Het handschrift uit de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam No 975, VI. A. 264, draagt van Hoofts eigen hand de volgende beide aantekeningen in margine, die aard en datum van het stuk volkomen duidelik aangeven:
‘Op den XVen Octobris ao 97 desen gecomuniceert ter vergaderinge vanden heeren burgermeesteren ende oudtburgermeesteren, Presentibus Cornelis Florisz van Teylingen, Pieter Boom, Mr. Willem Bardesen ende Corn. Pietersz. Hooft burgermeesteren inder thydt; Jan Verburen, Claes Fransz, Jan Claesz Boelensz, ende Bartholt Cromholt, Jacob Boelensz ende Jan de Vrij, oudtburgermeesteren.
Ende opden 20en Decembris ao 97 gelesen inde vergaderinge van schepenen, presentibus mijn Heere de Schout, burgermeesteren Pieter Boom ende Cornelis Pietersz Hooft, mitsgaders Corn. Beuning Jansz, Jacob Gerridtsz Hoing, Gerridt Jacob Witssen, Jan Thomasz, Gerridt Bicker, Pieter van Neck ende Joris Jorissz. Schepenen ende D. Elbert de Veer pensionaris.’
Het is dus een redevoering in de Oud-raad gehouden, waartoe de gevangenneming van Goosen Vogelsang de aanleiding was, zoals H. achterop aantekent.
Goosen Michielsz. Vogelensanck is te Buren geboren omstreeks 1555 en schijnt van bemiddelde ouders te zijn geweest Hij heeft te Utrecht school gegaan tot de zesde klasse, maar moest toen door de dood van zijn vader de
school verlaten; zelf heeft hij daarna les genomen in frans, grieks en hebreews in Breda en Amsterdam. Daarna trok hij op reis (omstreeks 1575) om het ambacht van ‘fluweelen castiewercker’ te leren. Hij was van de Calvinistiese belijdenis, maar sloot zich pas bij de gemeente aan, toen hij, in Frankfort, wilde trouwen. Daarna vestigde hij zich in Amsterdam, om echter weer spoedig naar Londen te verhuizen. Hier wilde hij niet toetreden tot de Waalse gemeente, omdat men daar een belijdeuis vroeg; in de Duitse echter gebruikte hij driemaal 't avondmaal met de broeders, totdat hij ook hier werd lastig gevallen om zijn veranderd gevoelen, zodat hij zelfs naar Amsterdam terugkeerde, waar hij zich niet tot de gemeente voegde. Geheel uit zich zelf, verklaart hij, was hij toen reeds tot zijn afwijkende mening gekomen, omdat hij niet kon ‘begrijpen dat Godt almachtich naer zyn goddelyck wesen over all is’. (Confessieboeken van Schepenen te Amsterdam: verhoren van 17 Januari 1598.) Hij schijnt in 1590 of '91 in Amsterdam teruggekeerd, van zijn gevoelen aan enigen mededeling gedaan te hebben; hierover werd hij dadelik door de predikanten vermaand: 26 Sept. 1591 komt zijn zaak het eerst in de Kerkeraad ter sprake (Notulen van de Kerkeraad, Protocol II, blz. 65). Van dit ogenblik af laat men hem niet met rust; telkens weer wordt er over hem geklaagd: hij blijft hardnekkig bij zijn gevoelen en spreekt er met anderen over of verspreidt ‘theses’ onder de leden. 4 Juni 1592 verklaart hij aan Arminius, dat hij Gods wezen opvat als lichaam, geest en ziel, waarvan de eigenschappen deels zichtbaar, tastbaar en voelbaar zijn. Daar benevens ontkende hij ‘de zelfstandige godheid des Zoons en des H. Geestes’ (ibidem, 84). Elk jaar komt hij enige malen in de protocollen voor; o.a. besluit men hem 10 Febr. 1594 voor de Kerkeraad te dagen (ibidem, 126). Dit gebeurt, maar vergeefs. Dan wordt hij aan de gemeente voorgehouden als een ketter; zijn zaak wordt in de classis behandeld en nadat men nog vele malen hem heeft gewaarschuwd en bedreigd, wordt hij eindelik op de Zondag vóór 6 Mei 1595 als geëxcommuniceerd aan de gemeente voorgedragen (ibidem, 168). Een jaar van rust volgt; maar in 1597 begint de Kerkeraad zich opnieuw te verontrusten, als Plancius een
boekje met dwalingen (‘Het licht der waarheid’, gelijk V. zelf bekend) aan de Kerkeraad voorlegt, waarin hij tot overmaat van ramp nog de autoriteit van de Bijbel in twijfel trekt. 27 Februari besluit men dit boekje aan de Magistraat voor te leggen en waarschijnlik zal dit geschied zijn vergezeld van de volgende brief, die Brandt ‘uit de aantekeningen van C.P. Hooft’ overneemt. Ik druk hem hier af, omdat Hoofts vertoog er een antwoord op is, hoewel hij op 15 October sprak en de brief volgens Brandt in Bloeimaand werd overgeleverd (Brandt, Historie der Reformatie, I, 814):
‘Mijn' Heeren.
Wy Dienaeren en Ouderlingen der gemeinte Christi alhier, konnen amptshalven niet naerlaeten uwer E. wijsheit andermaele bij desen schriftelijk te kennen te geven, hoe dat de kerke alhier eenen ruimen tijt herwaerts veele moeiten en swaerigheit gehad heeft met eenen Goosen Vogelsang, fluweelwerker, woonende buiten de Regulierspoort, de welke met goede attestatie van ons naer Engelandt vertrokken synde, aldaer verscheide ketterijen en groove dwaelingen ingesopen heeft, en aldaer in 't licht gekomen synde, siende dat men met hem wilde handelen naer Godts woordt, heeft sjjne toevlucht haestelijk naer Hollandt genomen, binnen dese stede Amstelredam. Ende wij uit verscheide plaetsen geadverteert sijnde, van desen uitstroijer van veele en schrikkelijke dwaelingen, hebben gepoogt door allerhande middelen hem wederom, waer 't mogelijk, te rechte te brengen: maer al te vergeefs, tot onsen leedtwesen gearbeidt hebbende, hebben hem eindelyken als een verrot lidt openbaerlijk van de gemeinte, naer den bevele des Heeren, afgesneden. Nu dese voorschreven onderstaet hem noch dagelijks syn fenijn (hetwelke is eensdeels die grove dwaelinge der Antropomorphiten, Sabelliaenen, Arrianen, Samosatenen, en andere diergelyke meer; gelyk uwer E.W. uit het hier bij gevoegde Extract1) dat uit synen monde en schriften, doen met hem gehandelt wiert, genomen is, breeder sien mogen) soo mondelijk als
schriftelyk hier onder d'eenvoudige menschen te stroijen: Voorgevende opentlyk dat Jesus Christus onse Saligmaker, maer een mensch, maer een schepsel, en niet een wesentlyk waerachtig Godt is, met den Vader en den heiligen Geest. Roepende daegelijks hier en daer, daer eenige vergaderinge van menschen is, dat onse translatie der Bijbelen valsch is, en dat hij sulks bereidt is te bewijsen. Wat nu uit sulke dwaelingen staet te verwachten, indien men deselve niet met ernst en wederstaet, kan een iegelijk verstandig mensche afmeten. Geven wij daerom uwe E.W. ootmoedelijk te bedenken, of niet raetsaem waere, dat dese dwaelgeest van uwe E.W. in onser Gecommitteerden tegenwoordigheit, ofte boven geroepen werde, ofte van nieus in onsen Kerkenraet, mijn Heeren present synde, geciteert werde, en ingevalle hij sijne groove dwaelingen met Godts woort niet kan staende houden, als wij houden neen, dat hij alsdan verhindert werde, naer uwer E. wijsheit en discretie, sijne dwaelingen verder te stroijen .....’
Hooft komt hiertegen in de eerste der volgende redevoeringen op (blz. 36-68), maar aan het verzoek wordt toch voldaan en 27 November komt bericht bij de Kerkeraad, dat de delinquent ‘boven opt stadthuys is ontboden’ en zijn boekje geconfiskeerd. Men zal nu Burgemeesteren nog eens mondeling op zijn dwalingen wijzen en dit heeft geholpen: de Magistraat besluit hem gevangen te nemen. H. deelt dit (cf. blz. 98) als volgt mede: ‘dat mijn Heeren de Schout burgermeesteren ende schepenen, kennisse gekregen hebbende, dat eenen Goossen Vogelsanck van Buren zeecker boecksken hadde laten drucken, inhoudende zeecker seltsaem gevoelen van tgodtlycke wesen, na langduyrige deliberatien ende vele discoursen opde zelve zaecke gehouden, mijne voorsz. Heeren eyndlick opden 28en Novembris desselven iaers, solemnelick vergadert zijnde, bij meerderheydt van stemmen hebben geresolveert, ende den Heere Schout belast den voorsz. Vogelsanck als een blasphemeerder, lasteraer ende ketter in apprehentie te stellen, ende tegens hem als tegen zodanigen mensche toestaet te procederen ...’. 11 December d.a.v. beslissen de Staten van Holland ‘dat den voornoemden Goosen in besloten hechtenis tot Amsterdam voorts sal gehouden worden, sonder tot denselven acces
van iemanden te verleenen, totdat anders daarin sal weesen geordonneert, en soo verre die van Amsterdam daertoe geen bequaeme plaatse souden hebben, dat denselven in alsulcken gevangenis alhier op de Voorpoorte sal gehouden worden’. 12 Januari komt het verzoek van Schepenen in de Kerkeraad om enige leden af te vaardigen, om op 't stadhuis een nieuw verhoor van Vogelensang bij te wonen en zo mogelik hem van zijn dwalingen te overtuigen. Dit verhoor had volgens het Confessieboek van Amsterdam plaats op 17 Januari 1598, maar daarbij wordt niet gerept van de tegenwoordigheid van ouderlingen of predikanten. Kort daarna (26 Januari) en naar aanleiding daarvan houdt Hooft in de Schepenkamer een tweede vertoog (blz. 68-96) ten gunste van deze ketter, waarmede hij zich zo verwant voelde. Immers ook hij kan niet besluiten zich aan de belijdenis der kerk te binden; ook hij had veel door zelfstudie geleerd; ook hij voelde twijfel aan sommige leerstellingen, omdat hij rationalistieser was dan zijn tijdgenoten. En dan een dergelijke vervolging in een land, waar men juist de vrijheid (van geloof) had bevochten! - Hij heeft hem niet kunnen redden. Vogelsang werd 29 Januari d.a.v. uit de stad gebannen, maar geraakte in October in Haarlem weer in gevangenschap. Nu was hij genoeg achtervolgd: reeds 19 November kan in de Kerkeraad van Amsterdam worden meegedeeld, dat hij zijn dwalingen herroept. Toch wordt hij 26 Maart 1599 nogmaals voor Schepenen verhoord en het duurt nog tot September 1599, voordat hij alle argwaan der predikanten heeft overwonnen en weer opgenomen zal worden. (Notulen van de Kerkeraad, Protocol 11, zittingen van 27 Febr. en 27 Nov. 1597, 12 Jan. en 19 Nov. 1598, 29 Juli en 4 Sept. 1599; Dr. G.J. Vos Az., Amstels Kerkelijk leven, A'dam, 1903, blz. 113; Brandt, a.w. I, 814-834.)
Bij deze redevoeringen sluít zich onmiddellik aan het hs. ‘Over vervolging in geloofszaken’ (Amsterdamse Universiteitsbibliotheek, no. 617 - II.C. 25). Dit is nl. een omwerking van de beide voorgaande stukken en bevat daarvan zóveel letterlike aanhalingen, grotendeels in dezelfde volgorde, dat ik het niet raadzaam vond dit hs. in zijn geheel af te drukken, maar de volgende vorm koos: wanneer
het hs. 617 weinig afwijkt van de redevoering, zijn die toevoegingen of uitlatingen in noten bij deze discoursen aangegeven, terwijl alle langere toevoegingen of omwerkingen als bijlagen achter de redevoeringen worden afgedrukt, telkens met vermelding van de plaats, waar zij aansluiten. De onderlinge volgorde is daarbij deze: eerst volgt Hooft het Discours van 1597 tot ongeveer de helft, dan gaat hij over tot de uitwerking van Discours 1598 om tenslotte nog een groot deel van Discours 1597 over te nemen. Slechts zeer zelden springt hij van de ene redevoering op de andere over.
Wat heeft H. hiermee voorgehad? Het hs. ziet er keurig verzorgd uit, met brede marge en zo weinig verbeteringen, dat het de schijn heeft, als of het een afschrift van een ander is. In 't begin zegt hij echter, dat hij 't niet voor de druk bestemde: ‘nyet zoo zeer om 't selfde te divulgeren ofte voor een ygelyck te laten comen, als wel voornemelick om mijn selven tot verstarckinge van mijne memorye ofte oock uyterlick dese goede stede, zoo het te passe zoude mogen comen, eenichsins daermede te dyenen’. Beduidt dit laatste, dat hij 't wel eens aan zijn medebestuurders heeft laten lezen? Hij vervalt vaak in de toon ener redevoering en spreekt ‘Mijne Heeren’ aan. Maar elders laat hij enkele delen uit, toch wel zeer blijkbaar met 't oog op degenen, die buiten de regentenkring staande, met de finesses der regering niets te maken hadden (vgl. blz. 53, noot 1; 80, noot 1). Later was hij met deze bewerking nog niet tevreden; tenminste hij spreekt zelf enige malen van een ‘nieuw geschrift’, waarin enkele delen niet of anders moeten worden opgenomen (vgl. blz. 107, noot 1; 109, noot 1; 153, noot 1). Welk geschrift dit is, blijkt niet: zowel in de mss. Av. 25a en 25b als in 977 komen verscheiden delen uit dit hs. voor, maar ook veel, wat in ‘Over de vervolging’ niet voorkomt (zie nos XI, XIV en XV).
Het hs. is niet gedateerd, maar verschillende gegevens doen ons de tijd van ontstaan kennen. In de eerste plaats is eenmaal ‘het lopende jaer’ doorgehaald en vervangen door ‘het iaer 1598’ (blz. 99) en voorts bespreekt hij de vrede van Vervins (2 Mei 1598) tussen Frankrijk en
Spanje als op handen, maar nog niet gesloten: de onderhandelingen worden gevoerd (blz. 139). De resolutie van Gedeputeerden van Friesland tegen de Doopsgezinden (27 Mei 1598) is reeds genomen (blz. 99). Reeds in 1598 was dus een deel van het hs. gereed, maar later werd 't afgemaakt en gecorrigeerd. Dit zal geweest zijn in 1599 of in 't begin van 1600: Franciscus Junius († 1602) is nog in leven (blz. 47) en gebeurtenissen uit het jaar 1600 worden in margine ingevoegd bij een latere omwerking: die van Schotland (in 1600. blz. 187) en in Groningen (voorjaar 1600, blz. 188.)
