[p. 268]
origineel
Abraham, de Aartsvader.
Het twaalfde boek.
Inhoudt
.
Z
Es zonen teelt de Helt met schoone Ketura
,
Terwyl Rebekka blyft onvruchtbaar twintigh jaren
,
Tot Godt d' Alzegenaar, op Izaks beê, daarna
Ziet van zyn' troon en doet haar tweelingzonen baren
.
Helt Abraham voorspelt hun beider lotgeval;
Beleeft hun jonglingschap; en zendt nu, zat van dagen
,
Zyne andre zonen weg, om Izak bovenal
Zyn' zegen, en Godts heilbeloften op te dragen
.
De Doot besluit in 't end' zyn heerlyk levensperk
.
Hy vaart ten hemel op. de Dichter sluit zyn werk
.
N
U konnen wy den gront van onze dichtstof peilen.
Nu noch een lieflyk wintje in d'opgetrokken zeilen:
Zoo varen we eindlyk uit dees wyde letterzee
De blyde haven in der langgewenschte reê.
+
d'Almachtige Opperheer, de Schepper aller dingen,
Gaf vader Abraham, in vyf paar zonnekringen
[p. 269]
origineel
Nogh drie paar zonen uit den schoot van Ketura.
Zyn levende ouderdom vindt nergens wedergâ.
Hy is gelyk een' boom, die in de winterdagen
Verstorven scheen, als of hy nimmer vrucht zou dragen;
En die, zoo dra de zon het tweelingteken raakt,
Weêr schooner uitbot, blad-en bloesemknoppen maakt,
En in den zomer al 't geboomte in planters hoven
Met eenen ryken oogst van vruchten gaat te boven.
Hy komt, ô wonder! met een glans op 't aangezicht,
Nogh grootsch en statigh met zes zonen in het licht,
In eenen ouderdom van driemaal vyftigh jaren,
En toont een groene jeugt by zyne gryze haren.
Niet anders dan de heldre Oriön in 't gestarnt,
Als hy des winters met een schooner luister barnt,
Zyn knots en gordelriem bezaait met heldre lichten,
En doet de duisternis der koude nachten zwichten.
Maar Izak, in de vaag zyns levens, frisch en sterk,
+
Godtvruchtige Izak, ziet van 't eerbaar minnewerk
Uit zyn Rebekka geen beminde huwlyksvruchten.
Zyn hoop loopt jaar op jaar te niet op ydel zuchten.
Hoezeer hy wenscht, en haakt, en bidt om eenen zoon,
Hy kan de vruchtbaarheit niet troonen van Godts troon.
De vruchtbaarheit, die, toen de waerelt was geboren,
+
Uit Godts Almaghtigh woort, verkreeg een vollen horen
Van alle zaden, die zy strooide op 's aartryks gront;
Ontfing 't vermogen uit den Goddelyken mont,
[p. 270]
origineel
Om al wat leven had, by 't minnen en het trouwen
Elk naar zyn' eigen aart, in wezen te onderhouwen.
Maar toen de vuile zonde eerst haren oorspronk nam
Uit snô begeerte, en naakt en bloot ter waerelt kwam,
Moest ook de vruchtbaarheit het heiloos onkruit zaaien,
+
Opdat de menschen zorg en arbeit zouden maaien:
Toen werd haar vrye macht bepaalt aan enger bant
Door 't eeuwigh Albestier: toen moght het vruchtbaar lant
Geen inkomst geven naar zyn uiterste vermogen:
Het aardryk was gevloekt: de mensch met al zyn pogen
Bleef sint te derelyk der ydelheit een slaaf:
Zoodat, of schoon hy ploege of plante, of zweet of draaf,
Of zaaie of natmaak' al de dagen van zyn leven;
Het ydel is, zoo Godt den wasdom niet wil geven.
+
De blyde lente had het aartryk wyd en breed
Al byna twintigmaal in 't nieu gewaat gekleedt,
En zoo veel malen had de zomer, blont van haren,
Den gouden oogst, gehult met rype korenaren,
De velden omgevoert, sint Izaks trouwverbont;
Wanneer dat heiligh paar begon met hart en mont,
Met dubbel yvervuur, aan 't heilgeloof ontsteken,
De hooge Godtheit om de vruchtbaarheit te smeeken,
Om eenen nazaat uit den Godtverloofden stam.
De rechtgeaarde zoon van vader Abraham,
Gesterkt door 's Vaders reên, bestaat met heete tranen
't Almachtigh Wezen met eerbiedigheit te manen
[p. 271]
origineel
Om zyn beloften, die Het aan zyn' Vader deed,
En in zyn byzyn had bevestigt met een' eet,
Op Moria, toen hy, door Godts bevel bewogen,
't Geloovigh hooft had voor het offermes gebogen.
