[p. 53]
I Aline.
[p. 54]
- Hier, spraakloos, rolt een traan uit de opgezwollen oogen
- Heur matten boezem langs. Het boomloof wordt bewogen,
- Een adem, als een wind, met leliegeur bevracht,
- Omfladdert ze en hergeeft haar de uitgeputte kracht.
- Een zachte en teedre stem, gevoeliger voor 't harte
- Dan merkbaar voor het oor, sprak: ‘smoor uw boezemsmarte,
- Wees kalm Elpine, uw lot verandert. Wees gedwee,
- Ik waak, ik zweve om u: ik oorzaak van uw wee.’
- Ze ontzet: ‘Gerechte God!’ dus roept ze, en kan weêr snikken,
- Weêr woorden uiten, en weêr tranen die verkwikken.
- ‘Wat hoorde ik? Welk een stem! bedriegt mijn hart zich, of
- Ontwaarde ik inderdaad de troosttaal die my trof?
- Wat Geest, wat Engel huist of waart in deze bladeren,
- En stort de onheilige dien hemeldaauw in de aderen.’
-
- Bilderdijk. Ondergang der eerste Wareld. 1e Zang.
[p. 55]
Aline.
- 1
- 't Was Hooimaand. Frankrijks lelievaan, 1
- Op tienden Karels last verheven 2
- Ten heilbanier, die d'Oceaan
- De vrijheid weêr zou geven,
- 5
- En 't Algerijnsche roofgebroed
- Voor altijd bannen van den vloed: 6
- Die vaan zag de avond wapprend pralen 7
- Van honderd kielen, en door 't vuur
- Belonkt der laatste zonnestralen,
- 10
- Zich badende in het klaar azuur, 10
- Langs Torre Chicaas geele bergen 11
- Der Algerijnen roofvlag tergen.
- Want reeds had, storm en vloed ten spijt, 13
- En 't staal van krijgshafte Arabieren,
- 15
- Bourmont zijn heir, ontvlamd ten strijd 15
- Een oogst doen plukken van laurieren, 16
- En by het daavrend schutgeknal
- Den kreet van Frankrijks zegepralen,
- Gestemd in Sidi Khalefs dal, 19
- 20
- Den Atlas doen herhalen.
|
1 Hooimaand: juli (1830).
Lelievaan: de vlag van de Bourbons.
2 tienden Karel: Karel X van Bourbon, die regeerde van 1824-1830.
10 het klaar azuur: de zee.
11 Torre Chica: of Sidi Ferruch, baai even ten westen van Algiers, (zie ook Aanteekeningen, pag. 113).
13 Storm en vloed ten spijt: zie: Aanteekeningen pag. 113.
15 Bourmont: Minister van oorlog en aanvoerder van het expeditieleger tegen Algiers. Van der Hoop geeft aan het eind van zijn Aanteekeningen een uitgebreide levensbeschrijving van en apologie voor Bourmont. (vgl. pag. 102-103, noot).
16 laurieren: eretekenen.
19 gestemd: aangeheven.
Sidi Khalef: plaatsje niet ver van de hoofdstad Algiers (zie ook Aanteekeningen, pag. 114.
|
[p. 56]
-
- Gelijk een tijger, tuk op buit,
- Zijn krocht verlaat by 't morgenlichten 22
- Trok Husseyns leger snorkend uit, 23
- En dacht aan nederlaag noch zwichten;
- 25
- Maar even als die schrik van 't woud,
- Na 't eerst bloeddorstig prooibespringen
- Zich door een jachtstoet ziet omringen,
- Hem naadrend door het kreupelhout,
- En dan met bloedbevlekte tanden
- 30
- Den zwakste, die hem aan durft randen
- Verscheurt, en snel als de uchtenwind
- Zijn roofspelonken zoekt en vindt;
- Zoo zag de bloem der Algerijnen
- Den ridder zonder blaam verschijnen, 34
- 35
- Die met de leus van ZEGE of DOOD,
- Een heldenschaar, hem waard, gebood.
