Het op de volgende bladzijden afgedrukte manuscript vormt een lijvige folioband, in perkament gebonden, in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek gecatalogiseerd onder no. 977-I, C 15, waarin 81 bladzijden beschreven zijn. Het is samengesteld uit een vijftal min of meer zelfstandige hoofdstukken, die blijkens aantekening van Hooft door toedoen van hem zelf in één band werden verenigd. Vele delen nam hij over uit vroeger opgestelde redevoeringen, vele ook gebruikte hij later weer, maar vooral geeft hij hier uitvoerige citaten uit allerlei boeken ten bewijze van zijn beweringen, zodat wij hier zeer duidelik zien hoe Hooft tot zijn denkbeelden kwam. De eerstgenoemde passages heb ik niet, de citaten grotendeels in excerpt opgenomen.
Moeilik is het enigszins nauwkeurig op te geven, wanneer het handschrift is ontstaan. Het is niet geheel door Hooft zelf geschreven: een deel maakt de indruk alsof het door een ander is gecopieerd en daarna door Hooft gecorrigeerd en van allerlei toevoegingen voorzien Dit oorspronkelike manuscript moet wel opgesteld zijn in 1613 of 1614, want allerlei gebeurtenissen uit 1611 en '12 zijn hem bekend en een enkel voorval in 1615 niet. Op blz. 293 mag dunkt mij wel verondersteld worden, dat Hooft denkt aan de resolutie tot vrede der kerk, waarover men toen onderhandelde, maar die nog niet was opgesteld (Januari 1614) terwijl hij in 't einde (blz. 344) haar als aangenomen vermeldt. Aanhalingen uit in 1615 en 1616 verschenen werken zijn duidelik later toegevoegd en hij heeft er nog in 1617 allerlei in verbeterd (blz. 307 noemt hij: Het nodige antwoord der Remonstranten). Andersom schijnt (‘onlangs’ is anders vaak bij hem niet: ‘kort te voren’) het gekrakeel over het beroep van Vorstius (1611 en 1612) nog slechts kort geleden, evenals de moeilikheden van Uitenbogaert over het doopformulier (Februari 1613, blz. 299 en 351).
Gelyck als wy onderscheydt maecken tusschen het ampt der overheydt ende de bedieninge van dyen, alsoo moeten wy van gelycken doen tusschent predickampt ende dengenen dye tzelfde bedienen. Ick hebbe van overlange wel fauten gesyen in eenige bedienders van dit laetste, maer wetende dat men (in sonderheydt in dusdanigen groten familie) qualick alle tydt lachende huyshouden mach, ende deen dander nootlick wadt te goede houden moet, hebbe ick denzelven doorgaens geduyrende den tydt van mijn bedieninge in haerluyder versoecken nijet min faveurs bewesen als verscheyden andere heren. Maer alsoo zedert dyen tydt de zaecken van de kercke noch vrij wadt verder zijn verlopen ende dat alsoo op den 26en ende 28en Februarij ao. 1611 de heren burgermeesteren in der tydt ter vergaderinge van de heren xxxvj Raden goedt vonden te vragen ofte yemandt onder henluyden aldaer wiste te seggen, dat onse ministers haer eenichsins mette politycke regieringe waren bemoeyende: zoo hebbe ick voor myn advys alsdoen eenige verclaringe daerop gedaen: daervan ick alsnu wadt breder vertoninge zal doen1).
Ende middelertijdt willen dese luyden zelve twederley catechismen gebruycken tot haerder keure, daervan dene zodanigen vrage voor den assistenten van den doop der ionge kinderen inhouden, dat deselve met simpel ia beandtwoordt zijnde, medebrengt dat men alles wadt in der kercke werdt geleert, moet houden voor de waerachtige volcomen lere der zalicheydt: sonder deselve te maecken relatijf totte leere vandet oude ende nieuwe testament, gelyck men voorhenen heeft gebruyckt2). Is dat nyet
zoo veel geseyt, als dat nijemandt van onse predicanten ergens inne mach dwalen? twelck onse voorouderen de hele algemeene kercke nyet hebben willen toestaen. (Van de gebreeckelickheydt van 't menschen verstandt in godtlycken zaecken, syet het derde capittel deses geschrifts in 't brede. Boven zoo veel verscheyden translatien van den Bibel willen donse noch een besondere translatie hebben.) Ende dat meer is, dese luyden haerzelven nyet vernoegende met zoo veelderley oversettingen van den bibel, als tegenwoordich zijn bekent, maecken haer zelven noch de vrijheydt nyet alleen om deselve te resumeeren, maer oock om een nieuwe oversettinge te maecken op haer eygen handt1).
(Een mugge siften ende een cameel opslocken.) Is dat ten opsyen van der Heren Staten actien niet wel den mugge gesift by dengenen dye in haer eygen zaecken van gelycke nature wel ruym een cameel schijnen op te slocken? Is dat nyet al te verachtelick omgegaen mette regieringe van den lande, dewelcke alle ziele onderdanich moet wesen, in zaecken dye nyet tegen God en zijn?
Sij weten immers wel, dat dye van Straetsburch1) noch in den iaere 1551, naedat zij de religie zoo lange te voorn hadden aengenomen, haere confessie metten Rycksvorsten confessie vlitich hebben gerevideert (Waerhaftiger grundtlycker bericht, f. 63 ende 76). Ia dat in den iaere 1561 de Augsburchsche confessie zelfs voor de elfde reyse, dat is nae proportie van de tydt om de drye iaren eens, gerevideert is geweest; ende hijer maeckt men voor deerste reyse zoo grote moeyten om dat werck, daer nochtans Calvinus (In Indice tractatuum theologicorum pag. 1, columna 1) zelfs den Geneefschen Catechismum oock al in den iaere 1536 heeft geschreven ende negen iaeren daernae, als in den iaere 1545 deselfde in een ander forme heeft gestelt ende uytgegeven heeft2). Syn wy alsoo handelende nijet met al te groten eygenliefde gequelt?
Soudet oock haerluyden alle tezamen (dye apparentlick ten minsten eenige mede tot Geneve hebben verkeert) onbekent mogen wesen, hoet met zodanige zaecken in de kercken van Vranckryck is toegegaen? (Twintich synoden van Franckryck in den tydt van 53 jaeren.) Het dunckt myn buyten apparentie te wesen. Dan wadt daervan is, ick zal eenige aenwysinge doen van tgene by myn daervan werdt bevonden in zeecker boeck metten penne geschreven, inhoudende twintich sijnoden national van alle de kercken van Vranckryck van den iaere 1559 totten iaere 1612 incluys3), van alle dewelcke ick alleenlick zal
verhalen degene dye ick bevinde met dese zaecke besich geweest te zyn. Ende eerstelick int Synode den 10 Augusti ao 1563 tot Lyons begost, by twelcke fol. 25 verso § 11 int zelfde boeck, is geordonneert geen ander articulen van de disciplyn gemeen te maecken dan dye by gemeen advys van al de kercken zijn geresolveert. Int Synode tot Parys begost den 25en December ao 1565 werdt fol. 46 vant zelfde boeck § 24 onderscheydt gemaeckt tusschen deen ende dander Confessien ende deene van dezelve toegelaten te drucken ende dander nijet.
[De onderstreping is van Hooft; volgen aldus bepalingen van alle andere synoden tot 1612 toe; 1 fo. bl.]
Int Synode van den 24en May 1612 tot Prinatz in Vivaretz begost is de confessie geresumeert, ende het 14e articule van dyen gedisputeert, maer nijet veranderdt ende voorts fol. 286 den boeckdruckers belast, de confessie nyet meer te drucken metten titel van gevisiteert ende gecorrigeert by het Sijnode nationael, maer is fol. 236-237 de disciplin geresumeert ende in verscheyden poincten verandert.
(Wy zyn met alte groten eygenliefde gequelt.) Myn gedenckt oock dat voor de troublen de psalmen by eenen Nivelt1) (zoo ick mene) in onse Nederlandtsche tale op maten ende veelal op lichte gemene voisen gestelt ende metter tydt in grote mennichte onder den gemenen volcke verspreyt zijn geweest, welcke psalmen daernae int begin van de troublen door Petrum Dathenum zyn ge-
bracht in zodanigen forme als wy dye nu in de gemene kercken zijn gebruyckende. Ende heeft evenwel de Here van St. Aldegonde naderhandt in zyn particulier hem nijet ontsyen deselfde wederom op een anderen voet te brengen, zonder dat ick oyt hebbe gehoort, dat men hem tselfde qualick afgenomen heeft. Wy willen immers den catechismum nyet boven de psalmen stellen, noch den Staten van den landen minder autoriteyt toeschriven als zodanige particulieren?
Den Apostel Paulus (Coloss. 2 v. 21) tot zijnen tydt syende, dat eenige uytten Joden hem onderwonden de Christelycke gemeente onbetamelycke wetten voor te schriven als gemaeckt nyet, smaeckt nyet, handelt het nyet, heeft hetzelfde tegengesproocken, op welcke plaetse Calvinus ende Marloratus1) beyde aldus schriven: Paulus naevolgender wyse verhaelt hoeverre de swaerhoofdicheyt plach te gaen dergeender dye met haere wetten de conscientien willen verstricken. Int begin zelfs zijnde alte onbillicke straff: als se daernae verkregen hebben datse hebben gewilt, zoo gaen se dat eerste gebot te boven, datse daernae verbieden te smaecken, datse wilden dat men nyet eten zal, waernae zy van zodanigen daedt een swaere sonde maecken. Ende als se eens over de zelven hebben getijranniseert, en isser nimmermeer eynde, off zij voegen van dage tot dage meer nieuwe wetten by de oude, maeckende van tydt tot tydt nieuwe decreten enz. Soo dattet nyet nieuws is, dat de gemeente met zodanige zaecken is gequelt geweest. Maer in dese landen daer wy zoo onlangs het pausdom hebben verlaten, d'Overheydt zelfs te willen bestricken in veel minder zaecken als de kercke zelfs by der handt neemt, dunckt myn geheel ongerijmt te wesen.
(Een van de ministers stelt hem zelf tot patroon van een banckerottier.) So men hem ook behoorlick mocht informeeren ondert collegie van den ministers deser stede, ick mene, dat onder denzelven eenen soude mogen werden gevonden, dye hem tot voirdel van zeeckeren banquerottier
heeft onderstaen eenen van desselfs banquerottiers crediteuren aen te bieden merckelick avantagie, zoo hij als eenen belhamel wilde voorgaen int teykenen van zeecker accordt tusschen denzelfden banquerottier ende zynen crediteuren voorgeslagen, om alsoo by middele van dyen dander crediteuren te misleyden ende te beter te bewegen, om zodanigen accordt mede te bewilligen, maer werde dye voorsz. presentatie afgeslagen.
a)Wadt aensyen het ook heeft ende oftet oock een goedt exempel voor ander goeder luyden kinderen geeft, tgene geseyt is geweest dat tusschen onsen la Maire ende de dochter van Hans van Geel eertydts zoude wesen gepasseert1), wille ick anderen mede laten oirdelen.
Alsmede, off oock (contrary de civylheydt in gelycke zaecken ondert pausdom zelve altyt gebruyckt) uyt dinstigatien van dyergelycke luyden voor eenige iaren nyet mach gecomen wesen, dat enige officiers ten platten lande, tegen de nature ende alle redelyckheydt, int drockste van den hoijbouw (dye doen ter tydt zeer nadt ende iammerlick vyel) de goede luyden zoo moeyelick waren, datse nyet wilden gedogen dat men de sondagen daer toe zoude mogen gebruycken om haer hoy altemet met een droge vlage te mogen bergen, schynende lyever te hebben dattet alles zoude hebben vergaen, twelck ick noch doenmaels zelfs, ten aensyen dat de goede luyden daeraen zoo veel was gelegen, hebbe helpen remedierenb).
(Plancius draecht hem nyet oprechtelick alst wel behoorde.) Oock mene ick zelfs goede memorie te hebben, dat Petrus Plancius met Warnerus Helmichius, nyet lange voor denselven Helmichij overlyden2), beyde in burgemeesters camer verschinende, denselfden Plancius uyt zeecker schriftelick memorycken met groten ernst voordroech een groot getal suspecte poincten, dye hij Jacobo
Harminio te last leyde ende datten selfden Plancius zijn reden geeyndicht hebbende, den voorseyden Helmichium versocht, het zyne mede daertoe te seggen. Den welcken voort daerop verclaerde, dat wel waer was dat Harminius met dye poincten belast was geweest, maer dat hy van een groot deel derselver de kercke hadde voldaen1): zoo datter noch wel een deel daervan in dispute waren, maer dye en waren nae myn onthoudt nyet veel meer als het derdedeel van degene dye Plancius hadde voorgedragen, van welcke geschiedenisse ick naderhandt eenige heeren deser stede enige onderrechtinge gedaen hebbende, hetzelfde daernae henluyden by occasie hebbe doen verstaen uijt Helmichio zelfs, hoewel hij wel wadt civilick daervan was spreeckende. Ick mene oock dat dominus Plancius zelfs daerop gehoort zijnde, en zoudet oock zelfs nyet konnen tegenspreecken, alsoo geschyet te wesen.
(Plancius nyet vry van calumnien.)a) Gelyck hy oock best zoude weten van tgeene myn voor geloofwaerdich is aengedient, dat hy verhalende, hoe dat Godt de Heere de regieringe deser stede in dye swaere sterfte van den iaere 1602 ende 1603 zoo genadelick hadde verschoont: hy Pieter Jacobssz Nachtglas fabryckmeester2) alleen hadde gestraft, om dat hy quaedt predicants hadde geweest, twelck myn een zeer onbillicke zaecke dunckt te wesen, alsoo ick mene, dat dyen man hem doorgaens zeer vroom van gemoedt ende zeer bescheyden heeft gedragen. Wadt durven dye luyden nyet seggen?b)c)
Daerbenevens weten wy mede, dat alhoewel onse predicanten op haer aencoomste hyer ter stede, onder den titel van transportgeldt ofte verhuysinge, een en schonen penninck, dye voorschreven oncosten (na myn gissinge) verre te boven gaende, werdt vereerdt, dat oock daerenboven eenige van henluyden, ten aensyen van de soberheydt van haere kledinge, alsmede om boecken te copen, eenen temmelycken penninck werdt bygeleyt: ende dat zij boven alle tzelfde, alle zonder onderscheydt van schone ordinaris iaerlycksche gagien, mitsgaders van aensyenlycke schone woningen werden voorsien1): zulcks dat ick mene, zoo het nyet alheel ten vollen, dattet ten minsten ten naesten by compt totte gagie ende tractement van den Raetsheren van den Rade provintiael, soo heeft men haer nochtans in haere predicatien dickwils zeer incivijlick horen uytbreecken op de regieringe deser stede, schynende deselfde voor den volcke stinckende te willen maecken over de mennichfuldicheydt van de delicten alhyer vallende, in allen schyne of myn heren daerin nyet zoo groten mishagen hadden als zij luyden zelve, twelck zij nochtans wel beter behoren te weten.
