terug  begin  verderprepost
[p. 11]

II. Redevoering naar aanleiding van de plannen tot aanbieding der souvereiniteit aan Hendrik III van Frankrijk, gehouden in September 1584.

Het tweede stuk van Hoofts hand, zich bevindend op de Universiteitsbibliotheek (Av. 49. a), is ongedateerd en bevat geen ander opschrift dan ‘Handel met Vranckryck’, op de rugzijde geplaatst. Het maakt geheel de indruk van een kladaantekening voor een redevoering, die hij waarschijnlik in de Vroedschap heeft gehouden of van plan was te houden. Ongetwijfeld heeft H. haar zelf geschreven, maar het stuk toont niet zijn gebruikelike netheid, doorhalingen komen er meermalen in voor, enkele zinnen zijn in margine toegevoegd, één groter stuk is geheel, blijkbaar achteraf, bijgeschreven en aan 't eind staan nog enkele toevoegingen, zelfs zonder behoorlik slot en eindigend in enkele losse woorden, alsof hij nog op 't laatste oogenblik een voorbeeld wilde aanhalen. Er zijn nog enkele stukken onder zijn papieren, die zulk een karakter dragen, één waarbij èn 't net èn 't klad bewaard zijn. Wel is ook hier duidelik, wanneer 't geheel moet zijn opgesteld, eu waarschijnlik met welk doel.

In Augustus 1584 keerde, na de dood van de Prins, de nederlandse deputatie plotseling uit Frankrijk terug, vergezeld, vanwege de koning, van Des Pruneaux. Deze verscheen 22 Augustus in de Staten-Generaal en vroeg daar naar de voorwaarden, waarop zijn Heer als souverein dezer landen zou kunnen worden erkend. Op deze rede bevat het stuk van H. toespelingen. Hij verscheen daarna in de Staten van Holland (28 Augustus) en deze beraadslaagden lang over de aanbieding. Zij aarzelden, terwijl Brabant en Vlaanderen vooral er op aandrongen. Gent, Brussel en de Staten van Brabant, in Antwerpen bijeen, zonden brieven naar de Staten-Generaal om hun standpunt te verdedigen en ook hierin komen passages voor, die H. blijkbaar kende. Maar vooral heeft op hem indruk gemaakt de Remonstrantie van de Staten van Brabant, die 3 September werd overhandigd en door hun Gedeputeerde nog eens zeer uitvoerig werd toegelicht (Bor, a.w. 1679, XIX, fo. 470-475). De Staten besloten hiervan de steden

[p. 12]

kennis te geven. Het is alsof H. van deze redevoering een vrij systematiese weerlegging geeft; in ieder geval is zijn rede na 8 September opgesteld, want op dezen datum werd bovengenoemd besluit geregistreerd.

In het stuk wordt echter steeds gesproken over het beleg van Gent. De stad heeft 17 September gecapituleerd en het bericht daarvan zal in ieder geval gauw daarna Holland hebben bereikt, zeker vóór 25 September, toen een vergadering der Staten werd gehouden, waar de opdracht werd besproken, en vóór 29 September, toen de Vroedschap van Amsterdam hieromtrent besluit nam. Hooft kan dus zijn rede hebben uitgesproken in de Vroedschap op 18 September, de dag, nadat mededeling was gedaan van het in de Staten verhandelde. Maar ook is zeer goed mogelik, dat van de vergadering der Vroedschap, waar H. sprak, niets opgetekend werd. Want er is nog een andere datum ante quem: 15 September stelden de Staten van Zeeland hun advies aan die van Holland op en dit bereikte de laatsten 17 September. Het zou wel zonderling zijn, als dit H. wel bekend was en hij hiervan in 't geheel niet repte (later wordt in de Vroedschap juist dit samengaan met de andere gewesten op de voorgrond gesteld). Ten slotte, op 25 September werden vertogen van Maurits en van Gouda in de Staten gelezen, die evenmin aan H. blijken bekend te zijn. Daardoor is dus wel waarschijnlik, dat H., die in deze tijd niet in de Staten verscheen, deze aantekeningen maakte voor een rede in de Vroedschap op 18 of kort vóór 18 September 1584.