Mijn1) Heeren ick achte ons altesaemen van dijer meninge te wesen, dat alle dit langduyrich ende bloedich oorloge zijnen oorspronck voornemelick heeft genomen uijt dije bloedige vervolgingen dije lange iaren ende hoe langer hoe meerder int werck zijn gestelt geweest zonder onderscheydt tegen allen dengenen dije de leringe des Pausdooms nijet en̄ hebben konnen toestemmen, doordijen
dat enige heeren ende edelluijden, syende alsulcke proceduren den landen gansch nijet drachelick te wesen, maer te strecken tot grondelycke bederfenisse derselver, daerover hebben gedoleert ende remonstrantie overgegeven aende Hertoginne van Parma, doenmaels Gouvernante vanden Landen1), waerbij zijluyden onder anderen waeren verhalende dat mette voorsz. wrede executien in tstuck van religie, nijet alleen geen vrucht en werde gedaen voorder Roomsche religie, maer dat deselve waeren doorsaecke vanden aenwas der secten. Dat oock vanden beginne dije placaten daerop gemaeckt nyet en waeren geadmitteert om datse voor goedt gehouden ofte der equiteyt ende rechten gelijckmatich waeren, maar alleenlick op hope dat den thijdt haest den rigeur vandijen zulcks zoude ontdecken, dat den Coninck daerdoor veroorsaeckt zoude werden, deselfde te versoeten ende een bequamer remedie te bedencken, ofte te amplecteren. Maer alsoo dye voorsz. heeren ende edelen mette voorseyde requeste nyet alleen nijet uijt en rechten, maar dat ter contrarie het vervolch hoe langer hoe swaerder es gevallen, soo heeft men nochtans gesyen dat (nijet tegenstaende dye grote ende hoochmoedige macht vanden Coninck van Spangien, oock dye grote mennichte van geweldige castelen ende starckten daer mede hij meende de landen wel scherpelick getoomt te hebben) de zaecken hoe langer hoe meerder tegen zijne meeninge zijn gelopen ende door des Heeren genade (hoewel nyet zonder grote bloetstortinge) dus verre zijn gebracht dat wij tot nochtoe
in vrijheydt der conscientie hebben mogen leven. Dewijle dan, mijn Heeren, dat wij ons in voorthijden wel geluckich zouden hebben geacht, dat wij het zooverre zouden hebben mogen brengen, ende dat vanden beginne dye meninge ende aenneminge der wapenen nijet verder en heeft gesterckt (sic) dan alleenlick om het gewelt ende tijrannie door Goodts genade van ons te weren ende nijet om over anderen haer gemoedt in geloofs zaecken te heersenen, ende opdat ick met Livio segge als Libertati praesidia quaerentes, non licentiae ad impugnandum alios1): in dyer voegen dat wij, ofte mijn Heere den Prince H.M. buytens landts zynde, mijns oordels weynich middel zouden hebben gehadt om enigen voedt indt landt te gekrijgen, ten waere dat dingesetene zelfs, ende onder henluyden vele catholycken2), een afkeer vande spaensche rigoreuse regieringe hebbende, ons zelver de poortten hadden geopent, met vaste hope dat nijemandt in zijn conscientie en zoude werden beswaert. Soo dunckt mijn oock dat ick alsnoch nyet en kan verstaen datmen ijemandt enich bedwanck in zijn gemoet behoort te doen: maer een ygelick tselfde in alle vrijheydt laten beleven, zoo veel buijten pericule van onse door Godes genade verkregen vryheydt geschieden mach, alsomen anders doende, ons met reden zoude mogen obyicieren tgene Valerius ende Horatius binnen Romen ten thyde vande veranderinge vanden Decimviratus, den volcke voorwierpen: Crudelitatis odio in crudelitatem ruitis, et ante pene quam ipsi liberi sitis, dominari iam in adversarios vultis. Nunquamne quiescet civitas nostra a supplicijs, aut patrum in plebem Romanam aut plebis in patres? Scuto vobis magis quam gladio opus est. Satis superque humilis est, qui iure aequo in civitate vivit, nec inferendo iniuriam nec patiendo3). Ende oft al enichsins mocht werden verstaen dat enich Prince ofte
Republicke enich recht zoude mogen hebben om den luyden in haer gemoet te beswaeren, twelck wij den Coninck van Spangien (nijet tegenstaende zijn grote macht) nijet hebben konnen toestaen, soo dunckt mijn dattet ons voor al nyet wel en wil passen, als nyet met zodanige conditien indt landt gecomen, nochte vanden genen dye inden lande waeren, daerinne gelaten ofte ingenomen zijnde. Ende alsoo dye voorsz. landen nyet tegenstaende het swaer vervolch ondert Pausdoom zeer onderwaerich zijn geweest van verscheyden andere gesintheyden, dewelcke doch meestendeel hebben bestaen bij luyden van een vrome burgerlijcke wandel ende dye uyt eenen yver (den noodt zulcks vereysschende) bereydt zijn geweest haer leven daer voorn te laten. Soo dunckt mijn dattet nijet te verwonderen es dat alle dyeselfde nu in een thijdt van twintich ofte vijff ende twintich iaeren herwert, tot een verstandt nyet hebben konnen werden gebracht, insonderheydt zoo grote mennichte als hem naer het Pausdoom hebben gereguleert; om dewelcke zoo veel immers doenlick te trecken totte gereformeerde religie, dunckt mijn onder correctie dat dye kerkelycke ordonantien daer naer wel behoorden gerecht te werden, datmen den luyden hem ten avondmael des Heeren begevende, nyet zoo scherpelick op vele poincten en behoorde te ondervragen nochte daerover te houden, dat alle deselfde hem moeten laten vinden inde predicatie dye men gewoon es te doen tot een voorbereydinge vandt voorsz. avondtmael, omme aldaer bij monde vanden dyenaer te doen dye generale belijdenisse des geloofs1), wandt alhoewel zulcks ordinarie werdt
gedaen bij den genen dye hem totter gemeentte zijn begevende. Soo weetmen nochtans wel dat dije meeste mennichte vandyen als slechte eenvoudige luyden bij hemselven weynich kennisse hebben om met grondt van dye zaecken te spreecken. Dan zoude tselfde beswaerlick mogen vallen voor den genen dije wadt meerder kennisse hebbende, ofte int lesen der schrifture wadt meer geoeffent zijnde: zoo in tstuck van de predestinatie als in enich ander poinct, alle dije voorsz. belijdenisse nyet en zoude mogen ofte konnen toestemmen, twelck hij in dye vergaderinge present zijnde zoude schijnen te doen, ten waere hij aldaer wilde tegenspreecken tgene met zijn gemoet nijet en zoude mogen overeen comen, twelck in zodanigen vergaderinge nyet wel en zoude passen, daer nochtans het stilswijgen zodanige mensche grote becommeringe in zijn gemoedt zoude mogen maecken, als schijnende te wesen een veynsinge tegen zijn gevoelen, geheel contrary het exempel des vromen ouden Elesari, 2 Machab 61). Ende2) alsoo om goede pregnante redenen byden privilegien vanden Landen ende Steden es voorsyen dat inde politieke regieringe derselver, nijemandt en mach werden geadmitteert dan naturelle ende ingeborene vanden lande3). Dat oock dervaringe leert dat in alle regieringen dye gemeente minst kan verdragen vanden genen dije van buyten inge-
comen zijnde, over hem zoude mogen werden gestelt, gelijck mede ons allen kennelick es hoe precijs dat enige provincien dezer Nederlanden, ende insonderheydt dye van Brabandt althijdt zijn geweest om gene Hollanders in enigen staet ofte digniteyt te admitteeren ende dat oversulcks mijn Heeren nu enige iaeren herwerts daertoe hebben gearbeydt, datmen het collegie vanden Krychsraedt nyet alleen van zodanige ingeboorne, maer oock vande gequalificeerste vandyen, ende naementlyck van Ses ende dertich raden, Oudtschepenen ende dyergelycken zoude doen bestaen, zoo veel enichsins te wege zoude mogen werden gebracht1). Soo dunckt mijn, dat oock wel van noden waer dat inde kerkelycke regieringe mede daerop werde gelet, ende daertoe nyet toegelaten personen dye achtervolgende dye voorsz. privilegien nyet en zouden zijn gequalificeert omme inde politicque regieringe gebruyckt te werden. Alsoo doch een priselick, Ia nodich dinck werdt geacht, dat tusschen dye politieke ende kerckelycke regieringe goede enicheydt ende correspondentie werde gehouden, twelck onder verbeteringe nyet wel en valt ofte plaetse heeft in vreemdelingen ende totter politicque regieringe ongequalificeerde personen2). Immers inden lande van Hollandt mijns bedunckens dye uytheemsche den ingeboornen in regieringe nyet en behoren te werden geegaleert, veel min dat zij denselven ingeboornen zouden werden geprefereert. Wandt behalven dat in alle
regieringe een voorneme poinct es de nature ende aerdt der landen ende luyden wel te kennen, soo en es het oock geen cleijne zaecke, datte regieringe moge bestaen bij persoonen van een ernsthaftich, bestandich ende vreedtsaem gemoedt. Alle welcke qualiteyten onder correctie meer plaetse hebben byden ingeboornen alhyer als bijden genen dye uyt andere landen ende quartieren hyer zijn comen wonen, twelck men wel bevindt dat oock bij enige uytheemsche, maer nochtans zeeckeren thijdt met opmerckinge dese landen gefrequenteert hebbende, mede wel werdt bekent1). Ende schijnt oversulks wel impertinent dat ouderlingen ofte diaconen uyt andere provincien geboren, alhyer in Hollandt zullen werden gebruyckt, zoo wel in particuliere kerckenraden, als dat zijluyden in andere classicale ende Synodale vergaderingen kennisse zullen nemen vanden differenten dye daer vallen, als mede dat deselve aldaer enige statuten ofte decreten zullen maecken over een landt ende volck van ander nature ende byden welcken zij haere toevlucht hebben genomen ende zoo goedichlick werden getracteert als dingeboorne zelver, den welcken nochtans te duchten es, dat zij meestal (den noodt wadt dringende, ofte enich swaer pericul hem vertonende) lichtelyck zouden begeven ofte mogelyck den rock alheel omkeeren, gelyckmen in andere quartieren meer als te veel heeft bevonden, ofte dat zij de neringe zouden naetrachten, gelyckmen alrede wel verneemt alleenlick door dye verminderinge van welvaert dye wij dit laetste wijl hebben geleden, dat enige oock vande voorneemste hem laten verluyden dat zij naer Hamboerch ofte
andere quartieren zullen moeten vertrecken, latende ons inde swaericheydt steecken ende metten vijandt bewerden. Behalven dat dexperientie alrede heeft geleert ten thyde vanden grave van Leycester, dat dye voorneemste hoofden vander kercke als ouderlingen ende diaconen, oock enige andere, meestal vreemdelingen, Vlamingen, Brabanders ende Walen, nijet alleen zeer onrustich zijn geweest, maer oock andere ingeborene vanden landen ende van naturen vreedtsaeme luyden mede tot alsulcke ongerustheydt hebben verweckt, dat haerluyder wettelycke magistraet, Iae de heeren Staten des landts zelve, bij haerluyden waeren gecomen in grote versmaedtheydt, cleijnachtinge ende misvertrouwen. Ende werden alsulcke onbehoirlycke practijcken bij enige van haerluyden zoo onmatelick gedreven, dat oock de ministers zelfs voor een groodt deel met het zelfde gebreck waren besmet, ende te beduchten waere geweest dat bij middele vandijen, de landen inde macht ende dyenstbaerheydt van Spangaerden ende haeren aenhangeren zouden zijn gevallen geweest, ten waere metter thijdt door godes onuytspreeyckelicke genade ende door dye cloecmoedicheydt ende standtvasticheydt vanden voorseyden heeren Staten, derselver oprechticheydt ende vromicheydt waere aenden dach gecomen ende daer tegen openbaar geworden dintentie ende menige vanden voorseyden grave van Leycester ende zijnen adherentten, als streckende tot zeeckere ruine ende onderganck vanden landen, waer van dexemplen zoo mennichfuldich ende zoo evident zijn, dattet zelfde bij nijemandt met enigen schijn van reden tegengesproocken kan werden. Sulcks dat hier wel te rechte compt in consideratie dye treffelycke sententie Ciceronis1): Peregrini atque incolae officium est, nihil praeter suum negotium gerere, nihil de alleno inquirere, minimeque in allena republica esse curiosum, als mede dat notabel exempel Mosis Deuteromij I2), hoe dat hij doorden raedt Jethro (daeraff Exodi 18 werdt verhaelt) ter oirsaecke vande menichfuldicheydt des volcks, het beleydt ende
regieringe desselfs hadde verdeelt onder verstandige, ervarene ende der giericheydt vijandt zijnde mannen ende dat meer ende sonderling wel aen te mercken es, dat hij heeft gestelt elck van dye voorsz. hoofden overt volck van zijn eygen geslachte, ende alsulcks elcke geslachte toegeleydt hoofden ende regierders dije uijt deselfde stammen waeren geboren, gelyck alsmede int zelfde boeck Deuteronomij 171) werdt gecaveert, datin toecomende thijden zoo wanneer dye van Israhel begerich zouden mogen wesen eenen coninck over haerluyden te hebben, zij daer toe nijemandt en zouden mogen verkiesen dewelcke nijet en zoude zijn van haeren broederen. Mijn Heeren es wel ten dele bekent de swaericheydt dye hem alrede in enige quartieren vanden geunieerden landen meer als te veel tegenwoordelick wederomme vertoont, ter oirsaecke vanden vreemdelingen dye aldaer in regieringe zijn gecomen, dewelcke gevoecht byde swaericheydt ende periculen vanden thydt des graven van Leycester hyer voren verhaelt, ende mede doorde selfde middelen veroirsaeckt, dunckt mijn dattet (onder correctie) hoochthijdt es tegen zodanige inconvenientten voor den toecomenden thydt te voorsyen, temeer om dat wij sijen dat dye vreemden metten eersten nade reductie deser stede inden kerckenraedt gecomen zijnde, successive ende van thijdt tot tijdt practiseren om deselve ampten te doen bestaen bij haere landtsluijden, mede vreemdelingen zijnde, met uytweringe vanden ingeboorn burgers ende andere goede landtsaten, zoo veel als henluyden schynt mogelick te wesen. Sulcks dat naeden voet tot nochtoe geobserveert2), het nomineren ende promo-