Na de brieven, vermeld blz. 241, doet Hooft volgen:
Ende alhoewel het seggen, dat burgermeesteren tot noch toe in de verkiesinge van den predicanten schinen te hebben mijns bedunckens meer een actus formalis als een datelick werck schijnt te wesen, als tenemael opdt compas van den kerckenraedt daerin tseyl gaende sonder haer zelven daerop te imformeren, zoo mene ick nochtans wel berecht te wesen, dat men in den kerckenraedt noch wel derff sustineren, dat men burgermeesteren daerin nyet behoort te kennen, ende dat men deselfde noch ter tijdt daerin kennende, tselfde soude doen onder protestatie van non praeiudicie2).
Off oock nyet wel grote ende onbehoorlycke onheus-
heyden ende dreygementen zyn gebruykt tegen eenige ouderlingen ende diaconen, wesende ingeboorne van den lande, omdat zy in tstuck van verkiesinge van deen off dander, ofte oock andersins haer wadt hadden geopposeert, waer mijns bedunckens nyet onnodich, dat mijn heeren haer daerop wel imformeerden, alsoo ick meene dattet zelfde nyet sonder reden werdt vermaent.
Als men nu boven tgeene voorschreven is, daerby naedenckt, hoe dat al in den synode van den iaere 1574 ende sulcks vijer iaren voor de reductie deser stede, tot Dordrecht gehouden, tegen de schrifture van alles te proeven ende tgoede te behouden, insgelycks van de geesten te proeven off zij uyt Godt zijn (1 Thess. 5: 21, 1 Cor. 14: 32, 1 Johan. 4: 1), met groter ernst is geordoneert, dat men by verscheyden middelen de genaemde kettersche boeken zoude weren1). Twelck hoe verre het lopen zoude, wel kan besloten werden, uyt hetgeene dat men zedert dyen tydt, zoo van de Justificatie van Leyden als andersins hyer ter stede wel heeft vernomena).
Sal men dit alles alsoo met goeden ogen moeten aensyen, sonder aenwysinge te mogen doen vandt ongelyck twelck het landt ende den naturellen ingeboornen daerby geschyet, nochte oock mogen insisteren ten eynde dye saecken hetzy by kerckelycke ordonantie ofte anders behoirlyck mogen werden gedresseert: zoo duchte ick dat dautoriteyt publyck soude wesen gebracht in state van tenemael tonder te gaen ende dat wy zouden vervallen in een waere anarchia.
Men laet nijemandt toe een simpele burgers neringe te doen, tenzy dat hij als burger in den burgerlycken eedt zij geboren ofte andersins dat hy zijnen behoorlycken eedt als burger hebbe gedaen, ende daartoe betaelt het poortergeldt, mitsgaders de gerechticheydt van den gilde daeronder hy hem is begevende. Ende zal men dese luyden inruymen alsulcken autoriteyt om zoo vry ende zonder instructie te besoigneren in zaecken van sulcker importantie, twelck den alderbesten van den lande in geenderhande staten werdt toegelaten?
Ich hebbe eens daerop horen seggen, dat zy genoch gebonden zyn aen de heylige schrifture, in allen schyne als off dye alle andere goede luyden van andere eerlycke staten nyet zoo wel aenginck als haerluyden, ende off zij alle menschelycke genegentheyden zooveel meer als andere vrome luyden hadden afgeleyt, daer zooveel exempelen zyn ter contrarie, van zoo kleynen getal als tot nochtoe hyer ter stede tot ouderlingen ende diaconen zyn gebruyckt geweest, daervan myn een goedt deel wel indachtich is ende bekent, dye ick alsnoch wel zoude konnen noemen, maer tselfde alsnoch late om redenen t' getal van de banckerotten alleen zoude wel eenen goeden hoop maecken, godt betert1).
Den commentator van Augustinum de civitate Dei2) libro 18 cap. 43 leert ons wel, dat in den alderheylichsten mannen de menschelycke affecten zeer heerschen. Daerom seyt men, Virtutis laus in actione consistit: tis met seggen nyet te doen. Men schrijft den luyden dickmael meer toe alst wel behoorta).
Schynt oock wel een saecke van bedencken te wesen, dat dye van de kerkenraedt, so men seyt, ordoneren ende disponeren van de incoomsten van de kercke ende alsulcks haere reysgelden ende dyergelycke oncosten, dye zij buyten
deser stede doen, van de respective kerckmeesteren ofte diaconen alhyer zyn vorderende, zonder ordonantie van burgermeesteren over te leggen, gelyck burgermeesteren selfs ende alle andere raedtspersonen van haere reysgelden ter tresorie moeten doen1).
(Doopsgesinde hebben de meeste vervolginge voor den troublen in Hollandt geleden.) Ende es mijn met alle den genen, dye de beginselen van dese binnenlandtsche oorlogen hebben gesyen, zeer wel bekent, dat dye haer oorspronck hebben genomen uijt de wrede vervolgingen in geloofszaecken. Hoe het eygentlick daermede is toegegaen in dander provintien als Brabant, Vlaenderen ende dyergelycke, soude ick niet wel weten te seggen, maer heeft nae mijn outhout eenige iaeren voor tbegin van de troublen hyer in Hollandt ende Vrieslandt meest gegaen over den genaemden mennoniten ofte wederdoperen sonder dat men, mijns wetens, doentertydt van gelycke swaricheydt van den gereformeerden heeft vernomen, voor ende aleer dat in den iaere 1566 tegen tvoorsz. vervolch by maniere van confusie, openbare wederstandt werde gedaen, daerin enige van de Gereformeerde kercke hen begonsten bekent te maecken met groten toeval van tgemeene volck, van allerley soorten, dye ick mene dat meestendeel weynich fundament hadden in saecken van religie, maer tselfde meest deden uyt haet van de voorsz. vervolginge ende oversulcks naderhandt de saecken by de hartoginne van Parma, door de coomste van Ducq d'Alva wederom op den ouden voet van regieringe gebracht synde, bij mennichte in groot verdriet ende om lyf ende leven zijn gecomen, ende onder denselven vele van dyen van de gereformeerde religie, dye alsdoen bekent waren geworden, ende werde het vervolch alsdoen soo hart aengebonden, dat de luyden van verscheyden gesindtheydt, zoowel Mennonieten als Gereformeerden ende alle dye een afkeer vandt pausdom hadden gekregen, in grote mennichte werden gedrongen het landt te verlaten ende haer zelven te salveren, hebbende hyer ende daer zoo van deene als van dander
gesintheydt middel gevonden, om eeniger maten haer gelove vrij te beleven, totter tydt toe dat Godt de Here Almachtich zyne genade heeft verleent, dat een yder noch int leven zynde opt gemeene beneficie van de Pacificatie van Gendt wederom vrij int landt heeft mogen comen, (Vruchten vande Pacificatie van Gendt) twelck geschiet zynde, is alomme by de Regieringe van den lande van Hollandt, den Mennoniten, dye lange iaren voor tbegin van de troublen de heetste vervolginge aldaer hadden geleden, de oeffeninge van haere religie toegelaten geweest ende alsnoch toegelaten werdt, zonder dat ick oyt hebbe verstaen van eenige moeyten van der Overheydt ter contrarie. Maer hebben dijen nijettegenstaende onlangs daer nae eenige van de gereformeerde religie, ofte van dezelve uytgemaeckt zynde, dye voorsz. Mennoniten hyer ter stede, zoo optter straten, als in den huysen ofte spyckers, daer se haere vergaderingen hielden, gepoocht daerinne te versteuren ende tselfde te beletten, waervan alsoo ick niet wete dat eenige klachten aen de Overheydt is gedaen geweest, ende dattet nochtans eenigen tydt daernae, als van hem zelfs, heeft opgehouden, vermoede ick dat dye stilstandtte wege gebracht is geweest door den burgermeester Bardesius z.g. dyens huysvrouwe ende suster geduyrende haer leven dye gesintheydt hebben gevolcht1).
Ende alhoewel een iaer vijf ofte ses voor tbegin van de troublen, tvervolch in Hollandt (als voorn is geseyt) seer groot ende de magistraet deser stede zeer bitter ende bloedtgierich was: oock tenselven tijde hyer nijet meer als twee principale boeckvercoperswinckelen waren, als deene in de vette hen ende dander in den bibel: oock de placaten tegen de ketters ende den verboden boecken zeer scharp: zoo is evenwel mijn selfs, wesende een kindt van 13 ofte 14 iaeren, wedervaren, dat ick vragende nae een latijns testament van Erasmi translatie, myn een werdt gelevert, daerby ick, sonder daernae te vragen, vondt, Omnium capitum argumenta per Rodolphum Gual-
therum elegiaco carmine conscripta: dewelcke immers opdt alderseerste invectyf syn opdt pausdom1), welck exemplar noch tegenwoordich by myn is. Aen welcke handelinge men syen kan van hoe kleynen vrucht alle dye voorschreven bloedige placaten syn geweest, gelyck dengeenen dye dye tyden hebben beleeft, wel is bekent. Ende desen allen onaengesyen hebben evenwel dye van den voorsz. kerckenraedt haer nyet ontsyen, in haer voorseyde geschrift mede te versoecken, dat het drucken ende herdrucken van eenige boeckskens ende namentlick mede de Justificatie van Leyden, met eenige nieuwe praefatien, mocht werden geweert2). Maer werde nyet goedt gevonden yedt daerop te doen, hoewel ick tselfde iaer in volle vergaderinge van burgermeesteren ende schepenen, by gelycke occasie, twee van den heeren aldaer present zynde, hoorde seggen, dat men noch wadt most temporiseren, maer dat men mette eerste gelegentheydt ordre tegen de ketters soude moeten stellen, van welck den eenen al voor lange iaren is overleden. Den welcken zoo hy tot op desen tydt hadde mogen leven van de eerste soude hebben geweest, dye, als in t stuck van de predestinatie met onsen predicanten nyet eensgesint zynde, daerom soude hebben moeten lyden, als by desen tydt voor duijvels ende pesten gescholden werdende, dye men met hare kinderen behoort te verdriven3), sonder dat men hen ontsiet met instigatien tot sulcks streckende, den magistraet op den inganck van haren dienst te congratuleren. Twelck alsoo het met grote vrijmoedicheydt is gedaen by Mr. David Mostaert4), voor-
sanger zynde in een van de hooftkercken deser stede1), is wel te dencken, dat hij dat nijet heeft bestaen, dan by kennisse ende goedtvinden van den kerckenraedt, ofte ten minsten yemandt van denzelven, gelijk oock apparentelyck is gedaen by Herman Allertssz, coster van dezelve kerck, met een boecksken, genaemt Spiegel der ieucht, by hem naderhandt uytgegeven, mede ten zelven eynde streckende, als oprechte vruchten van de mennichfuldige dagelycksche smaetwoorden, dye onse voorsz. predicanten overvloedelick van den predickstoel met grote hefticheydt uijtstorten, nyet anders streckende als ten ophitsinge van tgemene volck, denwelcken zij nochtans geen oordel zyn toeschrivende2).
Item tgeene op den 29en Maij 1611 met grote hevicheydt wierde uytgeroepen, dat eenige personen alhyer dye Libertinen ende vrijgeesten wierden genoemt, daervan de daedt zelfs sprack, dewelcke de oprechte dienaren Goods hateden ende vervolchden, ende uyt haeren dienst sochten te stoten, waermede ick vermoede dat wierden gemeent dye geene, dye haer in de vijf poincten in questie2) metten onsen nyet konnen conformeren, maer daerin moderatie sijn versoeckende. Derwelcker meninge ick nochtans noyt hebbe verstaen tot sulcks te strecken, maer alleen om verseeckert te wesen, dat zij zoo wel als dandere den dienst des woordts souden mogen betreden ende van den anderen nyet souden werden verbeten, gelyck men heeft gesien de saecken daerop int quartier van Alckmaer aengeleyt geweest zyn, gelyck oock naderhandt hyer ter stede met Simon Goulaert is gehandelt3).
Item dat daernaer op een ander tydt voor sotten ende
narren wierden gescholden, degeene dye haer nyet totter gemeente begaven ende wijerde voorts de gemeente zeer gerecommandeert ende aengepresen het exempel ende de historie van den kinderen van Israel (Numeri 33 v. 51, 56) tegen den inwoonderen vandt landt Canaan, meest daertoe streckende, dat de kinderen van Israel int beloofde landt comende alle dinwoonders desselven landts verdriven, haer beelden ombrengen, te nyet doen ende tlandt by haerselven by lotinge uytdelen souden, ende by gebreecke van tselfde te doen, tvolck van den voorsz. landen, henluyden tot doornen ende prickelen werden ende de Heere dyen van Israel daerover straffen soude; alle tselfde applicerende op den staet van dese landen, om op gelycke maniere tegen elckander te procederen.
Item, 't geene myn al voor eenige iaeren by geschrift is behandicht voor een extract van zeecker versoeck byden Synode van Leuwarden op den 21 Martij 1598 begonnen ende aen den Heeren volmachten staetsgewyse op den landtsdach vergadert, te remonstreren, om tot gemenen besten ende welvaren van de kercke Christi daerop te disponeren, aldus luydende1): Dewyle dervarentheyt leert hoe groten schade het der kercken Goods aenbrengt, dat nae opentlycke alhyer gehoudene disputatie, den wederdoperen vrye exercitie haerder hetterye vergunt werdt: nyet anders, als wanneer uyt sulcke disputatie geen onderscheyt tusschen de ware kercke Goodts mette rechte leere ende haer valsche leere konde gemaeckt werden: soo bidden de dienaren des godtlycken woordts in dese Provintie, dat myn heeren de volmachten believe in desen te remedieren, zoo zij bevinden sullen te dienen tot Goods gemeente ende bevrijdinge van haer conscientie.
