om plaats te maaken aan 't geene, dat in 't jaar vyftienhondert tweeëntachtigh geslooten was. Maar Leicester, hoe vruntlyk een afscheidt hy van de Staaten genoomen had, toefde, sint zyne

[p. 1122]origineel

+koomst in Engelandt, niet langer dan tot den derden van Louwmaant naar den styl der plaatse, met afzenden van eenen brief, die hen zeer onwaardelyk doorstreek. Niet dat'er nieuwe stoffe van onbenoeghen was voorgevallen: maar, die hem lest sprak had hem eerst; en zyne spieden en pluimstrykers kropten zyn' ooren met allerley klap, uitgeslaaghen by de gemeente, oft verziert, en zoo blaauw, dat niemandt scheen zich daaraan te kunnen keeren, dan die puurwillends war zocht. Hy voerd' hun +te gemoete, Dat zy, zonder acht te geeven op zynen klaarlyk gebleeken yver tot handthaaving der Landtschappen, hem, in zyn afweezen, ooverhaalden, als oft hy den zelven oorzaak tot scheuring gegeeven hadde, met het stellen van eenen Ontfanger in Vrieslandt, het kiezen van Prounink tot Burghermeester van Uitrecht, het verlengen van den dienst eenes Ontfangers van Brabant. Hy wilde, als ongehouden hun reekenschap van zyn doen te geeven, geen verdaadighing aanvangen; maar hun echter wel zeggen, dat de zaak des Ontfangers van Vrieslandt aldaar in vollen Raade was verhandelt, op goedtvinden des Landtvooghds van 't gewest, en op getuighenis, verleent van veele eerlyke en treflyke persoonen tot voordeel van dien Ontfanger. Hy kende misschien ook de geenen wel, die, denkende dat hun daaraan geleeghen waare, de Staaten ophitsten tot zulke bezonderheeden, om zich met hunnen naame te behelpen. Die van Uitrecht hielden zich met Prounink vernoeght; hem bequaam; en begeerden geenen andren: zulx de geenen, die zich met dat stuk moeyden, geen' reede daar toe hadden; maar te bedenken, hoe quaalyk het betaamde, zich te veelbeschiks aan te neemen, in een' regeering, die andren bevoolen was. Ook zoud' hy, wen 't nauwde, wel Brabanders meer weeten te noemen, die in der daadt den Vereenighden Landen dienden, en dikwyls in de vergaadring der Staaten ontfangen werden. D'Ontfanger van Brabant was in dienst, gehouden, by goeddunken der geenen, die, neevens hem Leicester, de Bommelsche reiz gedaan hadden; voorts op voorslagh en begeerte van eenighe achtbaare heeren en andre vroome luiden, verklaarende zyn' bequaamheit en veeljaarighe bediening van dien staat. Ook was daartoe niemandt anders verzocht geweest: ende had hy Leicester, nooit seedert, van eenighe klaghten oover den zelven yet vernoomen. 'T welk hy Graaf slechts in't verbygaan had willen aanroeren, op dat zy Staaten hem niet voor zoo onweetende van hunne zaaken zouden aanzien, als zommighen hem waanden te weezen. Ende, zoo de Landtschappen (gelyk hy hoopte neen) zich tot scheiding vervoeren lieten; dat zoude by hem oft de boovengemelde persoonen niet toekoomen; maar by eenighen, die, zich uitgeevende voor de Staaten, alles naar hunne lust wilden dryven, zich ten bewinde van andren indrongen, en alles laakten wat juist van hun niet werd voortgebraght. De Staaten zouden doch, bad hy, om dingen van zoo luttel belangs den wegh t' hunnen ondergange niet baanen: maar, in plaats van zich met zulke leuren te bekommeren, hunne zorghen besteeden aan 't beschutten der gemeente, teeghens de klaauwen des geenen, die niet enklyk den staat pooghde t' onderste booven te keeren, maar teffens eenen yghelyken uit zyn bezit en welvaaren te scheuren. Onder deezen, wierd' hy meester, zouden zy, niet alleenkyk 't roer der regeeringe, maar huis en hof, landt en zandt, moeten afstaan. Hy ried hun, zich te hoeden van de smette der ondankbaarheit, en van valsche lasteringen op den rug van hem te werpen, die, om hun't hooft op te houden, al't zyne in gevaar had geworpen. Zy zouden zich doch des armen volx erbarmen, en aan de partyschappen van eenighen den toom zoo lang niet geeven, dat het daardoor in 't uiterste bederf gebraght wierde. Hun stond te bedenken, dat de vyandt alle middelen te werkstelde, om d'eerste in 't veldt te zyn, en landen en steeden te ooverweldighen; ende, dat, terwyl zy raadt slaaghden en krakkeel-

[p. 1123]origineel

den +om bezondre zaaken, d'algemeine verlooren liepen. Ongerymt was het, te vreezen dat de Kooningin, oft eenigh haar Stadthouder, denken moght hun de vrydoomen t' onbruik te maaken, aan 't voorstaan der welke zy een groot deel van haaren schat had te kost geleit. Wat hem betrof; hy zoude, t'zyner weederkoomste, in geenen gebreeke blyven van hun voldoening te geeven op de voorverhaalde zaaken, en alle andre, zoo 't noodigh viel. Tot nochtoe had hy niet dan gearbeidt om 't hart haarder Majesteit tot meer en meer meêdooghens met den deerlyken standt der gewesten te vlyen; ende nooit geklaaght oover yet dat hem in 't bezonder aanging; hoewel hem daartoe oorzaax genoegh gegeeven was. In dit voorneemen wild' hy volharden, zoo z' hem slechts niet te veel persten tot bestaan van het teeghendeel. Want het kon hem niet smaaken, dat zommighen, in zyn afweezen, zich vervorderden hem leedt te doen, bekladdende zyn' faam met zoodaanighen achterklap, en vellende een vonnis oover zyn' handelingen, met een vooroordeel, dat t' zyner verkleeninge strekte. En hy zorghde, dat zulke manieren van doen, beneevens't lang toeven met de verwachte bezending, daar zy nochtans hunne behoeftigheit van hulpe wel kenden, hunnen Staate oevel bekoomen zouden. Dit schorre schryven, hoe 't min van hem was verwacht geweest, hoe 't de Staaten meer ontstelde. Niettemin, zy verbeeten hun leedt, en onthielden zich van antwoorden, om verder twist te myden. Maar, ontrent vyf maanden hiernaa, ontvouwden zy voor den Ambassadeur Bukkenhorst, t'zyner aanstendighe begeerte, by wat punten, en welker maate, zy zich, in den gemelden brief, bezwaart voelden. Dit geschiedde by zeeker schrift, van 't welke, hoewel wat voor zynen tydt, ik waan hier +niet ontydelyk den zin te laaten volghen. Dikwyls was Leicester, en wel ootmoedelyk gebeeden, naa geenen achterklap te luisteren; immers dien niet aan te neemen dan naa vereischte kennis van zaaken: maar had echter den ooverdraagheren vol geloof gegeeven, zonder 't eene oor oopen te houden voor de geenen die betight werden. Zy verklaarden by hunne eere, nooit in hunne vergaadering, nooit buiten de zelve, in 't gemein oft in 't bezonder, het minste woordt gehoort te hebben, waarmeê scheene gemeint te worden dat de Bondtgenooten, oft om de oorzaaken bygebraght van hem, oft om andre, last van scheuring leeden. Bet ging hun hunne behoudenis ter harte, gelyk genoegh bleek by hun volharden in dit langduurigh oorlogh. En zy twyfelden niet, oft zoodaane oorblaazers, vol nydts en spyts om dat hun gemist was deeze standtvastigheit te verwrikken, pynden zich althans de goede geneeghenheit haarder Majesteit en zyner Doorluchtigheit van de Landen te verwyderen. Dat hy zeide niet gehouden te zyn hun reekenschap van dit zyn doen te geeven, ging hun, voorwaar, te naa. Immers wist hy van wie met haare Majesteit gehandelt, van wie hem de Landtvooghdy opgedraaghen, van wie hem zyn lastbrief verleent was, en op wat voorwaarden; die hy gezwooren had 't achtervolghen. 'T geen op den persoon van Prounink te zeggen viel, was kenlyk genoegh, en vertoont van hun aan zyne Doorluchtigheit: en die van Vrieslandt hadden, oover den Ontfanger aldaar, in 't bezonder geklaaght: tot welke vertooningen en klaghten zy zich gedroeghen. Noopende 's Graaven zeggen, van misschien de geenen wel te kennen, die dachten dat het hen aanging, en de Staaten tot zulke bezonder heeden opruidden, om zich van hunnen naame te dienen: zy Staaten konnen niet verstaan, dat met deeze woorden yet goeds gemeent werd. En't waare hun lief dat die van Uitrecht, oft het grootste getal der zelve, genoeghen aan Prounink naamen: maar't geen daar omging, bewees het teeghendeel. Zonder reede berispte de Landtvooghdt hen Staaten, als luiden zich moeyende met de Regeeringe eenes andren, om dat zy hunnen eedt en plicht betrachtten, bevordrende 't herstellen van de voorrechten der gewesten, en't onderhoudt der punten zyns be-

