[p. 49]

Aan mijne vrienden

de heeren
Abraham Nicolaas van Pellecom,
Karel Nicolaas Meppen
en
Gerardus Cornelis Brillenburg,
met my daarstellende den vriendenkring,
onder de zinspreuk:
D.E.D.I.L. *  

      ô Vriendentrits, wien 't bloed, gelijk mijn bloed,
 Door de aadren bruischt, en wie het Oost doet smachten;
      Schoon middagzon, noch morgenlandsche gloed,
 Uw 'eersten groet aan de aarde, tegenlachten!
5
      ô Vriendentrits, wier borst al 't schoone omvaâmt,
 Dat morgenland en middagdreven kweeken,
      En die den luim van 't grillig lot beschaamt,
 Die U verbande in Noordsche nevelstreken: 2-8  
      ô Vriendentrits, die met my leeft en zweeft
10
 In 't hemelrijk der Poëzy, waar vrijheid 10  
      Ons burgren maakt, en schoonheid wetten geeft,
 En alles tot één doel, één harmony leidt.
 *  D.E.D.I.L. Het is me niet gelukt de betekenis van deze zinspreuk te achterhalen. Overigens kan de naam van een blijkbaar reeds langer bestaande vriendenkring i.v.m. De Renegaat m.i. niet meer dan een interessant ‘randgegeven’ zijn.
 2-8  Men vindt hier de gangbare gedachte uitgedrukt, dat het (nabije) Oosten het eigenlijke vaderland van de temperamentvolle dichter is.
 10  zie voor de hier bedoelde vrijheid, Inleiding, pag. 16 en 38-39.


[p. 50]

 
      ô Vriendentrits, (my innig dier) U biedt
 Mijn hand een bloem, geplukt in eigen gaarde,
15
      Een cyterklank, een ongekunsteld lied,
 Voor velen NIETS, voor U van luttel waarde.
      Neen, meer! voor U, (hoe kunstloos) een kleinood, 17  
 Dat U door kleur en flonkerglans kan streelen;
      Want vriendschap maakt de kleinste dingen GROOT;
20
 En 't dofste glas herschept ze in puikjuweelen.
      Ik wijd daarom, (U, die het schrift verstaat,
 Dat in het boek mijns boezems staat te lezen,)
      Den zoon van 't lot, den woesten RENEGAAT,
 Wien somberheid en geestdrift riep in 't wezen.
25
      ‘Hoe? somberheid en geestdrift?’ - Vrienden, ja!
 Wat blijdschapsblos de wangen my moog' kleuren,
      De distelstruik der smarte is vaak my na,
 En eindloos ver de Heilroos rijk aan geuren. 28  
      Wanneer de gloed der Poëzy, in strijd
30
 Met de aardsche taak, door 't lot my voorgeschreven, 30  
      Aan hoogren plicht, dan aardsch belang my wijdt,
 Zou dan die kamp my louter bloemen geven? -
      Zou dan elk lied, dat mijn gevoelens spreekt,
 Een lofzang zijn, der vreugde toegezongen?
35
      Helaas, de slaaf, die zelf zijn keetnen breekt,
 Gevoelt het meest, waar 't erts hem heeft gewrongen! 36  
      De Dichter, die voor eedler roeping blaakt,
 Dan die, waarvoor de winzucht ommedwarelt,
      En die het KLEINE om 't GROOTE altijd verzaakt,
40
 Hy is niet schaarsch 't rampzaligst kind der wareld!
      ô Vierde hy zijn vol gemoed den toom,
 Dan zou zijn lied soms de Almacht Gods verzoeken; 42  
 17  hoe kunstloos: hoe weinig kunstwaarde het ook moge bezitten.
 28  en eindloos ver (is) de Heilroos.
 30  de aardsche taak: mijn dagelijks werk.
 36  't erts: 't metaal (van de ketenen)
 42  verzoeken: tarten (hij zou zich te hoog verheffen).


[p. 51]

 
      Of meêgesleept in 't bruisschen van den stroom,
 Hy 't dichtgevoel, hem aangeboren, vloeken! 35-44  
45
      Maar, veel te groot, om 't hem benijdend broed, 45  
 Door zulk een stap het eerloos hart te streelen,
      Waagt hy in 't Rijk der Fantazy den voet,
 En maalt zijn hand er smart- en treurtaaf'reelen;
      Zoo rijk aan verf, aan vuur, aan dageraad,
50
 Aan zonneglans en frissche lenterozen,
      Dat wis een blos ontgloeide op hun gelaat,
 Wanneer het zich niet had verleerd te blozen.
      Zóó, Vriendentrits! ontstond op 't dichtpaneel
 Mijn RENEGAAT, en schonk ik hem de kleuren
55
      Van 't geen mijn ziel, op 't wareldsche tooneel,
 Tot geestdrift spoorde, of oorzaak gaf tot treuren:
      Hy moog', wat dosch zich om zijn leden plooi',
 En schoon het wee, dat al zijn licht verdoofde,
      Hem schuldbesef en wanhoop schonk ten prooi,
60
 U welkom zijn, gelijk zijn zielsverloofde.
      En zoo hem soms 't driedubbel wee gewierd, 61  
 Dat hy, door U meedoogenloos verwezen,
      En met geen krans, hoe needrig ook, gesierd,
 Een laauwerkroon by andren moest gaan lezen:
65
      By al de smart, die dan my wonden slaat,
 Maakt me één gedachte en wonde en weedom lichter,
      Ze is, Vrienden, deze: ondanks mijn RENEGAAT,
 Bemint ge als VRIEND en duldt ge my als dichter.

Rotterdam, den 30 January, 1837.

A. van der HOOP Jr.

 35-44  de toekomstige biograaf van Van der Hoop wacht o.m. de taak het conflict te beschrijven dat Van der Hoop ervoer tussen zijn dagelijks werk als drogist en zijn eerzucht en roeping als dichter.
 45  't hem benijdend broed: vooral wel zijn critici!
 61  driedubbel: drievoudig (nl. door U drieën).