Hy bidt, en zucht, en smeekt, in tegenwoordigheit
Van zyn Rebekka, die ook heete tranen schreit;
Totdat de wierook dier gebeden, opgerezen.
+
Tot voor den troon van 't hoogaanbidlyk Opperwezen,
Een lieffelyken reuk verspreide in 't hemelhof,
En 't mededoogen der alziende Godtheit trof.
(Zoo groot een kracht is in 't gebet der vrome mannen!)
Straks gloeit Godts yvervuur, flukswordt de Raat gespannen,
't Besluit genomen, en de vlugge vruchtbaarheit
+
Gezonden naar om laag, die zich in 't bloet verspreit
Van vrouw Rebekka, en, door wondere eigenschappen,
De baarmoêr opent en besproeit met levenssappen.
Nu zweeft de blytschap, die verlokkende vrindin
+
Van 't zwakke menschdom haast de tenten uit en in
Van herder Izaak, den vromen: 't lydt niet langer
Dan weinigh maanden of Rebekka voelt zich zwanger
Van tweelingzonen, die zy draagt in 't ingewant.
d' Egiptenaar is nooit verheugder, als het lant,
Door 't zwellen van den Nyl, en 't lieflyk overvloeien
Bevochtigt, vruchtbaar wordt, en doet zyn koren groeien;
Dan Izak, nu de hoop op 't langgewenschte zaat
De blyschap schildert op het vergenoegt gelaat.
[p. 272]
origineel
+
Maar vrou Rebekke, die den zwangren schoot voelt zwellen,
Lydt harder pynen, dan ooit vruchtbre vrouwen kwellen:
Een wreede persing drukt het ingewant te styf.
De vruchten worstelen en dringen in haar lyf,
En stooten tegen een, als hadden ze ongeboren
In 's moeders lyf elkaâr den oorelog gezworen.
+
Zy wringt de handen, zucht en steent, en schreit en klaagt,
En roept in eenzaamheit de Godtheit aan, en vraagt,
Waarom ze dus met zooveel weedoms had te stryden,
Eernogh de barensnoot haar riep tot bitter lyden,
Naar 't godtlyk nootbesluit den wyven opgelegt?
Mit klinkt een Hemelstem haar in het oor, en zegt:
Twee zonen draagt gy, ô Rebekke, in d' ingewanden,
Twee wakkre hoofden van twee volken, die twee landen
Beheerschen zullen, en, van tweederley bedryf,
Zich scheiden zullen van den andren uit uw lyf.
't Een volk zal sterker zyn dan 't ander; doch na dezen
Het grootste en sterkste volk aan 't minste dienstbaar wezen.
Dus klonk de Godtstem en Rebekka wert verblydt,
En gansch gerust gestelt, tot ze op den rechten tyt
Den ruigen Esau en den blanken Jacob baarde.
+
Dit was myn' gryzen Helt de grootste vreugde op aarde:
Nu ziet hy zonen van zyn' zoon, het rechte kroost
Van Godts beloftenis, zyn' ouderdom ten troost:
Nu ziet hy in 't geloof d' ontwyffelbare tekenen;
Dat hy in Izak heb zyn nageslacht te rekenen;
[p. 273]
origineel
En in den groei en bloei van 't wonder broederpaar,
+
Zyn tweelingneven, wordt hy jaar op jaar gewaar
Hun tweederhanden aart en ongelyke zeden.
Hy merkt in Esau, ruig van vel, en grof van leden,
Een schrandre fierheit in een onversaagde jeugt:
Maar ziet d' oprechtigheit, gehoorzaamheit, en deugt
Al vroeg in Jakob, en bemerkt den vasten schakel
Der heilge waarheit van het goddelyk Orakel:
Ja somtyts zegt hy, door een hemelgeeft beroert,
Een profesygeest, die hem uit zichzelven voert,
Wanneer hy Jakob zag: daar gaat hy, die na dezen,
Zal d'Erfgenaam van Godts verbontbeloften wezen;
Op wien de zegen, en de vrede, rusten zal.
In hem zal myn geslacht vermeerdren in getal,
Gelyk aan 't hoog gewelf de tintelende vieren.
De koninklyke spruit, die met zyn leeubanieren
+
Den schepter zwaaien zal, tot Vorst Messias koom',
Des waerelts Vreugt en Heil, zal spruiten uit dien boom,
Dien boom, die zich verheff' tot 's hemels hooge daken,
En breede lommer zal met twalif takken maken.