veren vanden predicanten meest bij zodanigen vreemdelingen es bestaende, dije dyenvolgende daer toe zijn arbeydende dat zy oock zodanigen predicanten mogen becomen. Ende alhoewel dye Heeren magistraten alle tselfde tot noch toe nijet alleen met goeden ogen hebben aengesijen, maer oock den predicanten in manieren als voorn vercoren zijnde, zeer goedichlick hebben getracteert, zoo met schone bequame woningen, als met ryckelycke beloninge van gelde ende iaerlycks onderhoudt. Dat mede dye armen vander gemeente nijet tegenstaende dije meest vreemdelingen zijn ende eensdeels hyer corten thijdt gewoont hebbende, tegent oude gebruijck deser stede zoowel bij den huyssittenmeesters werden besorcht als de schamele burgeren deser stede, ende dat bovendyen toegelaten werdt dat nyet alleen dye collecte dije byden diaconen werdt gedaen, genochsaem altemael onder den armen vander gemeente werdt uijtgedeelt, maer dat mijne Heeren noch van iaere tot iaere tot behoef vande zelve gemeente grote sommen van penningen zeer mildelick zijn gevende. Inder voegen dat darmen vande voorsz. gemeente veel mildelycker werden versorcht, als dandere schamele luyden ende burgeren deser stede, Ja, datmen gedoocht ende toelaet dat daelmissen byden diaconen inder kercken ende andersins vergadert, doort gehele iaer werden verdeelt onder den armen vande voorseyde gemeente daer dandere schamele luyden ende oude burgers door gebreck van middel vander huysamencomptoiren alleenlick voor weynich weecken inden wintter doorden regentten vanden huysarmen werden geassisteert. Soo syet men nochtans dat enige vande voorsz. predicanten hem nyet en̄ ontsijen in hun predicatien ende voor een kerck vol volck zoo lasterlick te schelden opden magistraten met goede distinctie zoo schoudt, als burgermeesteren, schepenen ende ses ende dertich raden, dye alsnoch geen
professie vande religie en doen, ofte nyet mede haer inde gemeente begeven, dat zij over denzelven uijtstorten ende blixemen dije verdoemenisse van met eenen molensteen aen haeren halse gebonden ende int dyepste der zee geworpen te werden. Sonder eens te gedencken (zoodt schijnt) aen tgene in Marco1) recht voor dyeselve spreucke gaet: te weten, wye nyet tegen ons en es, dye es met ons ende wye u luyden eenen beecker waters te drincken geeft in mijnen naeme omdat ghij Christi zijdt, voorwaer ick segge u luyden, hij en zal zijnen loon nijet verliesen. Ende alhoewel dye gene tegen denwelcken dije voorsz. lasteringen zijn uijtgesproocken, nyet alleen nijet tegen dijen vander gemeente en zijn, maer deselve tot noch toe zodanige bevorderinge hebben helpen doen, dattet bij eenen beecker waters nijet en es te gelycken, soo en laet ment nochtans byde voorn verhaelde verdoemennisse nijet blyven maer voecht noch daerbij dat zodanige luyden ten iongsten dage zullen horen dye schrickelicke stemme des Heeren van te gaen int helsche vuyr, twelck den duijvel bereydt es, met zijnen engelen2). Ick en hope immers nyet dat dye kerckenraedt zelfs, zodanich dye es, veel min mijne Heeren3) als wettelycke overheydt deser stede, ende in geenderley wyse dye Heeren Staten vanden Landen zelver, alsulcke lasteringen zullen toestemmen ende voor goedt houden ende dat haerluyder meninge ende intentie daertoe nyet en es streckende, dat zodanige lasteringen in deser stede ofte inden gehelen lande zullen werden gefoveert, ofte toegelaten gepleecht te werden, bijden genen dye in dyenste vanden landen ende steden zijnde, bijden zelven zoo mildelick werden onderhouden. Het zoude immers alte droevich wesen, dat wij door het bedrijff van alsulcken predicanten, insonderheydt vreemde luyden ende van buijten ingecomen zijnde, metten anderen zouden comen in alsulcken misverstandt ende swaricheydt als zodanige nyet alleen redenen, maer publicke predicatien schinen
toe te strecken, ende dat nyet veel eerder plaetse gegeven zoude werden1), tgene dye nature deser landen, de redelyckheydt zelfs, ende nae mijn beduncken oock den Christelycken aerdt gelyckste schijnt te wesen, gelyck daer van zeer gematicht byden Heere Franciscum Iunium2), doctor ende professor theologie binnen Leyden werdt geleert, den welcken hoewel hij het oordel in godtlycken ofte schriftuyrlycke zaecken zoo wel den Princen ende anderen magistraten als den gemenen man gansch schijnt aff te snijden, ende tselfde oordel alleen te binden aende kennisse vanden geleerden, dye daerop gestudeert hebbende, daerin grote gaven ende ervarentheydt hebben vercregen, ende oversulcks schijnt te willen seggen, dat het gemene volck zodanige geleerden zonder tegenspreecken zoude behoiren te volgen, nochtans zoo beleefdelick tracteert dye materie van strydicheydt in geloofszaecken ende den aencleven van dyen, dattet te wenschen waer dat alle ministers mede van gelycke maticheydt mochten werden bevonden, alsoo tselfde mijns bedunckens tot meerder afbreck vandt pausdom ende vanden Spangaerden zoude strecken. Wij beclagen ons zeer vande wreedtheydt der Spaensche regieringe, ende datmen onder deselve geen exercitie van religie en mach genieten gelyck ons oock dunckt bij dyen van Ceullen onlangs al te rigoreuselick geprocedeert te wesen tegen enige goede luyden dye aldaer enige vergaderinge hadden gehouden3). Maer voorwaer zoo alsulcke
magistraten kennisse mochten krijgen dat dye magistraten van dese landen (dye nyet alleen dye vrije exercitie van de religie toelaten, maer oock deselfde in goede verseeckertheydt es beschermende, ende bovendyen zodanige weldaden van vrije woningen ende liberale iaerlycksche beloninge aenden predicanten ende zoo milde handtreyckinge voorden armen vander gemeente es besorgende) byden voorseyden predicanten ende by dijen vanden kerckenraedt zouden wesen in alsulcken achtinge als dye bovengenoemde lasteringen mede brengen. Het waer te vermoeden dat dye voorsz. Ceulsche ende andere magistraten daer uyt wel reeckeninge zouden maecken in wadt achtinge dat zijluyden (als dyergelycke weldaden nyet bewesen hebbende) zouden wesen bij dyen vander kercke. Ende es te duchten dat bij zodanige middelen de verbreydinge des evangelij nyet zeer gevordert, maer wel meer gelastert zoude werden. Immers bevinden wij den macht ende middelen vanden Coninck van Spangien zoo groodt, dat bij zoo verre deselfde tegen dese landen alleen waeren geemploijeert, wij al over lange nae menschen oordel tondergebracht geweest waeren. Dan het schijnt dat Godt dije Heere door zijne ongrondeerlycke barmherticheydt tot verlichtinge deser landen beneffens het Rycke van Engelandt, oock het Coninckrijck van Franckrijck heeft te verstaen gegeven, dye ongematichde ambitie ende onversadelycke hoochmoedt vanden Spangaerden zoo verre te strecken, dat oock haere voorsz. Coninckrycken grotelycks zouden hebben gepericliteert, ten waere zij hem met ganscher ernst zulcks daertegen hadden geopposeert, daerover den voorsz. coninck van Spangien zijn meeste middelen heeft moeten consumeren. Alle welcke oppositie zoo veel den Francoysen aengaet, nochtans meest es gedaen byden genen dye alsnoch het pausdom zijn volgende. Ende alhoewel wij ons laten beduncken het onderscheydt van deene ende dander religie zoo groodt te wesen, dat daer van nauwelycks enige comparatie mach werden gemaeckt, soo hebben wij nochtans gesyen, dat nyet alleenlick vele voorneme treffelycke luyden ende parlamentten, maer oock dye voorneemste grootste heeren van Franckrijck zelve, Iae oock dye gene dye dese laetste iaeren den coninck
van Spangien tot onse grote verlichtinge den meesten afbreck hebben gedaen, dye voorsz. Roemsche religie hebben in zulcken achtinge ende zoo ijverich daer toe zijn, dat onaengesyen dye oude langduyrige ende genoch natuirlycken haet ende ialouzie tusschen den Spangaerden ende Fransoijsen, zijluyden lyever zouden hebben gehadt hem onder dye voorsz. Spangaerden te begeven, dan zij doort aennemen van haeren wettelycken Coninck van contrarye religie zijnde, zouden hebben gecomen in pericule van in haere Roemsche religie gekrenckt te werden. Alle twelcke overdenckende, konnen wij wel lichtelick afnemen wadt wij van zodanigen luyden, nyet alleen tot onse verlichtinge, maer oock tot bescherminge van haer eygen vaderlandt, zelfs tegen den Spangaert zouden hebben te verwachten, als hen luyden eenmael voor zeecker waer ingeplandt, dat dye gereformeerde religie zulcks inhout ende dye vrije toelatinge vandyen daertoe es streckende, dat nyet alleen dye Roomsche catholijcke ende andere van verscheyden gesintheydt dye voorseyde vervloeckingen, execratien ende gevolge vandyen hebben te verwachten, maer oock dyegene, dye zoo grote ende mennichfuldige weldaden als voorn es verhaelt, aen dyen vande voorsz. gereformeerde kercke zijn bewijsende ende dat alleenlick om dat zij deselve religie vooralsnoch in alles nyet konnen toestemmen. Sonder dat eens regardt werdt genomen opden aert, conditie ende nature van tvolck van dese quartiere, het welck met den Beroensen gewoon es de schrifturen zelver nae te soeken1) ende nyet lichtvaerdelick een religie aen te nemen, gelyck men van verscheyden andere landen ende volcken wel bevint, dye te gelyck met het veranderen van haeren prince in tstuck van religie, oock tenemael gewoon zijn te veranderen2). Wij weten dat het pausdom alle thydt heeft getracht ende alsnoch
trachtende es om alles te extirperen wadt van andere gesindtheydt zoude mogen wesen. Soude nu dye gereformeerde religie mede daertoe strecken om uyt te roijen alsulcke mennichte van menschen als hyer inden landen zijn van goede redelycke luyden, dewelcke hem mette voorsz. religie in alles nyet en konnen conformeren ende zelfs dye luyden vanden welcken zij zoo grote weldaden heeft ontfangen? Soo waeren wij metten anderen wel in een bedroefde staet vande welcke geen uytcoomste en zoude staen te verwachten, voor ende alleer d'eene vande voorsz. twee partijen geheel ende al zoude wesen tondergebracht ende uijtgeroijt, een zaecke dye voorwaer wel zoude wesen te bewenen ende daerdoor in allen gevalle zouden moeten vergaen alle dije gene dye het pausdom verlaten hebbende, dije gereformeerde religie nochtans in alles nijet en zouden konnen aennemen. Mijn Heeren es wel bekent dat vele verscheyden goede luyden van qualiteijt tot bedieninge van de magistraet beroepen zijnde, dye alsnoch dye lere in alles nijet en konnen toestemmen, hemselven met eenen goeden ijver tot vorderinge vande gemene zaecke hebben geemploijeert, met grote verachtinge van haer particuliere zaecken1). Souden dye voorwaer byden predicanten ende den kerckenraedt in zulcken aensyen wesen van verdyent te hebben dye vervloeckingen voorn verhaelt ende byden predicant Halsbergius (wel directelick tegen dye primitijs ofte eerstelingen zijn der professie uijt den epistel Iudae, voor ende aleer hij hijer was aengenomen bij hem geleert) over henluyden uytgesproocken2). Soo waere het deselven luyden veel nutter
haere ruste te houden, alsoo zij andersins arbeydende om naer haer uyterste vermogen dye vijandtlycke Spangaerden vanden halse te weren, daer mede nyet anders en zouden verdienen dan dyes te meer lasteringen onderworpen te wesen, ende dat zij menende bijnaest gewonnen te hebben, aldereerst qualick zouden werden getracteert vanden genen dije zij zouden menen groten dyenst gedaen te hebben ende zouden bij maniere van spreecken met Acteon van haere eygen honden werden verslonden1). Soude het voorwaer dye meninge hebben, soo hadden vele goede luyden het berouwe wel te duijre gecocht, ende waer wel een claechlycke zaecke dat alle dit mennichfuldich ongemack vander oorloge ende het goedtwillich dragen vande ongelooflycke costen daertoe nodich, tot zulcken uytganck zoude strecken, dat alle dyegene dye de gereformeerde religie in alle puncten nyet en konnen aennemen, daerdoor te minder zouden genieten vande victorien ende segeningen dye Godt de heere den landen tegen de Spangaerden ende haeren aenhangeren heeft verleent, ende verder door zijn onuytspreeckelicke genade zoude mogen verlenen. Hoewel tselfde wel directelick zoude strijden tegen dintentye ende meninge vande heeren Staten vanden aenbeginne haerder regieringe betoont ende tot nochtoe gecontinueert, waer mede zij een ygelyck in zijn gemoet hebben willen dragen ende dyen volgende enige moderatie opdt solemniseren vande huwelycken gemaeckt, ende int presteren vanden eedt alsulcke dispensatie toegelaten dat hem neymandt daerover en heeft te beswaeren2). Mijn es wel indachtich
dat enige predicanten tot verscheyden thijden hem wadt te zeer irreverenter ende onwaerdelick hebben gedragen tegen doverheydt deser Stede, dan ick hebbe dat toegeschreven aen haere onervarendtheydt in politycke zaecken, hoewel zij daer van behoorden beter te wesen onderrecht. Dan dye zaecke zulcks uytbarstende als voorn es verhaelt, en hebbe ick nyet konnen laten tselfde mynen heeren met behoirlycke eerbiedinge te remonstreren, omme derselver verstandt ende meninge in desen te vernemen; wandt ick geensins kan geloven dat mijn heeren die voorsz. drijvinge vanden predicanten zullen toestaen ofte dat mijn heeren meninge zoude wesen dat dye luyden dye hem in alles metter kercke nyet en konnen conformeren, daeromme enige calumnien ofte andere swaericheydt meer subiect behoren te wesen als dye vande voorsz. religie. Alsoo andersins, ende zooverre der predicanten, ofte immers Halsbergij meninge zoude werden gevolcht, nyet dye tyrannie in dese landen cesseren, maer alleenlick den tyran verandert wesen zoude. Sulcks dat dye gene dye voorhenen zelfs getyranniseert zijn geweest, nu (hemselven alleen toeeygenende alle het voirdeel dat door Godes genade, ende tot coste ende laste vande gehele gemeente tegen den Spangaerden es geobtineert) anderen zouden tyranniseren. Welck gevoelen ick (dewijle het bloedt vande pauselycke vervolginge noch zoo versch voor ogen es) genen redelycken ingeboornen deses landts en kan toebetrouwen, achtende zoo al yemandt vanden zelven door enige sinistre persuasien tot zulcks zoude mogen wesen misleydt, dat dyeselfde de zaecke wadt naerder insyende ende wel examinerende, anders daer van zal gevoelen. Insonderheydt alsmen