[p. 1124]origineel

roeps +tot de Landtvooghdy: gelyk zy gedaan hadden by vertooning van klaare oovertreeding der zelve, met invoeren van verscheide persoonen tot ampten binnen Uitrecht. Zeeker, niet een der Vereenighde Landtschappen, oft het had, by plechtigh verding en eedt, zich verbonden tot handthaaving van de wetten, voorrechten, en vrydoomen der andre, zoo in 't gemeen als in 't bezonder; en, met naame, van 't geen met haare Majesteit en zyn' Doorluchtigheit gehandelt was. Oover de hoedaanigheit der persoonen, dien men toeliet t'hunner Vergaadringe te verschynen, stribbelde zyn' Doorluchtigheit ook zonder kennis van zaaken, en t'onpasse, om den gemelden Prounink t'onderstutten; zeggende dat hy, ter noodt, wel andre Brabanders noemen zouw, die in der daadt den Vereenighden Landen dienden, en dikwyls t' hunner zaameninge ontfangen werden. Want niemandt vond daar plaats, dan de geenen die buiten allen twyfel aanneemelyk waaren. Hy zeide, dat zommighen van hun Staaten hem hielden voor blindt in't stuk der regeeringe: 't welk hun leedt waare te denken. Zy hadden hem altyds voor eenen zeer wyzen, voorzightighen, ervaaren Vorst geacht: en enkelyk God en hem alledaaghs gebeeden, dat hy moghte beweeght worden tot handelen der landtzaaken met den Raade van Staate, en tot houden van naader verstandt met hun Staaten, zonder toegang aan luiden te gunnen, die hem anders rieden dan't heil der Landen vereischte. 'T stiet hun zeer teeghens de borst, dat zyn' Doorluchtigheit zommighen, die t'hunner zaameninge verscheenen, te laste leide dat zy te zeer zochten de dingen naar hunnen zin te doen gaan, zonder onderscheidt te maaken tussen 't geen hun en 't geen anderen toequam; ende geenen raadt goedt oft oorbaarlyk vonden, dan dien zy zelve voorstelden. Want, onder hen kenden zy niemandt, die, voor zoo veel hem in 't bezonder aanging, niet willigh waare, t' aller uure reekenschap van zyn bedryf te geeven aan zyne maghtighers, en zeekerlyk wist dat zy 't looven zouden. En zy hielden zich yder voor zoo eerlyk en ervaaren, dat geen bezonder persoon zich zouw darren vervorderen het teegendeel staande te houden, en dat zy in yetwes hunnen last en eedt hadden te buiten gegaan. De woorden van vermaaning, gestelt in den brief, zouden ter zaake dienen, zoo yemandt ter werelt hun verwyten konde dat zy, uit krachte hunner lastschriften, meer hadden mooghen doen, dan van hun, tot handthaaving van den staat, de voorrechten en vrydoomen, gedaan was. Maar, wat viel, van hun, hebbende gedaan en alsnoch doende al wat in hun was, meer te eischen? Dies wisten zy niet te oordeelen dat deeze vermaaning tot eenigh ander eindt strekte, dan hen te beschuldighen van slofheit en verzuim. Zy hadden, nochtans, van hunne vlyt en neirstigheit wel andre proeven gegeeven, vordrende de voorstellingen zyner Doorluchtigheit by hunne maghtighers in zulker voeghe, dat de bewillighingen daarop gevolght waaren. Indien de vertooningen en ootmoedighe gebeeden van hunne maghtighers by zyn' Doorluchtigheit niet waaren aangenoomen, dat moest men hun Staaten niet wyten; alzoo hun slechts toestond hunnen last te vertoonen, en te doen blyken dat zy zich gequeeten hadden. Zeer bitsch was het, dat men scheen hun te willen opleggen, dat hun bedryf diende om hunne ampten te behouden, om dat zy zich teeghens zyne Doorluchtigheit ondankbaarlyk droeghen. Want, niemandt onder hen, die niet bereidt was zyn ampt af te staan, om den dienst zyner Doorluchtigheit oft de welvaart des Lands; alzoo zy, meestendeels, uit liefde dienden, oft uit dwang van hunne maghtighers: en men behoord' hen niet voor ondankbaar te schelden om dat zy deeden, 't geen hun ampt, plicht, eedt, meêbraghten. Zy waaren zoo verre van den toom te lang te geeven aan de partyschappen, dat zy de aanstichters der zelve voor de allergrootste vyanden van den Staat hielden: en, gaave God dat ze alle bekent wierden, en gestraft naar behooren. 'T was ook een groote

[p. 1125]origineel

+onwaardigheit, hun Staaten toe te dryven, dat, terwyl zy raadslaaghden en stribbelden oover bezondre zaaken, de Algemeine verlooren gingen. Ten laatste gaf Leicester hun een' schrab, met zeggen dat hem geen' stof tot klaaghen oover hen ontbrak: doch dat hy volharden wilde in 't doen van alle goede diensten, om haare Majesteit tot meer meêdooghens oover den staat der Landen te beweeghen, 't en waare men hem te zeer praamde tot neemen van eenen andren voet. Waarop zy verklaarden, niet te kunnen bezinnen wat hem moghte geport hebben tot eindighen zynes briefs met dusdaane woorden. Want, tot voldoening aan hem te geeven van punt tot punt, zoo hy wilde staande houden dat zy zich, in yetwes, teeghens 't verding gemaakt met haare Majesteit, oft teeghens 't schriftelyk bescheidt van den opdraght der Landtvooghdye, misgaan hadden, waaren zy, voor zyn vertrek uit de Landen, ooverboodigh geweest; met wel ernstighe beede dat zyner Doorluchtigheit geliefde de gewesten in gunstighe betrachting, eendraght en verbandt te houden: dewyl de Algemeine welstandt enkelyk aan dit middelhing. Dies voelden zy, niet zonder groote reede, zich daarmeê bezwaart, dat zyn' Doorluchtigheit, geloovende diergelyke valsche en verzierde betichtingen, te weeten dat de Landschappen, om zaaken zoo gering, zouden willen tot scheuring koomen, dreighde, niet alleenlyk haare goede geneeghenheit te laaten verkoelen, maar ook het gunstigh gemoedt haarer Majesteit af te wenden van onderstandt te doen aan deezen Staat. Nu koom ik tot +de bezending naa Engelandt; oover welke zoo veel en angstelyk geraadslaaght was. Willem van Zuilen van Nieveldt, Heer van Sheerenaarentsbergh, Burghvooght van Muide en Baljuw van Goeilandt; Joost van Menin, *Loontrekkend Raadsman der stadt Dordrecht; Nicafius van Sille, Loontrekkend Raadsman der stadt Amsterdam; Jakob Valk, Raadsman van Staate; en Vitus van Kamminga, Ridder; naamen deezen last aan. Johan, Heer van Schaaghe, gekooren om meede te gaan, sloegh het heuschelyk af. Zy hadden bevel, om Joachim Ortel, der Algemeine Staaten bewindsman aan 't Hof der Kooninginne, aldaar in gelyke waardigheit +van Ambassadeur, neevens hen te doen dienen. De stof hunner boodschap was, haarder Majesteit, op nieuw, met verzoek om sterker bystant, de Hooghe Ooverheit der Landen aan te bieden: en, zoo zy daarnaa luisterde, met haaren Raade in gesprek te treeden, oover de voorwaarden: voorts d'Algemeine Staaten te verwittighen van hun weedervaaren, en breeder last te verbeiden. Ik bevind by zeekren brief, geschreeven van Nieveldt en Valk, op den achtsten van Wintermaant des lestleeden jaars, uit Londen, dat zy twee toen al een' wyl in die stadt waaren geweest, om Leicester by goeden wil te houden; en de Kooningin by geduldt, met verschooning van 't marren hunner meedegemaghtighden. Deeze, eindtlyk, quaamen daar op den eenentwintighsten van Louwmaant aan. Naa mondtgemeenschap, gehouden met Leicester en +verscheide Grooten des Ryx, werden zy t'zaamen gehoort by haare Majesteit, op den vyfden van Sprokkelmaant. Den voorstel deed Menin, verheffende, ten heemel toe, de weldaaden, genooten van haar by de Vereenighde gewesten; en uitmeetende ten breedste de dankbaarheit der Algemeine +Staaten; die alsnoch hoopten, dat haare Majesteit, zich naader bedacht hebbende, de aangeboode Heerschappy, onder billyke voorwaarden, ontfangen zouw; en dit voor 't beste middel hielden om hunne zaak te redden. Voorts wees hy 't verloop der zelve beknoptelyk aan: en besloot met bidden, dat haar gelieven moghte haare hulptroepen te meerderen ten getaale van tienduizent mann' te voet en tweeduizent te paarde: ook de Staaten, met tsestighduizent ponden sterlinx, tot oprechting van een heir, te gerieven. Uit hebbende, leeverd' hy een geschrift