Maar somtyts zei hy, als hy groven Esau zag:
Ziet daar den sterken, die zyn' broeder overmagh,
En eenen wreeden haat en vyantschap zal dragen.
Vlucht Jakob: wacht uw hooft: vlucht naar uw moeders magen!
Hy is uw hant te sterk; maar door 't geboorterecht
En 's Vaders zegen, wordt hy u gelyk een knecht;
[p. 274]
origineel
Doch na veel eeuwen zal uw zaat, ten troon geklommen,
Dat maghtigh nageslacht met al zyn vorstendommen
Zich dienstbaar maken, tot het zich eerbiedigh neêr
Zal buigen voor den Vorst van s' hemels Englenheir.
+
Dus Profeteert myn Helt het nootlot zyner neven.
Maar wordt, noch hooger in beschouwing opgeheven,
Schier bysterzinnigh door een nuchtre dronkenschap,
Van hemeltoghten, die zyn' geest van trap tot trap
Langs al Godts weldaân, en zyne aartsche zegeningen,
Vervoeren, boven lucht en ruime starrekringen.
Daar hy de Kroon beziet van zyn onsterflykheit,
+
Die 't eeuwigh Wezen voor den Heldt had toebereidt,
En 't saam doen vlechten, voor zyn heiligh aangezichte
Van een zeer heerlyk, en uitnemend groot gewichte
Van zaligheden, en van onverwelkbaar groen,
Geplukt van 's levensboom in 't eeuwigh heilsaizoen;
Met onverderflyk goet, verzadiging van vreugden,
En wondre stralen van Godts luisterryke deugden,
Te saam gestrengelt, en verheerlykt overal
Met glorynamen, en eertytlen zonder tal,
Van Godtsvrient, Helt, en Vorst, en Vader der geslachten
Die in geloove en deugt Messiäs heil verwachten;
Godtvreezer, Bontgenoot des Scheppers; Erfgenaam
Van 't Hemelsch Kanaän; Profeet, en Gloryfaam,
En Verrekyker van des Heilants dagh en wandel;
Gehoorzaam Voorbeelt van des Vaders liefdehandel,
[p. 275]
origineel
In 't offren van zyn' Zoon, de schrik van 't slangezaat;
En wat'er meer van hem in 't boek des levens staat.
Die dierbre Kroone, van Godts liefdevuur omvangen,
+
Zag hy aan 't einde van het heirperk opgehangen,
En merkt nu, op het zien dier heerlyke erfenis,
Dat hy by 't einde van zyn levensloopbaan is:
Ja hy gevoelt, na die verrukking van gedachten,
Alreê vermindering van zyne levenskrachten.
Gelyk een eik, wanneer een wintbui raast en woedt;
De zomer afscheit neemt; de herfst zyn intreê doet;
De zon ontwykt, en door de wolken, die haar dekken,
't Vermogen kwyt raakt om de vochten op te trekken;
Zich flaau bevoelt, verbleekt, en strooit zyn blaân in 't ront,
Als van een koude koorts geslagen, op den gront.
Nu spoedt zich Abraham, eer d' ongestalte aan 't wassen
+
Hem moght in 't schikken van zyn' laatsten will' verrassen,
Te veldewaart, daar hy van zynen overvloet
Van knechten, vee en have, en allerhande goet
Een deel afzondert, dat hy weêr door 't zestal deelde,
Tot zes geschenken voor zes zonen, die hy teelde
By schoone Ketura, all' kloek en sterk van leest:
Die geeft hy yder met een' onverschrokken geest
Zyn erfschenkaadje, en zendt ze uit Kanaäns landsdouwen,
Naar 't Oosten hene, om daar het vruchtbaar lant te bouwen;
Opdat geen vuur van twist zyn nageslacht verteer',
En Izak blyven zou een Erfgenaam, en Heer
[p. 276]
origineel
Van al zyn' rykdom, en Godts zegening van boven.
Zoo zendt een akkerman de ryke korenschoven
In haast van 't open velt, wanneer het onweer groeit,
En reets de donder door de zwarte wolken loeit;
Opdat geep schichtigh vuur van blaauwe bliksemvlagen
Verteer' zyn' gouden oogst, de hoop der zomerdagen.
+
Zoo trekt de dubble trits van zonen oostwaart aan,
Tot ze in Arabië hun tenten nederslaan,
Daar ze al de lantstreek, door den zegen uit de wolken,
Met Abrahams geslacht uit Ketura, bevolken.