overdenckt wadt keyser Caerle ende Coninck Phlips (sic) met haer mennichfuldich bloetvergieten hebben uytgerecht. Wandt alhoewel wij ons vastelick laten voorstaen dat de Luterschen ende doopsgesinden in enigen puncten grotelycks dwalen, iae dat men enige vande schriften Lutheri met alsulcke scurvile ende obscene redenen vindt besaeyt ende doorspect datse nijet alleenlick nyet en schijnen uijt een godtvruchtich gemoedt, ofte vanden geest Godes voort te comen, maer datse oock voor eerlicken ende cuyschen ooren een walginge schinen te wesen, soo heeft men nochtans gesyen dat van zoo cleynen vuyr als dat int beginsel heeft geweest, (nyettegenstaende dije wrede tijrannie) zoo groten brandt es geworden. Sulcks dat daer uyt zoude mogen werden besloten, dat nyet alleen doprechticheydt der leere, maer oock dye vervolginge ende wreedtheydt zelve een groten aenhang van menschen veroorsaeckt1). Daer zullen wel mogelyck enige wesen dye dese mijne redenen zullen pogen te minder te achten, ofte deselve alheel te verwerpen, omdat henluyden es bekent, dat mijne huijsvrouwe gaet horen dye predicatien der Mennoniten. Dan wadt zalmen daerin doen: wandt ick haer wel overlange ende dickwils hebbe versocht inde kercke te willen
gaen gelijck zij ook wel heeft gedaen, dan seyt dat zij aldaer nijet zoo wel en werdt gesticht als byden anderen, ende het es een zaecke dye ick gemeen hebbe met verscheyden personen zoo van qualiteyt als andere1). Ja late mijn beduncken, datter weynich geslachten hyer te lande zijn ofte zij en hebben enige daeronder van verscheyden gesindtheydt, sonder dat nochtans yemandt zoude begeren te syen ofte te gedogen, dat yemandt vanden zijnen daerommae enige calumnie, lasteringe ofte straffe zouden wesen onderworpen, gelijck een yder bij hemselven wel kan afmeten. Ende en behoort nyemant hem vreemt te laten duncken dat dije voorsz. zaecke zoude mogen hebben een ander gestalt metten vreemdelingen, dye alhyer inder kerckenraedt werden gebruyckt ende dat zij oversulcks geen swaericheydt zouden maecken dat dije luyden dye met haer in alles nyet en zijn eens gesint, in manieren als voorn, zouden werden getracteert. Want alhoewel het wel gelooflick es datter wel enige luyden vande pauselicke religie uijt Brabandt, Vlaenderen ende andere quartieren zijn comen wonen om dye neringe te volgen, soo es het nochtans wel te vermoeden, dat dye voorseyde vreemdelingen, dye alhyer professie vande gereformeerde religie zijn doende ende inder kerckenraedt werden gebruyckt, wel vele vanden heuren hebben dye als pausgesinde alsnoch onder den vijandt zijn blijven wonen, int regardt vande welcke zij van veel beter conditie zouden wesen als dingeboorne deser landen zelve, alsoo zijluyden alhyer ende haere vrunden bijden vijandt, nyet alleen dije voorsz. lasteringen ende gevolge vandyen ontgaen, maer ten weder zyden in grote eeren ende digniteyt zouden mogen werden gestelt ende alsoo bij middele vandyen haeren handel ende correspondentie over ende wederover houden in goede verseeckertheydt, daer ter contrarie dingeboorne ende naturellen van dese landen, zodanige swaere execratien vanden predicanten zouden moeten lijden, ende haere handelinge op vyanden landt tenemael afsnyden ende naelaten
ofte deselfde aldaer doen met groot pericule door vreemde luyden. Dye enige kennisse hebben vande regieringe deser landen ende voornemelick deser stede van Amsterdam, by wadt luyden dye meest bestaet, wadt moeyelickheydt ende swaricheydt daerin es gelegen ende wadt profyten daer tegen werden genoten, dije behoort wel te konnen overleggen wadt oorsaecke datter zoude mogen wesen om deselve te ambieren, ende datter buijten twyfel veel zouden wesen dye hem daervan zouden onttrecken, ten waere delectie vandijen (in conformite vande privilegien daer van zijnde) zoo precys waer, dat daerop geen excuse nochte exceptie en es vallende, ten waere datmen van te voorn zijn poorterschap hadde gerenoncheert, twelck een ijgelyck nyet wel en es gelegen. Dan alsoo dye voorsz. privilegien nyet toe en laten enige vreemdelingen daer toe te verkiesen, zoo en mach hem ooek nyemandt verwonderen, datmen dye limiten nyet en mach excederen, twelck anders mogelick bij eenigen wel zoude werden gedaen, ende sommige uytheemschen daertoe zoude beroepen, hoewel dye zaecke bij avontuyre daer door nyet veel beter zoude wesen verseeckert, insonderheydt alsmen gedenckt wadt uijtganck het werck in haer vaderlandt heeft genomen. Iae, dat verscheyden personen van qualiteyt oock professie doende vande religie ende voorden ogen hem zeer ijverich daerin betonende, hem zeer qualick hebben gequeten ende zoo het werck heeft bewesen, hebben gearbeydt om zijn Ex.c h.m. ende de landen te brengen inde uyterste elende, onder den welcken nyet vande minste en zijn geweest een Prince van Chimay, den grave vanden Berch, Embise tot Gendt, Hans Hanssen tot Vlissingen, met meer anderen ende voornemelick den boeswicht Ringoudt den welcken hem zoo ijverich geliet totte religie, dat hy (zomen geloofwaerdich heeft geseyt) nyet een dyenstbode in zijn huijs en wilde gedogen dye nyet en dede professie vande zelve religie1). Ick en̄ wil nu nyet tegenspreecken
quod caeteris paribus dye vander religie anderen in regieringe zouden mogen werden geprefereert, dan late mijn daerbenevens beduncken dat den staet vanden lande inde meeste onzeeckerheydt zoude werden gebracht, alsmen voor en zeecker axioma zoude willen stellen: datmen (mistrouwende alle dyegene dye nyet en zijn vande religie) alleenlick zoude moeten vertrouwen den genen dye daeraf professie zijn doende1), alsoo dexperientie ons leert ende byde voorn verhaelde exemplen blijckt dat dalderonvroomsten dalderminste swaerichheydt maecken int aennemen van enige religie, als zij maer middel syen om daer door te comen in credyt ende alsoo haer voornemen
te volbrengen. Sulks dat onsen algemenen vijandt tselfde wetende, wel middel zoude vinden om enige personen te suborneren, om tot gelegender thijdt zijn vordel daeraff te trecken1). Ende dunckt mijn daeromme onder corretie het zeeckerste te wesen datmen (blijvende binnen de limiten vande privilegien) daertoe arbeyde dat in allen gevalle totte regieringe werden vercoren luyden van een geduyrige, goede, eerlycke, burgerlycke, wandel ende dye voor zulcks ende voor goede patriotten zoo wel binnen als buyten dye gemeentte bij eenen ygelyck zijn bekent. Dat oock dyenvolgende dye kerckelycke ordeninge daernaer zoude mogen werden gerecht, dat het euangelische net zoude mogen werden uytgeworpen zoo wijdt ende breedt als enichsins doenlick zoude mogen wesen, zonder deselve ordeninge te astringeren aen dopinien van eenige luyden, dye van buyten ingecomen zijnde, dye nature vanden landen ende luyden alhijer nyet genoch en es bekent ofte dye hem zouden mogen laten duncken, dat dye wetten ofte kerckelycke ordonantien ofte regieringe van Geneve (wesende een stadt) alsulcks zouden wesen geformeert dat dye op alle natien wel passen ende bijden zelven aengenomen zouden moeten werden. Hetwelck mijns bedunckens een groot abus zoude wesen2), alsoo bij experientie wel werdt bevonden dat veele dingen wel int kleyne konnen werden gepractiseert dye int grote nyet wel en willen succederen. Hetwelck oock het pausdom zelve (hoewel zij in veel zaecken zeer precijs zijn geweest) zoo veel heeft geleert, dat zij tot dye strijdicheydt ofte verscheydenheydt van ceremonien tusschen deene ende dander
landen1) hebben moeten conniveren. Soo datmen elckander nyet alleenlick in verscheyden swaerwichtige zaecken heeft gedragen, maer oock wel dengenen dye met henluyden daerin strydich waeren, dyen nyet tegenstaende heeft gehouden voor columnen ende pilaernen, iae voorneme lichten der kercken. Gelyckmen oock huydensdaechs bevint dat byden ministers zelve tot versterckinge van haere lere dickwils met groter eerbiedinge werden geallegeert verscheyden Oudtvaderen ende scribenten vandt pausdom dye in vele anderen poincten (oock van groter importantie) van henluyden verre zijn verschelende. Ia datick vastelick mene byden heere Besam zelver wel gelesen te hebben, dat hij nyet tegenstaende dye grote questie metten Luterschen bekent, inde Augsburchsche confessie dye prophetissche ende apostolissche lere, dan dat daeromme nyet en volcht dat zij in alle elckanders verstant behoeven toe te stemmen, ende datzij daeromme nyet konnen werden geseyt zeer oneenich te wesen, om dat zij nyet eenderley confessie en hebben, maer dat zij beyde dyen nyet tegenstaende den Heere Christo vergaderen ende dat zij int voorneemste accorderen, hoewel zij inde maniere van procederen ofte leren alsnoch verschelen, alle tselfde verschil excuserende mette spreucke Pauli: Ex parte cognoscimus, et ex parte prophetamus, at ubi venerit quod perfectum est, turn quod ex parte est abolebitur2). Waerby ick boven het exempel vande traechheydt des verstandts vanden iongeren naer Emaus gaende, ende vele andere dyergelycke exemplen inder Heijlige Schrift occurerende, maer een als vande voorneemste zal byvoegen, vanden Prince der apostelen Petri denwelcken nae zoo langduyrigen gestadigen, ende yverigen ommeganck metten Heere hyer opder aerde, naer verscheyden vertoningen van des Heren persoon, nae zijne opstandinge uyt den doden ende insonderheydt nae dye wonderbaerlycke zeyndinge ende vervullinge des Heyligen geests, noch bevonden es ge-
weest zoo vele te ontbreecken vandt onderscheydt der spyse ende der volckeren, dat de Heere hem daervan noch door miraeckel ende een ongewoonlycke maniere van doen heeft onderrecht. Soo verre schijnt het vandaer te wesen dat nu in dese bedroefde laetste thyden yemandt met enich volcomen fondament hemselven zoude mogen laten beduncken, alles wel ende volcomelick getroffen te hebben, waeromme het dan wel een onbillicke zaecke ende conditie schijnt te wesen dat een kerckenraedt, meest ofte immers voor een groodt deel bestaende van vreemden, den luyden int generael zoo wel ingeboorne als andere, alsulcken wet zoude voorschriven ende onverbreeckelick doen achtervolgen, datmen met henluyden in alles zoude moeten eenstemmich wesen ofte datmen andersins zoo schandelick (als voorn) zoude moeten werden getraduceert ende gelastert. Sooveel als mijn aengaet mene ick eenen ygelyck vanden ingeboornen van eenige matelycke beiaertheydt kennelick te wesen dat mijn vanden beginne vande reductie deser stede, oock alle thydt daer te voorn ende oock sommige iaeren daernaer veel gelycker es geweest te obedieren als over ijemandt te commanderen, ende dat ick mijn dyenvolgende in alle behoorlijcke gehoorsaemheydt ende goedtwillicheydt tegen den magistraet hebbe gedragen, wenschende daerin te mogen continueren; dan en heeft mijn tselfde nyet mogen gebeuren, maer hebben mijne heeren naderhandt goedtgevonden mijn mede te beroepen om de republicke deser goeder Stede ende den gemenen vaderlande te helpen bedyenen. Hetwelck hoewel het een zaecke was mijn conditie zeer ongelyck, ende oock dye nootlycke sorchfuldicheydt ende voorstandt van mijn familie ende huyshoudinge zeer nadelich ende schadelick, soo hebbe ick nochtans daerin moeten nemen patientie, ende vanden noodt een deucht maeckende, mijn den voorseyden last moeten onderwerpen, den welcken hoewel ick nauwelijcks int minste hebbe konnen genoch doen, soo hope ick nochtans nae mijne swackheydt door des Heeren genade, met een goedt gemoet daerinne gewandelt te hebben ende vandt kleyne pondeken mijn vanden Heere betrout, ter goeder trouwen (zonder mijn zelven daerinne te soecken) reeckenschap gegeven te hebben. Oock zulcks,
dat ick bevindende mijn veel te veel te ontbreecken omme dye publycke bedieninge, ende den voorstandt van mijnen huyse, nae dye middelen mijn van Gode verleent naer haeren eysch waer te nemen, mijn eygen particulier ende dye vorderinge van mijnen huyse, huysvrouwe ende kinderen hebbe gepostponeert, ende middelen van groodt profyt verlaten, omme mijn zelven contrary het exempel ofte gelyckenisse vande vetticheydt, soeticheydt ende vermaeckelyckheydt des olijf booms, vijgebooms ende wijnstocks Iudicum 91) inde publicke dyenst in mijn gemoedt te beter te mogen voldoen, ende alsulcks bij maniere van spreecken myn zelven ten dele geconsumeert, om myn tot dye gemene zaecke te beter te mogen employeren, mijn zelven hope gevende, dat ick bij middele vandijen mede zoude moge bijbrengen een weynich van dye middelen dye nodich mochten wesen tot afweringe vant iuck ende tijrannie vande spaensche regieringe, opdat alsoo door Godes genade mocht werden beiaecht ende verworven het eynde waertoe dye wapenen oorspronckelick zijn in handen genomen, zijnde in effecte dat nevens verseeckertheydt vanden genen dye professie vande gereformeerde religie zijn doende, oock in gelycke ruste ende vrede zouden mogen werden gemaincteneert alle andere dye de voorschreven religie vooralsnoch nyet en konnen toestemmen ende nochtans middeler thydt totten lasten vander oorloge zoo wel als anderen contribuerende, haer burgerlick ende vredelick zijn dragende. Ende dat alsoo nyemandt in zijn gemoedt gedwongen, maer met Christelycke gedoochsaemheydt daerinne geduldet ende gedragen zoude mogen werden totter thydt toe, dat de luijden door Christelycke leringe, een goedt exempel ende wandelinge tot beteren voet zouden mogen werden gebracht zonder tegen elckander, veel min tegen d'overheydt alsulcke licentie ende on-