Het betoog zelf is een pleidooi tegen de opdracht der souvereiniteit aan Frankrijk, waarbij in 't geheel niet gesproken wordt van Engeland (waarheen reeds 24 Augustus 1584 een gezantschap was afgevaardigd.) H. wil op eigen kracht steunen en spreekt hier zijn wantrouwen uit niet alleen tegen Frankrijk (slechts wanneer men de Spaanse gruwelen breed uitmeet en de Franse daden verschoont, kan men de Fransen boven de Spanjaarden verkiezen!), maar tegen alle monarchen, die het slechts om macht en bezit te doen is. Het is een uiting van het fiere republikeinse geloof, dat gekweekt was door de oorlog tegen Filips II en waaraan H. zijn gehele leven trouw zon

[p. 13]

blijven. Eigenaardig mag genoemd worden, dat hij hier geen melding maakt van raadpleging der schutterijen enz., wat hij in I zo belangrijk blijkt te vinden en waartoe de Raad ook in deze zaak besloot (29 September 1584). Wel had Hooft succes, zoals blijkt uit de Vroedschapsresolutie van 18 September, die, ook met 't oog op wat er omtrent Zeeland in staat, hier deels volgt: ‘..... ende nae lange discours ende disputatie daerop gehouden, [is] geresolveert dat de Gedeputeerden de Staten sullen aendyenen ende voorhouden, dat den Raedt voor deser tijt nyet geraden vinden met zyne voorsz. Mat. te handelen. Ende dat daeromme de Gedeputeerde alle middelen des doenlicks zynde tzy met furnissement van meer penningen (ook daarover spreekt H.) als alreede es gewillicht ontset ende bystant varide bontgenoten als andersints voort sullen weynden; dan zou den Staten tgundt voorsz. offslaen ende dat die van Zeelant ende die meeste stedeu van Hollandt gesint zyn metten Conynck van Vranckryck te handelen, dat de Gedeputeerden zullen zeggen, daertoe alsnoch geen last te hebben.....’

(Bor, Oorsprong etc., A'dam 1621, XIXe Boek fo. 10-12 en 15-32, Wagenaar, Vaderlandsche Geschiedenis VIII, blz. 29-56, Blok, Geschied. v.h. Ned. Volk2, II, 224-227; Resolutiën der Vroedschap van Amsterdam, 1584.)

Het geproneerde (sic) van Franckryck een weynich [in] bedeyncken genomen hebbende, syn daerin myns bedunckens veel verscheyden swaericheyden, dye ons wel behoren groot omsyen te maeken omme ons alsoo naerden raedt ende tvoorgeven van Monsr. De pruneaux1) te begeven onder tgewelt van zijne Mat. ende (by maniere te spreecken) te werpen in zijne armen2) ende dat onder de minste

[p. 14]

stipulatye van conditien, het beste ons alleen vertrouwende optte goedertierenheyt van zyne Mat., omme waer toe ons te bewegen ons voorgestelt werden tot een exempel de steden Mets ende Camerick1) waer van ick (zoo vele als Mets belangt) weynich wete hoe de burgerye aldaer hem der Fransoysen regieringe bedancke, gelyck ick oock weynich wete vande gelegentheyt der stadt Camerick als nu ter thyt ende zedert dye vanden Fransoysen es geoccupeert geweest2) weynich vanden onsen uit desen quartiere gefrequenteert zynde. Dan zoo vele alsment gemene gerucht geloven mach, oock zeecker Jonckman dye zommige maenden verleden vandaer comende voor verscheyden burgeren optte nieuwe brugge deser stede de gelegentheyt der zelver goeder stadt alsoo heeft vertelt als dat zy vandt voordel vande Fransoysen tot overhooft vercregen te hebben hem nyet en hebben te verbogen, maer dat haer der Spangaerden ende andere voorgaende regieringe veel drachelycker es geweest als de tegenwoordige Fransoysen. Sulcks dat daer door als oock door tgene men hoort van des Conincks dagelycksche bedrijf den raedt van de voornoemde Pruneaux myn geheel suspect es, vresende hy onder tgemene gevoelen, datmen van [hem] heeft van de pauselycke religie contrari te syn, een ander persoon verborgen draecht. Dit over ende weder over reysen van hem heeft zoo langen thyt geduyrt, rede3) by het leven van zijne Princelycke Exc.4) ende en es alsnoch verder nyet gebracht dan datmen nu noch eerst versoeckt van ons te weten wadt conditien, dat wy van