Maar Izak blyft alleen by mynen gryzen Helt,
Die al zyn knechten thans by een roept in het velt,
Zyn ingeboren en zyn aangekofte slaven:
Die by het outer, dat nu blaakt van offergaven,
Te saam vergaren op 't bevel van hunnen Heer,
Elk even reede tot zyn dienst, gelyk weleer,
Toen ze, onderwezen tot den kryg, de herdersrieten
Voor scherpe spiessen en voor 't glimmend zwaart, verlieten;
Dien Veltheer volgden, en, met onversaagden moet,
Den wreeden Kedor deên verzuipen in zyn bloet;
Zyn sterke Vorsten en 't roofgierigh heir versloegen,
En den geroofden buit den vluchteling ontjoegen.
+
Thans roept de veege Helt zyn' Izak overluit
Tot zynen Erfgenaam voor all' zyn knechten uit,
En tot een Heer van al zyn rykdom, en den zegen,
Dien hy zoo mildlyk van den Hemel had verkregen;
[p. 277]
origineel
En zegt in 't ent, ô Zoon, myn zilver en myn gout,
Myn koren en myn most, myn vee, zoo meenigvout,
All deze knechten, die nu d' ooren tot ons neigen,
En al wat ik bezit is uw, en blyft uw eigen:
+
Ik staa den eigendom u vry en willigh af,
Myn beenen haken naar de rust in 't donker graf;
Myn levenszon is al genadert tot de kimmen,
En by het ondergaan, om schooner op te klimmen.
Hier zwygt hy, en men hoort nu een verwart gedruis
Van klagen en gezucht, niet ongelyk 't geruisch
Van eenen zuidenwint, die, schielyk losgebroken,
Na lange stilte, komt het dichte wout bestoken,
En ruischt, en huilt door al de groene takken heen.
Godtvruchtige Izak leidt den Vader, zwak van leên,
+
Naar zyne tente met de tranen in zyne oogen.
Daar spreekt de Godtshelt van 't oneindige vermogen
Des grooten Scheppers, en zyn eeuwigh Albestier;
Zyn wondre Wysheit, en het onbegryplyk vyer
Van zyne liefde; en van haar heilgeheimenissen,
En kracht, om smetten van het menschdom uit te wisschen.
Hy haalt Godts daden, die hy in zyn leven zag,
En die hem grootvaar Sem weleer te ontvouwen plagh,
In zyn geheugen op, en breidt die uit ter eere
En heerlykheit van Godt, zyn wyzen Opperheere;
En zeit tot Izak: zeg, al wat gy hebt gehoort,
Uit mynen monde, ô Zoon, toch aan uw' kindren voott.
[p. 278]
origineel
+
Plant in hun hart de leer der eeuwige genade,
d' Erfleer der vaderen, eerst in den Vrouwezade
Belooft; maar namaals in 't besnydenisverbont
In myn, in uw geslacht bevestigt met Godts mont:
Zoo blink het heillicht in 't geloovigh zaat niet doover.
Draag d' oude hantvest der geschiedenissen over,
Van 's eerste waerelts op-tot zynen ondergang.
Bewaar de waarheit. hou de leugen in den dwang.
Sta naar geen Oppermaght; maar heersch gelyk een Koning
In 't ryk van uw gemoet, en breidel in de woning
Van uw verheven geest de driften met den staf
Der heldre reden, die Godts wysheit aan u gaf;
En hou daar vrede by de zuivre deugdewetten.
Ons later nageslacht zal zich ten rykstroon zetten.
+
Thans treedt de veege Helt naar 't zachte rustbet toe.
Wat ben ik (zegt hy) nu dit ydel leven moê.
'k Ben moê van 't opstaan, en van 't leggen myner leden.
Myn oog is 't slapen moede, en 't zien der ydelheden,
En al myn zinnen zyn van werkzaamheden mat.
Myn vlugge ziel is dit vergangklyk lichaam zat;
Dien klomp der ydelheit, die, midden in d'ellende,
Zich afslooft, en verkwikt, by beurten zonder ende.
Myn groote geest is in 't beschouwen afgeslooft
Van duizent wondren, die ons hangen boven 't hooft;
Daar 't kennen en verstaan blyft van ons afgezondert.
Wat baat het eeuwen, uit onwetenheit, verwondert
[p. 279]
origineel
Te staan, te gluuren, door een dikbenevelt oog,
Op 't schoon des aardryks en den blaawen hemelboog;
't Gestarnte gâ te slaan, en de ongemete kringen;
De jaarshizoenen, en hun beurtverwisselingen,
En duizent dingen in dien stagen ommekeer?