Item: tgeene ick tanderen tyden by Dominum Bezam hebbe gelesen (Tract. theolo. tomo. 1 pag. 119), seggende: Dattet eenen sonderlingen troost is voor den gelovigen, dat, daer andere nyet dan met tijrannije ende roverye de geschapene dingen genieten, henluyden nochtans (te
weten de gelovigen) dye in Christo het recht weder hebben verkregen, datse in Adam hadden verloren, alle dingen zuyver ende reyn zyn door Goodts woordt ende den gebeden.
Waerby gevoecht het groot misnoegen, dat nu eenige iaren by allen Protestanten, zoo wel by den onderscheyden Lutherschen als by den strydigen gereformeerden is vertoont: ia daerover by den gematichden pausgesinden, zoo ik mene, oock wel werdt geclaecht, dat ter plaetse daer de landtregieringe by den Pausgesinden bestaet, alleen de kraftichste lesuiten daertoe werden beroepen. Ende dat wy ter contrarye ons zelven door den vinger syende, nyet en bemercken, dat eenige alhyer ter stede haer alrede zoo verre hebben laten innemen, datse denzelven voet gaen practiseren, ende dat alsulcks de gematichtheydt ten wedersyden weynich plaetse mach hebben, als zynde nu alrede eenige iaren hyer ter stede seer uytterlick gearbeydt om uytte regieringe te weren degeene, dye men weet in tstuck van de predestinatie ende het aencleven van dyen wadt gematichder te wesen als sommige anderen, doende tzelfde met zoodanigen yver, dat men een goedt deel weecken voor daenstaende electie, onder den volcke weet te seggen, wadt nieuwe regenten dat wij hebben te verwachten1). Soo dunckt myn den noodt wel te vereysschen dat deze dingen eens met behoorlycke overlegginge mogen werden naegedacht, off ick by avontuire wadt te swaerhoofdich daerin mocht wesen, off dat by anderen mogelick daerop nyet soo veel werde gelet alst wel vereyscht.
(Exemplen van onse bittere voornemen.) Soudet voorwaer op dyen moer leggen, dattet der Contraremonstranten ende onder denselven onser predicanten ernstlycke meninge soude wesen, dat men metten eerste occasie soude willen soecken, om conform den voet onlangs nae de reductie deser stede, alhyer gearresteert, ende in den iaere 1597 by den kerckenraedt alhyer (als boven) bij geschrifte versocht, ende naderhandt by dyen van Vrieslandt, Groningen,
Embden ende Wesel ten deele begost1), ende ten dele oock een tydtlanck gepractiseert, tegen den doopsgesinden te procederen; ofte nae tverstandt van Mr. David Mostaert, Herman Allertssz. coster ende2) tegen den Remonstranten ende dyergelycke te handelen; ofte nae de uytgedructe woorden van den onsen zelve van den predickstoel tegen alle dengenen dye hen vooralsnoch nyet totter gemeente konnen begeven, nae het exempel van Gedeon ende Jehu, als tegen Libertinen, vrygeesten, sotten ende narren. Item, als tegen den Midianiten, tegen Achab ende Jesabel, tegen den Baalspapen ende tegen den Cananiteren te procederen, ofte (twelck noch hoger loopt) dat men syende datte saecken van den lande nijet alheel nae haerluyder verstandt werden beleydt, den gemeenten onder den schyn van een werck des H. Geestes soude willen persuaderen, datse conform den voorsz. voet van Edinburch ende ten dele van dese landen zelve van den iaere 1587 den Coningen, Princen ende andere souveraine regieringen ontvoochden ende den wet stellen souden willen. Myn dunckt voorwaer, dat wij met malckander in een seer elendige staet souden wesen ende dat men geene wegen ofte middelen soude konnen bedencken, waerdoor men den Coninck van Spangien meerder dyenst soude mogen doen om dese landen te vermeesteren.
Twaer zeecker wel te wenschen, dat wy alle te zamen in geloofszaecken ten besten ende ten godtlycksten eens waren gesint, maer ick en kan daertoe nyet syen eenige apparentie, als zijnde zaecken dye met gewelt nyet uyt te rechten zyn: dexemplen van keyser Caerl ende zynen zoon Coninck Philips zyn ons allen wel bekent. De monarchen hebben niemandt van den haren, dewelcke sodanige swaericheydt souden gevoelen, waerom zy oock te min zouden wesen beweecht, om haer aen yemandts
elendicheyt te bekeren. Ende alsoo soudet mede mogen gaen als men dese landen alheel met vreemde ende uytheemsche regieringe soude menen te besetten. Maer naedat de tegenwoordige regieringe is geformeert, mene ick datter bynaest niemandt is off hij heeft eenige van den zijnen, dye anders is gesint, diese nochtans nyet souden begeren te gedogen, dat daerom souden werden gekrenckt.
Myn is noch seer wel indachtich, dat omtrent 25 ofte meer iaeren geleden, doen dese landen van tydt tot tydt, opt wester water grote schade leden van den Engelschen, burgermeesteren seer grote moeyten ende veel te doen hadden om de saecken van den beschadichden te recommanderen, waerover als doen werde gedelibereert, off nyet geraden waer, een collegie van aensienlycke coopluyden op te rechten, dye tot dye zaecken metten aencleven van dyen mochten wesen geautoriseert; maer insiende dat men tselfde qualick soude hebben konnen doen sonder eenige uytheemsche van qualiteyt mede daer toe te gebruycken, werde tselfde naegelaten uijt bedencken, dattet tot meerder inbreck soude mogen dienen1). Maer als nu andere gesintheyden de zaecken over haere zyde mede gelyck wy souden drijven, soude dan elck nyet schijnen te verstaen, dat hem metten synen alleen toequam den aerdtbodem te bewonen? Wye en syet nyet, datten Paus ende dye van Spangien onder dyen titel alle haere wreetheydt, nyet alleen in dese ende andere Christenlanden, maer oock ende insonderheyt in America, tot een schrick ende afgrysen van alle de wereldt, ja van alle zoo wel onredelycke als redelycke menschen gepleecht, souden konnen iustificeren ende zooveel hen mogelick continueren? Wye en syet nyet dat de gehele Christenheydt (also men doch bevint dat elck pretendeert het beste te hebben, ende nijemandt ander wil wycken) haer zelven alsoo onderling bytende ende bevechtende, zij haer onder haer zelven haest tenemael zoude consumeren.
(Turckschen Keysers gedoochsaemheydt in religions-zaecken.) Den groten Turckschen Keyser heeft tot noch
toe onder verscheyden soorten van religien onder zyne regieringe oock toegelaten ende gedoocht de Christenen, maer zoo hem metten zijnen eens bekent gemaeckt ende voor zeecker ingeplant mochte werden t'verstandt der Christenen onder den anderen, zoo wanneer zij elckander in alles nyet konnen verstaen, zulcks te wesen, gelyck dye voorverhaelde propoosten ende insonderheydt dye openbare actien van Schotlandt toe strecken, men kan wel dencken dat hy stracks een ander voet zoude nemen, alsoo hy wel reeckeninge zoude konnen maecken wadt hy (als noch veel vreemder van haerder aller religie wesende) van den voorseyden Christenen soude hebben te verwachten, in gevalle zij tenigertydt middel mochten vinden om hem een voirdel aff te syen.
(Wy geven anderen oorzaeck om wredelycker tegen ons te procederen.) Souden oock de Princen ende potentaten van de Christenheydt, dye voor als noch geen goedt gevoelen hebben van de gereformeerde religie, daeruyt geen oorsaeck nemen om scharper op zodanige luyden toe te syen ende strengelycker tegen haer te procederen als denwelcken het te doen is, nyet zoo zeer om de vryheydt haers geloofs, maer voornemelick om ondert decksel van dyen, zodanige princen uytte regieringe te stoten ende selfs daerin te gaen sitten? Zoude dat nyet wel een religie ofte liever een ketterye wesen om alles in rep ende roer ende alle de werldt in onzeeckerheydt te stellen?
(Godt maeckt zyne weldaden van nodich onderhout allen soorten van menschen gemeen.) Ende alhoewel dese zaecken myn int voorsz. regard seer bedenckelick duncken te wesen, zoo zynse noch veel ongerijmder ten respecte van ons zelven als Christenen, den welcken immers nyet en betaemt den menschen int gemeen voor tijrannie ende roofgoedt toe te schriven, tgeene Godt de Heere door zijnen algemenen zegen van den opganck der sonnen ende bevochtinge van zijnen douwe ende regen, allen menschen zonder onderscheydt gemeen heeft willen maecken.
Den voorsz. heere Beza noch op een ander plaetse vergelyckende deerste tijden na den Apostelen met zynen tydt, seyt dat zijluyden min wetenschap ende meerder conscientie hebben gehadt, ende wy ter contrarie meer
wetenschap ende minder conscientie hebben, twelck mijn mede dunckt een beclaechlycke saecke te wesen, ende in allen schyne, gelyck men van ouden tyden van der deuchd plach te spreecken, wy het nu daervoor hielden, alsoff de ware godtsalicheydt in woorden ende uytterlick gebaer was bestaende, te meer (Predicanten belydenisse van haer eygen ende van anderen haer onbequaemheydt) omdat ick tot verscheyden reysen ende by verscheyden van onse predicanten hebbe horen vermanen ende haerselven tot een exempel stellen, ofte uijt haer eygen bevindinge te oordelen ende te getuygen, de onbequaemheydt des menschen zoo groot te wesen ende de barmherticheydt ende weldadicheydt Goods zoo weynich plaetse bij den menschen te vinden ofte van zoo kleyne operatie te wesen, datter nijemandt is, dye t'gebet des Heeren, het vader onse genaemt, met sulcken aendacht soude mogen spreecken, off hij en zoude door verscheyden, ia hondert invallende gedachten daerinne werden gesteurt. Is dat nyet een zaecke om de menschen in den yver totter godtsalicheydt te doen verflaeuwen? Soude men daer uyt oock nyet moeten besluyten, dat dan onsen predicanten in haere sermoenen ende predicatien, dye zoo veel meer tydts nemen als tottet spreecken van tvoorschreven gebet werdt vereyscht, met veelhondert invallende gedachten moeten werden geturbeert? ende dat dye alsulcks veel meer metten lippen werden voort gebracht, als datse uyt hartelycke beweginge ende eenen oprechten, godtlycken yver zyn voortcomende? Soude dat nyet wesen Gode metten monde ofte metten lippen te genaecken, ende dattet hertte verre daervan wesen soude? Immers het duncken myn zeer bedenckelycke propoosten te wesen om van predicantten voor den volcke gespreecken te werden ende dye den mensche, dyese gelooft, in den wech totter godsalicheydt moeten doen vertragen.
Van gelycken nature dunckt myn te wesen, dat ick tot verscheyden reysen ende by verscheyden onse predicanten hebbe horen allegeren dese spreucke (Rom. 8. v. 1): Soo en is dan geen verdoemenisse dengenen, dye in Christo Jesu zyn, telcken male naelatende de woorden dye int zelfde verset stracks daernae volgen, als nament-
lick dese: dye nyet en wandelen na den vleessche, maer nae den geest, waerby men schynt te myden dye plaetsen dye uijtdruckelickst de boedtvaerdicheydt des levens recommanderen, twelck den tegenwoordigen tydt wel heel anders is vereysschende.
Gelyck ick oock wel meermaels gehoort ende daerop gelet hebbe, datter voor de predicatien texten der schrifture zyn voorgelesen geweest, van zulcken inhoudt ende substantie, dat men overvloedige materie ende occasie hadde om den toehoorderen treffelick te bewegen ende twater uytten ogen te doen vloeyen, in plaetse van twelck men stracks als ter zijden uyttredende, den tydt toe brachte, om by hem zelven alleen ende sonder tegenpartije te disputeren ende precys besluyt te maecken van questien, dye nu op de bane zijn, zonder nochtans dyen van de regieringe selfs, ofte oock der gemeente eenich oordel daerin toe te staen, ofte denselven eenich ander verstandt als thaere, te goede te wille houden, nyettegenstaende zy zooveel van onse voorneemste lereraren (sic), daerin op haere zyde hebben. Phy sanctum Petrum, Phy sanctum Paulum, seyde Robertus Liciensis1) in zijn predicatie voor den Pauws met zijne cardinalen, deene reyse nae dander uytspouwende, daermede hy voorts van den predickstoel is gescheyden. De onse weten wel dat d'Apostelen haer de bedieninge van den armen ontslagen ende anderen opgeleydt hadden, opdat zij zelven haer werck te beter zouden mogen maecken van de bedieninge des woordts, (Onse geestelyckheydt schynt nijet vrij te wesen van haer autoriteyt te misbruycken), dyenvolgende schynen zy haer oock wel te genoegen datse mede van de meeste moeyelickheydt van dezelve bedieninge (nyettegenstaende het een kerckelycke bedieninge is) werden verschoont, maer off zy evenwel daervan het opperste gesach aen haer nyet en behouden, ende den diaconen, gelyck oock den sieckentroosters, het vylste ende periculeuste werck laten duijtrechten, dat is haerluyden zelf best bekent. Immers syen wy dagelycks, dat zy onder den schijn van
Goods woordt den volcke Vrymoedich voor te dragen, zy deselfde vrymoedicheydt zoo verre trecken, datse onder dyen schyn de personen ende actien van de regieringe van den lande, zoowel hoge als andere zeer smadelick traduceren, alsse iuyst haer verstandt in alles nyet gelyck zyn. Is dat nyet de vrymoedicheydt in licentie ende ongebondentheydt veranderdt? ende met dyen van Edinburch in Schotlandt geusurpeert gelycke impuniteyt alst pausdoom hem zelfs in heeft gemaincteneert, dat zy voor de werldtlycke overheydt nyet en zyn iustitiabel? Soo donse daervan mede in possessie konnen comen, zalder dan wel yemandt aen haren stock derven bassen?