[p. 1126]origineel

+oover, waarby de gesteltenis van de dingen der Landen wydluftelyk vertoont +werd. Zy hadden (luidde 't) in 't lestleeden jaar, booven de gewoonlyke schattingen van tweehondertduizent gulden ter maant, noch vyftonnen gouds ofgebraght. Teeghens den aanstaanden tydt, diende men dertien oft veertienduizent knechten, en vyf oft zesduizent ruiters te velde te brengen. Tot bewaaring der vaste plaatsen, werden zeevenentwintighduizent knechten, drieduizent speerruiters, en vyfhondert karbyners oft lichtgewaapende paarden vereischt: waaraf haare Majesteit duizent mann' te paarde, en vyfduizent te voete, betaalde; booven de bezettingen van den Briel, Vlissinge, en Rammekens: zulx dat de Staaten, t'hunnen laste, tweeentwintighduizent knechten, tweeduizent speerruiters, en vyf hondert karbyners hielden. De kosten beliepen jaarlyx ter somme van tweeëndertigh tonnen gouds, en zesentzeeventighduizent gulden: zoo dat den Staaten, aan hunne gewoonlyke schattingen van tweehondert duizent gulden ter maant, de som van achthondert en zesentzeeventighduizent gulden ontbrak, tot bezetting der steeden en sterkten. 'Doch moghte men, uit deeze, wen een heir te velde gebraght wierde, zesduizent knechten en drieduizent ruiters lichten: voorts zeevenduizent mann' te voet, en tweeduizent te paarde, daarby voeghen; die, te zaamen booven de betaaling aan delvers en andre leegherkosten, in den tydt van vyf maanden, op zeshondert en vyventachtighduizent gulden zouden koomen te staan. Maar, terwyl Menin noch sprak, speurde men geen' duistre teekenen van steurnis in 't gelaat der Kooninginne: en, als hy geëindight had, begon zy haaren oevelmoedt, teeghens de Staaten, met +bitsche taal uit te bruizen. Wel had het haar (zyde zy) mooghen of de leeden leggen, dat haar, 't geen althans gebeurde, ontmoeten zouw. Maar de Engelschen hadden een byspreuk van goeden zin: te weeten, dat, wen men voor eenigh quaadt duchtte, hoe 't eerder quaame, hoe 't beeter was. Zy had een vierendeel jaars naa hen gewacht: en zoo treflyke weldaaden, hun beweezen van haar, waaren met groote ondankbaarheit vergolden. Nu schaamden zy zich noch niet, haar, plotselyk, grooter bystandt af te verghen, zonder haar eerst genoeghen te geeven van den omgegangen handel: handel, zoo vreemdt, dat zy zwoer by den leevenden God, dat men geen' argher beraade Staaten, oft volken, op den aardboodem zouw kunnen vinden, dan de Vereenighde Neederlandsche. Zy hadden, sint een jaar, vyftien, zestien, jaa zeeventien oft achtienduizent mann' van haar te hulpe gekreeghen; de zelve niet betaalt; den eenen van honger laaten sterven; den andren gedrongen, zich uit mismoedigheit aan 's vyands zyde te begeeven. Was 't niet een groote schande voor de Staaten, en groote spyt voor den landtaardt der Engelschen, te moeten zeggen dat zy meer heusheits by de Spanjaards, dan by de Neêrlanders, gevonden hadden? Zy wilde hun wel ronduit verklaaren, dat zy, veel eerder, dan alzulke weederwaardigheeden te verdraaghen, naar haaren zin zoude doen: de Staaten moghten dan meede den wegh, die hun goedt dochte, ingaan. Zommighen gaaven uit, dat de Kooningin van Engelandt,'t geen zy deed, noodlyk doen moest tot haar' eighe veiligheit. Droomen. Zy zoude wel eenen vorderlyken handel kunnen sluiten, zonder de Staaten daaroover te roepen; en beeter dan met hun. Doch zy gunde hun zoo veel quaads niet: maar wilde ook geenszins, dat men zoodaane spraak hielde. Zy begeerde, zeeker, den Spanjaardt zoo heinde by haar niet, wen hy haar vyandt zouw zyn. Maar zy kon hem te vriende kryghen, en alzoo in vreede leeven: gelyk zy lang met hem gedaan had; zynde zelfs van hem ten huwelyke verzocht geweest, in 't eerst haarder regeeringe. Zy had den Graaf van Leicester aan de Staaten gezonden, voor Ooverste haarer krysmaghten, in meeninge dat z'hem oopening zouden doen van de geleeghenheit hunner geldmiddelen en schattingen.

[p. 1127]origineel

+De Staaten hadden hem den naam van Algemeinen Landtvooghdt gegeeven, om, onder dat dexel, hunne vuilnis op hem te werpen: hy dien, teeghens haaren dank, en buiten haar weeten, aangenoomen, met gevaar van halz en haave te verliezen, neevens een pandt hem veel waarder, de gunst zyner Vorstinne. Maar hy had het gedaan om hunnen wankelenden Staat te vestighen. En wat doch hadden z'hem toegevoeght, dan eenen enkelen schyn oft schaaduw van gezagh? dit was gegekt met de werelt. Met eenen Heer, en Eedelman als hy, had men niet behoort alzoo om te springen. Bevonden zy dan, dat eenigh vroom persoon hunne treeken in 't licht braght; dien zochten ze noch op alle lyden te brengen; doende zelve, daarentussen, gunst aan den vyandt, en veele snoode diensten; d' een om zyn' goedren te berghen; d' ander om zich met het Spaansche goudt de handen te zalven. Waande men, dat luiden, die haar, voor zoo groote weldaaden, zoo quaadt een hart toedroeghen, der straffe Gods ontgaan zouden, oft de Kooning van Spanje geloof stellen in woorden van verlaaters eener partye, die hun zoo veel goeds gedaan had? Dan strooyden ze noch uit, om hunnen boozen aardt te bedekken, dat de Engelsche Kooningin van vreede wilde handelen; en dit buiten hunne kennis. Neen, neen; liever hadde zy te sterven, dan oorzaak te geeven tot dat zy haare beloften niet achtte. Oft Vorsten somtyds d' een den andren hoorden spreeken, dat kon zonder yemands hinder geschieden. Want zy handelden met Vorstlyke wyze en verstandt waaraf bezondre persoonen den slagh niet wisten. De Staaten waaren wel Staaten, maar slechts bezondre persoonen ten aanschouw van Vorsten. Zy zoude, voorwaar, nemmermeer yet willen doen buiten hun weeten: ook hun gezagh, hunne voorrechten, hunne gewoonten, geenszins laaten verkorten. Zy hadden onder hen oopentlyk doen verkundighen, dat men van geenen pais moeste spreeken. Zeer wel: maar 't was ook reede, dat zy andre Vorsten lieten doen, 't geen de zelve tot verzeekring hunner Staaten dienstigh oordeelden: mits dat het tot geen' schaade der Vereenighde Landtschappen strekte. Zy Vorsten wisten zoo konstelyk niet te spreeken, als zy gezanten: maar 't behoord' hun genoegh te zyn, dat men 't hun zeide in weinigh woorden, en daarenbooven verzeekerde. Indien zy yets meer voor hun doen zoude, zoo wilde zy eerbiedelyker bejeeghent weezen. Zy zoude dan, op 't spoedighste, eenighe luiden van haaren Raade maghtighen, om met hun te woorde te koomen. Maar, alvoore, dan op hun verzoek om sterker hulp te antwoorden, wilde zy zelve hooren en zien wat in Neederlandt omgegaan waare, ende daaraf voldoening hebben. En hier by zouw zy 't, voor dien tydt, laaten, zonder hun langer moeylyk te vallen. Ik zoude gelooven, dat deeze haare gal, geloost op de Ambassadeurs en hunne meesters, niet bet door 't oorblaazen van Leicester en zyn' aanhangers verwekt was, dan door de disteligheit der dingen, die haar toen den geest, tussen strydende gedachten gestaadelyk beknelt hielden, oft storm op storm leeverden. Want het was juist in het heetste haarder beraadinge oover 't spaaren oft verdelghen van der Schotten Kooninginne Maria Stuart. Deeze, verdreeven door de Staaten haares Ryx, had haare toevlucht genoomen tot Elizabeth; waaraan zy, booven de gemeenschap des tytels van Majesteit, door naamaaghschap verknocht was. Echter had zy, ontrent neeghentien jaaren, eerst in ruime, thans in besloote vankenis, moeten treuren: ende deed men haar eindtlyk, op den achtsten van Sprokkelmaant deezes jaars, +naar den styl der plaatse, (onaangezien dat Leicester zeer op venyn drong) door de byl en beuls handen, binnen de burgh Fodringham, op een schavot sterven. Wat zy, ondersteunt van de Roomsgezinden, gebrouwen hebbe, teeghens den staat en persoon der Engelsche Kooninginne; en door wat prikkelen van opruying, anxt, haat, deeze gedreeven zy

