terug  begin  verderprepost

VII. Aantekening omtrent het Alkmaarse kerkgeschil, gedateerd 17 September 1609.

Het volgende manuscript (Amsterdamse Universiteits-bibliotheek VI, A. 263b) draagt geen ander opschrift dan: ‘A.o 1609 17 Sept.’ en de namen der predikanten, waarover het gaat, op de achterzijde. Het is mij niet gelukt hieruit met zekerheid te concluderen, wat het eigenlik is. Op dien datum komt nl. noch in de Vroedschapsresoluties, noch in die der Staten van Holland iets voor en toch hebben wij hier duidelik te doen met een fragment van notulen door Hooft van één dier vergaderingen gemaakt. Het meest waarschijnlike lijkt mij, dat het handelt over de Statenvergadering. Daar werd nl. in deze tijd herhaaldelik gesproken over de Alkmaarse predikanten en kort na 16 September 1609 (toen Plancius e.a. in de vergadering verschenen) moet het besluit genomen zijn Van Hille én Venator 15 October in elkanders bijzijn te verhoren. Dit besluit wordt in het stuk van Hooft genoemd. Mogelik is dus, dat Van Hille met anderen ook 17 September, 1609 in de vergadering is geweest en dat toen tot die confrontatie is geresolveerd; zeker is, dat zij in die dagen vele malen zich aanmeldden.

De Alkmaarse geschiedenis zelf vindt men uitvoerig bij H.C. Rogge, Johannes Uitenbogaert en zijn tijd, A'dam

[p. 212]

1874, I, p. 324 vlg. Ter inleiding diene hier slechts het volgende, wat tevens veel uit het handschrift kan verklaren. Reeds lang stonden de streng Calvinistiese Van Hille of Hillenius en de vrijzinnige Dr. Jager (Adolphus Venator) hier tegenover elkaar. De eerste was natuurlik tegen de revisie der Belijdenis, zoals de Staten die in uitzicht hadden gesteld (Resol. Staten Gen. 19 Nov. 1605: Rogge, a.w. 276). Hierin hadden de synoden van N. en Z. Holland wel berust, maar onder uitdrukkelik protest, als zou deze revisie op twijfel aan de juistheid der formulieren berusten. De synode werd uitgesteld en in Sept. 1608 legde men te Alkmaar aan alle leden van de classis op de Confessie en Catechismus te ondertekenen met een formulier daarbij, waarin hun juistheid en wettelikheid werden bevestigd en erkend. Vier predikanten weigerden en korten tijd daarna ook Venator. Zij werden gesuspendeerd en dit besluit werd gehandhaafd, ondanks het besluit tot het tegendeel der Staten van Holland. Venator bleef prediken, beschermd door de magistraat, terwijl de Staten gecommitteerden zonden om de prédikanten terecht te wijzen (1609). Plancius, als gedeputeerde der synode, en de overige predikanten te Amsterdam steunden de classis. De eerste hield o.a. 16 Jan. 1609 in de Staten een oratie te hunner verdediging en werd 16 Sept. ernstig door Oldenbarnevelt terecht gewezen, omdat de classis steeds nog de gesuspendeerden niet in hun ambt herstellen wilde.

Ao. 1609. 17 Sep[tembris].

Hillenius cum sociis, 4 in getale (Plancius, Hillenius, I Roggius ende Meusevoet)1).

Versoecken gehoort te wesen op eenige zaecken daervan het classis van Alckmaer werdt beschuldicht; es tot andtwoordt gegeven, dat zij tselfde wel mogen doen, zoo verre dat den gesuspendeerden predicanten directe noch indirecte nyet en raeckt, twelck alsoo Hillenius hem geliet als offtet denselfden nyet en was raeckende, es hem geaccordeert tzelfde voor te dragen, twelck by hem gedaen

[p. 213]

zynde zoo by monde als by overleveringe van zeecker geschrift, twelck op den name vandt classis van Alckmaer was gestelt, es bevonden dat zoo wel het een alst ander was raeckende de proceduren by tvoorsz. classe tegen den voorsz. gesuspendeerde predicanten gebruyckt ende oversulcks geresolveert, dat men henluyden zal aenseggen datse haer aenclacht zullen doen ten bywesen van de beschuldichde partye. Ende alsoo de voorsz. Hillenius cum suis versochten copie van zeecker acten dye voor desen tegen haer waeren overgelevert, es tselfde afgeslagen, alsoo zyluyden tselfde wel weten als present geweest zynde, doe de voorsz. overleveringe geschiede, oock nyet geraden daeraff verder openinge gedaen te werden tot vermijdinge van verder misverstanden.

Daartegenover staat (het papier is in tweeën gedeeld):

Adolphus ende Lemannis1).

Dattet classis ofte synodusboeck alletydt gewoon es bewaert te werden in de sacristie van Alckmaer in een casken daervan elcke predicant van Alckmaer een sleutel heeft2), welcke boecken nu by Hillenium alle tydt tsynen

[p. 214]

huyse werden gedragen, zonder dat zyluyden daervan visie mogen krijgen. Dat oock de aelmissen tot een grote somme zijn vergadert ende noch eenige quotisatien daertoe omgeslagen, zonder dat zyluyden eenige kennisse hebben vandt employ van dyen, dan dat zij supplianten ofte remonstranten alle haer oncosten van reysen ende anders zelfs hebben moeten dragen, daer ter contrarye haer partye tselfde uyt het gemeen zyn genietende.

1)Plancius en Rogge (predikant te Hoorn) waren de synodale gedeputeerden, Meusevoet was predikant in Schagen (Rogge, a.w. I, 328).
1)Adolphus is Venator; ook Brandt II, 105 noemt geen andere predikantennaam.
2)Dit geschiedde in 1611, toen de twist zoo hevig was geworden, dat de Staten weer tusschenbeiden kwamen en het herstel van Venator doorzetten. Toen deze echter in de stad kwam, verzocht, hij aan Van Hille inzage van 't classisboek, dat daarna door de eerste werd medegenomen naar Schagen. Dit en dat hij de sleutel van de kist, waarin de kerkboeken geborgen waren, niet wilde afgeven, was de aanleiding tot 't ontslag van Van Hille door de Staten (Rogge, a.w. II 60). In Nootivendich Historisch Verhael van allen Swaricheyden ... binnen Alckmaer voorghevallen.... Alkmaar 1610, (Knuttel, Pamfletten-catalogus no 1841) wordt gesproken van verminking der papieren in de ‘sacristye’ door Van Hille, die er ook enige uit had weggenomen, toen Venator toegang daartoe verkreeg, en van 't wegnemen van 't classisboek, waarin bij teruggave allerlei veranderd was (1610), maar niet van uitscheuren van bladen (a.w. 59 en 219). Dit boekje is van Venator. Zijn tegenstander zelf schijnt 't uitscheuren wel enigszins toe te geven in zijn ‘Corte... Verantiwoordinghe over de Proceduren.. van Alckmaer,’ 1610. (Knuttel, a.w. no 1778) (cf. C.W. Bruinvis, Het Alkmaarsche Kerkgeschil op 't ergst, Alkmaar 1894, waarin geen uitspraak wordt gedaan over de al of niet uitscheuring).
prepostterug  begin  verder