[p. 15]

zyne Mat. zouden begeren te bedingen ende ons daerop inden armen zijnder Mat. zouden willen werpen, op dat zijne Mat. dezelve gehoort hebbende hem daerop zoude mogen delibereren ende daer naer resolueren1), zulcks zyne Mat. te rade vinden zoude. Zoo dat het schynt off dit eerst een rude als nu eerst begost werck waer ende bevint hem alsoo dat van genen effecte en zyn alle dye voorgaende tracteringen geduyrende de welcken men den Landen vast grotelyck vertroost heeft gehadt optten hulp ende bystandt dye uit Vranckryck zou comen, opwelcke hulpe men dye van Doornick ende Iperen2) vertroostende ende anders tot haerluyder succours weynich preparatie van dese zijde maeckende, de goede luyden hen hebben laten bewegen ten uiterste toe te volharden. Maer eylacen, deselfde min als nyet tot haerluyder voordeel bevindende, zijn ten laetsten genootsaeckt geweest henluyden, hoe dat zij inde uiterste noodt gecomen waeren, te begeven inden handen der Spangaerden onder alsulcke conditien als zy dan best mochten, gelyck het grotelyck es te beduchten, dat de goede treffelycke ende vermaerde steden van Gendt ende Brussel ende Mechelen3) oock genoodtsaeckt sullen werden te doen tenzy dat de Here haerluyden meer door middel van onse eygen ijver ende getrouwicheyt eenige verlossinge toevoecht als door tmiddel der Fransoysen 4), aende welcke wy ons nu zoo lange vergaept ende jammerlyck by gefrustreert bevonden hebben.

Endea) zoo vele als myn dunckt wert dese zaecke byden onsen meest gedreven onder tpretext dat door het

[p. 16]

aennemen van de Mat. van Vranckryck de steden van Gendt, Brussel ende Mechelen zeeckerlyck ende spoedelyck zouden werden ontset, twelck ick wel wadt macht geven zoude als zyne Mat. syncere ende ter goeder trouwen met ons wilde handelen. Maar dat alsulcks verre vanhuys es, heeft wel gebleecken aende Steden van Yperen en Doornick, de welcke hem immers wel zoo veel waert hadden behoren te wezen, insonderheyt de wijle hy sach dat mijn here de Prince hoger memorien hem zoo zeer op zijne mat. verlyet, ende dat Zyne Exc. zoo ernstlyck dreeff omme de Landen aen zyne Mat. te brengen, zulck dat zyne Mat. wel genoch behoorde te verstaen dattet alleenlyck gebrack aende ingesetenen vanden Landen als zijne ofte zijns broeders regeeringe zoo ondrachelyck ende onseecker bevonden hebbende, alst heeft gebleecken. Uitt welck misvertrouwen zijne Mat. hem wel ten dele zoude hebben konnen redden, byaldyen hij dye voornoemde steden hadt gevrijet ende genadichlyck metten gemeenten gehandelt, waerdoor hy dan der gemeentten herten zeer zoude hebben gewonnen, twelck hem grotelyck hadde mogen dyenen om hem zelven meester vanden landen te maecken, gelyck het ontsetten vande goede stadt van Gendt hem mede daer toe grotelyck zoude hebben mogen dyenen. Dan dat zijne Mat. alsulck nyet byder handt en neemt geeft mijn groot bedeyncken ofte dat hy het metten Landen nyet goedt menen moet als hyse al onder hem hadde ende dat hy besorgen moet datse door zijne regieringe meer afkeer als gunst tot hem zouden gecrijgen. Ofte dat hy het metten Coninck van Spangien wel eens moet wesen, ende hem zoo veel nyet te lede wil doen, twelck ick wel verstae dat bij velen spottelyck luydt, alsoo alle grote heren gaern haere paelen zoecken te verbreden. Maer myn dunckt, dat by desen Coninck cesseert, wandt hadde hy in dye saecke geweest van zulcken gevoelen als zyne voorsaeten, hy zoude ontwyfelyck de occasie van zoo veel heerlycke landen ende steden te gewinnen beter waergenomen hebben. Ick wete wel datmen myn zoude hyer mogen voorwerpen, dat ick indifferenter spreecke vande handelinge vanden iegenwoordigen coninck als van zynen broeder den hartoch van Aniou, dan myn dunckt dat tzelfde nyet zeer vreemt