maticheydt te gebruycken als voorn es verhaelt. Dewelcke alsoo dye byden kerckenraedt, als oock bijden magistraet tot nochtoe met stilswygen (zoo het schijnt) werdt gepasseert, es nyet zonder bedencken ofmen door dye impuniteyt wel dyergelycke meer ende mogelyck swaerder onheusheydt metter tijdt zoude mogen verwachten een recompense voorwaer zeer qualick corresponderende metten weldaden dye dye vander kercke als voorn es verhaelt vander Overheydt zijn genietende, als mede metten lasten, beswaernissen ende interesten, dye uijt eenen goeden ijver bij velen goede luyden ende insonderheydt by dyen vander magistraet tot handthoudinge vande gemene zaeeke ende tot afweringe van alle heerschinge over yemands gemoet zijn gedragen1). Ende alsoo zodanige onmatige proceduren mijn in mijn herte grote becommeringe hebben gemaeckt aen deene zijde denckende, dat ick nyet gaern enige schijn van wraekgiericheydt van mijn en zoude geven, gelyck myn meninge daertoe oock nyet en es streckende ende aen dander zyde vresende, dat zoo byder Overheydt gansch nyet daertoe en werdt gedaen ofte geseyt, daer uyt oorsaecke zoude mogen werden genomen om dyergelycke (quasi re praeclare gesta) meer te plegen ende daerdoor grote oneenicheydt te causeren daer ons dye enicheydt meer als nodich schynt te wesen. Soo en hebbe ick nyet wel konnen laten uwer E. tgene voorschreven es met alle behoirlycke eerbiedinge te vertonen2) ende zeer dyenstelyck te versoecken, dat uwer E. mijn in desen belieye gevoechlick te beiegenen met alsulcken andtwoorde ende verclaringe opde voorseyde swaericheyden dat ick daer uyt zoude mogen nemen eenen vasten voet om mijn nae mijn vermogen met vrolickheydt ende eenen goeden ijver voortaen (des versocht zynde) inde bedieninge vanden vaderlande ende voornemelick van dese goede stede ende republicke te laten gebruycken, ofte dat uwer
E. tgesichte zouden mogen hebben nae alsulcken eijnde als dye voorsz. lasteringen vanden predicant ende tstilswigen van uwer E. daerop gevolcht, schijnen te strecken. Welck laetste ick door des Heeren genade geheel anders verhope, wandt alsoo zoo wel mijne Heeren dye Staten int generael, als dye vande voorsz. religie int particulier haer vanden aenvanck deser oorlogen ende oock daer naer zulcks hebben gedragen ende uijterlick vertoont haere intentie ende meninge nijet te wesen om anderen om verscheydenheydt van religie te verdrueken, als blijekt bij verscheyden acten daeraff in druck uytgegeven ende namentlick1) byde oratie vanden Here van St. Aldegonde opden Rycksdach
inden iaere 1578 tot Worms gehouden bij twee distincte supplicatien inden zelven iaere bij dyen vande gereformeerde religie zeer wijdt ende breedt aenden Ertshertoge Mathias ende den Raden van State geremonstreert, bijde ordonantie ende edict binnen Gendt in Decembri desselven iaers gepubliceert; item bij zeeckere Iustificatie omtrent denselven thydt byden doorluchtigen vorst Johannes Casimirus over zijnen krijchstocht doenmaels gedaen mede in druck uytgegeven1), allegerende zijne voorsz. f.G. verscheyden aensienlicke exemplen van verscheyden
landen en de steden daer diverse religien werden toegelaten ende geexerceert, dat mede dye vryheydt van religie oock te voorn byde Pacificatie van Gendt ende naderhandt byde Unie inden iaere 1579 tot Utrecht gemaeckt, wel uytdruckelick es geaccordeert, ia dat by het placcaet vanden Heeren Staten generael in date den 26en July ao 1581 opde afsweringe vande coninck van Spangien1) gemaeckt genoch wert te kennen gegeven, dat alle dit bloediclï oorloch voornemelick zijnen oirspronck uyt dye vervolgingen in geloofszaecken heeft genomen. Ende dat alle dye voorseyde acten ende dyergelycke meer van thydt tot thydt wel uytdruckelick hebben verclaert ende volcomen getuygchnisse gegeven vande moderatie ende vermidinge van allen schyn van dwang in religions zaecken, dije zoo wel dije vande voorsz. religie als de heeren Staten zelve alle thydt voor ogen hebben gehadt, oock zulcks dat zelfs dye propoosten tot tweedracht ende verbitteringe streckende wel ernstelick zijn verboden ende dye tijrannische spaensche regieringe in religions zaecken alle thydt naer haere verdiensten zeer odieux ende hatelick es gemaeckt geweest, opdat eenen ijgelyck van zodanige proceduren eenen schrick ende afkeer int herte ingeplandt, ende daerdoor dye wreedtheydt vandijen in ewiger memorie gehouden zoude mogen werden. Soo dunckt mijn dat ons zelve nyet wel en zoude passen, dat wij tegen dye nature alle tselfde in vergetenheydt stellende nu zelfs zouden practiseren dingen dye wij voorhenen zoo grotelicks in anderen hebben bestraft, beduchtende oock dat wy zulcks
voornemende, daerin nyet geluckiger zullen werden bevonden als den coninck van Spangien, ende meer andere voor der menschen ogen onverwinnelycke tyrannen, dewelcke dije gemeenten nyet achtende ende over denzelven haeren bloedtgierigen lust ende moetwille bedrivende, daerover in corte totten onderganck zijn gecomen, conform het gemene seggen, dat het gemene volck met redene geleyt ende nyet met violente proceduren getrocken ofte gedwongen wil wesen. Hetwelcke zoo het ergens enige plaetse hebben zal, zal een ygelyck gelieven te gedencken, oftet vooral ende voornemelick in geloofszaecken nijet veel meer plaetse behoort te hebben over een vrij volck, als es tvolck van dese landen, hetwelck door dye spaensche bloedige tyrannie daer van berooft zijnde, hem zoo cloeckmoedelick (om wederomme in zijn oude vrijheydt te geraeeken) zoo veel swaericheydt ende periculen onderworpen heeft, waertoe alhoewel Godt de Heere zijnen zegen tot nochtoe zoo rijckelick heeft gegeven, zoude nochtans den uytganck vandijen voor het meeste deel vanden volcke zoo hoges als lages standts geheel vruchteloos wesen, alsmen uijt deene persecutie in geloofszaecken, in dander zoude vallen, een zaecke dye ontwijfelick wederom nieuwe beroerten ende binnelandtsche oorlogen ende dyenvolgende den onderganck ende gansche ruine vanden landen met hem brengen zoude, zoo wel tot nadeel ende totale vernielinge ende extirpatie vandyen vande gereformeerde religie, als van allen anderen dye hem vant pausdom afgesondert hebben. Alle dewelcke haer alsoo onder den anderen bytende, nijet alleen elckander zouden consumeren, maer oock daerdoor het voorseyde pausdom in crachten meer als oyt te voorn doen toenemen ende in zijn vorige ge welt ende tijrannie alsoo verstereken, dat nae menschelycker wyse van spreecken nyemandt daeraff vrij, maer dije laetste dwalinge veel arger als deerste wesen zoude1). Wij bevinden wel hoe dat Pharao de coninck van Egipten ter oorsaecke vanden getrouwen dyenst Joseps, desselvens vader Iacob met allen zijnen kinderen ende geslachte uyt
het landt Canaan (doenmaels in groten hongersnoodt zijnde) tot hem in Egipten heeft doen roepen ende dat zijluyden aldaer gecomen zijnde, zeer wel ontfangen ende vrundtlick getracteert zijn geweest, te weten by Joseps leven omtrent tseventich iaer ende nae zijnen overlijden noch omtrent veertich iaeren lanck, maeckende te zaemen omtrent hondert en thyen iaeren, totter thydt toe datter eenen anderen coninck in Egipten es gecomen, den welcken van Josep geen kennisse hebbende ende oversulcks dye voorttelinge ende zegeninge Godes over Jacobs geslachte benydende het zelfde met ondrachlyke ende tyrannissche lasten heeft beswaert gehadt. Nu behoort ons immers zoo vele onser Hollanders, ick late staen ingeboorne van dese stadt zijn, wel indachtich ofte kennelick te wesen dat zoo onlangs geleden byde spaensche ende pauselycke regieringe alle dye gene dye hem bij het pausdom nijet en hielden, alle op eenen voet getracteert zijn geweest. Soo datse oock alle zonder onderscheydt van wadt gesindtheydt zij oock waeren, het landt hebben moeten verlaten, zoo zij niet en wilden vallen in pericule om van lijff ende goedt berooft ende vrouwen ende kinderen naeckt ende bloot opden dyck geset te werden. Soude het dan nyet een iammerlycke zaecke wesen, dat dye gene dye met elckander onder dye tyrannie in gelycken graedt hebben gestaen, dye in haer ballingschap ende voorvluchticheydt buijtens landts slomme in gelycke versmaetheydt zijn geweest, ia der welcker calamiteyt sonder onderscheyt van religie den ingesetenen vanden landen heeft beweecht gehadt om tegen zodanige tijrannie te opposeren. Soude het (segge ick) nijet wel een onredelycke handelinge zijn, dat onder zodanigen luyden dye gene, dye hemzelven zouden mogen laten duncken de machtichste te wesen (in een thijdt van twintich ofte vijf ende twintich iaren dat wij dye vryheydt hebben genoten, ende geduyrende welcken thijdt, als oock noch tegenwoordich de roede ende het swaerdt vanden vijandt van naeby ons noch dreycht ende overt hooft hangende es) alrede daertoe zouden arbeyden, om haer luyder gewesene medegenoten int cruysdragen onder dye spaensche tyrannie, nu wederomme zelver met gelycke wreedtheydt te tracteren? Ende dit alleenlick
omdat wij elckander in alle poincten der religie nijet en konnen toestemmen, ofte omdat men dye kerckelycke ordonantie zulcks dye nu werdt gebruijckt in alles nyet en kan aennemen. Daermen nochtans wel bevint dat onder Israhel zelfs (van waer men doch meest wil voortbrengen, dat tot vervolginge in geloofs zaecken gepresumeert werdt dyenstelick te wesen) verscheyden secten als Phariseen, Saduceen, Essenen, Nasarenen ende Rechabiten ende anderen zijn geweest, de welcke alhoewel zij onder den anderen oock in zeer swaere poincten waeren verschelende, nochtans tegen elckander zodanige proceduren nyet en hebben int werck gestelt1), daer isser buyten twijfel zelfs onder dyen vande gereformeerde religie, veel dye voorhenen zijn geweest van ander gesintheydt, dewelcke oock nyet alle op eenen thydt gecomen zijn tot het verstandt daerinne zij nu staende zijn, gelyck oock zulcks van hemselven werdt bekent bij enige vande aldervoorneemste derselver religie, ia bij den heere Besam zelve, dye wel rondelick belijdt langen tijdt inden slijeke des pausdoms gesteecken te hebben. Dat nu zodanige luijden zelfs ofte oock dye gene dye inde religie zijn opgevoedt zouden verstaen, dat voort alle dingesetenen vandt landt te gelyck met hemluyden tot een verstandt behoren gecomen te zijn, en dat nevens anderen nyet zoo wel als tegen henluijden ofte haeren ouderen respective gelycke civylheydt zoude behoren gebruyckt te werden, dunckt mijn zoo vreemt, dat ick vastelick verhope dat myne Heeren tselfde oock geensins en zullen toestemmen. Het es wel waer ende ick en twijfele nyet ofte myn Heeren zullen tselfde mede gaern bekennen, dat dye voorschreven Overheydt bestaet van menschen aen der welcker volmaecktheydt (helaes) noch veel es ontbreeckende. Dan vermoedt daer benevens dat dye vander kereke, oock dye ministers zelve van haer zelven mede nijet wel hogers gevoelen ofte immers nijet beroemen zullen; waeromme mijn oock dunckt onbetamelick te wesen, dat zij haere predicatien daer naer zouden dirigeren omme dye Magistraten swart ende hatelick te
maecken byden gemenen volcke, maer veel meer dat zijluyden hem daerin wel voorsichtelick ende matelick behoren te dragen, zonder in der Overheydts ampt zeer curieux ofte presumptueux te wesen, als voor desen wel es geschijet ende voornemelick in de zaecke vande gepretendeerde toverije tegen den bilanciemaecker dije van hijer tot Middelborch es gaen wonen1), waerinne enige vanden voorschreven ministers zonder behoirlycke kennisse van zaecken, ende (zoo wel te vermoeden es) alleenlick opdt aengeven van d'eene partije, alsulcken vooroordel hadden ingedroncken, dat zij hem nijet en ontsagen den Heeren vander wet zoo importunelick aen te lopen ende genochsaem te instigeren, dat mijn Heeren daerover in dye zaecke, (dewelcke doch van haer zelfs zeer beswaerlick ende vol gevaers was) noch veel te meer becommert ende in groodt pericule zijn geweest. Dan ick hope dat dye voorschreven ministers nu metter thydt door voorgaende geschiedenissen, zoo veel ondervonden zullen hebben, dat zij haer int een ende int ander voorden toecomenden thijdt behoirlick zullen matigen, ende dat alsoo mijne Heeren te minder moeyten zullen hebben om dese goede gemeentte in goede vrede ende enicheydt te regeren. Daertoe dije barmhertige Godt zijnen genadigen zegen verlenen wille. Amen2).
Het inhoudt van desen opden 26en Januarij ao 98 verhaelt uyt zeecker memorie dye ick van de principaelste stucken by geschrifte hadde gestelt ende daer over mijns bedunckens meer thijt toegebracht als off ick dese geschrifte hadde gelesen; presentibus mijn heere de Schout met alle dye schepenen mitsgaders alle dye Burgermeesteren dempto Bardesio, oock ter presentie van beyde de persionarien (sic)3).