- Verplet, gekneuzeld, diep vernederd,
- De halve Maan verplet in 't zand, 38
- Den kostbren tulbandwrong ontvederd,
- 40
- De rosstaart in den solferbrand 40
- Gezengd, ontvlood langs 't duinig strand,
- De roover, op zijn vlugge paarden
- Den glans van bajonet en zwaarden,
- En vond in de Algerijnsche muur
- 45
- Verademing voor 't oorlogsvuur.
-
- Wie is zy, die de grijze wanden
- Van Husseyns burcht in d'avondschijn
- Verlaat, om in de lustwaranden 48
- Van 't vrouwentimmer vrij te zijn, 49
|
34 Den ridder zonder blaam: Bourmont.
38 De halve Maan: het waren voornamelijk Turken, die onder aanvoering van de schoonzoon van de Dey van Algiers, Ibrahim Aga, de Fransen hadden aangevallen, (zie Aanteekeningen, pag. 114).
40 rosstaart: staart van de paarden.
solfer: kruit.
48 lustwaranden: de heerlijke tuinen.
49 vrouwentimmer: vrouwenvertrek, harem.
|
[p. 57]
-
- 50
- En aan den klank der cythersnaren
- Haar zilverzuivre stem te paren?
- Zie, hoe haar zwarte ravenvlecht,
- Door kostbre ringen vastgehecht,
- Den boei van 't gaas niet wil verdragen,
- 55
- Als tulband haar om 't hoofd geslagen;
- Maar golvend langs een boezem zweeft,
- Wiens blank het meerder blankheid geeft,
- Gelijk de schaauw der sparrenboomen 58
- Het wit der sneeuw meer uit doet komen.
-
- 60
- Een tabbert van satijn, getooid
- Met gouden rand en zilvren bloemen,
- Schijnt op het zoet genot te roemen,
- Dat ze om den schoonsten vorm zich plooit;
- Terwijl de versch geplukte rozen,
- 65
- Wier schoon heur oogen gadeslaan,
- In de avonddaauw van schaamte blozen,
- Omdat de lippen, die haar kozen,
- Haar blos in schoon te boven gaan,
- Wie is die maagd? - Is 't een dier schoonen,
- 70
- Waarvoor de Koran blaken doet,
- En die door eindloos minnezoet,
- Hierna den strijd des stervlings loonen? - 69-72
- Of is ze een Peri, in dees stond 73
- Heur vleugelrijdkaros ontstegen,
- 75
- Om voor het laatst een blik van zegen
- Te werpen op Gezaira's grond? 76
- Neen, welk een' eernaam ze ook verdiene,
|
69-72 aanduiding van de houri's van het Paradijs, de in de Koran genoemde eeuwig jonge en schone maagden, die het verblijf in het Paradijs veraangenaamden.
73 Peri: gevleugelde geest, oorspronkelijk uit Perzisch volksgeloof. Het lijkt zeer aannemelijk, dat Van der Hoop aan de Peri komt door het in zijn tijd zeer bekende en geliefde The Peri and the Paradise uit Lalla Rookh van Thomas Moore.
76 Gezaïra: Algiers. In de uitgebreide Aanteekening over Algiers vertelt Van der Hoop, dat de Arabieren spraken van ALGEZAIR (de eilandsche) of van ALGHAZZI (de strijdhaftige). (zie Aanteekeningen, pag. 109 en 115).
|
[p. 58]
-
- Door englenschoon of godenleest,
- Ze is Edensmaagd, noch hemelgeest; 79
- 80
- Maar sterflijk, en heur naam Aline.
-
- Geen Turksche moeder bracht haar voort.
- Geen Bedouyn, uit verre dalen
- Mocht in het uur van haar geboort
- De vadervreugd uit de oogen stralen.
- 85
- Neen; 't schoon Provence, Frankrijks bloem
- En vruchtengaard, die 't al ten toon spreidt,
- Wat zinnen boeit, droeg op haar roem,
- Als landgenoote en eerste schoonheid.
- Door deugdzame oudren opgevoed,
- 90
- Wies ze op, van deugdzin vol heur boezem,
- Gelijk by zomerzonnegloed,
- De amandelboom vol geurgen bloezem,
- En deed ze, als rijke vreugdemijn,
- Heur oudren de aarde een hemel zijn.