[p. 17]

en es, aengesyen dattet byden Fransoysen selfs in confesso es datten voornoemden hartoch van hem zelven gene middelen en hadde, zoo dat tgene hij buyten desen landen opbracht vande Crone heeft moeten comen ende sulcks des hartogen werck inden schyn, maer des conings werck inderdaet geweest heeft, zoment anders des conings werck mach noemen ende nyet veel lyever twerck van zyne moeder, alsomen wel hoort datten coninck zynen thyt veel met vreemde ende nieuwe superstitieuse goodtsdyensten toebrengt ende hem daer meest mede becommert, zoo dat myn dunckt dat des hartogen als oock des conincks werck al uit enen bosen compt, namelyck van Catharina de Medices1) (b).

Het schynt een weynich te zijn, dat wy van ons zelven nyet mid[delen] genoch en hebben om ons zelvest te beschermen ende dat wy daerom een hooft behoeven door wyens hulpe wij zouden mogen verlicht werden2), maer tselfde heeft men immers voorhenen mede gedreven ende een goedt deel vanden Landen daer door beweecht om den hartoch van Alanson te nemen als hopende door zijnen middel grotelyck gesubleveert te werden, twelck hem vry wadt anders myns bedunckens heeft bevonden, de wyle ons nu optte laetste verleden vergaderinge3) desselfden gelegentheyt oock (by dye van Vranckryck zelve) alsoo es voorgestelt geweest, dat hy een here was dye byden handel deser landen wel winnen, maer nyet verlyesen

[p. 18]

mocht ende dat hy dye daerdoor wel te lichtelycker byder handt nemen mocht, twelck oock wel een weynich apparentye heeft, door dyen men tot verscheyden reysen de penningen hem tott het volvoeren vanden oorloch int eerste belooft, heeft moeten vermeerderen.

Het es wel buyten twijfel dat den Mat. van Vranckryck zelve ongelijck meer middelen heeft als zyne overleden heer broeder, maer dat hy dye tonsen besten ende om ons te helpen zoude verspillen en kan ik nyet wel geloven, wandt nyemant gaern moeyten aenneemt ende hem zelven in peryckel begeeft (ick swyge een Potentaet dye ons met zijne uiterlycke professie ende dagelycksche hanteringe zoo gansch contrarie es1)) dan op hope van daer door te mogen gewinnen ende nyet verliesen. Soo dat ick duchte het meestal omde wolle ende nyet omde schapen te doen es.

Men heeft gesyen hoe langen thyt onse gesanten als de la Moullerie ende baseliers2) daer laestmael hebben gelegen eer zy tott gehoor hebben kunnen comen, twelck weynich apparentye heeft van ons spoedelyck te willen helpen ofte de Landen met goeden trouwen te menen, de wyle een yegelyck wel kennelyck es geweest de zoberen staet daerin zulcke voorneme iuwelen van steden als Gendt ende Brugge3) zoolange hadden gecontinueert ende hoochnodich in alder naersticheyt mosten werden gesuccurreert ofte zouden moeten comen tot wille vande Spaengaerden. Sulck dat ick vrese dat alle voorgaende als oock dese tegenwoordige handelinge metten Fransoysen nyet anders en es als om ons te abbuseren4) ende daer door

[p. 19]

te doen verliezen de goede occasye dye wij zouden mogen hebben om ons met Godes hulpe (onse eygen middelen ten besten ende oorbaerlycksten gebruyckende) te beschermen.