Een jaar was tyts genoeg: voorts zienwe 't zelfden weêr.
De kennis woont toch niet in dikke duisternissen.
Wat ben ik moede van het staag en eindloos gissen
Naar eigenschappen, die zich opdoen voor 't verstant,
Waarnaar wy tasten, als de blinden naar den want.
'k Ben loof en afgemat van 't zwerven, en het reizen
Door vreemdlingschappen naar de hemelsche Paleizen
Der Oppervredestat, die fundamenten heeft,
Daar ware wetenschap en zuivre wysheit leeft,
En daar ik eens myn afgematte ziel zal baden
In 't Heilfonteinnat, in de schaau der levensbladen;
Wanneer ik 't lichaam, nu van dagen zat en moê,
Aan moeder d'aarde geef; het komt toch d'aarde toe.
Zoo wordt de Boezemvrint der Godtheit daaglyks zwakker
+
Van lichaam; maar zyn geest blyft altyt even wakker;
Ja schynt te groeien in verhevenheit en kracht,
Hoe hy al nader aan de doot zyn uitkomst wacht,
Ha! zegt hy somtyts, meent ge, ô Doot! ô Vrouweschaker,
ô Huwlykscheider, ô gy Weeu-en Weezemaker,
ô Koning van den nacht, uit 's menschen schult geteelt,
Die hier in dit gewest des doots den meester speelt,
[p. 280]
origineel
En komt den waereltling in zyne vreugt verrassen;
Meent gy, Verwaande, met uw grynzen en grymassen
Van schrik en vreeze, of met verbeeldingen van pyn;
+
Met grafspook, rouwgewaat, en met den ydlen schyn
Van dootlyke angsten, die om uwen zetel waren;
Myn levensmoede ziel, t'ontrusten of vervaren;
Als ware ik een, die op den rykdom of het gout,
Op eer en staatzucht had myn heil en hoop gebout,
En, in de liefde tot de waerelt diep verzopen,
U te verzoenen dacht of uitstel af te koopen:
Een, dien uw prikkel diep in 't vuil geweten steekt?
+
Neen, zwarte Koning, 'k daage u uit: uw prikkel breekt:
Uw pylen stompen op myn schilt en harnasplaten,
In Godts genadebron verstaalt, en nooit ontlaten:
Ik schrik noch vrees voor u, gevreesde Menscheplaagh,
Geringste Dienaar van Godts eeuwige orde omlaag:
Als gy dit leven met gewelt meent af te plukken,
En van den stamboom van het menschdom fier te rukken,
Zal 't als een rype vrucht u vallen in de hant.
Geluk dan met dien buit: wanneer myn geest, den bant
Des engen kerkers in de vrye lucht ontsprongen,
Door alle persing in een oogenblik gedrongen,
Op starreronden treedt, en 't groot Heelal beschout,
Door de eeuwige Almacht en de Wysheit opgebout:
Daar ik de zon en maan beneên my zal zien rennen
In hare kringen, en deze aarde naau bekennen:
[p. 281]
origineel
Terwyl ik spot met u, en uw gewaant gezagh,
En, u verwinnende, om uwe overwinning lach.
Nu scheen het of de doot te rug deisde, en verschrikte
+
Voor die grootmoedigheit, en of de Helt verkwikte.
Zyn levenslamp gaf nogh een helder flikkerlicht.
Waarop de hoop verschynt in Izaks aangezicht,
En vleit zyn hart, en zegt: misschien is 't Godts behagen,
ô Vader! noghmaal te verlengen uwe dagen.
Neen. zegt de Helt, ik wensch of hoop op 't leven niet.
+
Zou een gevangen, als hy zyn' verlosser ziet,
Die zyne boeien slaakt, de kluisters van zyn handen;
De vryheit weigeren, en blyven in de banden?
+
Of zou een zeeman, die in 't nypen van den noot,
In storm en onweêr met zyn hobbelende boot,
De haven ziet, het dan weêr naar de diepte zetten?
Neen, Waerde, niemant zal my in myn vaert beletten:
'k Zie myn' Verlosser, en myn vryheit, voor de hant.
Ik zie de haven, en de baak van 't vaderlant.