[p. 1128]origineel

+tot een besluit, dat by veele Vorsten en volken voor wreedt en onmenschelyk gescholden werd; daaraf gedraaghen wy ons tot de schryvers, die eighentlyk van 't vertellen der Engelsche en Schotsche geschiedenissen hun werk maaken. Wyders, zoo scherp een' reede der Kooninginne sneed, hoewel niet de hoope van yers te verwerven gladt af, den gezanten nochtans diep in 't hart; en ried hun een' schriftlyke verdaadighing der Staaten in te stellen. Waartoe hun eenighe, zeeker zeer quaade, tydingen, ontfangen terwyl zy daaghelyx met den Raadt der Kooninginne handelden, niet quaalyk te passe quaamen. Want, by den droeven uitgang van verscheide Leicesters beschikkingen, bleek nu, hoe schaadelyk den Landen zyn luttel luisteren naa den raadt en vermaaningen der Staaten geweest was; en voorneemelyk zyn' heerschtoght, geuitert met het zwichten van de maght der Raadsluiden van Staate by heimelyk schrift, naa dat hy hun de volle regeering, by een ander van de zelfste +daghteekening, in 't oopenbaar had toegestaan. Hier door vond men zich benoodight eenen Franschen Hopman, genaamt Marchant, hoewel hy zeer in 't oogh was, op het slot Wouw, by Berghen op Zoom, te dulden, tot dat hy 't, om tienduizent gulden voor hem, drie maanden solds voor zyn' knechten, verkoft, en aan Parma leeverde: 't welk op den zeeventienden van Louwmaant geschiedde. Mits het zelfste beletsel moest men Willem Stanlei en Roelandt Jork in Deeventer en de groote schans op de Veeluw laaten; daar zy van Leicester, ongeacht der Staaten ernstighe waarschuwingen, tot Ooversten gestelt waaren, en 't vermoeden, te vooren op hen gevat, met zeer bedenklyke gangen van dagh tot dagh sterkten. Jork zond aan Johan Baptista Taxis, Steêvooghdt tot Zutven, dikwyls haazen oft veldthoendren: Taxis aan hem weeder vlessen met Rynschen most, die, moetende toen door de Spaansche bezettingen koomen, onder 't gebiedt der Staaten quaalyk te kryghen was: heusheeden meer gebruikt onder kryshoofden van vyanden, zonder verkoeling van elx yver voor 't gemeen zyner partye. Maar, onder 't bestellen deezer schenkaadjen schuilden brieven en boodschappen van ander belang. De Majestraat van Arnhem quam achter wisse kundschap, en verwittighde die van Deeventer, dat Stanleis Wachtmeester binnen Zutven by Taxis gezien was. Stanlei, hieroover aangesprooken, deed wel den Wachtmeester in hechtenis stellen, dan liet hem, korts daarnaa, zonder ondervraaght te zyn, uitgaan. Zyn Yeren, het wildste, wanzeedighste, moedwillighste volk, dat men ooit in Neederlandt zagh; die half naakt gingen, dikwyls 't vleesch raauw, oft zonder brood aaten; van geene erbarming oft menschelyke meêwaarigheit wisten; nochte van Godsdienst schier yet anders, dan naa 't uiterlyk gebaar der geestlyken te gaapen, en wat van de Misse te snakken; liepen, om die te hooren, daaghelyx naa Zutven, daar hen Taxis geirne ontfing, en met vruntlyke bejeeghening streelde. Met wat ooverlast, wat quellaadjen zy de poorters plaaghden, 't bleef ongestraft: eeven oft Stanlei zochte de burghery, door onlydelyk sarren, vertwyfelt te maaken, en teeghens de bezetting te doen aanspannen: op dat, terwyl zy te zaamen oover hoop laaghen, de vyandt moghte binnen koomen, en het verraadt onder schyn van ongeval doorsluipen. Wat die van Deeventer klaaghden oft vertoonden, om van de gevoelde ellende verlost, voor de gevreezde behoedt, te worden; men speurd' 'er geen ander middel toe, dan den Oudtveldtheer Norrits te zeinden, om t' onderstaan oft hy behendelyk zoo veel vertrouwbaar volx noch in de stadt helpen konde, dat het den boozen aan maght naar wil ontbraake. De tyding hieraf verylde 't quaadt: en Stanlei, zorghende voor verlies der geleeghenheit, schikte den handel, aangevangen met Taxis, te sluiten.

[p. 1129]origineel

+In den Neurenbergher toorn, een rond en ruim gebouw, dat veele vertrekken begrypt, had hy reeds driehondert Yeren geleit; quansuis om de burghery te verschoonen; in der waarheit om meester van de poorte te zyn, die by den toorn stond. Zommighen merkten de meening wel: maar hoe zouden z' hem een' plaats weigheren, die hy teeghens hunnen dank inneemen kon? Daarenbooven waaren de steedelingen gedeelt aan Rooms- en Onroomsgezinden: jaa de Onroomschen zelf niet van eenerley verstandt. Etlyken, kunnende zich noch het snoodste niet inbeelden, versnauden de geenen die beeter lucht hadden, en scholden ze voor neuzwyzen, die alles ten slimste duidden, en, met hun bewys van wantrouw, den Steêvooghdtwel zoo veel terghen moghten, dat hy quaame te doen, 't geen hy anders niet denken zouw. 'S nachts voor den achtentwintighsten van Louwmaant hielden de voorzightighste burghers wacht binnen 's huis, en hunne waapenen veirdigh. 'T welk zoo stillekens niet toeging, oft Stanlei, dien, in dat gewricht van zaaken, ook de minste ritseling ontrustte, rook lont. Dies klaaghd' hy, ten naasten daaghe, der Majestraat, dat de burghery naa hem omzagh: een bitter loon zyner oprechtigheit, waaraf hy roemde als oft ze geen' weêrgaa gehadt hadde. De Wethouders, neemende meestendeels zyn zeggen voor vol aan, bidden hem, zich niet te keeren aan 't onverstandt eener gemeente: men moest, by die, geene bescheidenheit zoeken. Hierop wort een banket bereidt, en gehouden van den Ooverste en de Regeerders, met groote vertooning van loutre vriendschap: en de gemoeden, gestooft in de warmte van den wyn, oopenen zich, met beloften, dat daarin, voortaan, alle arghewaan zouw versmoort blyven. Stanlei, hebbende hun dietsch gemaakt dat hy op eenen aanslagh toogh; den bezettelingen die van 't geheim niet wisten, dat hy, t'hunner verzeekering teeghens de burghery, die hen dacht te oovervallen om dat zy betaaling eischten, noch een Engelsch vendel oft twee ging inhaalen; rydt, 's nachts daaraan, met etlyke paarden +ter stadt uit. In de morghenstond, ontrent vyf uuren, keert hy weeder daarin, met den Ooverste Taxis en neeghenhondert mann', het derdendeel te paarde: die flux naa de markt rukten. Daar stonden ze reeds geschaart, als eenighe Regeerders, kunnende noch uit den droom niet raaken, waarin zy, door 't lief koozen onder goê sier maaken van gister, gebraght waaren; immers niet haatlykers gelooven dan dat hy, om de burghers in te toomen, zich met wat meer volx van zynen landtaardt moghte versterkt hebben; eenen Burgherhopman derwaarts zonden, om te verneemen waar 't op draayde. Stanlei, kennende den persoon, treedt hem teeghens, heet hem goedes moeds zyn; niemandt zoude te kort geschieden. Voorts leidt hy hem met der handt tussen de ryen door, tot aan 't derde gelidt. Daar spreekt hy Taxis by naam en tytel aan, en bidt hem, deezen, als zynen goeden vriende, gunstigh te weezen. De Burgherhopman, hoorende dit, vergat gety van taal te kaavelen, en liet zich, naa een Ach! deeze woorden ontslippen: Hoe zyn wy zoo jammerlyk verraaden? 'T verging hem nochtans ten beste, door de bescheidenheit van Taxis, die daarop, zonder Stanleis ooren te spaaren, zeide, Dat laat ik den geenen verantwoorden, dien hit toestaat. Ik dien den Kooning mynen Heere. Teffens biedt hy den Burgherhopman de handt; begeert dat die de Wethouders doe by een koomen, met belofte dat geenen mensche yet euvels weedervaaren zouw. Een deel, dan, der Regeerderen (want d'andre, gelyk ook veele Onroomsche burghers, hadden strax, vallende oover de muuren, zich op de vlucht begeeven) vergaaderden in een bezonder huis. Eenighe Roomsgezinden, eertyds in de regeering geweest, voeghdeh zich ongeroepen daarby. Taxis wenschte hun een blyden morghen, en ge-