Het schijnt wel een weynich plausybilder metten Fransoysen als metten Spangaerden te handelen als men alle dye mishandelinge der Spangaerden opt swaerste exaggereert ende daer tegen der Fransoysen feylen extenueert. Maer alsmense beyden in gelycke waege weecht, dunckt myn dene vast zoo veel als dander te vertrouwen te zijn. Het es noch in verscher memorie, hoemen in schijn van vrundtschap ende door tmiddel vande bruyloft vanden coninck van Navarra den Admirael met zoo veel duysent personen zoo moordadelyck heeft omgebracht ende Myn Here de Prince zelve hoochloflycker gedachte voor Bergen en Henegouwen1) genochsaem wonderbaerlyck uitten handen der geender optten welcken hy hem verlyet en door tbedryf der Fransoysen zijne verrader wa den2) ontcomen es. Ende blyckt noch verscher voor ogen de goede wille der Fransoysen tonswaerts aent feyt tot Andtwarpen aengerecht. Dese mede in redelycker overweginge genomen zynde wert wel bevonden datte conditien dye Pruneaux hem laet duncken ...3) Wy wel niet te vreden behoren te w[esen] ... ons geheel ondrachelyck zouden wesen, Ja alsoo ondrachelyck als het Jock der Spaengaerden4).

Het schynt een weynich de goedicheyt vanden coninck van Vranckryck te recommenderen dat hy nu een thyt

[p. 20]

lanck de religie buyten de steden in zyn gewelt zynde heeft toegelaten. Dan mocht hem dat dyenen tott alsoo veel gewelt over ons te gecrygen als hy over zodanigen heeft dye hy buyten den steden zynde mach overvallen ende nyet langer lijden alst hem gelyeft1), voorwaer myn dunckt dat het by ons zoo veel nyet en behoort te gelden, maer datter bleeck dat hy dye anders gesint zijn mede zoo veel verseeckertheyt gunde als dye van de Roemsche Religie, zoo hadde het wadt aensyens twelck nu verre te soecken es.

Soo dat ick nyet beters vinde als ons wederom te stellen in onsen voorgaende staet ende ons te benaerstigen totthet beschermen vande Privilegien ende onsers gemoedts vryheyt, mette middelen dye ons de Here gegeven heeft ons op hem vertrouwende. Ick hope hy wel een genadige uitcoomste verlenen zal. Zoo het hem dan belieft ons te straffen, zoo es het noch troostelycker te lyden int beschermen van een gerechte als van een twijfelachtige saecke.

Wy hebben voorhenen vast veel swaericheydt gemaeckt ende gedisputeert ofment oorloch zoude voeren offensive ofte defensive, als twijfelende onder wat tytule wij hett best zouden konnen verandtwoorden, ende nu comen wy ende springen met een grote stock alle swaericheyt over ende zullen ons op alsulcke wyse den Fransoysen onderwerpen, twelck myn wel een desperaet ende kleynmoedich werck dunckt te wesen.

Men verstae (sic) te stryden tegen onse privilegen, dat de kinderen haeres goedts, dat haer vande ouders opcomt, berooft werden doorde mishandelinge van hun ouders. Zoo nu den Coninck ons mishandelt dat dat dyenen zoude

[p. 21]

om zijne kinderen ende naecomelingen dye vroom zouden mogen wesen euwichlyck te beroeven van haer vaderlycke Landen dunckt mijn onbillick te zijn alsoo op zulcke wyse den coninck min als een ondersaet gepriviligeert zoude wesen. Laet ons gedencken dat den vromen Gideon den bosen Abimelech voortgebracht heeft.

Wadt voor een geselschap van kinderen den vromen David nae lyet, behalven den vromen Salomon, dye hem oock nog zoo groffelyck vergreep.

Gideon-Abimelech1).

David mishandelt Uria, laet Ammon, dye Hamarr vercrachte, laet Absolon dye Ammon ombracht, Adonias dye hem zelven socht meester te maecken.

Salomon zoude wadt voorneems wesen, maer was nyet geduyrich mette vreemde vrouwen.

