terug  begin  verderprepost
[p. 357]

XI. Redevoering naar aanleiding van een verzoek om steun aan de Contraremonstranten elders; Januari 1615.

Hierop laat ik een stuk volgen, dat bij Brandt, Historie der Reformatie enz., II, 247 (en bij Wagenaar, Amsterdam, I, 142, die het aan Brandt ontleent) voorkomt, maar dat ik in manuscript niet heb kunnen terugvinden, althans wat de hier overgenomen passages betreft. Het is een redevoering, die gehouden werd naar aanleiding van een verzoek van Enkhuizen om hulp voor de verdrukte Contraremonstranten in Hoorn. Wagenaar deelt uit de Vroedschapsresoluties het volgende daaromtrent mee op 24 Januari 1615: ‘dat Burgemeesteren den Raad hebben medegedeeld esn brief van de Wethouderschap van Enkhuizen, waarin geklaagd wordt over de strengheid der Regeeringe van Alkmaar, tegen zulken, die aldaar sedert eenigen tijd in een schuure vergadering gehouden hadden, welke strengheid zij gaarne gestuit zagen, en nog een brief van Burgemeesteren en Raad van Hoorn, berigtende, dat sommigen aldaar zig van de Kerke hadden afgezonderd en vergaderingen hielden in zekere huizing, met bijgevoegd verzoek, dat Burgemeesteren van Amsterdam geliefden te beletten, dat een Predikant van Amsterdam [deze afgescheidenen te Hoorn waren contraremonstrants] in afgezonderde vergadering te Hoorn kwame leeren, indien zulks door de afgezonderden verzogt mogt werden, gelijk sedert geschied is’. Op Alkmaar is verder niets besloten; de Hoornse kwestie werd besproken en tenslotte uitgesteld. Hierbij hield Hooft zijn redevoering. Verder geven de Resolutien hieromtrent niets behalve, dat 20 Juni 1616 besloten werd gedeputeerden van de stad tezamen met Enkhuizen naar Den Haag te sturen, om Gecommitteerde Raden te bewegen

[p. 358]

een en ander voor de Contraremonstranten te doen (blz. 330). Ook Brandt geeft geen verdere bizonderheden hieromtrent, wel in 't algemeen een en ander over de scheuring in de classis te Hoorn (a.w. blz. 241).

 

't Waer wel te wenschen, myne Heeren, dat wy die oude loffelyke spreuke, ‘Concordia res parvae crescunt, discordia maximae dilabuntur’, wel behertigden. Onse voorsaeten hebben sich daer manlyk in gequeten met soo veele Provincien en deelen deser Nederlanden aen den anderen te knoopen, gelijk ook daer noch toe strekken de nieuwe verbintenissen, die van tijdt tot tijdt met ons goedvinden, of immers sonder tegenspreken, met verscheiden buitenlandtsche Vorsten en Republijken werden aengegaen, om elkanderen in tijd van noodt te beter de handt te bieden. En alhoewel wij dienvolgens wel alle tegelijk behoorden te arbeiden ten einde dese droevige en gevaerlijke misverstanden binnenslandts, als een verteerende brandt binnen ons eigen huis, mogte werden bijgeleidt en uitgeblust; nochtans dunkt mij, dat van hier de voornaemste oorsaeken voortkomen, waerdoor deselve worden onderhouden en gevoedt. In sulker voegen, dat by vervolg van soodaenige handelingen te vresen staet, dat wy (na den voorgang dergeenen die eenige andre Nederlantsche Provincien deeden verloren gaen) oorsaek sullen wesen van den ondergangh van al d'overige Nederlanden, die als noch zijn vereenigt; 't welk dienen sal tot soo grooten aenwas des Pausdoms, dat wij in de Christenheit geen plaets sullen vinden, om in vryheit van conscientie te moogen leven. Wij weeten, dat niemant in een welgestelde regeering eenen anderen eenig verder gebiedt toestaet, dan syne rechtspraek strekt, ook niet ontrent een' enkelen gevangen. Ja selfs de dorpen onder d'ambachtsheerlykheit deser stede souden sich buiten twijffel in rechte tegens ons versetten, als men hun iet verghde tot verkorting hunner rechtspraeke. Wat fondament hebben wij dan om ons t'onderwinden de regeering van andre steden? Souden wij op 't versoek van 't geheele landt van Hollandt hier wel toelaeten 't geen

[p. 359]

wij andren vergen? Wat gebiedt hebben wy meer over hen dan sij over ons? Wij handthaven onsen kerkenraedt bij dat verstandt, dat d' Overheit geen kennis noch gesagh toekomt in kerkelijke saeken, binnen haer eigene paelen, en daerentegen porren sij ons om daerin ordre te stellen in 't gebiedt van anderen. Wij willen de Resolutien bij meerderheit van stemmen in dese vergadering genomen, staende houden, en weigeren 't selve plaets te geven bij de Heeren Staeten omtrent hunne besluiten met veel meer overwicht van stemmen genomen. Waer na gelijkt dit? Is 't niet een groote onbillykheit onsen nagebuuren te vergen, 't geen wij selfs niet begeeren te doen? En onse resolutien meer authoriteits toe te schrijven dan wij den Heeren Staeten willen toestaen? Hoe kan zulk een regeering bestaen? Wij neemen quaelijk, dat die van de genaemde kruiskerk tot Hoorn bij de regeering aldaer werden genoemt afgeweekenen van de kerke, beweerende, dat d'andere door 't invoeren van nieuwigheit selfs afgeweekenen sijn. Maer wij moeten weten dat alle nieuwigheit niet quaedt, nocht alle het oudt niet goedt is, dat komt ons d'eerste Reformatie....

Volgt een stuk over de ondertekening der formulieren.

....De Contraremonstranten mogen, mijns bedunkens, met meerder reden van nieuwigheit werden beschuldigt, als willende in desen vrijen tydt de gemaetigtheit, die van oudts met soo groote sorgvuldigheit in 't verhandelen der Predestinatie en aenkleven derselve, is gebruikt.....

Volgt een stuk over het recht der overheid, de Spaansche tirannie, de opvattingen der vluchtelingen, vaders der tegenwoordige regeringsleden, over het lezen van de Bijbel en het velerlei verschil van opvatting daaromtrent.
prepostterug  begin  verder