Wadt isser nu ter tydt int landt ende voornemelick by den onsen hyer ter stede al te doen, om tegen tverstandt van zoo veel voornemen geleerden van onsen tyden, dautoriteyt publyck te vercleynen, ende daertegen nyet alleen collateraliteyt, maer oock bijnaest superioriteyt voor onsen geestelycken te stabilieren, in tstuck van kerckelycke besoignen ende vergaderingen? (Vercleyninge van dautoriteyt der overheydt, in kercklycke zaecken, tegen Calvini gevoelen ofte scriven ende tegen andere meer.) Myn kennisse is kleyn om veel daervan te spreecken, maer zal evenwel tverstandt van sommigen van den gereformeerden zelfs daervan cortelick verhalen, tot verlichtinge van dengeenen, dye dye saecken wadt willen ondersoecken.
Johannes Calvinus (in prefationi Institutionum ao. 1536) selfs seyt wel uytdruckelick, dattet oordel van alle geschillen van schriftuyrlycke ofte geloofszaecken den hogen overicheyden, ia den coninck van Vranckryck Franciscum, doenmaels pausgesint zynde, toequam, oock van de confessie zelfs in specie, gebruyckende oock dye woorden: Integram causae cognitionem.
Denzelfden noch tselfde zeer yverich in zyne scholiis op de vaderlycke vermaninge van Paulus tertius den Paus aen keyser Carel den vyfden1). Distinctionibus 1, 2, 4, 5, 6, 8, 12, 16, 19, 21 ende 37.
Ende Philippus Melanthon (Loci commun. titulo de
Magistrat. lib. mei pag. 341) vermaent d'overheydt met groten ernst om recht van schriftuyrlycke ende kerckelycke zaecken te oordelen ende opdt zeerste uyt haer eygen ogen te syen, opdatse nyet werden ministers ende dyenaers van ander luyden wreedtheydt ende godloosheydt.
Soo hebben oock gedaen de Gereformeerde kercken deser landen ondert cruys in den iaere 1559 by haer Request aen de overheydt deser landen, staende voor het Martelaersboeck1).
Wolfgangus Musculus Dusanus (Loci communes pag. 628 tot 635 incluys) handelt mede van dese zaecke seer breedt, dattet den Christelycken coningen, oock andere hoge ende minder overheyden toestaet, nyet alleen de kerckelycke geschillen taenhoren, maer oock mede te decideren ende sententieren, gelyck het onder Israël is geweest, twelck van Mosis, Iosua ende andere naevolgende rechters ende coningen etc.
Beza (Tractat. theolog. vol. 1, pag. 35, 36, 37, 38, 39, 40, 52, 72) sustineert mede, dattet beroepen van de concilien ende de hoochste directie van dyen der opperste macht toecompt ende dattet alsoo van ouden tyden is geweest, eer de geestelickheydt door haere ambitie de regieringe het, onderste gekeert hebben, wil oock dattet een ygelick, ia den alderminsten toegelaten zal werden aldaer vrij te spreecken.
Georgius Sohnius (tomo 2, pag. 35) verstaet, dat in de concilien behoren geadmitteert te werden zoowel leecken als geestelycken, keyseren, coningen, keurvorsten, vorsten, graven ende andere overheyden, oock rechtsgeleerden, nyet alleen om te horen, maer oock omt decideren ende sententieren.
Adrianus Saravia, doctor ende professor theologie tot Leyden geweest zynde, spreeckt daervan (De diversis Ministrorum gradibus, pag. 199, 200) zoo ernstlick, dat hy voor geen rechtgesinde theologen kan houden, dye de Christelycke overheydt in kerckelycken saecken nyet
toe en staen gelycke macht als de coningen ende rechters onder Israël hebben gehadt ende gebruyckt.
David Paraeus, doctor ende professor theologie tot Heydelberch, heeft op dese materie een besonder tractaet by forme van dedicatie aen landtgraeff Maurits van Hessen geschreven, voor zyne Commentarien op den Propheet Ionam, alwaer hy dye zaecke breedt ende bondich tracteert.
Gelyck oock nyet min heeft gedaen den bisschop van Chicester in Engelandt1) by forme van predicatie ter presentie van Zijne Mat. van Grootbritannien, twelck in Nederduydts overgeset is.
Alsoo oock Bartholomaeus Keckermannus zeer breet ende bondich in zijne Disciplina politica2) van pag. 515 tot 530 inclusive, hem voorts refererende op verscheyden ander voorgaende autheuren op dye materie geschreven hebbende.
Den hoochgeboren vorst ende heer Johan Pfaltzgrave by den Rhyn, hertoch toe Beyeren etc. heeft oock in den iaere 1603 in zijn stadt Tweebruggen doen drucken zeecker groot boeck in quarto, van de religions zaecken tot Straetsburch3), alwaer hy in de voorreden pag. 15 de heele magistraet ende burgerschap van Straetsburch, ia de gehele Christenheydt het oordeel beveelt van de religions geschillen aldaer ontstaen; dat scheelt veel van altemael aen de geestelickheydt alleen te stellen.
In conformiteyt van welcke plaetsen wy syen, dat de zaecken in Engelandt ende by verscheyden Princen ende Republycken van Duydtslandt werden gehandelt, waeromme ick goedt gevonden hebbe tot besluyt van dit capittel dus veele daervan aen te wysen, opdat men kennisse hebben mach, hoe de saecken aldus werden verstaen, ende daerby te beter afmeten, den groten ende ontydtlycken yver, dye hyer te lande werdt bewesen tot vercleyninge van de
autoriteyt van de regieringe, alleenlick ter oorsaecke dat se nyet alle zaecken van den lande beleyden, zulcks alst eenige van de kercke ten dele uytheemsche zynde gaern zouden syen. Daer nochtans alle de werldt bekent zyn dye extraordinairise ende mennichfuldige debvoiren alhyer te lande gedaen, om de vryheydt van de religie ende van den landen te maincteneren ende tegen alle oppressien te beschermen.
Maer hyertegen zoude mogelick yemandt pogen te maecken eenich onderscheydt tusschen den magistraeten van dese ende dye andere voorsz. landen, doordyen zy eenige van de regieringe van dese landen kennende, haer zouden mogen onderwinden, yedts berispelicks tegen d'een off d'ander te hebben, nyet denckende, zoo zij zoo lange in eenich van dye ander landen hadden gewoont, dat zydt daermede nyet zoo heel viercant ende zonder alle feylen zouden vinden1).
(Ambitie ende grote onrust van den geestelycken doorgaens ende oock insonderheydt tot onsen tyden.) Om ons nu nyet soo seer te verwonderen, dat de geestelickheydt tot onsen tyden in manieren als voorn haer is bewysende, soo dient geweten, dat men bevint, dat gelycke ende nyet minder ambitie ende eergiericheydt, ende daeruyt volgende onrust van allen ouden tyden onder dye soorte van menschen (Godt betert) al te veel plaetse heeft gehadt, daervan de kerckelycke historien overvloedige getuijchenisse geven, daertoe ick myn referere, ende sal alsoo alhyer om cortheydts wille alleen een weynich seggen, dat ick geobserveert hebbe van t'geene hem toegedragen heeft onder den eersten Refor-
mateurs van de religie ende hare navolgers, nyettegenstaende sy in soo groot peryckel vandt pausdoom waeren levende ende, by maniere van spreecken, den doodt dagelijcks voor ogen sagen. Waervan voor eerst Rodolphus Gualterus, een seer vermaert leraer van de gereformeerde kercke selfs mede ten deele schryft in syne Apologie ofte verantwoordinge voor Hulrici Zwinglii boecken, in deser maniere: als dat Lutherus metten synen de leere Zwinglii scholden voor godloos, voor kettersch, Nestoriaens, wederdopers, voor rasernye ende kerckroversch ende Zwinglium selfs voor een onheyligen ofte heylosen verachter der sacramenten, een verstoorder van de kerckelycke regieringe, ende een godtloos mensche, waertegen wederomme de leere van de alomheydt van Christi lichaem bij den Zwingelschen werde gehouden voor godloos, voor blasphemie ende afgrysselick. Luther metten synen daertegen het verstandt Zwinglii van de twee naturen in Christo voor vervloeckt, voor duyvelsch, kettersch ende blasphemisch ende Zwinglium selfs voor een vyandt des geloofs ende der religie, een verstoorder des Christelycken vredes, verderver der kercke, een slaef des duyvels, vervalscher der schrifture, een beudel der sielen, een blasphemeerder ende ketter, ende beclaecht hem voorts den voorsz. Gualterus aldaer in deser maniere naervolgende1).
Maer, ick moet alhyer uyt Zwinglii boecken selfs, eenige weynige exempelen van syne ongematichtheydt tegen. Lutherum verhaelen, alsoo myn dunckt verwonderen waert te wesen van sodanige personen alsulcken ongematichtheydt plaetse te geven, als waer hy seyt (tomo 2 fol. 381 verso, Lutherum werdt by Zwingel schendelick gescholden): Wy syn seer bedroeft, dat wy Lutherum met vele andere haer soo syen dragen, dat hy schynen mach met duijsent duijvelen omringt ofte omcingelt te wesen.
Item (Supra fol. 401 verso): wy oordelen u (te weten Lutherum) voor een verleyder ende bedrieger ende eenen dye Christum verlochent slimmer als Marcion selfs.
Staet te letten, dat nyettegenstaende zoo mennichfuldige
smaedtwoorden als by Zwinglium tegen Lutherum zyn uytgestort, evenwel Calvinus (In indice super Isaiam sub litera L et in commentariis eiusdem prophetae pag. 4601), prophetae verba referuntur) hem nyet heeft ontsyen den zelfden Lutherum te noemen: Prophetam Dei, dat is een Propheet Goods.
Item (Ut supra fol. 413): siet hoe uwe saecken staen Luthere, dat alleman seydt dat ghy een openbaer vervalscher der schrifture sydt, t'welck ghy voor nyemandt moocht ontkennen. (Hiertegen, noemt Hemmingius in syn tractaet de gratia universali ao 1611 Offenbachii gedruckt2), pagina 244, Lutherum divinum.) Endea) nochtans schyht denzelven Lutherus in zyn oversettinge van den bibel hem zelven meer kennisse ende autoriteyt toegeschreven te hebben als yemandt anders, gelyck men by onsen duydtschen bibel bevint, dye ao 1580 met privilegie door Ian Canin tot Dordrecht is gedruckt: alwaer opdt twede capittel des propheten Josue v. 5 in margine als Lutheri worden aldus geschreven staet: Nec cures hebraistas, grammatistas qui in sensu scripturae sunt Rabinistae, id est animal sine intellectu. Ipsi enim affectionibus propheticis de rebus tam arduis nihil experti sunt, ideo nec verba intelligere possunt etc. Als nu anderen van haer zelven mede zoo veel houden: wadt zalder dan ten lesten uyt werdenb).
Ende noch aldaer fol. 432 verso in margine: Lutherus syet om na de Egyptische vleyspotten.
Item aldaer fol. 433 in margine: Lutherus gaet den papisten in snootheydt te boven.
Waermede om cortheydts wille van Zwinglio scheydende ende comende tot dyen vromen ende vredelievenden man Philippus Melanthon (in synen brief totten leser voor syne Locos communes): desen geeft wel te kennen, dat hem dye kraftige drivingen tegen syn, met dese woorden: kraftige proceduren en vorderen nyet den twyfelachtigen
gemoederen, nochte en syn nyet dienstelick om lanckduyrige gerusticheyt onder den gemeenten te houden.
Ende in syne Locis communibus selve (Libri mei pag. 309): laet ons overleggen hoe groten peryckel het is in de kercke, als dye kraftige menschen, van den leraers getercht synde, haer eygen leedt wreecken, verweckende openbaere droefheyden tegen den leraers; uyt sodanigen haet ende nydt syn dickwils ketterijen ontstaen.
Voorts spreeckende vandt ampt van de overheydt ende van haer autoriteyt seyt hy aldus (pag. 341): maer datse (te weeten d'overheydt) wel toesyen datse recht van de saecken oordelen ende datse nyet en werden knechten van anderluyden wreetheydt ende godloosheydt; de kennisse van de leere compt de kercke toe, dat is den godtvruchtigen ende rechtgeleerden, ende is oock de magistraet selfs een lidtmaet der kercken, denwelcken voornemelick toestaet uijt syn eygen ogen te syen. In deser meninge syn noch voorhanden oude regulen van de synoden ende van de kennisse der leere. Godt verciert de coningen mette eere van syne name: Ick hebbe geseyt, Ghy sydt goden, opdat sy weten souden haer beroep te wesen kennisse te hebben van de godtlijcke saecken ende de religie, gerechticheydt, vrede ende goede tucht in de werelt staende te houden. (Nota. Dat int waerachtich grundtlick berecht by den gereformeerden ao 1603 tot Tweebruggen doen drucken, in de voorreden pag. 35 werdt het caeca obedientia genaemt, dat is een blinde gehoorsaemheydt, als men der overheydt de kennisse van schriftuyrlycke ende kerckelycke zaecken afsnijt etc.)
Volgen voorts eenige Extracten uyt desselven Melanthoni brieven aen Ioachimum Camerarium tot deser materie dienende.
[pag. 6. (De zaecken ofte questien vant avondtmael brengen grote verwarringe ende heylose geschillen): Van 't avondmaal is geen beslissing genomen, alleen geschillen zijn er uit onstaan; ik geef 't aan Christus.
pag. 7. Tegen de ongematigde theologen, die niet de godzaligheid nastreven.
pag. 88. Ik word nog gehaat, omdat ik de heftigbeid van sommigen veroordeel.
pag. 146. Aanhaling uit Nazianzenus: dat men de vergaderingen der bisschoppen moet schuwen, want zij richten niets uit, geven meer geschillen en twisten, door aller eerzucht.]
(Wolfgangus Musculus Dusanus in syn Locis communibus pag. 227 verhaelt de twistgiericheydt ende ongematichteydt van dese luyden noch wel soo breedt. Siet oock hyer van Melanthonis Consilia sive Iudicia theologica1) pag. 380, 381, 382. Secundae partis, mede heel breedt. Consilien ende Synoden te schuwen.)