[p. 1130]origineel

droegh +zich voorts tot het geen dat hun Stanlei zouw voorhouden. Die hief, gebruikende eenen Tolk, zyn' ontschuldighing aan, met bybrengen dat zyn gewisse hem gedrongen had de stadt aan den Kooning te leevren, dien ze toebehoorde: ende schaamde zich niet, met een spreuk van Christus zelf zyn schelmstuk te verbloemen. Men moest, zeid' hy, den Kaizar dat des Kaizars, Gode dat Godes was, geeven: en hem, die dat betrachtte, zonder op giften, rykdoom, oft hoogheit te ooghen, voor geenen verraader achten. Maar zyn verbaast gelaat, en moeite om dit uit te staamelen, gaaven geen duister getuighenis van de onrust des harten. En Taxis, merkende dat hy in zyn' reede begon te blyven steeken, voeghd' hem eenen slagh, met vermaan dat men diende te spreeken van de soldaaten onder dak te helpen. Deeze werden (behalven de geenen, die, daar 't raadzaam scheen, op de wacht gestelt waaren) noch van hunne Bevelsluiden, in volle ordening, op de markt gehouden; onaangezien dat het reeghende, en dat zy, den ganschen nacht, in zeer koudt en quaadt weeder gereist hadden. Aan den middagh liet men ze scheiden, en weez eenen yder zyn huizing aan. Immiddels had Taxis met drie trompetten doen omblaazen, dat de Kooning aan alle burghers en inwooners lyf en goedt schonk. Wie zyner Majesteit getrouwigheit zweeren, en in 't Roomsche geloof wilde leeven, moghte blyven: wie niet, vertrekken met *vryereizbrief, dien men hem verleenen zouw. Het meeste getal der burgheren bleef in de stadt: en niemandt werd beschaadight: uitgezeidt dat beide de Predikanten hunne haave moesten achterlaaten, en dat een deel van Stanleis Yeren zich vervorderden eenighe huizen te plondren: waaroover hen Taxis met de galghe strafte. Dus werd hy meester van Deeventer, dat veelen voor de derde koopstadt, naast Antwerpen en Amsterdam, in Neederlandt hielden. Men hoord' hem sint bekennen, dat hy deezen aanslagh, niet zonder groote zorghe van door Stanlei bedrooghen en op een' vleesbank gebraght te worden, bestaan had. Stanlei ziende de klad van verraadery niet af te wisschen, dewyl hy soldt van de Staaten getrokken had, zocht zich ten minste van meineedigheit +te zuiveren, voorwendende dat hy nooit in der Staaten, maar alleenlyk in Leicesters eedt geweest, en daaruit ontslaaghen was. Tot bewys van dien toond' hy eenen vryereizbrief, geschreeven in fransyn, en bevestight met handt en zeeghel van Leicester, op den zelfsten dagh, als die, hem, 't gebiedt oover Deeventer gaf. En, zeeker, by dit bescheidt werd hy bedankt van zyn' voorighe diensten; en alle plicht hem quytgescholden. By wat middel hy dit verkreegh, waare quaalyk te gissen. Misschien dat hy den Graave diedsch maakte, daarop, eerlyker wyze, weeder tot de Spaanschen te kunnen keeren, om hun, by geleeghenheit, een' slimmen trek, tot voordeel der Vereenighde Landen, te speelen: oft dat hy hem eenigh geteekent en gezeeghelt blank afging, als willende 't zelve vullen met voorwaarden, te belooven aan den eenen oft andren Kooningschen Ooverste, dien hy, in Leicesters afweezen, tot +ontrouw bekooren moghte: oft dat hy, terstondt naa 't verwerven van oorlof, veinzde berouw te hebben, en de Steêvooghdy aannam; en de Graaf vergat, oft noodeloos vond, hem vernieuwing van eedt af te verghen. Wyders, in al het doen van Taxis werd de heusheit des Hartoghen van +Parma gespeurt: de Majestraat niet verschaapen voor den gewoonlyken tydt; doch toen gekooren uit enkle Roomsgezinden. Ten zelfsten daaghe als Stanlei de stadt leeverde, zeide Jork, des verkundschapt, het zynen soldaaten aan, en dat hy beraaden was de zyde des Koonings te kiezen: die hem byblyven wilden, zouden gelyke belooning, als 't volk in Deeventer, genieten: die 't anders verstonden, moghten vryelvk vertrekken.

[p. 1131]origineel

+Dit baarde groote ontroering. Twee Hopluiden vlooden met hunne vendels +ter schans' uit. D'andren stelden ze daatlyk in 's vyands gewoudt. De kreet van't oovergeeven deezer twee achtbaare plaatsen verschrikte, ten uiterste toe, de Vereenighde Landschappen, en vervulde de harten met wantrouw op de Engelschen. De Graaf van Nieuwenaar, schreef uit den Haaghe, aan die van Uitrecht, dat zy zich hoeden zouden van de twee vendels, verloopen uit de schans, in hunne stadt t'ontfangen: daar hy 's andren daaghs dacht te zyn, om zich voorts naa Arnhem te spoejen. Daarentussen scheuren, tot Zwol, eenighe Engelsche knechten, die ter betaalinge van de Kooninginne stonden, hun vendel van de steng, +en schooyen naa den vyandt toe: een kornet, van den zelven landtaardt, rydt uit Arnhem, en neemt gelyken wegh. Taxis verzuimde niet de naabuurighe steeden, suffende tussen verleeghenis om de gebeurde, en vreez voor de verwachte rampen, met vlaayende brieven tot omzwaay te tokkelen. +Te zyner begeerte schreeven ook die van Deeventer, booghende zeer van de minlykheit, waarmeê hy hen handelde. Ter andre zyde, stelde de Raadt van Staate drieduizent gulden op de lyven van Stanlei en Jork: en verbood, oover hunne schelmstukken, de Engelschen in 't gemein te lasteren. Dan, 't plakkaat, hieraf gemaakt, weigherden de +Hollandsche Staaten te doen verkundighen, om dat het alleenlyk uit den naame der Raadsluiden sprak: en deeze wilden 't, nocht op Leicesters, nocht op der Algemeine Staaten naam uitgeeven. Prounink, woelende zonder ophouden, om Leicesters achtbaarheit, waaraan de zyne hing, t'ondersteunen, deed, by verlof der Vroedschappe van Uitrecht, een +boexken drukken; waarin hy, met ophaalen der trouwloosheeden van verscheide Neêrlandsche Heeren, zich pynde te beweeren, dat men, naar den eenen oft den andren verraader, den ganschen landtaardt niet behoorde te schatten. Een soobre troost, onder zoo zwaare onheilen, was den Bondtgenooten, dat d'Ooverste Schenk, hebbende gemaakt etlyke zyne soldaaten ter sluik in Roeroort te kryghen, dat steedeken, +met hunne hulpe, 's nachts naa den zesentwintighsten van Louwmaant, bemaghtighde. Hy begon'er eenighe bolwerken: doch kon het niet langer dan tot in Grasmaant houden. De Oudtveldtheer Johan Norrits, verkundschapt dat Stanlei noch Steêvooghdt van Deeventer bleef, liet niet te bezoeken, oft hy, door hooghe belosten, tot houden der stadt voor de Engelsche Majesteit te beweeghen waare. Op gelyke wyze ging hy twee Hopluiden aan, om hen tot ooverleevring van den +Neurenbergher tooren, oft eenighe poorte, te bekooren. Als dit haaperde bestond hy eenen aanslagh op Deeventer; die ontdekt werd, en zonder spilling van volke niet afliep. Leicester, naa dat hy, meester geworden tot Uitrecht en Deeventer, waande met die twee steeden het Sticht en Ooverysel in dwang te kunnen houden, had, om Vrieslandt op gelyke wyze te breidelen, eenighe Engelsche vendels +naa Harlinge gezonden, en het gebiedt daaroover den Baroene Nort gegeeven: maar moeten afstaan van zyn voorneemen, mits de Vriesche Staaten het wraakten, vertoonende dat het splitsen der Landtvooghdye teeghens 't oude gebruik en den oorber van 't gewest streed. En, zeeker, zy waaren zoo verre van den Engelschen zoo een' plaats in te ruimen, dat hun verveelde de zelve in de maght hunner eighe bondtgenooten +te zien. Daar laaghen, en hadden, etlyke jaaren, geleeghen twee vendels, onderhouden van de Hollandsche Staaten, die zich der koste troostten, om dat de Zuiderzee daardoor te beeter verzeekert was. En die van Harlinge hadden hen geirne ontfangen, inziende dat Hollandt best op zyn' betaaling paste. Maar in de lengte werd de Vries met yver be-