-
- 95
- Maar ach, de stralenrijke glansen
- Des voorspoeds zijn vaak wuft van duur,
- En als de gloed van 't zonnevuur,
- In 't voorjaar rijzende aan de transen. 98
- Een kiel, op Husseyns last bemand,
- 100
- Door 't schuim dier eerlooze korsaren, 100
- Die eeuwen lang het veld der baren,
- Ontveiligden, Euroop ten schand,
- Wierp, mat van 't strafloos meir afstroopen,
- Het anker aan Provences kust,
- 105
- En schonk aan woeste roovrenhoopen,
- In schaduw van olijven rust.
-
- Als 't lam, dat in de thijmkruiddreven, 107
- Geen woeste wolvenschaar vermoedt,
|
|
[p. 59]
-
- 110
- Door d'Algerijnschen wolvenstoet,
- En zich op 't schennigst aangegrepen,
- Den brigantijn in 't roofhol slepen; 112
- Wiens opperhoofd, een vuige slaaf
- Van 't goud in Algiers wal haar veil had 114
- 115
- Voor 't goud van HUSSEYN DEY, den raaf,
- By wien geen onschuld immer heil had.
- Maar, schoon die grijze Rijksvizier
- Van Stambouls hoogen keizerszetel, 117-118
- Op onbegrensde macht vermetel,
- 120
- Haar minde met onheilig vier; 120
- Zy wees hem af, gelijk de rotsen
- De golven, hoe ze ook branden, trotsen;
- En nooit klemde in een zwakken stond
- De meester op heur mond zijn mond.
- 125
- Neen, altijd wist zy door heur blikken
- Den Bedvoogd van zich af te schrikken,
- En by het klimmen van zijn gloed,
- De kracht te breidlen van zijn moed. 128
-
- Zoo leefde Aline een tweetal jaren
- 130
- In Husseyns liefdelusthof: schoon
- Als zy, was wie er met haar waren 131
- Geen enkle, of droeg de maagdenkroon;
- Zoodat ze als gunstling mocht bevelen,
- Schoon ze in heur gunst geen Dey liet deelen.
-
- 135
- Een oorlogsvlam, te lang gesmoord
- Door vijanden van orde en wetten, 136
- Brak eindlijk uit Parijs hervoort,
- En dreigde een roofstaat neêr te pletten,
|
112 brigantijn: galeivormig zeeroversschip
114 veil had: te koop aanbood.
117-118 De Dey erkende de Sultan van Turkije pro forma als leenheer (Zie Aanteekening, pag. 113).
128 breidlen: temmen, bedwingen.
131 wie er met haar waren: mede-haremvrouwen.
136 vijanden van orde en wetten: de liberale oppositie, (zie Aanteekeningen pag. 110).
|
[p. 60]
-
- Die, eeuwen lang, elk staatsverbond,
- 140
- Hoe duurbezegeld, hoonde en schond:
- Want Frankrijks Koning, lang beledigd
- Door Husseyn, vreemd aan volkentrouw,
- Had, aan zijn heilge plicht gehouw, 143
- Het zwaard gegrepen, en 't be-eedigd,
- 145
- Dat hy de menschheid wreken zoû.
- Hy had de handschoen opgenomen,
- Hem toegeworpen over 't meir;
- En schoon het Fransche bloed mocht stroomen,
- 't Zou vlieten in het perk der eer!
-
- 150
- Toen dacht de woeste Dey niet langer
- Aan 't lesschen van zijn liefdedorst,
- De tijd, van grootsche feiten zwanger,
- Kweekte andre driften in zijn borst.
- Toen riep hy uit de kreupeldreven
- 155
- Van d'Atlas, die den hemel draagt, 155
- De horden op, die onversaagd
- In 't vuur, van roof en oorlog leven. 157
- Toen dwong hy Constantines Heer, 158
- Om goud en manschap hem te zenden,
- 160
- Ten weêrstand tegen vreemde benden,
- Hem weigrend zijn gebied van 't meir. 161
- Van dat het zonlicht rees ter kimmen,
- Verguldend koepel en moskee,
- Tot dat het in de onmeetbre zee
- 165
- Zijn laatste stralen weg deed glimmen,
- Zag men in d'Algerijnschen wal
- Het staal op 't ijzren aambeeld smeden
- Tot wapens, en by 't paukgeschal,
|
155 d'Atlas: het Atlasgebergte, maar tevens de mythologische reus, die het hemelgewelf torst.