Mijn Heeren, Ick hebbe dese verleden dagen uwer E. voorgedragen zeeekere consideratien ende meditatie bij mijn gevallen zoo opde hevicheyden, dye bijden ministers in haerluyder predicatien by wijlen werden voortgebracht tegen den genen dye dye gereformeerde kercken van dese landen alsnoch in alles nyet en konnen toestemmen, als op tgene opden 28en Novembris lestleden bij mijn heeren was geallegeert voor tfundament van haere resolutie opde apprehensie van Goossen Vogelsanck genomen. Ende alhoewel men gemeenlick seyt zoo veel hoofden zooveel zinnen ende dat nochtans dese zaecke ende dye redenen zoo by mynen heeren daer toe geallegeert als dye bijden dyenaers des woordts dagelycks tot gelycken eynde werden ingevoert zoodanich zijn, dat dye begrijpen alle menschep, dye hem alsnoch met dye voorsz. kercken nyet en konnen verenigen, ende dat oversulcks mijns bedunckens dese, zaecke es van zoo grote consideratie als daldermeeste dye hyer inde landen zoude mogen werden verhandelt, als zijnde het principaelste fundament waeromme dese landen in dusdanigen langdurigen, bloedigen ende ondraechlycken oorloge zijn gevallen. Soo sal ick daer aff bij desen onder verbeteringe mijn heeren verthonen mijn insyent ende bedenckinge zoo wel van desen Goossen Vogelsanck als van allen dengenen dye op gelycke fundament, mede op gelycke maniere zouden mogen werden getracteert. Sooveel dan desen man int particulier aengaet, en wete ick nyet dat ick hem oeyt gesyen, veel minder hebbe gekent. Dan hebbe gedurende zijne gevanckenisse van geloofwaerdige luyden verstaen, dat hij den thijt over dye hy hem bijder gereformeerde kercke alhyer heeft gehouden ende oock daernaer (nyet tegenstaende zijn sobere conditie ende swaere last van kinderkens) hem zeer vromelyck ende eerbaerlyck heeft gedragen sonder yemandt moeylick te vallen ende alsulcks aengesien es geweest voor een man dye nae zyne zalicheydt was ijverende, ende dat hij nu zeeckeren thijdt verleden, ter oorsaecke vandt verstandt daerinne hy nu staende es, vander voorsz. gemeente es afgesneden. Welcke afsnydinge, zoo dye naer voorgaende genochsaeme vermaninge ende onderrechtinge nae des Heeren woordt es geschijet, dunckt mijn, dat dye vander kercke als thaere
gedaen hebbende, hem daer mede wel behoort hadden te laten genoegen, zonder den armen man meer moeyelyck te vallen, als nae dye voorsz. afsnijdinge buyten haerluyden zijnde ende alsulcks nae Pauli leere haerluijden nyet meer aengaende. Mijn es oock voor waerheydt verclaert dat noch onlangs geleden als omtrent 14 dagen nae zijne gevanckenisse, zeeckere goede persoon ende nochtans met hem nyet eens gesint zijnde, maer alleenlyck uijt oude kennisse ende mededogentheydt tzijnen huyse opden middage bij zijne huijsvrouwe es gecomen om te vernemen off zij oock gebreck was Iijdende ende dat dye zelfde de kinderkens vondt leggen opder aerden, met gebogen knijen den Heere aenroepende zoo als zij wadt zouden eten, waer uijt oock schijnt dat hij deselve oock wel inder vrese Godes heeft opgevoet nae dye kennisse dye hij es hebbende. Dat nu den armen man ende met hem zijne huysvrouwe ende kinderkens (dye doch onschuldich zijn) zooveel zal moeten lijden om dat hij uyt enige spreucken der Schrifture zoo een seltsaem ende letterlyck gevallen heeft van tgodtlycke wesen, dunckt myn nae den aert ende nature deser landen, al te hart geprocedeert te wesen, alsoo ick dye zaecke zulcks insye dat van hem als een vreemdelinck1) ende van genen aensyen zijnde, voor dees thydt geen pericul inden staet vandt landt zoude wesen te bevresen. Ende men es nyet alleene hijer te lande, maer oock over geheel Europa genoch gewoon dye schilderije vande dryevuldicheydt, daerinne den vader byde forme van een oudt manspersoon ende den zoone bij een figure van een ander manspersoon wert uijtgebeeldet, gelyck oock in verscheyden andere schilderijen den vader op gelycke maniere werdt afgemaelt, het welck, hoe wel het voor sommige goede luijden seer argerlyck es, nochtans door dye gewoonte zoo in kerckenglasen, als in taferelen ende andere schilderijen onbemerckt werdt verbygegaen, immers myns wetens noeyt gepoocht es daer over ijemandt int minste moeyelyck te vallen. Off oock nu deses mans gevoelen vande forme ende gestaltenisse
vandt godtlycke wesen al veel vreemder es als der Romanisten ende Lutherschen gevoelen van haere hostien dye zy gebruycken, wille ick verstandiger laten oordelen. Immers isset mijns bedunckens vreemt genoch, hoewel ick nyet en zoude menen datmen hyer te lande eens zoude willen delibereren, ick late staen statueren, datmen tegen zodanige luyden ofte oock tegen den genen dye zodanige boecken hebben ofte vercopen, met enige ignomine zoude willen procederen. Ick wete wel hoe dat dye predicanten vast altemet zeer lelyck maecken allen dengenen dye hem met haer verstandt nyet en verenigen ende dat zij de magistraten genoch tegen zodanige luyden instigeren ofte tot afkericheydt zoecken te bewegen. Dan ick bidde dat wij doch eenmael willen syen wadt uijt zodanigen werck zoude werden, als der predicantten meninge zoude werden gevolcht. Soudet nyet al in rep ende roer vallen wadt in geheel Europa es, wy hijer binnentslandts elck tegen ander buytens landts tegen de Lutherschen ende papisten ende wederom dye papisten ende Lutherschen tegen allen anderen, dat waer immers wel naer een rechte babelsche verwarringe gearbeydt ende omme te wege te brengen dye meeste confusie, daer men oydt van gehoort heeft. Voorwaer es David dye zoo boven maten groten getuychenisse heeft inder godtlycke schrifture ende zulcke grote yver hadde om den Heere een materialen tempel te timmeren, tselfde hem byden Heere wel expresselick verboden ende belet, ter oorsaecke dat hij veel krijgen gevoert ende veel bloedts gestort hadde, welcke krijgen ende bloestortingen nochtans doorgaens zodanich zijn geweest, dat immers nyemands krijgen ofte oorlogen nu ter thydt voor Godes ogen meer geiustificeert zullen werden1). Soo dunckt mijn voorwaer wel een groodt misverstandt te wesen datmen nu wesentlycke, waerachtige ende levendige templen des Heeren zoude willen opbouwen door strengheydt ende dwang van uyterlycke wapenen ende geweldt. Het es wel waer dat byde Schrifture vant oude testament op verscheyden plaetsen verscheyden delicten ende onder den-
zelven het delict van blasphemie werden geboden metter doodt te straffen. Dan alsoo onder zodanige delicten mede zijn begrepen afgodeneerders, oock dye gene dye andere tot afgoderije drijven, dye vader ofte moeder vloecken ofte tegen deselfde rebelleren, oock dye in overspel leven, alle dewelcke grove uyterlycke zonden zijn, daeraff een ygelyck redelyck mensche kan oordelen ende dat dye thydt zoo verre es verlopen, dat nijet allene nyet met pene des doodts tegen zodanigen en werdt geprocedeert, maer dat het meestendeel van dyen by welweten genoch impune werd gepasseert. Soude het dan nyet wel een bedenckelycke zaecke wesen met zulcke grote strafheydt te procederen tegen tgene daeraff het oordel den magistraten werdt afgesneden, ende byden predicanten voor blasphemie werdt uytgeroepen, het welcke woordt van blasphemie ende lasteringe bevonden werdt oock zoo verre getrocken te werden, dat dye Roemsche catholycken, dye Lutherschen, de Mennonyten, oock dye geestdryvers, somen dye noemt, ende zoo het wel schijnt meest alle andere metter kercke in alles nyet eens zijnde daer onder werden begrepen. Ick bevinde bij de voorreden vanden heere van St. Aldegonde op zijn boecksken tegen dye geestdrijvers geschreven1), dat hij aldaer meest zijn werck maeckt om den Heeren Staten te instigeren tot vervolginge tegen den genen dye hij aldaer geestdrijvers es noemende, nyet tegenstaende hij inde oratie dye hij inden iaere 1578 van deser landen wegen opden Rycksdach tot Worms heeft gedaen, om delendicheyt van dese landen te beter te representeren ende den Stenden des Rycks daer door te beter te bewegen, nyet en heeft onderlaten uyt te drucken het groot getal van menschen twelck de hartoge van Alba
hyer inden landen door beudels handen hadde doen sterven, hetwelck hem nu in dit voorseyde boecksken wel nyet zoo geheel en al behoorde vergeten te wesen, maer behoorde wel te gedencken dat dat zelve getal nyet alleen en was bestaende van luyden dye professie deden vande gereformeerde religie, maer oock van vele andere goede eerlycke luyden van ander gesindtheydt wesende, gelyck de voorsz. hartoge van Alba hem nijet en droech nochte oock dye tegenwoordige spaensche regieringe hem nyet dragende es als des eenen ofte des anderen vijandt int particulier, maer als onser algemene vijandt, dye dese landen bewonende zijn, gelyck hem in allen acten vanden heeren Staten (daermen zijnder gedenckt) dye qualiteyt van algemenen vijandt met goede reden werdt gegeven, ende oock dye oncosten vander oorloge dye anders genoch ondraechelyck zouden schijnen te wesen, ter dyer oorsaecke bijnaest met een miraculeuse ende ongelooflycke goedtwillicheydt byden gemeenten van alderley gesindtheydt werden gedragen. Soo dattet mijn wel een seltsaeme zaecke dunckt te wesen, dat verstandige luyden ende insonderheydt ingeborene van dese landen zodanigen zaecke sustineren, dye buyten twyfel ten thyde zij zelfs voorvluchtich ende vervolginge subiect waeren van een ander gevoelen zijn geweest, ofte zouden by hemselven dye proceduren vanden coninck van Spangien moeten iustificeren, hoewel ick wel dencke datmen daerop zoude seggen dat den Spangaert tonrecht maer wy hyer te lande met goedt recht zouden vervolgen, als off tselfde nyet alsoo wel byden papisten ende lutherschen, daer zij meester zijn, mede werdt geseyt ende alsoo ernstlick haer religie staende gehouden als wy immers mogen doen. Voorwaer (opdat ick hyer immers nyet en segge vander papisten bedrijve als genoch alleman kenlick zijnde)1) Lutherus es immers zoo
precys in zijne opinie, ende handelt Zwinglium, Oecolampadium ende andere vande gereformeerde kercke zoo hatelick ende bitterlick al warense dye aldergodtlooste menschen vander werlt1). Soo dat aen genen kantten stoffe ende materie zoude schijnen te ontbreecken ende den eenen zoo wel als den anderen hem zoude laten beduncken wel gefundeert te wesen om gelycke wreedtheydt te gebruyeken, alsser maer eens zodanigen voet zoude zijn genomen. Waeromme ick nyet anders en kan verstaen dan dattet de ruine vanden lande zeeckerlick met hem brengen zoude zoo verre als men eenmael daerinne begint te treden ende dat daeromme dije beginselen daer van nyet alleen met alle mogelycke middelen dyenen geweert, maer dat men, in plaetse van uijterlycke violente proceduren, geestelycke stichtelycke middelen behoorde te gebruyeken, voortcomende uijt den geest der kennisse, bescheydenheydt ende sachtmoedichheydt, waerdoor veel eerder als door strafheydt een kercke opgebouwet zoude mogen werden. Soudemen nu met wreedtheydt tegen désen Vogelsanck procederen om dat hy enige zoo hoochwichtige zaecken zoo letterlick verstaet ende dye heere van St. Aldegonde inde voorreden van zijn voorseyde boeck port de heeren Staten tot vervolginge tegen dye gene dye nae zijn verstandt enige dingen al te geestelyck drijven. Soo soudet voort eerst aen twee kantten werden begonnen ende mogelyck in cort oock voorgenomen mogen werden tegen allen anderen zomen het advys van sommige predicanten ende vanden voorsz. heere van St. Aldegonde zoude willen volgen. Dan mijn dunckt dattet voorden staet vant landt het zeeckerste ende oock het godtlyckste zoude wesen, dat dye instigatien tot zulcks streckende zoo wel vanden predicantten als anderen behoorde met behoirlycke authoriteyt voorgecomen te werden ende datmen henluyden met ernst behoorde te verstaen te geven, dat zij hem zouden houden binnen dye limiten van haere beroepinge, gelyck mijn ende enigen anderen noch wel indachtich es, dat eenen
heer Iohan Huygen, raedtman tot Hamborch1), dye de zaecken deser landen zeer wel toegedaen ende oversulcks metten voorvluchtigen van desen landen hem tot Hamborch onthoudende zeer familiaer was, den luyden vande meeste qualiteyt ende naementlyck Egbert Roelofsz, Adreaen Pauw ende anderen op haer vertreck nae dese landen ernstlick vermaende, dat zij hem wilden wachten voorden clip daeraen dye van Hamborch ende ander oostersche steden haer hadden verseylt, ende nyet gedogen dat dye predicantten haer verder als met haer predickampt bemoeyen2). Hetwelck myns bedunckens te wenschen waer dat alsoo wel vanden beginne deser regieringe waere gepractiseert geweest ende oock vorder mochte naegeeomen werden, alsoo ick duchte dat andersins ende hy gebreecke van zulcks wij in meerder swaericheydt zullen vallen, gelyck daer van dexperimenten voor desen zoo hyer te lande als elders al ten dele hebben geleert, dat zodanigen luyden wadt te veel ingeruymt werdende, zij haer qualick konnen matigen ende nyet alleene vervolginge practiseren tegen den gene dye rnet haerluyden nijet eens en zijn gesint, maer oock grote seditie ende scheuringe int werck stellen zelfs onder haer eygen lichaem ende broederschap zoo verre comende, dat zij hem laten beduncken, dat dye hele regieringe vanden landen oock nae haere fantasie behoort beleyt te werden, gelijck wij inden thydt vanden
grave van Leycester daer van hebben gesien, dat door haerluyder beweginge dye alderbeste vander magistraet ende dye lange iaeren als ballingen ende lidtmaten der kercken buytens landts hadden geweest, naer lyff ende leven zyn getracht geweest1), eenige vande zelve goede luyden in haere predicatien genoch als met vingeren aenwijsende ende dat nyet omme2) dye luyden in tstuck van religie waeren verandert, maer alleenlick om dat dye voorsz. predicanten sagen, dat sodanige goede luyden dye saecken der policie ende regieringe vande landen nyet en dirigeerden tot alsulcken eynde als zij wel gaern hadden gesyen. Ia dat zij hem zoo verre mette regieringe hebben vermengt gehadt ende die seditie zoo verre was ingereten, dat dye heeren Staten omme deselve te assopieren, wel buijten behoren gedwongen zijn geweest eenige vanden voorneemsten predicanten zoo van dese stadt als van andere steden inden Haege te doen beschriven ende eenige zaecken dyenaengaende met henluyden te communiceren, opdat de saecken daerdoor te beter wederomme in stilte zoude mogen werden gebracht3), Ende hoe droevich het noch binnen sijaers indt Ryck van Schotlandt es toegegaen4) zal eenigen van mijne heeren oock noch wel
indachtich wesen, als naementlyck dat dye vander kercke binnen Edenborch hooftstadt vandt zelve ryck door drye
ofte vyer voorneme ministers aldaer hem zooverre hadden laten bewegen, dat zij hen tegen haeren eygen wettelycken Coninck te wapenen hadden begeven, solliciterende deselve ministers eenige vande grootste heeren vant landt om hem nijet alleen met zodanige factie ende seditie te willen conformeren, maer oock dat zij hen daertoe als hooft zouden willen presenteren, seggende zodanigen handel ende rebellie te geschieden, instigante en cogente spiritu sancto1). Ick wil anderen mede laten oordelen off oock enige predicanten alhijer hem oock nyet wadt te zeer onwaerdelick tot verscheyden reysen tegen burgermeesteren (nyettegenstaende zij vande zelven zoo eerlyck werden getracteert) hebben bethoont om enige ionge luyden extra-ordinarie te trouwen2), wesende een zaecke dye immers bij eenen ygelyck middelmatich werdt gehouden. Ja dat