De Heilant zal myn ziel, die paerel, duur van waerde,
Haast uit dit lichaam, uit dit stof en slyk der aerde
+
Opbeuren, loutren door den doot van allen last,
Om, heerlyk in het gout der eeuwigheit gekast,
Op 't kostlykste in zyn albeschouwend oog te pralen:
Daar zal ik wandlen met de hemelsche koralen
Naar 't koninklyk Paleis, en naar den gouden troon
Der Oppermajesteit. wie weet hoe groot en schoon
[p. 282]
origineel
Zyn zetel is; want daar de voetbank zoo begeerlyk
En groot is, ryke Godt! hoe kostelyk en heerlyk
Is dan uw troon! hoe wyd de zaal, en uitgebreidt,
Daar gy den schepter zwaait van uwe mogentheit!
Maar dit Paleis, zoo vol verrukkende gezichten,
Moet voor de heerlykheit des grooten Konings zwichten,
In wiens beschouwing zulk een eindeloos getal
Van zuivre geesten nooit verzadigt wezen zal;
Maar zonder uiteinde, in verwondring opgetogen,
Op zynen luister zien met nooitgesloten oogen.
Daar wordt d' onwetenheit door weten uitgeblust.
Daar wordt de wil verpoost in 't middelpunt van rust;
En al 't begeren neemt een einde in het genieten
Van 't hoogste Goet, waaruit de vreugt en wellust vlieten;
De bronnen springen van het onbegryplyk Heil,
Zoo wonder groot, zoo ver verheven boven 't peil
Van 't menschelyk vernuft, als zelfs de hoogste hemel
Is boven d' aarde en al het sterfelyk gewemel!
Heilryke Godt! hoe groot is 't goet voor my bereidt!
'k Verlies me in 't aanzien van zyn schoonte en heerlykheit:
+
ô Heilant! waerom toest ge? ai haast u. sta niet stille.
Gebied de geesten, die gereedt staan u ten wille!
Of moet de doot my nogh op harder weedom staan,
Om myn gebreken, en myn zondenschult? welaan:
Laat hem dit lichaam vry met al 't gewelt bestryden,
Dat ge in 't verzoenen van de waerelt zelf zult lyden.
[p. 283]
origineel
Maar waarom dit? ik ben uw vrient, en bontgenoot,
Met u verzoent in uw zoenofferhande, uw doot.
Ontsluit uwe armen dan om mynen geest te ontfangen;
Want ik ben krank van liefde, en sterf schier van verlangen.
Dit hoort de Heilant op zyn' troon, en zendt gezwint
+
Twee geesten, vlugger dan de vlugge noordewint
Naar 't schaduwryk gewest des doots, om dien beminden,
En trouwen Godtsvrint van de sterflykheit t'ontbinden.
Strak worden al de vergelegen deelen styf,
En kout, de zinnen meê verwart in haar bedryf:
't Gezichtpunt brak; 't gehoor wert van zyn' plight ontslagen:
De reuk vervloog; de smaak was wech; 't gevoel ontdragen.
De levensgeesten, uitgespreit in yder deel,
Vliên van hun posten nu verbaast naar 't hartkasteel;
Gelyk verlegen en ontstelde burgerlieden,
+
Van hun' bestormden wal, naar d'uiterste uitvlught vlieden,
Hun binnesterkte en burgt; om die met heldenmoet
Noch te beschermen tot den laatsten druppel bloet.
Nu roept de Godtshelt nogh met half gebroken reden:
't Gaat wel! daar komt een rei van englen naar beneden!
+
Ik proef den wellust: 'k riek de Paradyslucht al.
Ik hoor alreê 't gejuich van 't Cherubyngeschal.
Ik zie de Hemelstat. daar gaan haar poorten open!
Wat wederhouwt me? wat belet my in te loopen?
Triumf! nu ben ik los, en treê met eenen stap,
De waerelt uit tot in myn hemelburgerschap!
[p. 284]
origineel
+
Zoo sloot de grootste man, die d'aerde ooit zag, zyne oogen,
En blies den adem uit. het hart had geen vermogen
Om die geloofsdrift en verrukking van 't gemoet
Te wederstaan; vergeet zyn' slagh, en laat het bloet
Nu zonder persing stil, verstyven in al d' aderen.
Zoo staat een uurwerk, met zyn spillen en zyn raderen,
Zoodra 't aan tegenwight begint t' ontbreken, stil.
Zyn spieren trekken nogh een weinigh door 't gedril
Der zenuwen, gelyk ontspronge luitesnaren.
Maar zyne Heldeziel, ten hemel in gevaren,
De stad des grooten Godts, wordt in zyn vaderlant
+
Nu door Godts Vrede, met d'olyven in de hant,
Ontmoet en ingeleidt, omringt van duizent drommen
Van zaalge geesten, die den Helt verwellekommen.
De Godtstadt is vol vreugt en geeft een dubblen glans.