[p. 1132]origineel

vangen. +Nu gebeurd' het, dat Willem Bardes, Raadsheer van Staate, en gelast van Leicester tot het waarneemen der heimelyke verstendenissen, aan den Landtvooghdt Graaf Willem Lodewyk schreef, hoe hy geloofwaardighe kundschap had van eenighen toeleg des vyands op Vrieslandt, en met naame op Harlinge: hoewel hem de wegh te lande derwaarts gestopt scheen. Dies gaf hy zyner Genaade te bedenken, oft niet raadzaam waare de bezetting, die zich met der tydt, door huwelyken, schulden, en anderszins, zeer aan de burghery verknocht had, eens te +verwisselen. Op deeze geleeghenheit sliepen de Vriezen niet: maar bestaaken de zaak met den Graave zoo wel, dat zy 't Hollandsche volk uit de stadt, en ander van hunnen landtaardt daarin, kreeghen. Tot sterking des afkeers, dien men reeds had van de Engelschen, deed niet weinigh, dat, ontrent deezen tydt (ost schoon, in 't begin deezes jaars, een plakkaat, gemaakt met vollen toestandt van Leicester, op 't stuk der monsteringe en krysorde, het loopen en stroopen verbooden had) etlyke benden ruiteren in Hollandt vielen, dreighende de soldy, die zy van de Kooningin moesten eischen, uit den Haaghe te willen haalen. En, een' kornet der zelve was nu, op eenen dagh, van Loopik tot Zoetermeer gekoomen. Dies bezette men de toegangen met een deel soldaaten +uit Delft. Thans reed de Graaf van Hoohenlo ongewaapent, met vier paarden, naa Zoetermeer, en vertoond' hun wat zy misdeeden aan zich in Hollandt te werpen zonder wettigh bevel. Waarop zy zeiden, last daartoe van hunnen Ooverste en de Uitrechtsche Staaten te hebben. Zeeker, de spraak ging, dat zy door Nort en den Heer van Braakel waaren +opgemaakt. Hoohenlo, keerende, onverrichter zaake, te rug, onderschepte eenen brief, geschreeven by den vendrigh der kornette van Nort aan de ruiters tot Zoeterwoude. Die ried hun, al d'andre paarden, geleeghert tot Zeevenhuizen, Bleizwyk, en daar ontrent, by een te rukken om op het harde te koomen; dewyl hy verstond dat Hoohenlo dacht hen te doen vertrekken. Teffens vernamp men, dat eenighe ruiters tot Zoeterwoude zich vermaaten den Graaf van Hoohenlo te willen koomen bezoeken; en dat zy, te zaamen met een deel voetvolx, wel zeeventien benden konden uitmaaken. Dies voorzagh de Graaf den Haagh met een vendel van driehondert knechten, en met hondert zyner ruiteren. Toen luisterden d'anderen naa verdragh, en lieten zich met achtduizent +gulden, gelicht by den Heer Wilkes op zyn geloof, beweeghen tot belofte van weeder naa hunne bezettingen in de Geldersche steeden en 't Graafschap van Zutven te keeren. Zy hadden 't platte landt, tussen Uitrecht, Amsterdam, Goude, Krimpenerwaardt, en Alblasserwaardt, meest bedorven: en quaamen toen weeder op 't Sticht van Uitrecht storten. Waaroover de huisluiden, verliezende 't geduldt, +eindtlyk te zaamen spanden, en etlyke ruiters doodtsloeghen; etlyke zoo teisterden, dat men twee oft drie waaghens met gequetsten tot Uitrecht braght. De Staaten van Hollandt stoffeerden Oudewaater, Woerde, en Schoonhoove, met hun eighen volk, ende deeden 't den Lande en Prinse Maurits getrouwigheit zweeren. In 't uitgaan van Louwmaant herriep men 't haatlyk verbodt, door Leicester gedaan, noopende de zeevaart: en veroorlofde 't voeren van allerley waaren, behalven bussekruidt, salpeeter, en waapenen, naa alle onpartydighe haavenen, uitgezeidt Kalis in Vrankryk en Embde; by plakkaat, ingestelt op den naame van Leicester in den Raade van Staate: hoewel de Engelsche Raadsheer Thomas Wilkes het zelve, als krenkende 's Graaven achtbaarheit, weigherde t'onderteekenen. Thans naamen die van Hollandt een besluit, waarby zy ook den handel op Kalis en Embde

[p. 1133]origineel

+oopenden: dewyl doch de Engelschen, Schotten, en andre volken, den +hunnen aldaar dreeven. Onlangs te voore, was, door den Onderschout van Uitrecht, op schryven der Algemeine Staaten, Paulus Buis, ter sluik, uit zyne gevankenis geholpen; naa dat zyn' maaghen zich borghen gestelt hadden voor vyventwintighduizent gulden, te verbeuren, zoo hy, vermaant om aan Rechte te verschynen, dies in gebreeke bleeve. Hieroover schreef de Vroedschap der stadt meermaals zeer ervoelighlyk aan de gemelde Staaten, en begeerde dat men hem weeder in de voorighe hechtenis zouw leeveren. Doch haare hooghe woorden werden weinigh geacht. Op deeze handelingen, geduidt by Leicesters aanhang t'zyner verkleeninge, volghde, ten vierden daaghe van Sprokkelmaant, een der Algemeine Staaten brief, die meinde zyn gemoedt tot bezinning te nyghen; maar, gezult in de zuurte van 't versch verdriet, hun oovergekoomen door 't stuk van Stanlei en Jork, hem kropte met spyt. Zy haalden 't oude met het nieuw op, en stelden hem, in 't breede, al zyn byster +bedryf voor ooghen. Men had hem, t' zyner koomste in 't Landt, de hooghste vertooningen van oprechte geneeghenheit en eerbiedenis, zelfs de Landtvooghdy, te gemoete gedraaghen: en de maght (dewyl hy zich eener getemperde belghde) zoo ruim toegemeeten; dat de voorzightighen, op dat pas, lichtelyk bezesten, hoe zeer zy geschaapen was, tot afbrek van 't gemeene nut ende eere zyner Doorluchtigheit, misbruikt te worden by veele staaten baatzuchtighe menschen. Ook hadden die, terstondt, door hunne slimme treeken, in hem, teeghens de getrouwsten en aanzienlyksten der Landen, jaa de Staaten en Majestraaten zelf, een wantrouwen verwekt; daarop voorts gebouwt eenen Achterraadt; en, by middel van dien, hunne grootste, gierighe, en oproerighe wroeteryen gevordert: wat ook de Raadt van Staate, d'Algemeine, de bezondre Staaten, daarteeghens vertoonden. Deeze luiden hadden 't eerste misverstandt tussen hen Staaten en zyn' Doorluchtigheit gebrouwen, met het munten van den Dubblen Roozenoobel binnen Amsterdam, die, ten aanzien van't ander geldt, ontrent veertigh stuivers te hoogh gezet was, tot gewin van etlyke hondert duizent gulden, gestreeken, niet by 't Landt, maar (zoo zy Staaten geloofden) by eenighe bezondre persoonen; en verhoren by de gemeente, door de thans gevolghde verlaaghing van den prys der zelve penningen. Het schaadelyk plakkaat op den koophandel en scheepvaart was in hunnen winkel gesmeedt; 't welk het uitvoeren van eenighe goedren, dat den Landen niet schaaden, en den vyandt weinigh sterken kon, belet had; en alzoo 't vinden van middelen daaruit, om hem 't veldt te doen ruimen. 'T welk men, zelfs naa 't oordeel zyner Doorluchtigheit, genoegh hadde kunnen verrichten, indien slechts tydtlyk drieduizent ruiters en drieduizent knechten, Hooghduitschen, waaren geworven geweest. Uit schryven, nochtans, al van den achtsten in Lentemaant des lestleeden jaars, was hun Staaten gebleeken van hondert vyftighduizent gulden, buitenor delyk opgenoomen by zyn' Doorluchtigheit, tot lichting dier troepen. Maar zy hadden met ydele hoope op haare koomste gewacht; en eindtlyk vernoomen, dat, zoo wel hun geldt als 't zelve volk, toen 't een niet min dan 't ander gereedt lagh (z' en wisten door wat smuikhandel) verstrooyt en verstooven was. De Engelsche hulptroepen, zoo te paard' als te voete, waaren, fint de herwaartskoomst zyner Doorluchtigheit, nooit gemonstert naar behooren. Jaa de reekeningen weezen uit dat de soldy van de ruiters der Kooninginne, van haarentweeghe, tot laste der Landen, betaalt was van den twaalfden in Slaghtmaant des jaars vyventachtentigh af; onaangezien dat zy zich, noch drie maanden daarnaa, niet in orde vonden om gemonstert te worden: met welk betaalen van ruitery en voetvolk men grooten ondienst aan den Staat gedaan had, en 't geldt haarder Ma-