157 in 't vuur: in het vuurgevecht.
158 Constantines Heer: De Bey van Constantine, die de Dey van Algiers hulptroepen zond (zie Aanteekeningen, pag. 114).
161 zijn gebied van 't meir: zijn heerschappij op zee.
|
[p. 61]
-
- Genetten langs de vlakte treden, 169
- 170
- Of rennen, dragende in het zaal
- Hun ruiters, heet op zegepraal.
-
- De burcht, gesticht door vijfden Karel,
- Dien Keizer, in wiens Statenkring
- Het zonnelicht nooit onderging;
- 175
- Wiens diadeem de schoonste parel
- Ontviel, toen hy de halve Maan
- Te buigen dacht voor Christus vaan;
- Maar met bebloede kop en lenden
- Zijn vloot de plechten af deed wenden. 172-179
- 180
- Sultan Khalessi, dat kasteel, 180
- Weldra het bloedig krijgstooneel,
- Waar de Afrikaansche legerdrommen,
- Ten spijt van leeuwendapperheid,
- Voor 't Europésche krijgsbeleid
- 185
- Den hals verwonnen nederkrommen:
- Die burcht wordt, op Dey Husseyns last,
- In vijfhoekvorm met bastioenen 187
- Omgord, en in het rond bemast
- Met stammen, die nog loof doen groenen.
- 190
- De walkreits wordt alom beplant 190
- Met stukken, die bevracht met sulfer 191
- En lood, bestuurd door 's krijgsmans hand,
- 't Vijandig heir van alle kant
- Vergruizlend nederslaan tot pulver.
- 195
- Die citadel, dat schild van staal, 195
- Schrikke als een vreesselijke Aegide, 196
|
169 genetten: vurige strijdrossen (eigenlijk: snelle Spaanse paarden).
172-179 Karel V deed in 1541 een vergeefse poging Algiers te onderwerpen.
180 Sultan Khalessi: het door Karel V op een kwartier gaans ten Z.O. van Algiers gebouwde fort (zie Aanteekeningen, pag. 114).
187 bastioenen: bolwerken, uitspringende gedeelten in vijfhoekvorm aan een vestingmuur.
190 walkreits: rondlopende wal.
196 Aegide: Aegisschild, afschrikwekkend schild met Medusahoofd, attribuut van Pallas Athene.
|
[p. 62]
-
- Bourmont van 't pad der zegepraal,
- Opdat hy als het woudhert vliede;
- En weêr de Dey, in weelge lust, 199
- 200
- In schaduw der Casobah rust, 200
- Van amfioen en sorbet dronken, 201
- Naast de Odaliske in slaap gezonken. 202
-
- Na dien tijd mocht Aline op vreê
- En kalmte in Husseyns harem roemen,
- 205
- En deelde zy aan plant en bloemen
- Alleen heur zielsgeheimen meê,
- Tot ze in heur hart, met heftig blaken,
- Het vuur der liefde voelde ontwaken.
-
- Een jonge, fransche renegaat, 209
- 210
- Sints kort als moedig vrij soldaat 210
- Aan Husseyns oorlogsvaan verbonden,
- En door zijn ijver hem vertrouwd,
- Had meer door kloek beleid dan goud
- Den sleutel van 't Serail gevonden. 214
- 215
- Dáár zag hy in de myrthenlaan, 215
- De schoone Aline voor zich staan,
- En werd door al de macht betooverd,
- Waarmeê de vrouw den man verovert.
-
- En zy? ..... Een fier Apollobeeld; 219
- 220
- Maar levende, en de purpren lippen, 220
- Die fransche woorden doen ontglippen,
|
199 Dey: de titel van de beheerser van Algiers van 1600-1830.
200 Casobah: ommuurde kernwijk met citadelfunctie, niet toegankelijk voor vreemdelingen.
201 amfioen: opium.
sorbet: verfrissende vruchtendrank.
202 Odaliske: haremdienares, (eventueel) tevens concubine.
209 renegaat: afvallige, speciaal Christen die tot het Mohammedanisme is overgegaan; iemand, die vroegere overtuiging verloochend heeft.
