Met de laatste episode in de twisten van het Bestand sluit ook Hooft zijn werkzaamheden af: na zijn Consideratie naar aanleiding van de approbatie der Dordtse canons hebben wij geen dateerbaar stuk meer van hem. Dit laatste is waarschijnlik een redevoering, maar wat de vorm betreft is dat niet geheel zeker. Wel zou de door Hooft genoemde datum (26 Juni 1619) ons dit doen vermoeden. In die maand worden nl. in de Staten en de Vroedschap besprekingen gehouden over de resultaten der vergadering van Dordrecht. In de Statenvergadering heeft men op 19 Juni 1619 de ‘actens of Decreten Synodale tot Dordrecht by de Synode Nationael gearresteert’ besproken en goedgekeurd (terwijl alleen Gouda zich onthield) en op 22 Juni zich bezig gehouden met het vaststellen der ‘synodale kerkenordre’. Hierin kon men echter de leden niet tot overeenstemming brengen. Het is dus waarschijnlik, dat de
Gedeputeerden daarna naar hun steden zijn gegaan om rapport te doen en lastgeving te vragen. Wel had men reeds een Commissie benoemd, waarin ook Amsterdam zitting had, om de kerkorde te onderzoeken en met Bogerman te overleggen wat ter verdediging kon worden aangevoerd. Dit laatste heeft plaats en 21 Juni wordt rapport gedaan, waarop de meesten tot aanneming bereid zijn. ‘Doch alsoo de Gedeputeerden van de steden Leyden, Amsterdam, Rotterdam, Briele en Hoorn niet gelast waeren, dan op rapport, is 't eindelijke besluit tot op Dingsdagh naestkomende uitgestelt’. Dit komt overeen met de Resolutiën der Vroedschap van Amsterdam; daar vond ik nl. gedurende deze gehele tijd geen vergadering over deze kwestie. Na 19 Juni is er eerst weer een aantekening van 29 Juni, waar gedelibereerd wordt over de kerkorde en dit besluit genomen: dat de stad liever gezien had, dat men de addities voorgesteld door de Gecommitteerde Raden, had overgenomen, maar nu de Staten in het algemeen er weinig aan willen toevoegen, zal men zich met de meerderheid ‘conformeren’ en zijn best doen de kerkorde ook door de andere gewesten te doen aannemen. Op den 2en Juli wordt nu door de Staten een besluit in die geest genomen, nl. met de clausule, dat men de Staten-Generaal zal bewegen zich het recht van interpretatie te reserveren en op die voet de kerkorde approberen (uit de Resolutiën der Staten van Holland, geciteerd bij Brandt, Historie der Reformatie III, 682, 684, 749 vg.). Het is dus wel waarschijnlik, dat Hooft het hier bedoelde stuk (Memoriën en Adviezen I, p. 366-384) heeft opgesteld naar aanleiding van het rapport der Gedeputeerden, enkele dagen vóór dat het besluit der Vroedschap viel. Immers het handelt juist over het zo vaak door hem aangeroerde onderwerp: het recht der provincie en der overheid tegenover de kerk en hierover had men ook in de Staten gesproken naar aanleiding van de predikantsbenoeming. Men had niet gerust voordat de woorden ‘met communicatie van de Overigheit’ uitgelegd werden, onder goedkeuring van Bogerman, als: ‘met voorweten, kennisse en goedtvinden van de Magistraaten de beroepinge te doen’ en na de genoemde Vroedschapsvergadering werd bovengenoemde clausule over de inter-
pretatie in 't algemeen Voorgesteld. Dat was niet naar de meening der kerkelike partij; er zal dus wel een hartig woordje over gevallen zijn!
| 1. | blz. 368, laatste alinea. Over deze franse synoden zie blz. 259 van dit deel. Dat Hooft hier Christiaan II van Saksen noemt, is enigszins eigenaardig, aangezien onder hem juist het allerfelste Lutheranisme zegevierde en alle toenadering in cultusvormen tot het Calvinisme van zijn vader (Christiaan I, † 1591) weer afgeschaft werd: ‘Das starrste Luthertum hatte gesiegt’. Onder hem gold zelfs de leuze ‘liever paaps, dan Calvijns’! (Müller, Kirchengeschichte II, II, p. 98, 297). |
| Heshusius en Westphalus behoorden tot de voornaamste leiders der ‘Flacianen’, der strengste Lutheranen tegenover Melanchthons verzoenende houding; Brentius was een der jongere Lutheranen, die speciaal in de Ubiquiteit bizonder orthodox was en zelfs niet met de meerderheid der Lutheranen hierin meeging (ibidem, 88). Junius en Paraeus behoorden tot de verzoeningsgezinde Calvinisten, evenals Du Plessis in Frankrijk; Saravia ging tot de Anglicanen over. | |
| 2. | blz. 378, 2e al. Scultetus schreef o.a. Medullae theologiae patrum Syntagma, dat door Hooft meermalen wordt genoemd en waarvan zich een uitgebreid excerpt onder Hoofts papieren bevindt; hij stond als gematigd bekend en had een werkzaam aandeel in de ireniese pogingen van zijn keurvorst Frederik V van de Palts, die door de Lutheranen steeds werden afgewezen (Realenc. f. Pr. Th. u. K. XVIII, 104). Zijn houding op de Synode te Dordt was daar echter helemaal niet mee in overeenstemming: hij raadde tot absolute veroordeling der Remonstranten, die hij voor bedriegers schold (Brandt, a.w. III, 250, 294). |
| 3. | blz. 380, 9e r.v.o. Zansius, 't hs. heeft Zanchius. |