De naam van Abraham rolt voort van trans in trans.
De hemelhofbazuin stemt met de reien 't samen,
En galmt zyn glori uit, zyn tytelen en namen,
Terwyl de weêrgalm roept: zoo nadert tot Godts troon
De Helt van 't waar geloof, Slachtoffraar van zyn' zoon!
Nu vliegen Engelen en Serafynereien
Vooruit, om mynen Helt naar d'opperzaal te leien,
+
Daar ook de hofschalmei der Cherubynen klinkt.
De diamante poort gaat open, blikt en blinkt,
En al 't gesteente van de wonderlyke bogen
Schiet straal op straal, daar hnn gewelven zich verhoogen.
[p. 285]
origineel
Zoo wordt Helt Abraham tot voor den troon geleidt,
Daar hem Godts Liefde omhelst, en d'Algenoegzaamheit
Vervult; de Wysheit hem verlicht met wetenschappen;
De Heerlykheit versiert, en voert op hooger trappen;
Tot daar de Heilant zelf hem al den schat ontsluit
Van zyn genade; en stort op zynen schedel uit
Den hoorn van heil, en zegt: zoo heerlyk en uitstekent
Een erfnis wordt u in myn zoendoot toegerekent.
Kom nu, Gezegende myns Vaders, erf de kroon
+
Der overwinning! kom myn teêr beminden Zoon
Zit aan met alle myn verheven Gunstelingen.
Nu wordt hy onder 't heilgejuich en vrolyk zingen;
Geleidt ter bruiloft van het Lam in d'eeuwigheit,
Daar hem verzadiging van vreugt was toebereidt.
Maar ach! hoe aakligh stont het nu in 't velt geschapen!
+
Hoe treurt helt Izak! ach! hoe treuren bei zyn knapen!
In welk een rouklaght berst vrou Ketura niet uit,
Daar zy nu d' oogen van haar' grooten Herder sluit!
Hoe zucht Rebekka niet, van rou in 't hart geslagen!
Hoe deerlyk hoort men nu den huisbezorger klagen!
En welk een nare kreet klinkt over 't ruime velt!
Alle oogen schreien om het sterven van den Helt.
Gansch Gerar staat verbaast, en Hebron slaat aan 't weenen.
De heuvels zuchten, en de harde rotsen stenen.
De stroomende Jordaan zwelt van den tranevloet.
Het bosch van Berseba roept Mamres te gemoet:
[p. 286]
origineel
Ja al het lant, tot aan de Palmstat en noch verder,
+
Roept schier uit eenen mont: Helaas! de groote Herder
Helt Abraham, de Vorst van Godt, s' lants Bontgenoot,
De sterke Temmer van de dwinglandye, is doot!
Helaas! helaas! doet ook de doot Profeten sneuvelen!
Zoo rolt de treurgalm ront, en stuit op Parans heuvelen,
Met zucht op zueht, en met angstvalligh wee! en ach!
Totdat zy Ismaël, gelyk een donderslagh
In d' ooren klinkt, daar hy byna van schrik versteende:
Hy maakt zich haastigh op, en komt daar 't alles weende,
+
En wascht het kout gebeent zyns Vaders met het nat,
Dat hem van droefheit uit zyn schreiende oogen spat:
Totdat men 't kostlyk lyk zeer heerlyk naar zyn waerde
In 't lommrigh Machpela te rust vertrouwde aan de aerde:
Daar beide zonen, met de tranen in 't gezicht,
Een voorbeelt geven van den deugdelyken plight.
+
Nu is myn taak volwrocht, myn dichtwebbe afgeweven.
'k Heb twalif boekjes van Helt Abraham gefchreven;
Dien grooten man, schier van zyn wieg tot aan zyn graf,
Op alle toghten, van zyne eerste roeping af,
Tot daar hy zegepraalt in d' opperhemelbogen,
Op vlugge vleuglen van de Dichtkunst naargevlogen:
En dus een eerzuil voor den Godtsdienst in myn dicht,
Met geestlyk wapentuig behangen, opgericht,
Waarop het heilgeloof, na 't einde van myn dagen,
Misschien nogh eeuwen lang zal moet en glori dragen.
[p. 287]
origineel
De blinde Griek zong van der Helden oorlogsdaân:
+
De Mentuäner van Eneäs, den Trojaan,
Die 't brandend Ilium, met zyn gewaande goden,
En zynen Vader op zyn schoudren, was ontvloden:
Ik heb gezongen van den grooten Abraham,
Die zynen Vader mede uit Ur, de Vuurstat, nam,
En hem, op Godts bevel de vaderlyke muuren
Onttoog, en 't smooken der afgodische outervuuren.