[p. 1134]origineel

jesteit +onnuttelyk verquist. Echter was den soldaaten zoo luttel onderhouds verstrekt, dat hunner veel zich, van armoê, met loopen en stroopen geneert hadden, tot zwaare schaade, last, en verwoesting der Landen. Het krysvolk der zelve Landen was ook quaalyker gehandelt geweest, dan t'eenighen tyde deezes oorloghs; hoewel de gewesten nooit te voore zoo groote schattingen ingewillight, nocht hunne penningen zoo veirdelyk opgebraght hadden: waardoor men den Staat in d'uiterste verwarring gestelt zagh. Een deel, zoo uit-als inheemsche huichelaars, geveinzde heilighen, en verspaanste geesten, waaren onwettelyk, door beleidt van den gemelden Achterraadt, in d'aanzienelykste ampten, grootste waardigheeden, meeste achtbaarheit, gestelt; en hadden, verby gaande de wettighe Ooverheeden, ooveral begost de inwooners te verdrukken, zonder op eenighe Rechten oft Handtvesten te passen. Persoonaadjen, dien 't gezagh in landtzaaken wettelyk toequam, waaren daaruit geschupt; anderen, onbequaam en niet ontfankelyk naar de wetten, daarin gedrongen: die met vangen en bannen, zonder forme van Recht, zonder verklaaring van reede waarom, voortvoeren teeghens de yvrighste voorstanders der vrydoomen, en de getrouwste beminners des vaaderlands. Het zelfste gezelschap had zich niet geschaamt, by zyn Doorluchtigheit en eenen yghelyken, de wettighe Regeering des Lands in twyfel te trekken; op Staaten, Aadel, Majestraaten, te smaalen; trachtende, door alle weeghen, tweedraght in gewesten en steeden te stooken, bezondre luiden op te ruyen, om, zonder kennis van zaaken, oover den Staat te mooghen heerschen. Van hun quam 't her, dat den wettighen Landtvooghden, by invoering van andren, hun behoorlyk gezagh ontnoomen was: zoo dat luden, zich niet verstaande op de Regeering, oft oopenbaare vyanden van den Staat, met den zelven, naar hunnen luft en welbehaaghen, hadden gespeelt en omgesprongen. En men had moeten aanzien, dat de voorneemlykste steeden en sterkten der Landen gestelt werden in handen van Ooversten, niet alleenlyk verdechtight by de Staaten om wightighe reedenen, maar zelfs ooverwonnen van verraadery teeghens 't Landt, en hun altyds verdechtight gebleeven, hoewel zyn' Doorluchtigheit haaren eighen persoon voor hunne getrouwigheit te pande zette. Al 't welk men zoo stoutelyk en onbeschaamdelyk gedreeven had, dat ook eenighe oopenbaare verraaders oopenbaarlyk begunstight en den Gerechte onttooghen waaren. De eenighe grondtveste, waarop zoo bederflyk een' dartelheit steunde, was de gemelde arghewaan, die zy zyner Doorluchtigheit en zommighen andren Engelschen Heeren hadden ingeblaazen, en gestaadelyk gevoedt, teeghens hen Staaten en alle Regeerders. Waaruit ook twist onder de Engelsche Heeren zelf, jaa onder de inlandsche, die veele jaaren trouwlyk gedient hadden, ontsteeken was. Eindtlyk was door hen uitgewrocht, dat hy de wightighste punten zyns eighen schriftlyken bescheids van den vierentwintighsten in Slaghtmaant, by 't welk de Raadt van Staate, volghends besluit genoomen by hen Staaten, zich gemaghtight vond tot het volle bewindt zoo lang hy buiten's Lands zoude blyven, weederroepen en aan zich behouden had by een ander schrift, geteekent op den zelfsten dagh, en te voorschyn gebraght een' wyl naa zyn vertrek. Waardoor de eendraghtelyk geraamde orde, noodigh tot behoudenis van de gewesten en veele steeden van belang, gevoert was in Engelandt; en, aan Stanlei en Jork, Ooversten in Deeventer en de groote schans op de Veeluw, stof gegeeven tot wraaking van alle bevel, dat hun uit naame des voorzeiden Raads gedaan werd. En, hoewel hun, op 't vertrek zyner Doorluchtigheit, eenighe betaaling, ook daarnaa lyftoght, tot's Lands koste, verschaft was; zoo hadden zy nochtans een trotsch, onbepaalt, tierannigh heerschen gepleeght, en ten laatste beide de plaatsen, t'eenen zelfsten daaghe, ('t welk men tydtlyk genoegh zagh koomen, maar by

[p. 1135]origineel

+mangel van gezagh niet keeren kon) verraadelyk aan den vyandt geleevert. Ook stond grootlyx te bevreezen, dat de regeering, gevoert by de Ooversten van Berghen op Zoom en Oostende, geen beeter eindt zoude neemen. Zy Staaten twyfelden niet, oft dit schryven waare om vreemdt gevonden te worden by haare Majesteit en zyne Doorluchtigheit: maar konnen niet verberghen, hoe weê het hun deed, dat teeghens hunne vertooningen, zelfs gedaan toen zyn' Doorluchtigheit Stanlei voorsloegh tot Algemeinen Veldtheer, die twee grenzplaatsen dien persoonen waaren vertrouwt geweest. Lang, zeeker, voor deezen, hadden zy de gemelde slinksche beleidingen wel gemerkt, en de onheilen beschooren gezien, die den Lande daardoor althans waaren oovergekoomen. 'T had hun ook niet ontbrooken aan rechtveirdighe reedenen oft middelen om zich daar teeghens te stellen: gelyk dikwyls van hunne voorzaaten teeghens de Vorsten des Lands was gedaan. Maar, om zyn' achtbaarheit, waaraan den Lande zoo veel geleeghen was, niet te zwakken, hadden zy alles, zoo ruim eenen tydt, geduldelyk verdraaghen, met hoope dat hunne vertooningen, en de daaghelyksche ervaarenis, zyn' Doorluchtigheit zouden beweeghen tot acht geeven op 's Lands schaaden en gevaarlykheeden, herkoomende uit zoo snoodt een bedryf, en tot veirdighe voorziening daarteeghen. Maar, aangemerkt dat destaat des Lands, by deeze geleeghenheit, zonder behoorlyk gebiedt niet kon behouden blyven; en dat de gemeente, ooveral zeer ontstelt door 't wantrouwen, gesprooten uit de bysterheit der aangeweezen' handelingen en partyschappen, niet wist hoe zy toe wilde; zoo waaren zy Algemeine, gelyk ook de bezondre Staaten der Landtschappen, gedwongen geweest, op 't stuk der Regeeringe zulke orde te stellen, als zy geoordeelt hadden te betaamen. Wyders, vertrouwende dat al de voorzeide zaaken geschiedt waaren teeghens de goede meening zyner Doorluchtigheit, baaden zy de zelve: by de Kooningin ten beste te spreeken voor de Landen; op dat haare hulptroepen in bequaame orde en bedwang moghten gehouden, en voortaan beeter betaalt worden; op dat ook haarder Majesteit geliefde, hun Staaten, met een' goede som penningen, tot richting der verloope dingen, te baate te koomen. Van hunne zyde zouden zy niet verzuimen, het verbandt, gemaakt met haare Majesteit, in al zyn' punten t'achtervolghen. Immiddels moesten zy niet verzwyghen, dat de *vryereiz- en veilighgeleibrieven, afgeveirdight door Burghgraaf by last van zyn' Doorluchtigheit buiten de Landen, met de welvaart en Rechten der zelve geenszins konnen bestaan. En derhalven verzochten en begeerden zy, dat zoodaanighe schriften niet meer wierden verleent. Daarenbooven was hun verzoek, zyner Doorluchtigheit geliefde te beschikken, dat al 't krysvolk der Landen, uitgezondert de bezettelingen geleit van de Kooninginne in de plaatsen van pandtschap, bestiert wierde naar 't bevel der geenen, die zy Staaten zouden stellen tot Raadsluiden van Staate, neevens die van haare Majesteit, volghends 't verding. Voorts gaaven z' hem kundschap van 't geen, by hen, in de zaake van Paulus Buis, was gedaan: 't welk, als booven gemeldt, ik hier weeder verhaalen zal. Deeze brief werd, voor zyn afgaan, in den Raade van Staate geleezen, en in 't bezonder te doorzien gegeeven aan den Engelschen Raadsheere Thomas Wilkes; die hem prees, noodigh oordeelde, en dubbelt daaraf oover zond aan den Grooten Schatmeester van Engelandt, man van geringe afkoomst, maar kloek vernuft en ervaaren ouderdom: waarom zyn raadt zoo veel op de Kooningin vermoght, dat tussen hem en Leicester daaroover bittre nydt blaakte. Men hadde, zeeker, dewyl vlugge woorden, die yemandt op zyn zeer tasten, lichtlyker te vergeeten, oft, wen 't noodigh valt, te verschoonen zyn; dan blyvende boekstaaven, die, t'elkenmaale, de wonde weeder opkrabben; den inhoudt van dit schryven wel kunnen by mon-

