[p. *1v]
origineel
Op de tytelprent.
D
E Aartsvader
ABRAHAM
, die, deftig van gelaat,
Op 't
Hoofdt
des
Hoeksteens
, als een
Eik
van Mamre staat,
Wiens
Wapen
diende om Lot uit Elams bandt te slaaken,
Gelyk zyn
Herdersstaf
om voor het vee te waaken,
Omhelst getrouwelyk het waare HEILGELOOF:
Haar
Offer
maakt hem voor 't gevlei der driften doof;
Als d'ONSTANTVASTIGHEIT, wiens ongebonde
Klederen
Op wufte zinnen zien, gelyk de
Kloot
en
Vederen
;
De AFGODERY, die 't oog op haaren
Huisgodt
houdt,
En de EIGENLIEFDE, die haar
Schyncieraadt
beschouwt:
Deze alle zien zich van hun' Overwinnaar teugelen,
Terwyl GEHOORZAAMHEIT zyn voeten, door haar
Vleugelen
,
Gewillig maakt, om 't
Juk
der zeden t'ondergaan,
En vaerdig 't spoor dier Wet,
Gebreidelt
in te slaan.
Dus ziet hy, van een
Straal
des Hemels, zich bejegenen,
En zyne
Have
en
Vee
, op Hebrons bergen, zegenen.
J.W.
[p. *2r]
origineel