[pag. 259. (Melanthonis vreedtsaemheydt.) Niet moeilik is het te zeggen, wat ik altijd voorgehad heb temidden der twistenden.
pag. 262. De kerk is verscheurd door de onwetendheid en eerzucht van de geesteliken en de Paus; in drie delen gesplitst.]
a)Calvinus int eynde van zyn Argumento van zijne Harmonia: Maer dye man heeft hem zelven dije vrijheydt wel aengenomen om van t'verstandt van zyne medegenoten van den eersten Reformateurs zelve, ja van den voorneemsten derselver af te wycken, alst hem goed gedocht heeft, gelyck hij selfs belydt van dyen treffelycken Martinus Bucerus, dyen zoo uytnemenden loff werdt gegeven.
Ende Augustinus (tomo 3, Ad Laurentium lib. mei. fol. 41. Litera D) zelve schrijft daervan in deser maniere:
[de zielen der gestorvenen kunnen niet door offers van anderen gered worden, maar in 't leven is het heil te verdienen.
Volgt een andere plaats (tomo 10. Sermone 18, lib. mei fol. 249, litera G) over Maria, loftuiting en brede opsomming van wat zij vermag. (Lib. mei fol. 250, litera F, G.)] Alsoo spreeckt hy mede aldaer Sermone 19 vande kracht ende werkinge vandt teycken des cruys zeer breedtb).
Voor Memorie hebbe ick goedt gevonden opdt tegenovergeschreven geallegeerde, uyt Melanthoni missiven aen
Joachimum Camerarium op pag. 146 aengeteyckent hyer by te voegen t'geene Johannes Sturmius, een vermaert theologus in den jaere 1561 aen den Churfurst Frederick den derden, Paltzgraeff, heeft geschreven over de ongematichtheydt ende ongerusticheydt sommiger predicanten ende theologen:
[(Ongematichde bitterheydt der theologen ten wederzyden, ten tyden Lutheri ende Zwinglii; Waerhaftiger Grundtlicher bericht ao. 1603 tot Twebruggen gedruckt paginis 189, 190, 191.) Over de moeilikheden na het ‘Conventum Principum’ door de Flacianen bereid, die de volgelingen der Zwitserse en Franse kerken ten onder wilden brengen; een beroep op de Kerkvaders, alsof die geheel ‘verecunde’ spraken; hoe men Melanchthon zwart maakt. Met Peter Martyr zegt hij niet te weten van ‘Westphali Scriptis’1), wien de mensen, hoewel vol vriendschap, een verstoorder der kerk noemden.
Sturmius heeft daarna Buceri ‘Eucharistica’ laten drukken en zich heftig over de ongematigdheid uitgelaten in de voorrede2).
Over de ongematigdheid tegen anderen, de brandstapel, die tegen hen gebruikt wordt, enz..
Hij zal geen oorzaak van ongematigdheid zijn, maar zich voegen naar verstandige lieden (pag. 268)3).
Men zegt, dat hij de goede werken te veel prijst, omdat hij de geschillen niet zo ‘rauw’ uitspreekt als de zekere waarheid (pag. 274).
Gelijk Pericles is hij banger voor geheime gebreken van de zijnen dan voor de vijanden (pag. 331).
Gelijk Paulus de besnijdenis, moeten wij enkele boeken ‘toestaen’, die mogelik de ware leer ‘contrary’ zijn. Dit kwalik te nemen, is 't werk van twistzoekers (pag. 348).
Een goede redetwist is goed, maar men moet er niet lieden ‘vol haets’ zenden (pag. 459).
Wenselik is een synode van vromen en onbedorvenen (pag. 517).
Hij vreest de ‘rasernije’ van ‘Prinsen, leraers en hypocryten’ (pag. 698, 720).
(Melanthon de Ecclesia1) Litera F 7 facio 2.) De geschiedenis der Synoden leert de ‘dollicheydt bij meest alle bisschoppen’, gelijk de Pausen de Vorsten tot de oorlog aanzetten.
‘Ende noch terzelver plaetse’: Basilius (Basilius heeft gelicht omtrent den iaere 370. Razernije ende godtloosheydt van den bisschoppen omtrent den jaere 370) vermeldt hoe razernij en goddeloosheid onder de bisschoppen heersen, hoe de leer der waarheid wordt verdrukt, de eerzucht alle goeden verdringt etc.]
Dus verre Melanthonis woorden.
(Melanthon argelyck ende ontrouwe bewesen.) Ende noch den voors. Melanthon in Centuria epistolarum Iohannis Schwebelii2) pag. 32:
[dat men zijn woorden verdraait en vervalst.]
Och dat dit nu mede nyet in dwang ginge.
Hyerby sal ickt nu laten met dyen vromen Melanthon ende nu oock een weynich schryven van t'geene Wolfgangus Musculus Dusanus, mede een vermaert leraer, van deselve materie schrijft in syn locis communibus, onder den titel van de macht der dienaeren des woordts, pag. 200:
[(Nota.) Altijd in de kerk zijn er verschillenden geweest, die meer op uiterlike, grote macht hebben gezien, hoe ijverig zij ook overigens waren voor 't ware geloof; zij werden bestreden door hen, die vreesden, dat de kerk weer in dienstbaarheid zou komen, want achter gene konden valse leraars schuilen, die een pauselike macht wilden herstellen.
(pag. 211). Eén mensch kent soms beter de waarheid dan een concilie; dus mag een minderheid van ‘goedt gevoelende’ niet overheerst worden; zie het pausdom, dat 't concilie van Nicaea deels navolgt, deels verwerpt.
(Van de overheydt, pag 628): Mozes, die de plaats van den koning innam, heeft de godsdienst ‘opgerecht’, ook bevelen aan Aaron gegeven, dus ‘ordre stellen in saecken der religie’ komt de overheid toe. Daarna is dit recht gekomen aan Jehosua en niet aan Aaron, de Leviet.
(pag. 631 zeer breedt), dat de hoge overheid alleen kerkelike ordonnanties mag maken, die ‘de conscientien binden’, burgerlik of kerkelik.]
Maer om nyet lange te maecken, sal ick Musculi gevoelen hyer affsnijden, daervan ick veel meer hebbe uytgeteyckent tot deser materie dienende, dat ick goede vrunden nyet sal weygeren te communiceren, dyet souden mogen begeren, ende sal alsoo nu comen tot eenige plaetsen Bezae, mede handelende van de gebreecklickheydt, dye onder den dienaeren des woordts altemet werdt bevonden ende eerst ex primo volumine tractationum theologicarum pag. 36, alwaer hy aldus schrijft:
[De wereldlike vorsten zijn niet als onheilig af te zonderen van de geestelike; daardoor is de Paus machtig geworden.
Eerste plicht der ‘princen’ is de goede zaak van 't geloof te verzorgen, dus ook de kerk te herenigen als zij, vaak door de dienaren des woords, is verdeeld. (Wat soude Beza geseyt hebben als hij geweten hadde vandt uytsnyden van eenige vellen pampiers uyt het kerckenboeck van Alckmaer? alst soo toegaen sal mogen buyten vrese van straffe, wadt sal dan vande kerckelycke decreten te houden wesen? Iustificatie van Alckmaer1) pag. 60.)
pag. 37. Voor de rust is' t noodzakelik, dat de magistraat present is op de synoden, want ook onder de predikanten vindt men lichtvaardigen en ‘reukelosen’.
pag. 38. De ervaring leert, dat niet alleen kwaad-
aardigen vaak in de synoden heersen, maar ook dat niet alles tegelijk wordt geopenbaard, gezien de tegenstrijdigheid der goedgezinde concilies; daarom zijn alleen de opzettelik vals bedoelde concilies te verwerpen en hebben wij ons te houden aan de H. Schrift.
(In ‘Epistolis theologicis’ pag. 203. De walsche kercken vermaert datse allerwegen daerse zyn, tweespalt ende beroerten maecken): de Satan poogt door bedrog te verderven, evenals hij de ‘walsche’ kerken deed, gevend aan vele vromen 't denkbeeld, dat de Walen overal tweespalt brengen.
(pag. 205.) Dit is Satans werk, die de overeenstemming tot één confessie verhindert, gelijk hij de waalsche kerken van Frankfort, Wezel en Straatsburg ‘verstroeyt’ heeft.
Hoe heftig Beza zelf was tegen de Luthersen, leren deze pagina's (pag. 233, 246), waar hij hen voor menseneters en hun leer voor ‘duyvelsdreck’ uitmaakt, erger dan de papisten.]
Alst nu alsulcken gelegentheyt heeft mette regieringe ende metten regierders van de kercke selfs, gelyck hyervoorn ten deele is verhaelt, heeft men dan oock reden om soo qualick ende hatelick nyet alleen te gevoelen, maer oock te spreecken van goede eerlycke luyden, dye wadt schuw syn om haer in sodanigen gemeenschap te begeven, ende daermede haer selven te verbinden om alles toe te stemmen, sonder met behoirlycke bescheydenheydt yedts te mogen tegenspreecken, t'welk men nu bassen ofte blaffen noemt, wesende een woordt datten honden eygen is? ende tot alle dye harde ongematichde propoosten, dye op den prediekstoel voor t'verstandt van de kercke werden uytgesproocken, ia ende amen te moeten seggen? gelyck Zwinglius seyt (tomo 2 fol. 238 verso) dat vannoden is, dat soo wanneer de kercke verdoemt, een ygelyck dye een lidtmaet van de kercke is, mede bij hemselven moet verdoemen? voorwaer het dunckt myn te hooch te lopen.
(Adrianus Saravia zeer tot gematichtheydt.) Volcht oock een weynich uyt het boeck Adriani Saraviae van de bescherminge syns boecks van verscheyden staten der dienaren des woordts tegen D. Bezam, ende eerst uyt synen brief totten leser.
[Is 't Gods werk, dat onze handelingen zo zijn, dat ze goede Roomsen afhouden van 't Evangelie? Onze ongematigdheid heeft 't Evangelie meer schade gedaan dan de Jezuieten en andere ‘hypocriten’.
pag. 436. Is er minder eerzucht, zoals Beza zegt, bij de onzen dan bij de bisschoppen voorheen?
pag. 515. Ik heb meer gematigdheid onder de bisschoppen dan bij vele predikanten gevonden; er wordt niet meer op geleerdheid, ervaring of ouderdom gelet; jonge lieden onder de predikanten gedragen zich overmoedig.]
Ende dye den tydt daertoe belieft te imployeren om dat voorseyde boeck te doorlopen, sal daerin vinden soo veel bitterheydt ende smaedtwoorden ten wedersyden by sodanige geleerde luyden gebruyckt te wesen, dat een gematicht ende vreedsaem gemoedt daervan soude walgen.
Maer ick sal nu oock een weynich seggen van t'geene den heere van Plessys vermaent in zijn tractaet van de kercke1) nopende de kraftige proceduren, dye by de Roomsche kercke tegen den gereformeerden ende andere dyergelycke syn gebruyckt geweest, ende wadt vrucht sy daermede hebben tewege gebracht, seggende aldus:
[(In myn duyts exemplaer pag. 225.) Men heeft ons geantwoord, dat 't alles reeds veroordeelde leren waren, en men heeft ons uit de Roomse kerk gebannen en bestreden; wij zijn eendrachtig geweest om God te dienen, maar moeten wij dat nu alweer verstoren door de mensen aan een confessie te binden, verklarend, dat al wat de kerk leert, conform Gods woord is, alsof geen kerk of predikant kan dwalen, en de weigeraars uitsluiten?]
Souden dan de menschen nyet gedwongen werden denselven wech te gaen, dye den Heere van Plessys verhaelt, dat de syne gedwongen syn geweest te verkiesen? Soude also nyet stracks altaer tegen altaer moeten werden opgerecht onder den besten ende getrousten patriotten? Wye en syet nyet wadt schade, jammer ende elende daeruyt soude moeten volgen? T'welck Godt Almachtich door
sijne genade afwenden wille, Amen1). Maer tot een besluyt van desen zal ick alleenlick hyerby noch voegen t'geene Rodolphus Hospinianus van Zurich gestelt heeft int eynde van syn tweede deel der historien van de geschillen in saecken van de sacramenten, te weten folio 403, alwaer hy aldus is schrivende:
[Uit de geschiedenis der laatste 85 jaren ziet men hoe grote onenigheden in de van papisterijen gezuiverde kerken zijn opgekomen; verder dat ook godvruchtige, geleerde mannen kunnen dwalen uit ijver of twistgierigheid en hun geschriften dus niet gesteld mogen worden boven de eenstemmigheid der rechte kerk; dat de moeiten, die de overheid deed voor de eendracht, vruchteloos was door de tegenwerking der theologen, welke de vrede brak en dat de politieken de gematigdsten waren. Mogen wij spoedig weer eendracht hebben tegenover de ergste vijanden der waarheid. ‘Haec ille’.]
Item tgeene Vincentius Meusevoet, predicant tot Schagen in Noordthollandt, in syn voorreden opdt getranslateerde boeek Wilhelmi Perkinsii op de drye eerste capittelen van de Apocalypsis2) is schrivende:
[Nadat de kerk rijkdom heeft verworven, is de begeerte zo groot geworden bij de geestlikheid, dat zij meer en meer schatten trachtte te verzamelen.]
Dus verre des voorsz. Meusevoets woorden verhaelt. Alle dewelcke alsoo hy buyten twyfel met goeden reden tegent pausdoom schrijft, soo staet nochtans te bedencken, off de kerckelycke personen tot onsen tyden, haer alle te samen sulkcks vertonen, dat men seeckerlick moet geloven,
dat sy alle begeerlickheydt ende genegentheydt suleks overwonnen en afgeleyt hebben, dat men geen reden nochte oorsaeck soude hebben om te vermoeden, dat eenige van henluyden, by gelycke occasie, t'selfde spoor souden mogen volgen? Insonderheydt dewyle sy doorgaens haer eygen vrouwen ende wettelycke kinderen hebben, wesende een middel, waerdoor men gemeenlick te meer tot soorchfuldicheydt werdt beweecht.
Voorwaer onse eygen hooftleraers geven daervan een ander getuychnisse: twelck myn dunckt, dat nyet in den windt behoort geslagen te werden, daermede ick nochtans den vromen nyet te nae gesproocken wil hebben.
Maer het soude al te grooten privilegie wesen, dat sy alles nae haer goetduncken uytspreecken ende d'een opentlick ende d'ander bedecktelick taxeren ende lelick maecken souden mogen, dye iuyst alles nyet doet ende verstaet, gelyck haerluyder sin best gelyck is, daervan veel exemplen syn ende dat daertegen nyemandt op haerluyder actien letten ofte daervan spreecken soude mogen.
