De beide in de Memoriën en Adviezen I volgende verhandelingen (blz. 331-346 en 346-365), die ook in de genoemde folioband der Universiteitsbibliotheek bijeen staan en door hun opschrift bijeen horen, vinden hun aanleiding in de onderhandelingen over de berechting van de in Augustus 1618 gevangen genomen leiders der Statenpartij. De eerste heeft meer in 't algemeen de verhouding van Holland tot de andere gewesten tot onderwerp; de tweede is duidelik geschreven nadat, op 2 Februari 1619, de Staten van Holland op aandrang van Maurits (die ook door Hooft om zo te zeggen wordt toegesproken) nieuwe gedeputeerden ter Staten-Generaal benoemd hadden. Daarbij behaalde de Contraremonstrantse partij een laatste overwinning: de nieuwe gedeputeerden waren sterk anti-Oldenbarnevelts en ijverige aanhangers van Prins Maurits (Elias, a.w. I, LXX). In diezelfde tijd werd - en dat is nog meer het onderwerp van beide stukken - in de Staten van Holland en dus ook in de Vroedschap van Amsterdam gesproken over de souvereiniteitsrechten van 't gewest in betrekking tot dit proces. De voorlopige ondervragers waren in November 1618 aangesteld en toen hadden voor dit maal alleen de Staten toegestaan, dat zij hun lastgeving van de Staten-Generaal ontvingen, nadat zij zich terzelfder tijd hadden neergelegd bij de maatregelen van de Prins en hem daarvoor hadden bedankt. In Januari en Februari 1619 werd nu de kwestie van het proces definitief in de Staten behandeld, waarbij weer telkens de souvereiniteitsvraag te berde kwam. Zoo werd 11 Januari door de Vroedschap ‘geresolveert, dat deser Stede Gedeputeerden daerop wel sullen letten ende sorge dragen, dat int nomineren ende verkiesen van de Rechters op de
saecke van de drie gevangenen in desen geroert, de vrij ende gerechticheijt van tland van Holland ende Westvriesland, wel wordt bewaert, daeromme zij oock sullen aenhouden, ende sien (ist mogelijck) te wege te brengen, dat de voorschreven Rechters alleen bij de Heeren Staten van Holland ende Westvrieslant worden vercoren. Doch soo sulcx met gevouchlijckheijt nyet soude cunnen toegaen tot verachteringe van de saecke ende miscontentement van de andere provincien, soo sullen de voornoemde Gedeputeerden haer desen aengaende mogen refereren tot de vergaderinge van de voornoemde Heeren Staten van Holland ende Westvrieslant’. Het waren vooral de reeds voorlopig met het ondervragen der gevangenen belaste leden (waaronder Reinier Pauw, de grote tegenstander van Hooft), die in de Staten het recht der gezamenlike gewesten verdedigden tegenover degenen, die een exclusief Hollands, dus gewestelik standpunt innamen. Ten slotte werd bij meerderheid van stemmen besloten, dat dan ten minste het grootste deel van de gedelegeerde rechters door Holland moest worden benoemd en ‘dat men haar slechts voor deeze reize rechtspraak over de gevangenen afstondt, zullende zulks niet in gevolg mogen getrokken worden’, zoals Wagenaar uit De Groot aanhaalt. Daarna werden de twaalf gedelegeerden benoemd (Wagenaar, Vaderl. Historie, X, 296, 339 vg.).
Hieruit mag das opgemaakt worden, dat Hooft in November 1618 de eerste en op of vóór 11 Januari 1619 de tweede rede hield. Rede? Ik durf het ditmaal niet met zekerheid te zeggen. Zij dragen minder het karakter van 't gesproken woord dan andere stukken, maar toch lijkt het mij wel waarschijnlik, dat het althaus deels redevoeringen zijn, die hij later (dit is met de tweede zeker het geval) uitwerkte.