zij op zeeckeren thydt met een grote onwaerdicheydt wel hebben derven seggen, dat dye magistraten henluyden in zodanigen saecken nijet en hadden te ordonneren, ende noch op een ander thydt, wilden burgermeesteren geobedieert wesen, dat zij meer dyenaers zouden verschaffen, hoewel ick dit laetste alleene van anderen, doch zoo ick mene geloofwaerdich hebbe gehoort, maer het eerste zelver datelyck hebbe bevonden. Ende hoe mede by dyen vander kercke bywylen int beroepen vanden predicantten werdt geprocedeert, ende off daer alsulcke sinceerheydt, oprechticheydt ende godtlycken yver gebruyckt, ende particuliere besondere affecten uijtgesloten werden alst wel behoorde, daervan mogen dye zelfs oordelen dye daarover werden geroepen, hoewel ick duchte dat daeraen oock nyet weynich es ontbreeckende. Gelyck ick mede wel mene berecht te wesen, dat enige vanden dyenaers des woordts, contrarij het exempel Actorum 61) den diaconen wel hebben derven afeysschen enige penningen vander aelmisse om bij henluyden buyten kennisse vanden zelven diaconen gebruyckt te werden, daer zij het zouden goedt vinden2). Souden oock noch wel enige zaecken meer met goede kennisse ende waerheydt mogen werden verhaelt ten waere dat ick bedencken hadde ofte genoch verseeckert waer, dat enige daerdoor noch meer als door dese boven geschreven zouden mogen werden geargert. Ende wille mijnen heeren hebben gebeden, dat zij tselve willen verstaen nyet te geschieden bij forme van verwijt ofte reproche, maer eensdeels om te betonen datmen oock wel wadt tegen dye kercke zoude vinden, als het landt met oneenicheydt te brouwen, zoude wesen gedyent, ende ander deels, datmen daer bij kan afmeten hoe sorchelyck het es zoo geheel op menschen te bouwen. Gelyck mijn noch wel indachtich es vanden iaere 1582, dat uijt eenige consideratien doenmaels, in een zaecke by Schepenen werde
genomen het advijs vanden predicanten, dye oock tselfde advijs bij geschrifte ende met haer handen geteyckent hebben overgegeven, wesende in effecte dat den persoon dyen het aenginck zoude moeten sterven, maer werdt tselfde advys bevonden vandt verstandt van Schepenen zoo veel te verschelen, dat zij eendrachtelyck den persoon zonder eenige schandale (zoo ick vastelick mene) hebben laeten passeren ende het voorschreven advys verbrandt zoo ickt (als ick mene) wel hebbe onthouden1). Salmen dye lere der predicanten naer haer eygen lere mette heylige Schrifture confereren om daer van te beter verseeckert te wesen, zoo zoude mijn seltsaem duncken uijt wadt plaetse des nieuwen testaments men met claere woorden zoude konnen bewijsen, datmen om geloofs zaecken yemandt behoort te vervolgen, datmen oock tzelfde zoude willen bewysen uijt enige verre gehaelde collectien ende besluytredenen, dunckt myn alte dangereux hem in zoo hoochwichtige zaecke (als geldende, lijff, leven, ende zalicheydt) opde spitsvindicheydt der geleerden te vertrouwen ende dat zij oock haer verstandt daertoe nyet en behoren te employeren, dat dye gene dye in eenich misverstandt zijn gevallen, met wreedtheydt zouden werden getracteert, insonderheydt alsmen naedenckt in hoe grote swaere dwalingen enige der alderoudste ende voorneemste leraren der kercken hebben geinvolveert geweest. Ende schijnt noch veel te vreemder dat zulcks zoude werden geurgeert byden genen, dye hem zoo vast aende predestinatie zijn houdende, alsoo deselve vaststaende, immers een ygelyck moet comen tot zulcks als hij toe es geordoneert. Soo vele oock aengaet dat uyt het oude testament tot deser zaecke zoude mogen werden bygebracht, es een ygelyck genoch bekent, dat by verscheyden geleerden daeraff zeer wydtluftich pro et contra es geschreven, soo dat ick mijn daerin verders nyet wil onderwinden te
seggen, dan alleenlyck datmen wel bevindt dat zelfs dye gene dye het vervolch hebben geurgeert, dyeselfde zaecke voor henen ten thijde zij noch ondert cruys waeren1), anders hebben verstaen, ende datmen mijns wetens oock nyet en bevint, dat zelfs int oude testament eenich vervolch es geweest uyt zaecke vande strijdicheydt tusschen den Phariseen, Saduceen2) ende andere dyergelycke secten meer, dye oock in dalderswaerste poincten der zaligheydt waeren strijdende. Maer ter contrarie heeft men voor ende naede toecoomste des Heeren Christi gesyen, dat die vervolginge meest byden onvromen tegen den vromen es int werck gestelt geweest. Wij weten altesaemen met hoe grote becommertheydt dat mijn heeren gewoon zijn te handelen in alderley criminele ende voornemelyck capitaele zaecken ende met hoe groter beschroomtheydt ende swaericheydt yemandt ter doodt werdt gecondemneert3), twelck oock dye oorsaecke es waeromme dije arme gevangens dickwils dene maendt achter dander inder gevanckenisse werden gehouden ende dit alles nijettegenstaende dat de delicten vande welcke daer werdt gehandelt, in uyterlycke feicten, daeraff een ygelyck oordelen kan, zijn bestaende, ja dat genoch vanden beginne deser regieringe alle thydt enige van mynen heeren hem zeer cleynmoedich ende beswaert hebben gevonden om enige dyeven, al waert oock dat zij hem zeer groffelijck hadden ontgaen, totter doodt te condemneren, nyettegenstaende dye wetten van dese landen, ende dye gestadige gewoontten daer van, alsodanigen personen ende oock den delinquanten zelfs wel zijn bekent ende oversulcks zodanige quaet doenden nyet veel en hebben te pretexeren, dat zij vanden wetten ofte straffen tot zodanigen delicten staende, nijet en hebben geweten. Dan es den aenstoot vande heeren, dye in zodanige straffen hen beswaert vinden, daer op (zoo ick mene) gefundeert
geweest: dat int oude testament tegen dye dijeverye geen straffe des doodts en es gestatueert, twelck ick oock nijet en wil seggen te wesen van cleyne consideratie ende es myn wel bekent dat dye deliberatien op zodanige zaecken vele iaeren ende tot verscheyden reysen gevallen, zijn de principale oorsaecke van de fundatie vant tuchthuys1) binnen deser Stede, opdat aldaer buyten costen vande republycke zodanige delinquanten zouden mogen werden gehouden, als haere mishandelinge nyet en soude wesen zeer exorbitant. Dan daerbenevens dunckt myn dat hem oock nyemandt en behoort te verwonderen dattet een algemeen gevoelen es byden volcke, dat nymandt hyer te lande enich leedt om zijn gelooff behoort gedaen te werden, alsoo de wapenen aengenomen ende zoo lange iaeren om dye vrijheydt des geloofs gevoert zijn geweest, tot zoo swaere costen van allen den ingesetenen vande landen ende dat geduyrende alle den zelven thydt noeyt enigen wet ter contrarie es gemaeckt geweest. Ia dat bij dyen vande gereformeerde kercke zoo veele vertoningen ende verclaringen (als in mijn voorgaende geschrift2) verhaelt) mede tot gelycken eynde zijn gedaen geweest, waeromme ick onder reverentie nyet en zoude konnen goedtvinden, dat myn heeren alhyer hem in zodanige zaecke dalder-voorbaerichste int gehele landt zouden dragen, opdat wij alsoo nyet en zouden werden geseyt inde voorgaende magistraets voetstappen te treden, dye doch alle andre steden van Hollandt int stuck van persecutie, verre hebben
te boven gegaen1). Maer waer mijns bedunckens veel redelycker, dat wy ons met alle behoirlycke middelen daer tegen opposeerden, gelyck2) dye van Andtwarpen al inden iaere 1551 (hoewel met clejne vrucht) tegen dve bloedige placaten van Keyser Caerl hebben gedaen, nyettegenstaende dye zoo straffe waeren, dat oock verboden was voor ketters te spreecken3) a4). Datmen nu zoude willen seggen dat desen man nyet simpelyck gelooft, maer oock tselfde zijn verstandt onder anderen verstroeyt heeft ende datmen hem daerover behoort te straffen, zoo waer b4) het wel nodich dat deze zaecke wadt naerder ingesyen zoude mogen werden, alsoo tselfde geschiedende, alsulcks zoo swaerlyck tot zijnen laste nyet zal konnen werden gebracht, alsomen doorgaens de menschen in geloofszaecken zulcks vindt gedisponeert, dat een ygelyck zijn verstandt, ofte dye hope dye in hem es, naede spreucke Petri5) gaern anderen wil mededelen, gelyck oock dye predicanten alhyer in zeker geschrift over enige maenden aen burgermeesteren overgelevert6) tselfde tegen Lubbert Gerridtsz, predicant vanden Mennoniten, hebben geallegeert, pretenderende dat denselven Lubbert uyt crachte vande voorseyde
spreueke gehouden zoude zijn om met hemluyden in enige conferentie ofte disputatie te comen. Ende weten oock dye predicantten wel met wadt affectie ende ijver zij soecken te verbreden ende voort te plantten dye lere daeraff zij professie zijn doende ende dat oock zulcks bij alle anderen van verscheyden gesintheydt met gelycken yver werdt gedaen. Dat voorder zoude mogen werden voorgevoert, dat dese zaecke metten heer en Staten van Hollandt es gecommuniceert ende dat byden zelven een resolutie es genomen dyemen zoude behoren te volgen, ende alsoo desen armen man naden Hage te zeynden, om aldaer in gevanckenisse gehouden te werden1). En wil ick hyer van dauthoriteyt vande heeren Staten voorseyt nyet anders als met alle behoirlycke respect gesproocken hebben, als tot conservatie vanden welstandt vanden landen ten hoochsten nodich zijnde; dan alsoo wij hijer nyet als privee ofte particuliere, maer als publycke personen zijn handelende, dye behalven onse obligatie tot dye gemene zaecke, oock specialyck aen dese goede Republycke wel preciselick zijn verbonden, soo zal ick (hoewel in materie van Staten weynich ervaren) onder behoirlycke reverentie ende verbeteringe nochtans daervan nu mede een weynich seggen. Ende mijn heren voor het eerste indachtich maecken, dat alhoewel wij vander landen wegen voor enige iaeren hebben gesustineert, dat dye souverainite vanden landen byden heeren Staten es bestaende, het nochtans in eniger manieren een groodt onderscheydt es tusschen dye souveraine regieringe vanden Heeren Staten ende tusschen een souverain Prince vanden lande, waer van onder andere exemplen dye myn tegenwoordelick occurreren, twee vande voorneemste zijn dye questie van tstapelrecht tusschen der stede van Dordrecht ende verscheyden andere steden, mitsgaders het geschil van de binnenvaert tusschen dye van Rotterdam ten eender ende dye van Haerlem ende Dergouwe cum socijs ter anderen zijde2). Alle welcke questien zonder een
bequaem, verstandich souverain prince vanden landen waer, nae mijn beduncken tsynder dispositie zouden behoren te staen ende nu nochtans by desen thydt den ordinaris rechter zyn bevolen, alsoo andersins de heeren Staten (oock in dat deel fungerende het officie van een souverain prince) zelfs voor een groodt deel partij formeel zouden werden bevonden ende alsulcks te oordelen in haer eygen zaecke. Ende gelyck het gemeenlyck ter welt toegaet dat welvaert werdt benijt, zoo laet het hem oock nyet qualyck aensyen, dat wy by enige onse naebuijren, mede nijet alte groten gunste sijn hebbende. Immers es ons noch in verscher memorie (opdat ick nijet verre en extravagere, maer uijt enige meer, alleen een ofte twee exemplen bij brenge) hoe dat bijden Heeren Staten een solemnele resolutie genomen zijnde, dat het hoff geen provisie tegen enige steden zoude verlenen zonder eerst ende alvoorn het versoeck ende te kennen geven vanden requiranten overgesonden, ende andtwoordt vanden gerequireerden ontfangen te hebben1), dyen nyettegenstaende dye van Haerlem inde zaecke vande veerschuyt-voerders ter eerster instantie mandement tegen deser stede hebben geobtineert, zonder dat bijden hove dye voorseyde solemniteyten zijn gebruyckt geweest2). Ja dat mijne
Heeren van deser stede wegen hem daer van voorden heeren Staten beclagende, ende versoeckende byde voorsz. resolutie gemaincteneert te werden, daerinne nijet hebben mogen obtineren, maer zijn vanden effecte vandyen tot groodt preiudicie deser Stede volcomentlyck gefrustreert. Van gelycken en mach ons volk nyet vergeten wesen hoe dat inden iaere '94 mijn Heeren alhyer door brieven yande heeren Staten generael zeer ernstlick vermaent ende gelast zijnde om met ernst te procederen tegen enige personen, dye hem in tstuck vander muntte hadden ontgaen1), mijne heeren tegen denselven met zodanigen yver hebben geprocedeert dat ick zoude menen, dat over
tgehele landt van alle dye geunieerde provincien nijet halff zoo veel en es gedaen ende dat dye heeren Staten versocht zynde, dat Hendrick Krayevanger hyer gebracht ende tegen andere gevangens geconfronteert zoude mogen werden, den zelven Krayevanger door loutere versuymenisse vanden provoost (dyen hy was bevolen) ontcomen zijnde, mijn Heeren daerover tot haere volcomene onschult, wel iammerlyck gesuspecteert, beschuldicht ende gecalumnieert zyn geweest, nyet alleen byden gemenen volcke, maer oock bij enige vande principaelste vande regieringe inden Hage, gelyck byden Heere doctor Sille1) doenmaels inden Hage zijnde, wel beclaechlick es geschreven geweest, daer nochtans den voorseyden Krayevanger door ongelooflycke moeyten ende naersticheydt met grote ontsteltensisse vande hele stadt, wedergekregen en naden Hage gesonden zijnde, aldaer lange thydt heeft geseten ende ten laetsten uijtgelaten es. Ende zooveel nu het schriven ende drucken van deses Vogelsancks boecksken aengaen mach ende dat de Heeren Staten nae voorgaende advys van enige theologen ende predicanten daerop enige resolutie zouden hebben genomen2), wilde ick wel mynen Heeren hebben gebeden, dat zij met mijn dye zaecke oock wadt naerder willen insyen ende naementlyck off dye heeren Staten oock mogen hebben gemeent, dat dye gehele regieringe deser Stede zoo eenstemmich tegen desen armen man opdt alderswaerste zoude mogen wesen geresolveert ende dat dye heeren Staten haere resolutie daer-naer zouden mogen hebben gedirigeert ende oversulcks ten regarde van dese stadt yedts swaerders gestatueert, als zij
elck in haere steden onderworpen zouden willen wesen. Gelyck het hem nyet qualyck daernaer laet aensyen alsoo wij de gelegentheydt van alle de steden int particulier ende generael examinerende, immers noyt en hebben gehoort dat bij enich vanden zelven sodanigen voet es genomen, als dye voorsz. resolutie mede brengende es, nyettegen-staende datmen genoch buyten twijfel houdt dat in enige vande selve nyet boeckskens, gelijck wij nu van spreecken, altesamen van weynich boecken pampier bestaende, maer wel goede volmaeckte volumina ende dat mogelyck wel gehele wagens vol zijn gedruckt geweest, geschreven bij authoren dye mogelyck byden predicantten van geen beteren aensyen als desen armen man en zouden wesen. Soo dattet nyet nieus en schijnt te wesen datmen wel somtydts wetten wil helpen statueren dyemen geensins van meninge es zelver onderworpen te wesen, gelyck men oock wel dagelycks bevint in andere zaecken van importantie1) ende voornemelick int raemen ende arresteren vande instructien, ordonancien ende lysten vande licentten ende convoyen, als mede inde ordonantie opde veylinge vander zee daerinne zoo iammerlyeke gebrecklyckheydt van thydt tot thydt werdt bevonden, dat het nyet en es te excuseren. Ende dat aldermeeste es, durven dye gene dye in zodanige zaecken meest zyn ingebreecke, hem wel laten committeren ende oock wel vrymoedelick hem presenteren om in ander quartieren den Raden vander Admiraliteyt by eede te verbinden tot volcomen observatie vande voorsz. ordonantien, dye by haer wel weten byden haeren zelfs zoo schandelick werden gevioleert2).