De Helt van Sulmo, wien ik 't Roomsche jaargety
En feesten naarzong in myn duitsche poëzy,
Zong van zyn goden en hun vormveranderingen:
Al schrandre fablen en geleerde beuzelingen:
Ik van de Godtheit, die het ongenaakbaar licht
Bewoont: van Godt begint en eindigt myn gedicht,
En van zyn waarheit, die 'k geschildert heb naar 't leven
Met echte verven; haar zooveel sieraats gegeven,
En, naar 't vermogen van myn kunst, zoo ryk gekleedt
Als hare statigheit van hemelsche afkomst, leed.
ô Godt der Waerheit, die myn lage maatgedichten
+
Met zuivre stralen van uw Wysheidt voor woudt lichten,
En mynen geest alsints hebt door uw' Geest geleidt:
U zy de lof, de dank, al d' eer en heerlykheit:
En zoo de waerelt my ooit lof of eer wil geven;
Die komt U toe: die werde alleen U toegeschreven;
Want gy bliest door uw kracht myn ziel, al van 't begin
Tot aan het einde van myn werk, den yver in.
[p. 288]
origineel
Gy hebt het heiligh vuur op 't hartaltaar ontstoken,
Om U dit offer van myn gaven toe te rooken:
Ontfang het gunstigh en met een verzoent gelaat.
Bewaar myn' arbeit voor de klaauwen van den Haat,
En koester mynen geest, vermoeit van 't ommedwalen
Door letterbeemden, in de warme Heilzonstralen:
Ja laat hem, of de doot my haast verrrassen kwam,
Toch rusten in den schoot van mynen Abraham.
EINDE.
+
Abraham teelt noch zes zonen by Ketura
.
+
Maar Rebekka blyft onvruchtbaar
,
+
De vruchtbaarheit beschreven
.
+
En hoe ze door de zonde bepaalt wordt
.
+
Izak begint na twintig jaren de Godtheit, met dubblen yver om de vruchtbaarheit te smeeken
.
+
Tot zyn gebedt verhoort
.
+
En Rebekka vruchtbaar wordt
.
+
Blytschap daar over
.
+
De tweelingen worstelen in haar lichaam
.
+
Waarom zy de Godtheit raat vraagt, die haar antwoort
.
+
Zy baart Jakob en Esau
.
+
In wier opvoeding de Aartsvader de waarheit der Godtsstem ziet
.
+
En voorzegt hare lotgevallen
.
+
Hy ziet, in, verrukking van zinnen, de kroone zyner onsterflykheit
.
+
Die beschreven wordt
.
+
Waar uit by zyn aanstaande einde bemorkt
.
+
Hy zendt zyn zes zonen uit Ketura met geschenken naar het Oosten
.
+
Hy doet al zyn knechten by een vergaren
.
+
En roept Izak tot zyn erfgenaam uit
.
+
En geest hem al zyn goet
.
+
Izak leidt den Vader naar zyn tente
.
+
Daar hy zynen zoon de leere der Vaderen en de voortplanting der oude geschiedenisse aanbeveelt
.
+
Nu betuigt helt Abraham moede te zyn van 't leven, en zat van dagen
.
+
Hy wort zwakker
.
+
En daagt de doot uit
.
+
En veracht zynen prikkel
.
+
Die voor die grootmoedigheit verschrikte
.
+
Waar op de hoop in Izak verschynt
.
+
Doch de Aartsvader redeneert met zekerheit van zyn einde
.
+
En van de heerlykheit van de zalige weningen
.
+
En bidt om zyn einde
.
+
En wordt verhoort
.
+
Begint te sterven
.
+
Spreekt zyn laatste reden
.
+
En geeft den geest
, 175
jaren out zynde
, 100
na hy in Kanaän kwam
, 38
na Saraas doot, in het
2183
jaar na de schepping der waerelt
, 15
na de geboorte van Jakob en Esau
.
+
Zyn geest wort in triumf ten hemel gevoert
.
+
En geleidt naar Godts troon
.
+
En de bruilost des Lams
.
+
Algemee nodroesheit om de doot van Abraham
.
+
Waar van 't gerucht tot op Parans geberg te tot Ismaëls ooren komt
.
+
Die zyn Vader komt beweenen, en met Izak begraven in de spelonke Machpela
.
+
Besluit der geschiedenisse
.
+
Vergelyk van dit werk met oude dichtstukken
.
+
Besluit van het werk
.