Den bosen Abia laet den vromen Asa naer,

den vromen Josaphat laet den bosen Joram nae,

den bosen Ochosias laet een vromen Joas nae,

den bosen Achaz laet den vromen Esechias nae,

Esechias wederom den godtlosen Manasses,

den bosen Amon laet den vromen Josias nae,

Josias wederom den bosen Joachas.

Sal nu tvolck telcken mael als de successie van een goedt prince op een quaet prince valt ofte oock wederom van een quaet op een goedt prince compt, veranderen van here, zoo est nummermeer gedaen werck. Soo dat ick nyet

[p. 22]

en zoude konnen verstaen, dat wy een ander heer zouden aennemen maer ons met Godes hulpe tegent gewelt, dat men ons aendoen wil te beschermen naer ons uiterste vermogen, hopende de here een genadige wtcoomste..... zoo wij maer eerst byder saeck . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1)

1)Rochus van Sorbières, Heer van Pruneaux, was de franse gezant, die met de nederlandse deputatie uit Frankrijk terugkeerde en 22 Augustus 1584 zijn eerste rede hield in de Staten-Generaal, vragend op welke voorwaarden men Hendrik III als souverein wenste te accepteren. (Bor, Nederl. Oorlogen II, XIXe boek, fo. 11, Wagenaar, Vaderl. Historie VIII, 31.)
2)Deze uitdrukking is van Des Pruneaux. (Bor a.w. fo. 11.)
1)Deze steden werden als voorbeeld genoemd in de Remonstrantie van Brussel aan de Staten van Holland, aandringend op aansluiting bij Frankrijk, gedateerd 1 September 1584. (Bor, a.w. fo. 20.)
2)Kamerijk was in 1581 door Anjou ontzet en had hem toen als heer gehuldigd. (Van Meteren, Historien der Nederlanden, A'dam 1663, fo. 185; Wagenaar, a.w., VII, 415.)
3)alrede?
4)Des Pruneaux was reeds in 1578 vanwege Anjou tot onderhandelen naar ons land gezonden; wederom in 1583. (Wagenaar, a.w., VII, 199 en 501.) Een hollands gezantschap was reeds door de Prins naar Hendrik III gezonden. (Blok, Geschiedenis van het Nederl. Volk2, II, 199.)
1)Dit is de inhoud der rede van Des Pruneaux op 22 Aug. 1584.
2)Doornik was in 1581 spaans geworden, Yperen in April 1584.
3)Gent capituleerde 17 Sept. 1584, maar de onderhandelingen daarover waren reeds 1 September begonnen. (Pirenne, Hist. de Belgique, IV p. 188), Brussel en Mechelen waren toen reeds lang nauw ingesloten (Bor, a.w., 1679, XIX, fo. 470.)
4)Slaat dit op 't verzoek door de nederlandse gezanten 3 Aug. tot de Koningin-Moeder gericht om, hangende de onderhandelingen, enige hulp te geven (6 à 7000 man) en de ‘passagie van Vranckryck nae den vyandt’? (Bor, Ned. Oorlogen, 1679, XIX, fo. 463.)
a) - (b) (blz. 17) door H. in margine toegevoegd.
1)Inderdaad had Hendrik III de nederlandse gezanten naar de Koningin-Moeder verwezen, die hen 3 Augustus in audientie ontving en zich erg wantrouwend jegens Engeland toonde; zij sloeg de gevraagde hulp af (Bor, t.a.p.). Volgens een schrijven, bij de Staten-Generaal 27 Juni 1584 ingekomen, had zij plan de souvereiniteit als erfenis van haar zoon Anjou over te nemen en reeds bezit genomen van Kamerijk (Resolutien St. Gen. III, R.G.P. 43, p. 473).
2)Deze passage gelijkt zeer veel op wat door Brabant werd uiteengezet in de vergadering der Staten van Holland op 8 Sept. 1584, waarbij er ook op gewezen werd, dat het belang van de koning van Frankrijk meebracht, dat hij de Nederlanden tegen Spanje steunde. (Bor, XIX, fo. 473.)