210 vrij soldaat: vrijwilliger.
214 Serail: Turks paleis; ook wel: harem.
215 myrthen: altijdgroene heester.
219 En zij?: d.w.z. En wat zag zij?
220 Maar levende: bep. bij: Een fier Apollobeeld.
|
[p. 63]
-
- Met zwarte knevels mild bedeeld,
- En oogen, die als flonkersteenen
- Met gitbruin duister licht vereenen. 224
- 225
- Een godenvorm, vol zwier en pracht,
- Waarvan de losse Turksche dracht
- Den schoonen omtrek wel verhoogen;
- Maar niet verhullen kan voor de oogen.
- Die man stond voor haar blik: - zy zag,
- 230
- Zy hoorde, of wikte niet; maar lag
- Den landgenoot, den overwinnaar,
- Den nooit te voor omarmden minnaar,
- In d'arm, en door Fernandoos min, 233
- Had de aard weêr hemel voor haar in.
-
- 235
- Zy zwoer hem liefde; hy, haar trouwe
- En beider zalig lot geleek
- Een bloemenrijke lustlandsdouwe, 237
- Bevochtigd door een zilvren beek.
- Wanneer de zon scheen aan den hemel,
- 240
- Dan leidde hy met ros of kemel 240
- 't Geschut naar Sidi Khalefs kamp;
- Maar als heur gouden stralenluister 242
- Beneveld werd door 't schemerduister
- Van stuivend zand en avonddamp;
- 245
- Dan snelde hy op liefdes wieken
- Naar Husseyns vrouwentimmer heên,
- En toefde er tot door 't morgenkrieken
- Hem de avond van zijn vreugd verscheen.
-
- Ook heden zal Fernando komen:
- 250
- Dat zoet bericht heeft zy vernomen
- In 't briefjen, dat de vlugge schacht 251
|
224 duister: donker (zelfst. n.w.).
237 lustlandsdouwe: heerlijk(e) veld(en).
242 heur: haar (van de zon).
|
[p. 64]
-
- Der Pavadetsche duif haar bracht. 252
- Daarom is ze op satijnen zolen,
- Na 't stemmen van den cythertoon,
- 255
- 't Prieel gelijk een hinde ontvloôn,
- En toeft ze in 't rozenloof verscholen 256
- Op heur geliefden Mavors zoon. 257
- Een voetstap kraakt; maar zacht als 't ruisschen
- Van 't haar omspelend loversuizen.
- 260
- Een luchtig ritslen plengt het nat 260
- Des daauws van bloemenblad op blad.
- Zy houdt den adem in: - zy luistert.
- Dat is geen avondwind, die fluistert;
- Zy kent die zucht, zoo zoet, zoo warm!
- 265
- En kussend zinkt ze in 's minnaars arm.
-
- Maar duister staan Fernandoos oogen,
- En de anders heldre dageraad
- Van 't aanzicht is met mist omtogen; 268
- Geen blijdschap throont op 't bleek gelaat,
- 270
- Dat door Alines rozenwangen
- Zich in het zachtst gareel voelt prangen. 271
-
- ‘Het uur der scheiding zal ras slaan!’ -
- Dus roept hy uit, en kust ze onstuimig,
- ‘De krijgsfortuin, steeds blind en luimig, 274
- 275
- Ontzeî de zege aan Meccaas maan. 275
- Het lelievendel der Bourbonnen,
- Dat door verraad den adelaar 277
- Aan Seines boorden heeft verwonnen,
- Vernielde Husseyns legerschaar.
|
252 Pavadetsche duif: duivensoort, dat zeer geschikt was voor postduivenwerk. (Zie Aanteekeningen, pag. 115).
257 Mavors zoon: zoon van Mars, de oorlogsgod.
260 plengt: stort, laat druppelen.
274 luimig: onberekenbaar, humeurig.
275 Meccaas Maan: de Muzelman.
277 den adelaar: Napoleon.
|
[p. 65]
-
- 280
- Gezwaaid door 't drietal fiere zonen 280
- Van held Bourmont, die, wie hem honen, 281
- Den naam van held verdient, was 't staal
- Der Franschen gids ter zegepraal.