In het eerste stuk zegt Hooft ook: ‘Myn bedencken is dat wy den genoemden Geestelycken... te veel autoriteyt toestaen’. Dit is wel naar aanleiding van de besprekingen over het toestaan van een Nationale Synode, 26 en 27 October 1618, in de Staten van Holland. Men had voor die tijd nog slechts bewilligd, indien de Synode niet decideerde, maar alleen tot accommodatie bijeenkwam (Augustus
en September 1618), terwijl toen volgens Brandt Zeeland, Friesland en Groningen niet wilden toestaan, dat in de uitschrijving der Synode ‘gewagh soude worden gemaekt van tolerantie of verdraegsaemheit: 't geen die van Hollandt te meer beducht maekte voor 't gevolg der Synodale handelingen en oordeelen’. Daarop laat deze schrijver dan een deel van Hoofts woorden volgen (a.w. II, 831-840). Op 27 October werd nu echter zonder verder voorbehoud, dan alleen ‘volgens de verklaeringe bij de selve (t.w. de Staten) tot conservatie en voorstandt van haere hoogheidt, vrij- en gerechtigheit respectivelijk gedaen’, bewilligd in de Synode overeenkomstig de besluiten der andere provincies, en wel bepaaldelik om aan de geschillen een einde te maken (Resolutiën der Staten van Holland, geciteerd bij Brandt, a.w. II, 889). Daartegen heeft Hooft zich dus ook gericht; zijn standpunt blijft ‘verdraagzaamheid’ en uitdrukkelik: geen beslissing door een synode, maar bemiddeling door de wereldlike overheid.
| 1. | blz. 332, 8e al. Dit slaat op 't gebeurde in Groningen in 1600, cf. blz. 188, noot 1. |
| 2. | blz. 334, 2e al. Omtrent dit ‘muntwerek’ heb ik niets kunnen vinden. |
| 3. | blz. 338, 4e al. De Zijpe was in 1597, de Beemster in 1610 droog gemaakt. |
| 4. | blz. 340, 2e al. Cornelis Helling trachtte op 22 November 1577 de stad Amsterdam te overrompelen voor de Staten van Holland, welke aanslag mislukte (Bor, a.w. XI, 302 vg.). |
| 5. | blz. 346, 2e al. O.a. in 1608 hadden Breda en de overige veroverde streken gevraagd om tot de Staten-Generaal te worden toegelaten, wat geweigerd was; ‘bij de weigering speelde de religie de groote rol’, zegt Fruin (Staatsinstellingen, 178), ‘voornamelijk door den invloed van Holland, dat het aantal der stemmende kleine landgewesten niet wilde vermeerderen, terwijl de brabantsche streken bovendien veroverd land waren’, zegt Blok (Geschied, van het Ned. Volk1, IV, 82). |
| 6. | blz. 346, 2e al. Dit is over de zaak van den dief Marinus, cf. blz. 344. |
| 7. | blz. 349, 6e al. Waar deze spreuk voorkomt, heb ik niet kunnen vinden. |
| 8. | blz. 351, 1e r.v.b. Dit zijn de onderhandelingen tussen Engeland en Spanje om tot vrede te geraken, waarvan Motley zegt: ‘the negotiations by which the wise Queen of England was beguiled, and her kingdom brought to the verge of ruin, in the spring of 1588’ (History of the United Netherlands, Rotterdam, 1872, blz. 523 vgg.). |
| 9. | blz. 356, 3e al. Deze broer moet zijn Jan Pietersz. Hooft, geb. 1543, † 1602, getrouwd met Geertruid Jansdr. Lons (Elias, a.w. I, 150). |
| Van een besluit in de geest als Hooft hier meent te kennen, is mij niets gebleken. | |
| Clemens Maertsz. was gematigd gereformeerd en van 1567 tot 1599 predikant te Hoorn; herhaaldelik is hij verdacht van onrechtzinnigheid (Van der Aa, Biogr. Woordbk., i.v.). |