Icka) sach zeer gaern dat aen alle zyden behoirlycke gematichtheydt werde gevolcht, dan als men ons oock voor heylicheydt wil vercopen alles wadt van de zyde der predicanten voortcompt, dunckt myn datter dienstbaerheydt van der overheydt ende van der gemeente veel meer als oyt te voren wesen zoude. Sij hebben ondert pausdoom noch sommige luyden van afcoomste ende vermogen gehadt dewelcke door haere geleertheydt tot state zijn gecomen, ende alsulcks de mate in sommige saecken wadt beter hebben konnen ramen. Tot desen onsen tijden vindt men weynich vermogen luyden kinderen, dye theologia studeren, zulks dat het seminarium onser predicanten nu meest bestaet in alumnen van de Regieringe van den lande. Ick hebbe in mijne ionckheydt noyt hoge schole besocht, zulcks dat ick uyt myn eygen bevindinge nyet daervan weet te spreecken, dan hebbe verscheyden andere luyden van qualiteyt daervan wel horen getuygen, dat men in sommige gereformeerde steden van hoge scholen de meeste insolentie van nachtlopen ende ongebondentheydt van
leven bevindt by den voorsz. alumnen gepleecht te werden, waeromme myn oock dunckt wel billick ende nodich te wesen, dat zodanige luyden tottet ministerium gecomen zynde, zoowel als andere goede luyden van andere staten, aen behoirlycke wetten ende instructien werden gebonden. Te meer omdat myn dunckt, dat een groot deel van onse geestelickheydt boven allen anderen van passien overladen zynde, veel te weynich behartigen de spreucken des Heeren Christi, dye ick mene dat haerluyden voornemelick betreffen, als namentlick (Math. 5. v. 13. 14): Ghy zydt het sout der aerden ende ghy zydt het licht der werldt, ende dat zij haer dyenvolgende te weynich bekeren aen de naevolgende texten, te weten (Ut supra v. 23. 24. 25.): Daeromme, wanneer ghy uwe gaven op den altaer offert ende daer gedachtich werdt dat uwen broeder wadt tegen u uytstaende heeft, zoo laet daer uwe gave tot voor den altaer ende gaet, versoent u eerst met uwen broeder ende coompt dan ende offert dan u gave. Weest haestelick goedtwillich u wederpartye, dewyle ghy noch met hem op den wech zydt, opdat u wederpartye etc.
Welcke texten ons zoo claerlick leren om in geen vijandtschap met eenen mensche alleen voor een corten tydt te leven, maer stracks tot versoeninge te comen, daer men nu ter contrarie nyet alleen met eenen, maer met zoo groten mennichte van onse evennaeste menschen ende tot zulcken groten peryckel van den staet van thele landt, nyet voor eenen corten tydt, maer zoo veel iaren lanck, in zulcken onverzoenlycken, bitteren haet leeft.
Ende evenwel dunckt mijn heren, alsoff wij met zodanige proceduren opt hoochste te foveren de hele kercke onderstutteden ende voor onderganck bewaerden.
Maer wadt is dat anders dan dat wy den Magistraten van dandere steden geen kennisse van kerkelycke zaecken willende toestaen, ons zelven alleen de kennisse daervan toescriven?
Twelck alsoo dandere steden alsoo qualick van ons als wij van haer zouden willen lijden. Soo dunckt mijn daervan met behoudenisse van t'vaderlandt geen naerder uytcoomste is te verwachten, dan dat de heren Staten, conform zoo veele andere welgestelde gereformeerde regieringen, ende onder denzelfden oock dye van Geneven, voor den
toecomenden tijdt bij behoirlycke ordonnantie zulcks daerin voorsijen, als den noodt, de nature ende welstandt vandt landt is vereysschende.
By forme van appendix zal ick hyer byvoegen eenige weynige extracten, dye ick naderhandt uyt Calvini epistolis hebbe getrocken, uyt dewelcke men mede zal konnen verstaen zyn groot misgenoegen, twelck hy op sommige ministers van zynen tydt heeft gehadt, ten dele oock van zyn eygen collegen ende.... (onleesbaar gevlekt)1).
[Zij hebben weinig ijver en geleerdheid, geen trouwhartigheid en argumenteren niet; toch duld ik hen, opdat geen tweedracht onze kerk verderft; ik verafschuw de twisten der predicanten (Ex pag. 116.) Gij kent 't verderfelike ervan. Niet dan zeer noodzakelik ga ik tegen mijn collega's in, b.v. toen wij een ‘ecclesiasticum iudicium’ wilden instellen en de Senaat dit niet wilde (Ex pag. 117).]
Idem fere Sultzerus scribit ad Calvinum, pag. 124.
Wederom denzelven Calvinus int verheffen van dautoriteyt van de kercke ende vercleyninge van d'autoriteyt van den Princen in kerckelycken zaecken.
[(Instit. lib. 4. cap. XI fo. 4, hoge overheydt moet haer onder de kercke buygen.) Een vrome magistraat onderwerpt zich aan 't oordeel van de kerk, wier laatste lid hij niet is. De keizer, die goed is, is in de kerk, niet erboven en berooft de kerk niet van haar eer, die zij heeft vanaf de tijd der apostelen. Want de goede geesteliken straffen niet met burgerlike straffen; de zwaarste straf is de ban.]
Alsoo wij bij onsen tyden (Godt betert) bevinden, dat niet alleen seer qualick werdt geduijdet, dat men niet wel can aennemen alles datter werdt geleert, maer dat ooc die van de kercke wetende ofte verstaende, dat yemandt van de hoochlopende saecken van de praedestinatie ende
aenkleven van dien anders dan sij gevoelde, denselven niet alleen nu ter tijd, maer ooc wel voor twintich ende meer iaeren heeft geweygerdt in der gemeente aen te nemen, dan onder beloften datse van die materie met nijemandt souden mogen spreecken, ende dat men bovendien nu ooc de luyden poocht te verbinden aen een absolute verclaring, daerbij men alles soude moeten approberen ende canonizeren wadt in de kercke hier ter stede werdt geleert, soo hebbe ick niet wel konnen laten mijn bedencken daerop mede te vertonen, ende namentlick, dat mijn dunckt, dat men met soodanigen maniere van doen, de luyden al te nauwe soeckt te bestricken ende veel meer vercht als de nature deser landen is toelatende ende tot onderhoudinge van de nodige eenicheydt onder den volcke werdt vereyscht. Insonderheyt in dese laetste tyden, van dewelcke de Heere Christus selve schynt te twijfelen (Lucas 18. v. 8.), of men daerin ooc gelove, dat ic meene oprechten ijver totter Godtsalicheydt te wesen, vinden sal, ende van dewelcke dominus Beza getuycht (Beza in epist. theol. pag. 4), dat men meer wetenschap, maer min conscientie heeft als wel geweest heeft onlangs na den tydt der Apostelen, schijnende oock die maniere van handelinge daertoe te strecken, dat nyet alleen de kercke nyet, maer oock geen particulier predicant soude mogen dwalen, daervan men heeft sooveel exemplen, ende ooc sooveel getuijchnissen ter contrarie, daervan ic ooc sommige sal verhalen, dye ic soo nu, soo dan hebbe geobserveert, als namentlik: dat die treffelycke ondtvaderen Abraham, Isaac ende Jacob, derwelcker gelove ende mennichfuldige beproevinge in der Schrifture seer werdt verheerlickt, nochtans schynen van den Heere nyet soo volcomen kennisse ontfangen te hebben (Exod. 6 v. 2, 3), als Moses daernae wel mede begaeft is geweest ende heeft nochtans die treffelycke spreucke (1 Paral. 16 v. 2): tastet mynen gezalfden niet aen ende doet nyet quaedts, mynen propheten, voornemelick (soo myn dunckt) (Psalm. 105 v. 15.) zyn oge op die voorss. patriarchen gehadt, ende dunekt myn geen apparentie te hebben dat dese1) soo voortreffelycke luyden veel van
eenige uyterlicke ceremonien van goodsdienst, dan alleen van de besnydenisse mogen hebben geweten, doordyen Moses (nae myn bedunckt) eerst ontrent 324 iaren nae Isaac is geboren ende men bevint immers daerenboven dat Abraham selfs door syn huysvrouwe Sara, nyet uyt eenige malicie (t'welck verre sij) maer uyt eervuldicheydt den Abimelech, coninck van Gerar, in groot peryckel brachten, uyt bedencken dat hy hadde, datter geen vreese Goodts ter selver plaetse was, t'welck hij veel anders heeft bevonden.
Wadt heeft het geslacht Levi (Genesis 34 v. 25, 26) oock al swaricheydt ende ongemack veroorsaeckt, als onder anderen dyen lelycken ende bedriechlycken moordt tegen dyen van Sichem, daerover haeren vader Jacob in zijnen uyttersten ouderdoom van haer seyt (Ut supra 49 v. 5, 6): dat haere swaerden zijn moordersche wapenen, myn ziele en come nyet in haren raedt, ende myn eere, zij nyet in hare vergaderinge. Wadt moeten zy dyen goeden Moses al swaericheydt gemaeckt hebben, dat hy uyt weemoedicheydt schynt geseyt te hebben (Numeri 16 v. 7): ghij maeckt het te veel, ghy kinderen Levi, gelyck oock van selfs uyt ambitie tegen Mosen murmureerde ende daerover oock van den Heere wel ernstlick is bestraft geweest.
Den voorsz. Moses oock nyettegenstaende syn grote loff ende dat nae hem sodanigen propheet in Israel nyet en is opgestaen, heeft nochtans door swackheydt syns geloofs, in t'beloofde landt nyet mogen comen, gelyck ooc syn broeder Aaron den hogenpriester (Numeri 20 v. 12, Deut. 1 v. 37, cap. 3 v. 24 tot 27 toe).
Hierop volgen een zeer groot aantal plaatsen in excerpt of in extenso uit het Oude Testament, ten bewijze, dat de profeten, richteren en koningen van Israel allen, hoezeer geprezen, tot zonde, afgoderij of verraad zijn vervallen. Bij Jeremia XXVII, 14 voegt hij toe:
Syet op dyezelfde plaetse Calvini commentarien, gelyck mede opdt 23e Capittel desselven Propheten vandt 9e tot het 16e verset beyde inclus, wel wytlopich alsoo alle tselfde wel opmerckenswaerdich is.
Alsoo getuycht oock Calvinus (In Praelectionibus in Maliachi prophetam, cap. 1) zelve van de priesteren des ouden testaments, dat zij met haer quade exemplen de
gemene manieren hadden bedorven, daer nochtans haer beroep heel anders was, alsoo zij van Gode gestelt waren om 'tvolck in alle godtvruchticheydt ende oprechticheydt voor te lichten, maer quam van haer zelfs t'meeste quaedt.
Als men oock comt totte tyden des Heeren Christi selve, sullen daermede (Marcus 9 v. 19 tot 29) geen exemplen van gebreeckelickheydt ontbreecken, als van syn eygen discipelen, dye den stommen duyvel niet konden uytwerpen door de swackheydt van haer gelooff, waerover zy oock van den Heere werden bestraft.
Weer volgen een aantal voorbeelden, nu uit het Nieuwe Testament, van Jacobus, de jongeren te Emaus, Petrus enz. (waarbij Hooft aantekent; ‘Siet breder van Petro int 8 tomo Erasmi pag. 228’, d.i. van diens Opera, waarvan Hooft hier o.a. noemt: Apologiae omnes, Basil. 1522, fo.) Daarna volgt:
Ende om dese alle in eender somme te begripen, wadt een treftelick onderscheydt maeckt de Here Christus zelve tusschen de voornemsten vrienden Goods van den tydt des ouden testaments tot op zynen tydt, spreeckende daervan in deser manieren (Math. 13 v. 17, 1 Petri 1 v. 10): voorwaer ick segge u lieden, dat vele propheten ende rechtvaerdigen hebben begeert te syen, dat ghy syet ende hebbent nyet gesyen, ende te horen dat ghy hoort, ende hebbent nyet gehoordt, op welcke plaetse, enige van onse theologen, onder anderen aldus schriven, ende eerstelick Conradus Pellicanus1), hoewel de heere dye propheten, coninghen ende veel rechtvaerdigen gehadt ende als kinderen bemint heeft, zoo heeft hij nochtans denzelven nyet geopenbaert dye dingen, dye hy dese visschers heeft kondt gedaen, dye van geen aensyen ende in wetenschap ende rechtvaerdicheydt nyet zeer uytnemende zyn geweest.
Van gelycken Augustinus Marloratus2) aldus: Wel te rechte werdt den staet der tegenwoordiger kercke geseyt beter te wesen als van den heyligen voorvaderen, dye
onder de wet hebben geleeft, denwelcken nyet dan onder schaduwen ende bedeckselen vertoont is geweest, dat nu in de gedaente Christi openbaerlick blijckt.
Wolfgangus Musculus: [hoe verheugd zouden Abraham enz. geweest zijn, als zij deze, voor hen toekomstige, dingen hadden beleefd.]
Calvinus (op 't 7e cap. van Daniël v. 10, fo. 88.): [vóór Christus was alles slechts duister geopenbaard, daarna geheel.]
Hyerbij mach men syen, hoeveel dese goede luyden de godlycke regieringe hebben toegestaen, zonder d'oorzaecken ende verborgentheyden van dyen te willen doorgronden. Waeromme het myn te meer dunckt buyten reden te wesen, dat wy nu ter contrarie zoo zware wetten in dye dingen pogen te statueren tegen dengenen, dye wij wel weten, dat ons in vromicheydt van handel ende wandel, ende andere Christelycke deuchden nyet en behoeven te wycken, ende dat alleenlick omdat zy alle poincten der religie nyet en konnen verstaen, gelyck wy voorgeven te doen. De Here Christus heeft tegen Petrum nyet geseyt (Lucas 22 v. 32): Ick hebbe voor u gebeden, dat ghy alles volcomentlick zult verstaen, ende dat ghy nimmermeer ofte in genen dele zult mogen dwalen; maer ick hebbe voor u gebeden, dat u gelove nyet aff en late. Alsoo heeft Paulus hem oock vrijmoedelick bestraft (Galat. 2 v. 11, 12, 13, 13, 14), dat hij nyet nae de Evangelissche waerheydt gewandelt hadde.