Om alle welcke redenen ende andere meer dijemen daerby zoude moegen voegen, myn onder correctie ende reverentie als voorn bedunckt, dat wy ons vande resolutie vanden Heeren Staten in desen, wel mogen excuseren; immers ick voor mijn advijs geensins goedt en zoude vinden, datmen den armen man tot uyterlycke desolatie zoo van zijn vijf moederlose1) kinderkens als van zijne tegenwoordige swangere vrouwe naden Hage zoude laten gaen, om aldaer in gevanckenisse gehouden te werden. Mijn es noch zeer wel indachtich (als te dyer thydt notule daer van als van een zaecke van importantie gehouden hebbende) hoe dat doctor Martin Coster z.g.2) opden 15en Februarij ao. 87 inden raedt met groter ernst ende beweechlickheydt heeft voorgedragen, als dat hij particuliere geloofwaerdige advertentie hadde ontfangen hoe dat den Coninck van Denemarcken met enige andere grote personagien voorgenomen hadde hem te em-ployeren tot beslechtinge vandt oorloch tusschen den Coninck van Spangien ende dese landen ende dat zij als voor een maxime waeren houdende, dat gelyck als zijluyden zelfs ende andere princen haere onderdanen deden onderhouden alsulcken religie als zij goedt vonden, oock alsoo wij hyer te lande zouden moeten aennemen alsulcken religie als den Coninck van Spangien zoude behagen, sustinerende den voorsz. heere doctor geheel het
contrarie met vele redenen daer toe dyenende, ende dat alsoo geen Prince ofte magistraet enich gesach ofte authoriteyt over synen onderdanen in geloofszaecken was com-peterende, den Raedt haer geensins ende om geenderley oorsaecke vande zelfde opinie en zoude laten dimoveren, synde [dyeselfde opinie vanden voorseyden doctor, conform tgene datmen vanden aenvanck der oorloge ende oock alle thydt daernaer heeft gesustineert1). Hetwelck zoo het goedt ende wel gefundeert es geweest in dyen thyden als wy ons mogelyck lieten duncken wadt min verseeckert te wesen tegen den Coninck van Spangien, als wy nu wel schinen te wesen, soo dunckt myn oock dattet mette voorspoet dye Godt de Heere ons daernaer ende onder zodanigen forme van regieringe zoo genadelick belieft heeft te verlenen, nyet in het contrarie, dat es in het quade, behoort verandert te wesen. Te meer alsoo uyt het voorseyde geschrift vanden predicanten ofte kerckenraedt genoch te verstaen es, haerluyder menige daerhenen te strecken dat int stuck vander religie zoo verre zoude behoren geremediert te werden, dat nijemandt van ander gesindtheydt zijnde, zyn verstandt anderen zoude mogen communiceren, hetwelcke aldaer geheten werdt zijn dwalinge te stroyen ende dye vander gereformeerde kercke onrustich te maecken, ofte in haer gemoedt te bedroeven2). Hetwelcke wel goede apparentie zoude hebben als zodanige luyden zelfs verstonden in dwalinge te steecken. Maer als men denckt op tgene dye experientie byde regieringe vanden coninck van Spangien zoo mennichfuldelick heeft geleert, dat veel duysenden menschen in zodanige dwalingen steeckende hem daerby zoo wel hielden van haere zalicheydt verseeckert, dat zij hem den noodt zulcks mede brengende, alsoo wel als dye vande gereformeerde religie gerust hebben gevonden
haere lichaemen door schrickelycke tormenten des doodts daer voorn opte offeren, Ja, dat den Episcopus Roffensis ende Thomas Morus1) zoo twee treffelycke geleerde luyden daerop zyn doen doden, dat zy onder anderen nyet en konden bekennen den Coninck van Engelandt, deser Coninginne vader, voor thooft der kercken vanden zelven lande. Wadt apparentie zoudet dan hebben dat zodanige menschen als off zij zelfs verstonden te dwalen, daertoe gehouden zouden konnen werden, dat zij haer verstandt nyemandt en zouden communiceren. Wandt men kan afnemen, dat gelyck dye vande gereformeerde religie haer zelven daer by in alles wel gerust vindende, hem zelven houden verbonden tselfde verstandt oock anderen menschen deelachtich te maecken, dat oock andere van ander gesindtheydt hem mede tot zodanige verbreydinge vinden geobligeert. Alsmen nu nochtans denzelfden zulcks zoude willen beletten, staet te overleggen by wadt middelen dat zulcks zoude werden gedaen. Buyten twijfel met uyterlycke macht vande werltlycke overheydt, als zij by mondelinge onderrechtinge tot afstandt van haere opinie nyet en zouden konnen worden gebracht. Daerop dan weder staet te considereren off zodanige uyterlycke macht zoude werden gebruyckt alleenlyck uyt crachte vancle godtlycke schrifture, dan ofmen daer benevens noch enige andere wetten ende placaten (gelyck int pausdom es geschyet) daerop zoude maecken ende ofmen dye zelfde (gemaeckt ende gepubliceert zynde) met meerder rigeur, met meerder verseeckertheydt, ende met meerder vrucht zoude doen executeren als byden Coninck van Spangien es geschyet, den welcken wadt hij daer mede uijtgerecht heeft, ons allen nochtans te dele bekent es, nyettegenstaende zijne macht ende middelen zoo onge-loofiyck groodt zijn geweest, dat de onse daer bij nyet en zyn te gelycken, Ja, dat tegen alle het onmenschelyck
moorden ende branden dye (by hem genaemde) ketterijen hoelanger hoe meerder zijn toegenomen ende aengewassen, in dyer voegen dat nae dyen dye moordadicheydt by hem ende zijnen vader Carolum alleenlyck den thydt van twintich ofte vijfendetwintich iaeren was gecontinueert, het gemene volck hem daertegen openbaerlyck heeft begost te opposeren, ende dye zaecke allenskens zoo verre es gecomen dat dingesetene vanden lande zodanigen onlydelijcken iuck van haeren halse hebben geworpen, nyet in dyer meninge om wederomme een ander dyergelycke iuck hem op te doen laden vanden genen dye nevens anderen door zoo grote moeyte ende periculen daer van zyn verlost geworden1). Ick wille wel bekennen dat ick int beginsel van deses mans gevanckenisse zeer daer mede was becommert, zoo ter oorsaecke vande selsaemheydt van zijn gevoelen bij onsen thyden als om dat [ick]2) sach dat enige van myn heeren in de zaecke zoo hevich waeren. Maer naderhandt byeenbrengende dye zeer onvrundtlyke beschuldinge ende belastinge vanden predicantten tegen verscheyden gesintheyden int particulier ende oock int generael tegen allen dengenen dye hem metter kercke nyet en verenigen, item dye instigatien vanden heere van St. Aldegonde voorn verhaelt, mitsgaders dat noch nyet lange geleden eenige, zoo ick mene van buyten ingecomen ende geen ingeboorene, lidtmaten vande gereformeerde kercke, ende nochtans vande voornaemste van dijen, hem buyten kennisse ende consent van burgermeesteren hebben vervordert te gaen inde huysen der Mennoniten tegen wille ende danck vande zelve, omme alsoo den luyden moeijelyk te vallen, nyettegenstaende henluijden wel kennelyck es dat de vergaderingen van dye luyden door tgehele landt by welweten vanden heeren Staten ende magistraten werden getolereert3). Soo
en kan ick uyt alte deselfde nijet anders besluyten, dan dat eens vervolginge ofte straffe om geloofszaecken toegelaten zijnde, wij metterthijdt nyet anders zouden hebben te verwachten, dan dat gelyck tegen desen Vogelsanck werdt gesustineert, dat hij strafbaer zoude wesen om dat hij enige plaetsen der schrifturen alte letterlyck es verstaende, ende dat bijden heere van St. Aldegonde voorseyt werdt geurgeert dat tegen dengenen, dije enige zaecken nae zijn verstandt alte geestelijck zyn duydende, mede zoude moeten werden geprocedeert, het alsoo aen genen kantten en zoude ontbreecken om gelycke proceduren te institueren, ofte immers ten minsten te solliciteren tegen allen dengenen int generael ende particulier dyehem metter kercke nyet en verenigen, het zij dan ondert pretext dat zij dwalingen stroeijen, den eenvoudigen in haer gemoedt bedroeven, dye gemeente onrustich maecken, ofte dye leere der Gereformeerde kercken valschelyck beschuldigen ofte tegenspreecken. Ofte al waer oock anders nijet dan datmen hem nyet inder gemeente begevende, deselve gemeentte daerdoor zeer grote ergernisse werdt gegeven, hetwelck hoe verre het zoude lopen een ijgelyck int naedencken zoude bevinden mogen, Ick mene immers dat myn ende myns gelycken alsoo veel aende wederstandt vanden Spangaerden es gelegen als den alderbesten ende yverichsten vande religie, ende dat zodanige menschen als ick in dat deel in ontallycke mennichte van verscheyden gesintheydt hyer inde landen zouden werden bevonden. Souden dye alle zoo enge werden bestrickt als dye voornverhaelde motiven schijnen toe te strecken, dat zoude verre gaen buyten myn
gissinge ende ick wille dat wel verclaeren, dat myne geuserije tot zulcks noeyt en heeft gestreckt nochte alsnoch streckende es1) Als dye vander kercke haere exercitie zoo particulier als generael mogen genieten ende behouden in alsulcke maniere ende verseekertheydt als zij tegenwoordich doende zijn. Ick mene immers datter veel meer es als zij zelfs inden aanvanck hebben verhoopt gehadt, tenwelcken thijde men immers zoo verre het oge nyet en heeft gehadt datmen over yemandt enige wet in geloofs zaecken zoude hebben willen stellen. Maer zijn dye verstanden ende opinen van Gamaliel, van Gallio ende van Claudius Lysius2) in voorthyden ende inden beginne vander oorloge in onsen ogen wel in redene gefundeert geweest, met wadt redene zouden wij nu anders daer van gevoelen? ende tot enige vervolginge in geloofs zaecken mogen arbeyden? Insonderheydt dewijle men den Magistraet zoo onbequaem houdt in Godtlycken ofte Schriftuer-lycken zaecken, dat zij daervan nyet en mogen oordelen. Sal dan oock den magistraet enichsins oordelen vant uyter-lycke onderscheydt inden dagelyckschen handel ende wandel tusschen dyen vander religie ende andere goede luyden, ick zoude nyet menen3) (om vrij te spreecken) dat yemandt onpartydelyck ende met kennisse daer van oordelende dyen vander religie, noch ten aensyen van Franckrijck, vandyen van Engelandt, nochte van dese landen zelve, daerin zoo grotelyks zouden prefereren,
dat ter oorsaecke vandyen tegen den anderen eerlycken luyden met enige hardicheydt zoude behoren geprocedeert te werden. Ende waer daeromme mijns bedunckens veel redelycker ende totten welstandt vanden landen dyenste-lycker, dat wij continuerende inden ouden voet vande regieringe deser landen ende oock deser Stede, daer