Hiernevens zien het licht de Handschriften van Cornelis Pieterszoon Hooft, den vader van den beroemden dichter en geschiedschrijver. De Heer Mr. H.J. Koenen heeft in zijne Verhandeling over den geest en de strekking van het Amsterdamsche Patriciaat, geplaatst in de Kronijk van ons Genootschap, XXIII. Jaarg. bladz. 679-701, het noodige over de geschiedenis dezer Handschriften (bl. 693, 694) medegedeeld. In den volgenden Jaargang (XXIV) der Kronijk kan men (bl. 496, 497) een verslag vinden omtrent den inhoud zoowel van de Amsterdamsche verzameling van C.P. Hooft's Handschriften, als van die van ons medelid Mr. J.A. Grothe. De eerste 5 nummers van deze uitgave zijn aan de verzameling van den Heer Grothe; de volgende aan het tweede deel der verzameling van de Stadsbibliotheek van Amsterdam ontleend.
Treffend is de inhoud dezer Memorien en Adviezen van den waardigen man, en alleszins geschikt om het drijven der Contraremonstranten en dergenen, die hen uit staatkundig inzicht stijfden, in zijn waren aard te
doen kennen. Hoe trouw de auteur is, kan ons uit de aanteekening blijken, door hem gehouden van de woorden, die hij gesproken heeft in de Vroedschapsvergadering van den 3den November, 1618, te Amsterdam. Deze aanteekening toch verraadt, dat de oude man toen onder den invloed was van 's Prinsen schrikinboezemende tegenwoordigheid. Had hij al de gronden, die hij zoo menigmaal had uiteengezet, levendig voor den geest gehad, hoe krachtig had hij toen kunnen spreken. Maar ook, ware hij de man geweest om de waarheid eenigermate op te sieren, hoe licht had hij zich in zijne aanteekening krachtiger woorden in den mond kunnen leggen, dan hij werkelijk gesproken had. - De gronden, zeggen wij, die hij zoo menigmaal had uiteengezet. Inderdaad, soms maakt de herhaling derzelfde gronden en bewijzen, de steeds terugkomende gedachtenloop, ook bij de lectuur eenig geduld noodzakelijk. Toch hebben wij, uit vrees van een aaneengesloten geheel te verbreken, ontzien meer te onderdrukken, dan reeds geschied is.