Ende wye en weet nyet, dat stracks nae der Apostelen tyden gelycke gebreeckelickheyden syn bevonden by haere nacomelingen, dye daer meende datse ryck waeren ende geen gebreecken en hadden, daerse nochtans werden verclaert elendich, iammerlick, blindt ende naeckt te wesen (Apocal. 3 v. 17).
Ist nyet te verwonderen, dat soo treffelycken leraer ende vermaerde man als Tertullianus met dye grove lasteringe Montani is besmet geweest, gelyck Dr. Franciscus Junius (in Animadversionibus in Bellarm.1), pag. 180), ende Dr.
Vorstius (Vorstius in Antibellarm.,1) pag. 387) beyde daervan getuygen?
Augustinus (tomo 6 fol. libri mei 7 liter. A. D) verhaelt oock eenige dwalingen Tertulliani als dat de sielen een gebeeldt lichaem souden wesen, gelyck hy oock verstondt, dat Godt zelfs mede lichamelick, maer nyet afgebeeldt was. Ende dat hij nochtans daerom niets voor een ketter gehouden werdt. Maer wel om andere zaecken ende namentlick, omdat hy hem totten Cataphrygen begaf ende voor een ketter veroordeelt is geweest.
Hierna volgen een groot aantal citaten of excerpten uit schrijvers, ten bewijze, dat allerlei kerkvaders en anderen van mening veranderd zijn of met elkaar strijdende meningen hebben verkondigd, of van onderling afwijkende opinie zijn geweest. Hij citeert uit:
‘Apologica Erasmi’, dit moet wel zijn: Apologiae omnes, Basil., 1522. fo
Isaacus Casaubonus Ad epistolam Illustr. et Reverend. Card. Perronii Responsio. Londen, 1612. 4o.
‘Melanthon de Ecclesia’, d.i. uit de Loci Communes.
‘Augustinus tomo. 3 ad Petrum Diaconum. (item myn collectanea pag. 43. 44)’, d.i. Liber unus de fide ad Petrum Diaconum prologus. (Ik ben er niet in geslaagd te vinden, welke uitgave Hooft gebruikte; wel noemt hij elders: ‘Plantinianae’, maar de paginering komt niet overeen.)
‘Bullingerus, Decades. Froshoverum Tigurij, ao. 1537.’
Zwinglius, Opera.
G. Sohnius, Opera.
Funcius, Chronologia et Commentaria.
Franck, Chronica.
Sleidanus, Commentarii.
Simlerus, De aeterno folio Dei etc.
Vorstius, Catalogus errorum... D. Sibrandi Lubberti..Lugd. Batav. 1612. 4o.,
Calvinus, Institutio en Commentaria in Genesin.
Beza, Epistolae theologicae.
M. Bucerus ‘in scriptis anglicis’, d.i. Scripta anglicana
fere omnia collecta a Conr. Huberto. Basiliae, 1577. fo.
‘Joh. Lodowicus Vives in commentariis in primum librum de civitate Dei. cap. 27’ (deze komen voor in de uitgave van Augustinus' werken door Erasmus, V, Basiliae, 1542.)
‘Ruffin’ (Ruffinus vertaalde de Hist. ecclesiastica van Eusebius en schreef zelf: Historia monachorum s. de vitis patrum. (Realenc. f. pr. Th. u. K. XVII, 100.)
‘Hist. trip’, d.i. Cassiodorus, Historiae tripartitae ecclesiasticae (vele uitgaven; ook Hooft noemt elders de eigenlike schrijver: Epiphanius.)
Junius, Amiable confrontation.
Calvinus, Commentarius in Evangelio Joannis [Gen.] Stephanus fo. 1553.
du Plessys-Mornay, Van de kercke.
Lutherus, Opera.
Abrah. Scultetus, Medulla theologica Patrum qui ante Concilium Nicaenum floruerunt (elders noemt Hooft de ‘4e editie, ao. 1613, tot Amberch gedruckt’.)
Cardinalis Baronius, (Opera?)
‘Wilh. Perkinsius, tractaet op de drye eerste capittelen van de Apocalypsin in myn duydts exemplaer’, (d.i. wel de vertaling van Vinc. Meusevoet, zie blz. 291, noot 2.) Het volgende stuk diene als voorbeeld:
Siele des menschen1). Wy sijen, dat op de conditie ende qualiteyt vandt voorneemste deel des menschen, namentlick de siele, dye nochtans op t'alderverste is beneden het Godtlycke wesen, sodanigen onderscheydt werdt gemaeckt by den voorneemsten theologen van onse tyden, dat men hem dyes nyet genoch soude konnen verwonderen.
Beza (Epist. theol. pag. 165 ende verder aldaer) sustineert, dat des menschen siele nyet tegelyck metten lichame werdt geschapen, achtende dat uyt contrary gevoelen veel ongerymtheyden, ia godloosheyden souden volgen, spreeckende daervan met grote confidentie in deser maniere: dat voldoet myn dat Adam, soo voor hem selven, als den syne, hem selven het verderf ende beschuldinge onder-
worpen heeft ende dat daeromme de siele opdt' selve ogenblick als sy den lichame bygevoecht werdt, soo van Godt uyt syn rechtvaerdich oordel verlaten als door de suyricheydt des onsuyveren vadts besmet synde, dese gebreeckelickheydt ofte besmettinge tot hem treckt, dye alleen door des scheppers barmherticheydt genesen mach werden.
Dr. Franciscus Junius (Confront. pag. 399) is daerin van gelycken gevoelen als Beza, maer spreeckt daervan met soodanige gematichtheyt, dat degeene, dyet alsoo nyet en verstaet ofte gelooft, daerom nyet soude werden verdoemt.
Georgius Sohnius (tomo 2, pag. 563, 564), mede een geleert man, verstaet, dat de voorttelinge van lichaem ende siele te gelyck geschiet.
Zwinglius in syn tractaet vandt beeldt Gods (tomo 1, fol. 162 recto), schrijft van des menschen siele in deser maniere: dat wy nae de gesteltenisse ofte conditie van onse siele nae Goods beeldt syn geschapen, maer dattet onseecker is, hoedanich dat beeldt is, maer dattet seecker is ende vast gaet, dat de siele dye selfstandicheydt in den mensche is, in dewelcke het beeldt Goods ingedruckt is. Ick weet nochtans wel (seyt hy voort), dat Augustinus ende andere van den oudtvaderen van dat gevoelen syn geweest, dat sy het verstandt, de wille ende memorie, dye onder haerselve onderscheyden synde, nochtans eene selfde siele maecken, geloven het beeldt Godts te wesen etc.
Wolfgangus Musculus Dusanus in syne locis communibus pag. 16, vermaent wel van smenschen siele, maer vindt nyet geraden breedt daervan te schrijven.
By Philippus Melanthonem in syne locis communibus vinde ick oock nyet daervan gehandelt, dat ick weete. Gelyck oock nyet in Harmonia confessionum1).
Den oudtvader Hieronijmus (Hieronijmus, tomo 3, fol. 98, A.) schrijft daervan in dese maniere:
[sommigen zeggen, dat ziel en lichaam samen voortgeteeld worden, anderen, dat God de zielen dageliks maakt en instort, anderen, dat de zielen ‘van oudts geschapen’
zijn; Hieronymus verklaart dit niet te begrijpen, behalve dat God schepper van ziel en lichaam is.]
Ick hebbe op dese materie oock naegesyen den Oudtvader Augustinum in beyde syne tractaten, soowel de Animae immortalitate, als de quantitate Animae, mitsgaders oock verscheyden plaetsen in syne libro retractationum, daer hy mede van dese materie handelt, dan bevinde bij hem nauwelicks een plaetse der heyliger schrifture daerop ingevoert te werden, maer verhandelt de saecken met sooveel redenen ende ommewegen, dat ick myn selfs nyet toe betrouwe veel seecker besluyte daeruyt te maecken. Konnent anderen doen, ick soude dat wel gaern horen.
a)Doch hebbe ick noch goedt gevonden tot behulp van dengenen, dye daermede souden mogen wesen gedient, dese naevolgende plaetsen uyt eenige van zijne boecken uijt te trecken ende nae myn kleyn vermogen te verduytschen:
[(De libero arbitrio lib. 3, cap. 21, libri mei tomo 1, fol. 146, A.) Geen der gevoelens (door voortplanting, door bizondere schepping, door God, ergens ‘voorhanden zynde’ in 't lichaam gebracht of uit zichzelve daarin gekomen) moet men voor zeker houden, want deze zaak is nog niet genoeg onderzocht.
(Tomo 3, de ecclesiasticis dogmatibus, libri mei fol, 42, I, K.) God is schepper der zielen; 't lichaam ontstaat ‘door huwelycksche vermenginge’; daarin wordt de ziel gebracht en samen worden ze geboren.
(Idem fere ad verbum tom. 3, lib. de spiritu et anima, cap. 48, libri mei fol. 188, I.)
(Tomo 7, libri mei fol. 149, de peccatorum meritis libro 3, cap. 10. Item tomo 3. De genesi ad literam, a cap. 1, usque ad caput. 12, libri mei foliis 136, 137.)]
Op alle dese plaetsen schijnt hij mijn geheel twijfelachtich te spreecken van den oirspronck ende hercoomste van eens ygelycks menschen ziele, alsoo van de ziele van
den eersten mensche Adam hyer geen questie is. Voorts schrijft hy wyder aldus:
[(De anima quantitate cap. 1, tomo item 1, libri mei fol. 122, K.) De zielen wonen in God, maar onbekend is, waarvan zij zijn, want zij zijn niet van de natuur, die met de zinnen is waar te nemen.
De natuur der ziel is even onbekend als de afkomst der aarde. (Ut supra, cap. 33, libri mei fol. 130 l). De ziel is niet God, maar niets is God nader dan de ziel.
(De spiritu et anima, tomo 3, libri mei fol. 186 B.) De ziel is 't innerlik van 't lichaam, waardoor de ‘aerdtsche clompe’ levend is, die 't lichaam regeert en ziel, hart, reden, memorie, wetenschap, geest, gevoelen is, als ze leeft, wil, denkt, herinnert, overweegt, ‘azempt’ of voelt.
(Retract. lib. I, tomo item primo et libri mei fol. 1 litera H.) De afkomst van de ziel is onbekend, of zij geschapen is in 't bizonder of in 't algemeen.
(Retract. lib. 2 tomo 1, lib. mei fol. 13, C.) Vroeger heeft hij beleden, dat 't onbekend is, of de ziel uit de ziel van de eerste mens voortkomt.
(Tomo, 2 Epist. 99 circa finem, lib. mei fol. 86 M.) Onbekend is hoe de ziel wordt, maar onjuist is, dat zij in elk bizonder lichaam wordt besloten naar de verdienste van een voorgaande.
(Tomo 2, De origine animarum, Epist. 157, lib. mei fol. 137 L.) Tertullianus zegt, dat de ziel ‘lichamelick’ is en voortgeteeld wordt en dat God ook ‘lichamelick’ is.
Dyergelycke bijnaest werdt oock verhaelt op de plaetse hyer in margine geteyckent (tomo 3. De genesi ad literam, lib. mei, fol. 139 H), alwaer Augustinus den voorsz. Tertullianum evenwel acutum, dat is een man van scharp verstandt, is noemende, gelyck ick oock onse predicanten verscheyden reysen tot bevestinge van haer verstandt zijne schriften hebbe horen allegeren, daer hij nochtans, zoo hij nu int leven waer, nae alle apparentie ende nae dat men met anderen handelt, voor een groot ketter uijtgeroepen zoude werden, gelyck ook Cyprianus nyet beter varen zoude.
Dan ick wilt hyerby laten, wandt dit bovenstaende
maer een beginsel zoude wesen, als ick alle plaetsen hyer brengen zoude, dye ick bij Augustinum voorseyt van dese materie gelesen ende een goedt deel oock aengeteyckent hebbe in myne Collectaneis1) pag. 30 ende verder vervolgensb).
Lactantius Firmianus, dye ontrent tachtich iaren voor Augustinus gelicht, veel geschreven ende nochtans armelick geleeft heeft, in syn boeck De opificio Dei2), insonderheydt int 4e, 14e ende 16e capittelen, handelt mede van dese voorsz. saecke, gelyck oock meest doorgaens int selfde tractaet, van de wonderwercken Goods over 't smenschen lichaem ende onbegripelickheydt van dyen allen, dienende alles, soo myn dunckt, om ons onder Godes macht ende wercken in dyen deele, als ongrondelick synde, gevangen te geven. Hoeveel min behooren myn Heeren te gedogen, dat tot soo groten peryckel van den Staet van den lande by eenige weynige menschen soo groten bitterheydt onder de beste patriotten van den lande, sal werden geplandt ende gevoedet, uyt saecke van de aldermeeste ende onbegripelyckste wonderwercken ende verborgentheyden Goods?
a)Sy rnogent wel den schijn geven, maer het dunckt mijn onmogelick te wesen, dat zij onder dengenen dye haer in dese zaecke volgen ofte handthaven, eenicheydt zouden mogen houden, als zij dye nyet dickwils meer te goede hielden als men anderen wil doen. Maer men syet geen leedt aen zijn eygen kinderen nochte ouders.
Ende hoewel dat ment een goedt aensyen geeft, dat men onder den Ministers eenparicheydt wil houden ende nyet toelaten, dat d'een meer gesach soude hebben als dander, zoo mene ick oock, dat aen de practyck van dyen oock meer als genoch ontbreeckt, gelyck ick oock meene, dat
mijn van een kercke van de meeste achtinge wel proceduren zijn bekent, dye gruwelick zyn voor Godes ogen.
Maer als men verder buytenslandt zoude gaen ende syen op de openbare ende mennichfuldige proceduren van dyen van Rochel ter zee, dyenen dye nyet tot al te groten opspraecke ende schandale van de kercke van zodanigen vermaerden stadt?b)
Maer om dit capittel nyet al te lange te maecken, sal ick slechts een weynich hyerby voegen uyt Rodolphi Gualteri Apologie, dye hy tot verantwoordinge van Zwinglio heeft geschreven, alwaer hy aldus secht:
[Onder de predikanten en theologen van grote vermaardheid is het vuur der liefde zo ‘verstorven’, dat zij zich niet alleen in Zwingli's dood verheugen, maar hem nog bespotten en godslasteraar noemen.