- Kabyl en Bedouynen vlieden, 284
- 285
- By Sidi Khalef Frankrijks heir;
- Gelijk de Mameluk weleer
- Verstoof in 't dal der Pyramiden. 286-87
-
- Eer wy het zonlicht op zien gaan,
- Zal men 't beleg voor Algiers slaan,
- 290
- En ziet die stad de sterke wallen
- Van 't Keizersfort, door my verweerd,
- Den Frank braveren, of, verkeerd 292
- Ten puinhoop, uit elkander knallen.
- Maar, beef niet by dat woord, mijn kind!
- 295
- En geef u aan geen wanhoop over:
- 'k Ben voor den Algerijnschen roover,
- Ter zelfopoffring niet gezind.
- Als 't Frankrijks leger mag gelukken,
- Zijn lelievendlen op de kruin
- 300
- Van 't fort te planten, zal 't in puin
- Verbrokt, die vlag wel van zich rukken;
- Maar wy, mijn dierbre, zien van veer 302
- Dat schouwspel aan, op 't golvend meir.
- Een trouwe Moor, dien ik het leven
- 305
- Gered heb op den Oceaan,
- Zal 't slot in vlammen op doen zweven,
- En vriend en vijand doen vergaan.
- 'k Heb tot dit feit door plechtige eeden
|
280 gezwaaid door (etc.), bepaling bij: 't staal (282).
281 wie hem honen: wie hem ook mogen honen.
284 Kabyl: woeste bergstam uit het Atlasgebied.
286-87 Deze regels verwijzen naar de overwinning van Napoleon op de Mamelukken in 1798 (zie Aanteekeningen, pag. 115).
292 braveren: trotseren; Frank: naam voor Europeaan in het Nabije Oosten.
verkeerd ten: veranderd in.
|
[p. 66]
-
- Hem aan mijn zegekar geboeid,
- 310
- En 't hart voor 't heerlijkst loon ontgloeid,
- Voor 't paradijs vol zaligheden.
- Zoodra moskee en minaret
- Het uur van middernacht weêrgalmen,
- Verlaat dan 't stille slaapsalet
- 315
- En zweef langs zijden ladderschalmen 315
- Den hofmuur af, op 't geurig mosch:
- Dáár zult ge my in ruiterdosch
- En met een fieren klepper vinden, 318
- In snelheid sneller dan de winden:
- 320
- Dan breekt het lot uw boeien los!
- Dan, ..... maar ik hoor de krijgstrompetten
- Gestoken. Andwoord geeft de trom 322
- In 't kamp. By God! dat is geen drom
- Van Algerijnsche bajonetten.
- 325
- 't Zijn Franschen, die de palmvallei
- Vervullen met hun krijgsgeschrei.
- Men komt. Ten strijd! vaarwel, mijn Zoete!
- Mijn leven van mijn leven: 'k ga,
- Opdat ik ras u weêr ontmoete.
- 330
- Dat tijdstip, dierbare, is ons na.
- Vaarwel! - Te middernacht, voor immer,
- Verlaat ge Husseyns Vrouwentimmer!’
-
- Eén kus - één handendruk! - hy gaat,
- Terwijl heur blik hem gadeslaat,
- 335
- En aan de starren schijnt te vragen:
- ‘Zal ooit die heilstond voor my dagen? 336
- Voorspelt het kloppen van dit hart
- Mijn ziel geen eindelooze smart?’
-
- Zy neemt heur cyther in de handen;
- 340
- Maar 't vuur, dat haar het hoofd doet branden,
|
315 schalmen: schakels; hier: ‘treden’.
336 heilstond: uur van zegen.
|
[p. 67]
-
- Belet haar vingren, dat ze één toon
- Op 't speeltuig vormen, steeds gewoon,
- Met volle en teedre klankakkoorden
- Den stroom te dragen van haar woorden.
- 345
- Het krijgsrumoer, dat van haar zy
- Fernando wijken deed, gaat over,
- Verstervend in de melody
- Van 't haar omruisschend bloemenlover.
- By tusschenpoozen slechts verlicht
- 350
- Een blaauwe en lange bliksemschicht 350
- Den horizon, en hoort zy 't klateren
- Van 't schutgevaart langs kust en wateren.