[p. 1136]origineel

de +doen voordraaghen: maar de Staaten, zorghende dat hunne gezanten, +uit schroomte voor ondank, de quaal niet zoo naaktelyk, als vereischt werd, ontdekken zouden, vonden dienstigh 't zwart in 't wit te stellen; jaa zelfs een' beeltenis daaraf aan haare Majesteit te stuuren. Voorts beslooten zy, alzoo de tydt van den dienst der Raadsluiden van Staate verloopen was, dat, by manier van voorziening, voor de naastkoomende drie maanden, in dien Raade te verschynen hadden, van Gelderlands en Zutvens weeghe, de Kanseler Leoninus; van Hollands, Walraaven, Heer van Breederoode, Sebastiaan van Looze, en Willem Bardes; van Zeelands, Jakob +Valk, en Joost Eeuwoutszoon Teelink; van Uitrechts, Paulus Buis, oft een ander, te kiezen by d'Algemeine, uit twee, die by de Staaten van dat gewest zouden benoemt worden; van Vrieslands, twee, te kiezen uit vier, op gelyke wyze; van Ooveryssels, de Doctoor Derri, +oft een ander, meede alzoo te kiezen uit dubbel getal; voorts de bezondre Landtvooghden; twee Engelsche Heeren van weeghe dier Majesteit; de * Schatmeester: ende niemandt meer als lidtmaat. Welk besluit, dewyl Meetkerke en Braakel daarby uit den Raade geweert werden, den Engelschen Landtvooghde, van wiens handt zy vlooghen, niet dan zeer quaalyk smaaken kon: gelyk ook dat de zelve Algemeine Staaten den Heeren Aisma en Feitsma, meede zynen partylingen, toegang ten voorzeiden Raade weigherden, zeggende hun nooit gebleeken te weezen, +dat die van Vrieslandt zich onder de regeering van Leicester en den Raadt begeeven, ofte die twee persoonen wettelyk benoemt hadden. 'T gebeurde, ontrent deezen tydt, dat zeekere bezettelingen, getooghen uit Berghen op Zoom om hun geluk te zoeken, een deel paarden des vyands, tussen Brussel en Naamen, verstrooyden, en eenighe luiden van soorte gevangen kreeghen. Een der zelve was een jong eedelman, genaamt Cajus Rantzou, zoon van den geleerden Henrik Rantzou, Stadthouder des Koonings van Deenemark oover de drie Hartoghdoomen: aan wiens gedaghtenis ik my, om zeeker boek, genaamt Kalendarium, vereert van hem aan mynen zaalighen vaader, verplicht ken. Deeze Cajus had, als gezant van zynen Kooning, in Spanje eenighen voorslagh van vreede tussen Philips en Elizabeth gedaan; en daaraf ook gesprooken, door nieuwen last zyns Meesters, met den Hartoghe van Parma. De soldaaten, kennende nocht den persoon nocht zyn' waardigheit, en +hebbende zoo wel hem als zyne dienaars zien weere bieden, oopenden onderweeghe zyn' koffers, en verscheide brieven daarin gevonden, zommighe der welke van den Spaanschen Kooning en Parma quaamen. Doch, bevroedende in 't leezen van wat belang die waaren, lieten zy de rest geslooten; en neemende eenen zynen gouden ketting naa zich, braghten hem, neevens d'andre gevangens, binnen Berghen. Daar beschikten hunne Ooversten dat hy den ketting weeder kreegh: en zonden hem voorts, met zyn' pakkaadje, naa den Haagh, aan d'Algemeine Staaten. Die ontschuldighden 't stuk met de onkunde der krysluiden, leeverden hem de schriften, vergoedden al zyn' schaade, en onthaalden hem eerlyk; zulx hy scheen wel vernoeght van daar te scheiden. Maar, gekoomen in Deenemark, mat hy 't geleeden ongelyk zoo breed uit, dat de Kooning zyn Meester, als in weêrwraak van dien, zeevenhondert Hollandsche scheepen in de Zont deed aanhouden, tot dat zy 't beslagh +met dertighduizent Ryxdaalers afkoften: van welke somme hy het derdendeel, zoo men zeide, aan Cajus, tot vergelding van zyn gevaar en moeite, schonk. In de vereenighde gewesten, schaarselyk voorzien van kooren op dat pas, vand men zich zeer versleeghen, van anxt voor bystre dierte, om 't bekommeren deezer scheepen: terwyl de Deenen zelf,

[p. 1137]origineel

+mits de grootheit van 't getal, voor verlies der Zont vreezden, indien 't bootsvolk, vertwyfelt, tot landing en daatlykheit quaame. De kundschap, geschept uit de woorden en papieren van Rantzou, dreef d'Algemeine Staaten tot instellen van eenen brief, by welken, gericht aan d'Engelsche Kooningin, zy zich heel schuw van allen paishandel met Spanje vertoonden, en de reedenen hunnes afkeers wydluftelyk ontfouden. De +wightighste scheenen deeze. Van drie punten, voorgestelt door den Deenschen Kooning; te weeten, vryheit van Godsdienst in de vereenighde Neederlanden, behoudenis van de voorrechten der zelve, verzeekering haarer Majesteit teeghens 't beschaadighen van haaren staat; had de Spanjaardt het eerste plat afgeslaaghen: de twee andre verzonden aan den Koonink van Deenemark en den Hartogh van Parma, om by hen afgehandelt te worden. Vreeslyker, voorwaar, vonden zy Staaten het enkel vermaan van zulken pais, dan 't oorlogh dat teeghens hen op zyn felste gevoert werd. De meenighvuldighe proeven van 't voorleedene leerden hun, oft zy wilden oft niet, de hachlykheit, gemengt met zoodaanighe handelingen. Nu de vyandt, by mangel van zeevaart, den honger voelde, nu de springaader van 't Spaansche goudt van dagh tot dagh schaarscher vloeyde; zulx hem de minste weederspoedt dwingen kon zynen toeleg te staaken; nam hy zyn' toevlucht tot d'oude treeken, en het punt zyner penne, waarmeê hy den Staat, dieper en doodtlyker dan ooit met het scherp van zyn zwaardt, had gegrieft. Men sloeghe vry oover, hoe de Mooren en andre volken zich door de trouwlooze verdingen der Spanjaarden bedrooghen vonden; en maar het oogheens op dien aanzienlyken paishandel van Koolen, die d'afzondering van Arthois, Heenegoww, Rysel, Mechele, Shartoghenbos, had voortgebraght; en al te klaarlyk uitwees, dat niet alleen uit het sluiten, maar zelfs uit het aanvangen van eenighe handeling met hun, onboetlyke schaade te verwachten stond. Sint had men, in oovervloedt, de vruchten van Escovedos raadt vernoomen, die alle door bezondre handelingen gerypt waaren. Want, daaruit sprooten, onder de Landtschappen en steeden, verdeeling, arghewaan, afgunst, zorghlyke oopeningen, die eenen yghelyken 't gemeine beste deeden ter zyde zetten, en op zich zelven denken, den eenen naa spoedighe verzoening trachten, den andren gereedschap maaken om te vertrekken naa plaatsen, daar hem de Spanjaardt niet betrappen konde. De handelingen van Gent en Brug waaren, in 't eerst, van zeer bekoorlyken schyn geweest; maar eindtlyk zommighen tot lichaamelyke, veelen tot geestlyke doodt der zielen, gedeeghen. En de verraadelyke aanslaaghen, uitgeborsten, in 't midde van die handelingen, tot grooten afbrek van den Staat, hadden niet zoo veel maghts gehadt om die twee steeden, en vervolghends Brabant en Vlaandre ten val te brengen, als het enkele luisteren naa voorwaarden van vreede. Maar, oft schoon voor de wonde van scheuring, voor de quaale van wantrouw, niet te duchten viele: het minste quaadt, dat hun Staaten door 't handelen moghte ooverkoomen, zoude zyn de onachtzaamheit in 't bezorghen hunner zaaken: gelyk men ten tyde van Don Johan, en ter koomste des Heeren van Selles, gezien had. Booven dien hoe bezwaarlyk wild' het vallen, de Staaten van elken geweste tot inwilghing en lichting van schattingen te beweeghen, zoo 't gerucht van paishandel slechts eens onder de gemeente quaame, die uit luiden van verscheide zinnen en geneeg hentheeden bestond? Te zeggen, dat men immiddels geen' toerusting behoefde te verzuimen, was ydel: de slofheit zouw d'ooverhandt neemen. Want de mensch, geloovende doorgaands graatighlyk 't geen daar hy om wenscht, wendde te minder vlyt aan tot verhoeding van 't geen, dat hy behoorde te vreezen. Daarneevens, die zich tot twee dingen te gelyk begaf, beneirstighde geen van beide te deeghe. Waaruit volghen moest, dat men, besteedende 't eene deel

[p. 1138]origineel

+van den tydt aan den paishandel, den eisch der oorloghe geenszins zoo wel, als anders zouw behartighen. De bitterheit des kryghs deed hen genoegh naa een' veilighe vreede verlangen: maar zy zaaghen zoo veele gevaarlykheeden in de voorgestelde punten, dat niemandt van hun lustte daarop aan te gaan. Wen de Kooning van Spanje 't eerste punt, dat hy weigherde, al toestonde; zoud' hy niet echter de zelfste Kooning zyn, die hun Staaten 't zelfste door de Hartoghin van Parma en Don Johan belooft had, en zoo haast laaten t'onbruik maaken, als de trouwloosheit nut scheen? Hier baatte geen bybrengen, dat zoodaane zaaken, gelyk meede de wreedtheeden van Alva, buiten 's Kooninx kennis bedreeven waaren. Want luiden van verstandt