3)Dit moet de laatste algemene vergadering der Staten-Generaal zijn, van 28 Augustus, waar Des Pruneaux zelf sprak.
1)Deze zin is in margine toegevoegd.
2)Het hs. heeft duidelik ‘baseliers’, Bor e.a. vermelden echter steeds Anthonie de la Laing, Heere van Mouillerie en Johan van Asseliers (Bor, XIX, fo. 462). Zij waren langen tijd in Frankrijk geweest en hadden lang om een audientie gevraagd vóór hen die werd toegestaan en toen nog zonder breedvoerig bescheid te ontvangen: eerst had Hendrik III absoluut de souvereiniteit geweigerd, op de audientie beloofde hij althans Des Pruneaux te zullen zenden.
3)H. zal hier wel Brussel bedoelen, want Brugge had reeds 20 Mei 1584 gecapituleerd. (Pirenne, a.w. IV, 187.)
4)Hetzelfde wantrouwen tegen de Fransen uit zich in 't vertoog van Gouda in de Staten van Holland, 25 Sept. 1584 (Bor, a.w. XIX, 489) en in de houding van Paulus Buys, die echter beiden tot de Engelsgezinde partij behoorden, terwijl Hooft op eigen kracht steunen wilde.
1)Wagenaar (Vad. Geschied. VI, 389) vermeldt, dat er geruchten gingen, dat Catharina de Medicis gepoogd had in Aug. 1572, door de Heer van Schomberg, die in 't Nassaus leger voor Bergen diende ‘ook den Prins van Oranje .... van kant te doen helpen’, maar dat het verraden was; ‘by onse schrijvers vindt men hiervan egter geen gewag’, bij Blok evenmin.
2)Onleesbaar: weder? worden?
3)Door uitrafeling enige woorden onleesbaar.
4)Condities worden in de rede van Des Pruneaux in de Staten-Generaal niet genoemd en tegenover Holland ook bleek hij niets bepaalds voor te kunnen stellen.
1)Bij 't Edict van Bergerac (17 Sept. 1577) werd bepaald, dat de Hervormde godsdienstoefeningen slechts geduld zouden worden in de steden, waar zij tot nu toe voorkwamen en in één stad van elk district; chambres-mi-parties zouden alleen bij de vier zuidelike Parlementen ingesteld worden. (Weber-Baldamus, Lehrbuch der Weltgeschichte, III2, 1909, S. 243.) Deze vermelding van de verdraagzaamheid van Hendrik III is een van de vele punten, waarop Brabant de nadruk legde (noot 2 blz. 17.)
1)Deze namen zijn blijkbaar later toegevoegd evenals 't gehele volgende stuk; het zijn losse aantekeningen, die nog uitgewerkt moesten worden.
Abimelech was de zoon van Gideon, die zijn 70 broeders vermoordt en dan zijn vader opvolgt (Jud. VIII en IX); Amuron en Absolon zijn zoons van David, de één doodt de ander (2 Sam. XIII 23 vg.); Davids vierde zoon is Adonias, die Salomo tracht te verdringen (1 Kon. I, 5); Uriah was een vroom man, dien David liet dooden (2 Sam. XI); Abia is de zoon van Jerobeam, koning van Juda, en de vader van Asa (1 Kon. XV); Josaphat is de zoon van Asa (ibidem); zijn zoon Joram (2 Kon. VIII); Ochozias (eig: Achazia) koning van Juda, zoon van Joram (2 Kon. XXII); zijn zoon is Joas (2 Kon. XI); Achaz is de vader van Hizkia (Ezechias), de vader van Manasse (2 Kon. XVIII vgg); Josias is de zoon van Ammon (2 Kon. XX).
1)De onderste regel is onleesbaar doordat de rand is ingescheurd. In margine is nog een onafgemaakte zin bijgeschreven: ‘Men claecht dat wy zoo veel middelen nyet zouden hebben om ons te beschermen, alsmen int begin vanden oorloch gehadt heeft, dat mijns bedunckens weynich .....’
Op de achterzijde van het blad staat, door H. geschreven:
‘Achaz Ezechias
Ezechias Manasses
Amon Josias
Josias Joachas’,

 

benevens het opschrift: ‘Handel met Vranckrijck.’
prepostterug  begin  verder