- Maar ook dat oorlogsonwêer zwijgt,
- Gelijk de storm, die haar bekrijgt. 354
- 355
- Dat geeft haar moed en staakt haar treuren,
- Gelijk we een bloem heur kelk zien beuren,
- Wanneer de stormwind mat gewoed
- Ter rust gaat in den breeden vloed.
- Nu grijpt ze, op dat heur zangchitare
- 360
- Den weemoed van heur ziel verklare,
- De koorden aan, vol geestdriftgloed 361
- En toonen rein en tooverzoet,
- Weêrklinken in Alines ooren,
- Als deed de aeöolsche harp ze hooren. 364
Het lied van Aline
- 365
- Het duister daalt neêr - en verspreidt langs het meir
- Den sluier van dommelig blaauw;
- De daauwdropplen zinken als paârlen ter neêr,
- En vonklen in 't nevelig graauw.
|
350 bliksemschicht: n.l. van het geschut.
354 bekrijgt: beoorloogt, verontrust.
364 aëoolsche harp: windharp, muziek-instrument met acht of tien snaren, die door de wind tot klinken worden gebracht.
|
[p. 68]
-
- De bloeiende roos - overdekt voor een poos,
- 370
- Heur blaân met zoetgeurende mosch: 370
- De bloemvogel zingt in den boom, dien hy koos:
- 't Is hemel in bloemhof en bosch.
-
- Maar 't hart slaat my bang - en geen vreugd kleurt mijn wang;
- Schoon liefde heur Eden me ontsluit;
- 375
- En sombere akkoorden geleiden mijn zang;
- Mijn ziel is de weedom ten buit.
-
- Fernando, voert ooit - in den lichtglans getooid
- Der trouwe u het lot weêr me aan 't hart? 378
- Een akelig voorgevoel predikt my: nooit!
- 380
- U beiden toeft eindlooze smart. 380
-
- Provence, mijn land - in wiens bloemenwarand,
- Ik schuldloos en zalig te moê,
- Al dartelend sprong aan der ouderen hand:
- Wanneer roept gy 't welkom! my toe? -
-
- 385
- De wind ruischt door 't loof - maar de toekomst is doof
- En meldt my geen woord van mijn lot:
- Verkwik my daarom door de hoop en 't geloof
- Aan Uw eeuwige liefde, ô mijn God! 387-88
-
- Hier zweeg het lied: .... maar God, wie staart
- 390
- Zoo woest haar aan, en doet haar lokken
- Als halmen stijgen hemelwaart,
- Onzichtbaar naar omhoog getrokken?
- Wat vaagt op eens het incarnaat 393
- Haar weg van 't hemelschoon gelaat,
- 395
- Gelijk één lonk van 't zonneschijnen,
- By lente, een sneeuwkleed doet verdwijnen?
|
378 der trouwe: bepaling bij lichtglans.
387-88 men merkt hier de duidelijke toespeling op I Corinthe 13:13.
|
[p. 69]
-
- Wat zag ze? .... een spraakloos Mauritaan, 397
- Een man in schijn; maar niet in wezen, 398
- Hitst tweepaar monsters op haar aan,
- 400
- Als hy, ter schandvlek uitgelezen, 400
- Als hy, voor elk gevoel verdoofd,
- Van menschlijkheid en spraak beroofd. 402
- Gelijk een schaap zijn wreeden meester
- Gehoorzaamt, buigt ze op hun gebaar
- 405
- Den hals, als voor den storm de heester.
- Nu vouwt zy 't poezel handenpaar;
- En pezenknellend koordgestrengel
- Ontwijdt de leden van een engel.
- Om 't slanke middel 't drukkend koord,
- 410
- Sleept men haar door den Harem voort
- Ten kerker, waar de duistre zalen
- Geen weêrklank in den hof herhalen;
- Gelijk de zee geen klacht hergeeft
- Van hem, die in haar kolken sneeft.
|
397 Mauritaan: bewoner van Mauritanië, Moor.
398 - deze Mauritaan is een eunuch (vgl. ook vs. 882).
400 uitgelezen: uitgekozen.
402 van spraak beroofd: stom gemaakt.
|
|
|