‘O, ghy gelovige naecomelingen’, wilt u toch spiegelen aan onze tijden en u aan niemand binden, want 't is alles mensenwerk, en u houden aan de waarheid en de liefde tot Christus.]
c)Item (Emanuel de Metere, lib. 17 fol. 109, col. d) noch enige weynige woorden van Paltzgraeff Frederick keurvorst, deses tegenwoordigen jongen keurvorsten vader, zoo ick meene, luydende deselfde woorden als volcht:
[ik ben niet afgeweken van de religie van myn vader, gegrond op de schriften der Apostelen; ik stel Luther hoog, maar houdt niet alles wat hij sprak voor goed of wijs etc]
Siet hierop D. Davidis Parei Prolegomena op den propheet Hoseam, pag. 74, 75, hoe dickwils dat bij den voorneemsten misslagen gedaen werden.
Het achtste capittel van den Propheet Ezechiel dunckt mijn van zeer groten insichte te wesen, dye metten zelven propheet een gadt door de muyr van den tempel breecken1), daer door gaen ende alle dye vertrecken ende hoecken
van dyen wel doorsyen mocht, alles wadt daerin (gelyck voor desen in sommigen cloosteren) zoo wel by den oudsten des volcks (Numeri cap. 11 v. 161)), dye de gemeente te rechte stuyren ende leyden zouden, als by het vrouvolck, ende den gemeenen volcke int verborgen, met haren Adonis, Thammus, Oziris etc. werd bedreven: Ick duchte dattet hem alrede wel vreemt zoude vertonen. Dient belieft Calvinum ende Lavatherum2) daerop te lesen, ick mene, dat hij zijnen tydt daerin wel zal besteden, wandt Lavatherus meent, dat Godt de Heere noch al sommige Godtvresende harten onder alle dat quade geselschap heeft behouden, gelyck het ten tyde van Elias is toegegaen, etc.d)
Dit naevolgende by forme van appendix gevoecht opdat voorgaende derde capittel, om te beter de gebreeckelickheydt vant menschen verstandt te vertonen.
Op deze woorden, die op een afzonderlik blad staan, volgt weer een gehele reeks citaten, over de onvolmaaktheid van de menselike kennis en van het verstand, over de waarde van den bijbel, waarop men alleen zich mag beroepen, over de noodzakelikheid van goede bijbeluitleg en van bijbelstudie, omdat vele plaatsen onduidelik zijn.
Aangehaald worden:
Augustinus, Epistolae; De anima quantitate; Contra Donatistas.
Nic. Hemmingius, De gratia universali (bij Luther, om te citeren, dat Hemmingius hem ‘divinum’ noemt).
Lutherus, Assertio omnium articulorum per Leonem decimum damnatorum (tomo II, Wittenberg, 1539-1558).
Zwinglius, Opera.
Melanchthon, Loci Communes.
Beza, Tractatus theologici.
Bogerman (Joh.), ‘contra Grotium’, (d.i. Ad scripti Hug. Grotii partes priores duas in quibus tractat causam Vorstii et Remonstrantium, Leov, 1614, 4o.)
Lactantius Firmianus, De opificio Dei.
Calvinus, ‘Praefatio’ van Commentarii in Isaiam prophetam, Gen. Crispinus, fo. 1551.
idem, ‘in 17 caput Jeremiae v. 19’, d.i. Praelectiones in librum prophetarum Jeremiae et Lamentationes, Gen. Crispinus, fo. 1563.
Junius en Tremellius, ‘Epistolae dedicatoriae’ op hun bijbelvertaling, Frankfort 1575-'79. Hierbij maakt Hooft de aantekening dat ‘de Remonstranten in haer Nodige Antwoordt, in Decembri ao. 1617 uitgegeven’ (Knuttel, Catalogus van pamfletten etc., n. 2375) vertellen, hoe men in Engeland over deze uitgave een scherp afkeurend oordeel uitsprak. ‘Ende nochtans werden deze biblen hyer te lande (zoo ick anders nyet en wete) in goede achtinge gehouden, ende zyn ooek onder een Gereformeerde Regieringe gedruckt’.
Daarop vervolgt hij:
Syn mede gedenckenswaerdich dye mennichfuldige verschillen, dye daer gevallen zijn onder zoo verscheyden vermaerde oversetters, alleen in dat kleyne werck van Cantica canticorum, daervan Petrus Nannius Alckmarianus in zijne Paraphrasibus et scholiis van den iaere 15541) op verscheyden plaetsen opt selfde boeck brede aenwysinge heeft gedaen. Ende Paulus Merula in zyn Dedicatie voor zijn werck, twelck hij gemaeckt heeft op Cantica canticorum Willerami Abbatis2), verclaert, dat hij meer als honderdt interpretes op dat werck Salomonis gelesen heeft, twelck te kennen geeft, dat nyemandt van alle dye luyden hem aent verstandt van den voorgaenden interpretem heeft laten genoegen, maer dattet elck beter als een ander heeft willen maecken.
Ende alsoo wy vast veel proncken metten name ende
autoriteyt van Goods kercke, zoo zal ick hyervoor memorie stellen, eerst dat den name van de kercke oock particuliere huysgesinnen werdt toegeschreven, als te weten Romano 16 v. 5 en 1 Cor. 16 v. 14, Collossensen 4 v. 15, Philemon 1 v. 2.
Ex Benedicti Ariae Montani libro Joseph1) sive de arcano sermone. Litera A, facie 1, pag. 1.
[Den mensen is de oude glans, niet 't duistere ontnomen.]
Ex eiusdem praefatione in librum de Actione, litera a, versa.
[Meer dan 3000 plaatsen uit de schrift zijn duister of worden tot schade voor de betekenis of stijl weggelaten.]
In volumen de sacris fabricis, A, 2.
[De geschiktheid van goed en kwaad te scheiden is ons gebleven. De nodige geboden zijn duidelik.]
Eodem tomo, Raphelingii in paraphrasin chaldaicam epistole, una cum Guilielmi Canteri in libellum de bibliis graecis praefatione, testantur multos et magnos errores antiquitus in sacras literas irrepsisse.
Item: B. Ariae Montani de exemplari psalterii Anglicani animadversio, monstrosam eiusdem psalterii indicat adulterationem:
Postremo, apud Johannem Harlemium in variarum lectionum praefatione videre est, quam multae et variae sacrorum bibliorum extiterint lectiones.
Ea quae sequuntur ex eiusdem Ariae Montani sunt excerpta tomo qui in frontispicio ostendit lexicon graecum:
Post eiusdum Montani Institutiones et dictionarium
graeeae linguae, subsequitur Andreae Masii ad eundem Montanum epistola, magnum indicans Siriacae linguae defectum, quem nostra patitur aetas, quod etiam confirmat altera euisdem Masii ad eundem Montanum epistola, grammaticae syricae praefixa, quae insuper indicat, Novum testamentum primitus syrico sermone fuisse conscriptum.
Sequitur deinde Guidonis Fabricii epistola in Dictionarium Syrochaldaicum, quae etiam asserit, Novum testamentum primitus syrico sermone fuisse conscriptum. Santi Pagnino insuper et Munstero hallucinationis notam impingens.
Francisci Raphelingi ad Hebraica lingua lectorem epistola, Santem Pagninum, etiam erroris manifesti insimulat, addens plurimas adhuc esse hebraicas dictiones tam multiplicis significationis, ut etiamnum interpretibus: non parum facessant negotii.
Ex Benedicti Ariae Montani Praefatione, in latinam ex hebraica veritate veteris testamenti, interpretationem:
B. Augustinum tradidiose latinorum interpretum infinitam fuisse varietatem.
Idem fere ibidem de B. Hieronymo.
Ambigua verba, multum interpretibus facessere negotii.
Hebraicae linguae infinitas esse dictiones, quae multiplicem in se significationem continent.
Santem Pagninum in interpretatione sua etiam alicubi fuisse hallucinatum.
Boni interpretis onus gravissimum.
Ex Universitatis Lovaniensis epistola:
Santis Pagnini Bibliorum opus, quamvis magnae sit autoritatis, non tamen errore vacare.
Ex B. Ariae Montani in Novum Testamentum praefatione: Vulgatam Novi Testamenti interpretationem, caeteris omnibus antiponendam, quippe quae sine dubios et gravissima et tutissima omnium est. Atque ibidem deinceps videre est, quam multa in absoluto requirantur interprete.
Idem in praefatione Primi tomi:
(Biblia Regia) Summas profecto et divinas laudes, vario et multiplici argumentorum genere refertas, huius sacro-
sancti verbi legitimi, et a Spiritu sancto comprobati, ministri ac interpretes colligere sunt conati, quas tamen oratione complecti non potuerunt, ut et res ipsa docuit, aut ipsi ultro confessi sunt. At vero omnes ingenii et animi vires in eam rem direxerunt, ut huius divini verbi utilissimum, et ad omnium vitam instituendam atque felicitatem inveniendam oportunissimam studium mortalibus commendarent.
Ex eiusdem ad summum Pontificem oratione:
Quae ab haereticis edebantur hebraico latina, vel graeco latina biblia, etsi lectionem ipsam hebraicam vel graecam integram conservarent, si tamen conservabant, tamen versiones per eosdem depravatissimas habebant latinas, neque legi sine periculo poterant magno.
Ex eiusdem admonitione de Sijriacis Novi testamenti libris: Dolui quod in exemplari Sijriaco quaedam desiderentur volumina, quae apud graecos et latinos integrum Novi Testamenti librorum numerum conficiunt, nimirum ex canonicis epistolis aliquae, et integra Ioannis Evangelistae Apocalijpsis, et eiusdam apud eundem Iohannem in Evangelio capitis pars, in qua adulterae mulieris ad tentandum Christi iudicium malitiose a scribis et pharisaeis productae, historia narratur.
| Ex secundo tomo: | |
| Prologus Hieronijmi in librum Iosuae. | |
| Epistola et praefatio in libros paralipomenon. | |
| Ex tertio tomo: | |
| Hieronymi prologus in librum Esdrae. | Omnes hi loci interlinearibus notis significati, testantur, multa antiquitus in veteris testamenti libris fuisse depravata. |
| Prologus in librum Judith. | |
| Prologus in Esteram. | |
| Uterque prologus in Iobum. | |
| Uterque prologus in librum psalmorum. | |
| Epistola et prologus secundus in libros Salomonis. | |
| Ex quarto tomo: | |
| Prologus in Esaiam. | |
| Praefatio et prologus in Ieremiam. | |
| Prologus in Ezechielem. |
Prologus in Ionam docet ipsum Ionam fuisse filium mulieris Sareptanae quem Helias mortuum suscitavit.
Hierop volgen enige citaten over de macht van de vorst in kerkelike zaken, uit Bartholomei Keckermanni Disciplina politica, waarbij Hooft verder aantekent (hij is vóór gehoorzaamheid van de kerk aan de wereldlike overheid):
Vide praeterea huius argumenti plura dogmata lectu dignissima usque ad paginam 534. Libro eodem pag. 379, 380, 381 quaestionem tractat, an et quatenus Iudai in Republica sint admittendi. Idem videre est apud Clementem Timplerum Politicorum lib. 1, pag. 711).
Daarna volgt een en ander uit Calvini Admonitio ad Carolum V., tegen de priestervoorrechten; uit Petri Martyri, Commentarii in primum librum Samuelis, over Samuels raad (VIIIe hoofdstuk.)
Eodem insuper capite sub versiculis 4, 5, 6, tres regiminis formas proponit, dignas quae nostra aetate mature examinentur.
Voor Memorie.
Jacobus Taurinus in zijn eerste deel tegen Iacobi Triglandii Rechtgematichden Christen2), capite 4, p. 45 tot 56 incluys, verhaelt verscheyden dwalingen sommiger oudtvaderen, dye wel naesyenswaerdich zijn. - Naederhandt bevonden, dat ick deselfde ende andere meer wel hebbe geannoteert.
Daarna volgt een en ander uit ‘Cardinalis Baronii’ werk over 't concilie van Nicaea, (waarschijnlik bedoelt Hooft diens Annales eccleciastici, XII vol, Antv. Plant. 1597, 1609 fo.).
Volgen sommige sommiere observatien van de kleyne bestandicheydt ende eenparicheydt van de Conciliën int corte getrocken uytte Commentarien Iohannis Funcii op zijn Chronologia.
Deze citaten betreffen de Arianen en enige Concilies uit 328 tot 449.
Ick soude nu oock gaern byeen brengen eenige exemplen, dye mijn duncken dat ons behoren te dienen, om tot moderatie ende tolerantie te verstaen in de kerckelycke verschillen, dye huydensdaechs op de bane syn, opdat wij deselve wel examinerende, ons tot gevoechlickheydt, d'een tegen d'ander souden mogen, begeven, gelyck myn dunckt dat wy schuldich syn te doen, ende sonder t'selfde te doen, nyet wel en schijnen echte kinderen, maer weleer bastaerden te wesen van dye luyden, dye onse voorsaten geweest synde, ende de principale hetten in t'stuck van vervolginge geleden hebbende, over veertich ofte vijftich iaeren, nyet meer in recommandatie hebben gehadt dan dat sy alleenlick nevens den pausgesinden ende onder denselven vrijheydt haers geloofs hadden mogen genieten. Sonder dat sy souden hebben durven dencken om te comen tot de vryheydt, dye Godt de Heere ons soo wonderbaerlick heeft verleent. Dye wy nu misbruyekende metten weeldigen paerden achteruyt slaen, ende d'een d'ander nyet met allen willen ten goede houden. O, alte groten veranderinge van onse eerste beginselen, dye ick oock duchte, dat by continuatie van desen voet ons; eer wij het wanen, wederom tot dye eerste beginselen ofte mogelick tot veel swaerder brengen sal, t'welck Godt de Heere genadelick afwenden wille, Amen. Ende sal alsoo nu comen tot dy voorsz. exemplen ende eerstelick uyt den heere Theodoro Beza (Beza in Epist. theol. pag. 7), alwaer hij seyt: Dat de gereformeerde kercken metten Luterschen ten principalen eens sijn, nyettegenstaende sy in de maniere van leeren, alsnoch verschelen ende dat men daerom tot eenicheydt behoort te trachten. Men lese die heele syde tot dyer materie dienende, en